Honger en andere “rampen”

November 4, 2009

“In de ontwikkelingslanden worden toekomstig weliswaar meer agrarische producten geproduceerd, verhandeld en verbruikt, maar voedselschaarste en honger vormen desondanks een toenemend probleem… Wereldwijd lijdt een miljard mensen honger. Op lange termijn dreigt niet zozeer het gevaar dat er onvoldoende voedsel is als wel dat de armen er onvoldoende toegang toe hebben. Daarom moet de armoede verminderd worden en de economie groeien – daaraan kan in de ontwikkelingslanden de landbouw een bijdrage leveren”. (OECD: agricultural outlook 2009)

 Steeds meer levensmiddelen aan de ene kant – en tegelijkertijd is er een voedseltekort. Levensmiddelen zijn er ruim voorhanden, maar de hongerlijders ontberen iets cruciaals om hun honger aan te pakken: de toegang tot dit voedsel. Ze stoten blijkbaar op een barrière; eerst moeten ze aan geld zien te komen, dan krijgen ze iets te eten. Daaruit blijkt ten eerste: het doel van alle productie is niet de vervaardiging van goederen, die bijvoorbeeld de hongerlijders nodig hebben, maar het verdienen van geld; de rijkelijk geproduceerde materiële rijkdom bestaat enkel en alleen om verzilverd te worden. Ten tweede: het is dan ook deze dwang, deze alles beheersende doelstelling die de ellende in de markteconomie veroorzaakt. De deskundigen van de OECD noemen het geld echter niet geld, maar “toegang”. Daarin drukt zich enerzijds uit dat zij het als de vanzelfsprekendste zaak ter wereld beschouwen dat men zonder geld niets krijgt, dus geen “toegang” heeft; anderzijds gaat achter dit mooie woord schuil dat alles uitsluitend om geld draait. Ze zullen nooit van hun leven begrijpen dat het aan het geld ligt, d.w.z. aan de koppeling van elke productie aan het geld verdienen, dat de mensen hongeren; voor hen bestaat het hongerprobleem daarin dat de mensen geen geld hebben. Slechts ontbrekend geld verhindert dat de geproduceerde goederen daarheen komen waar ze dringend benodigd worden; zodra het er is, staat niets de “toegang” in de weg. Door deze bril bekeken, ligt de conclusie voor de hand: honger is geen gebrek aan voedsel, maar gebrek aan geld; de eerste behoefte van de armen luidt derhalve: een succesvolle geldeconomie! Meer dan een miljard hongerende mensen bewijst hoe onontbeerlijk een in geld gemeten economische groei is. De wereldwijde economische groei tijdens de laatste decennia heeft een reusachtig en groeiend aantal hongerlijders voortgebracht – en het enige probate middel daartegen is de wereldwijde economische groei.

 Daarmee staat natuurlijk vast wat de om haar efficiëntie en humaniteit geroemde markteconomie als oplossing voorschrijft: de hongerlijders krijgen – als ze geluk hebben – niet daardoor “toegang” tot voedsel dat ze het simpelweg produceren en eten, maar doordat ze (in de ontwikkelingslanden) er aan bijdragen landbouwproducten tot handelswaar te maken. Die moeten ze dan daarheen brengen waar de koopkracht thuis is, want alleen zo hebben ze de kans om geld te verdienen waarmee ze vervolgens voedsel kunnen kopen. Anders dan door economische groei kan men hen niet helpen.

 Zo buigt men zich markteconomisch over de kwestie van leven en overleven. Voor de professionele experts begint en eindigt economie met geld; ze kennen geen andere behoefte en geen ander product, geen ander vraagstuk en geen ander middel om problemen op te lossen. Onverschillig waar ze beginnen, het komt steeds weer neer op het afdraaien van dezelfde plaat: economische groei. Deze deskundigheid maakt zich uitsluitend zorgen over haar geldvermeerderingseconomie. Nog een typerend voorbeeld daarvoor, in dit geval uit de economieredactie van de FAZ (Frankfurter Algemeine Zeitung); ze verduidelijkt aan de hand van de recente Zuid-Oost-Aziatische natuurrampen in welke verhouding datgene wat “de economie” heet tot het overleven van de mensen staat:

“Het waren zwarte dagen voor de opkomende landen van Zuid-Oost-Azië: verwoestende regenstormen… meerdere aardbevingen… een tsunami… duizenden doden. De economie echter wordt door al deze rampen bijna niet geraakt; de rampen hebben nauwelijks invloed op de economische groei van de getroffen landen. ‘De economische gevolgen verbleken naast de menselijke tragiek’, vat het Internationaal Monetair Fonds de situatie samen.” (4.10.)

 De overlevingsproblemen van de mensen en “de economie” zijn twee volledig verschillende dingen. Wat “humanitaire rampen” in economisch opzicht zijn, valt altijd nog te bezien. In het gegeven geval “laat de menselijke tragiek de economische gevolgen verbleken”. De leden van de economieredactie willen niet inhumaan lijken en doen eerst hun menselijke plicht: ja, heel erg de vele doden… Dan komen ze ter zake en kunnen iets positiefs vermelden: de grootschalige vernietiging van levens en levensomstandigheden is weliswaar een ramp, maar uitsluitend voor het leven en niet voor de economie. Namelijk:

 “ Ik denk niet dat deze gelijktijdige shocks de heropleving van Azië zullen belemmeren, zegt Leong Wi Hu, econoom bij de bank Barclays Capital… Integendeel: in de regel stijgen na dergelijke rampen de aandelen van bouwbedrijven en cementproducenten omdat op een snellere of betere heropbouw gerekend wordt.”

 Wat betekenen dus – nuchter door de markteconomische bril bekeken – massaal optredende natuurrampen, bijvoorbeeld voor Indonesië of de Filippijnen? Goede vooruitzichten voor bouwbedrijven en speculanten op basis van verwoeste levensomstandigheden; anders uitgedrukt, in de woorden van Leong: “Ondanks alle tragiek van de slachtoffers kunnen dergelijke rampen positief uitwerken op het bruto nationaal product van een land.”

 Rampen? Dat hangt er maar vanaf.

Crisislessen

October 14, 2009

De wereldwijde economische crisis begint inmiddels aan haar derde jaar en de verschijnselen, die iedere krantenlezer en tv-kijker kent, zijn net zo weerzinwekkend als leerrijk. Het verloop, de bereikte toestand, de politieke behandeling en publieke becommentariëring van de mondiale malaise brengen de praktijken, vereisten en noodzakelijkheden van het gewone markteconomische zakenleven buitengewoon drastisch aan het licht en daarmee de absurde, voor de normale mensheid schadelijke constructieprincipes van de markteconomische winstmakerij - samenhangende fenomenen die anders, in “crisisvrije tijden”, uit gewoonte onverschillig geaccepteerd of helemaal niet waargenomen worden. Natuurlijk is de crisis niet vanzelf, quasi automatisch, leerzaam; net zomin als het gewone economische leven dat ze zo veelzeggend door elkaar schudt. De “vijfde macht” in de samenleving, de vrije media, voorziet het publiek van interpretaties die het actuele economische gebeuren als consequenties van onachtzame of ook opzettelijke regelovertredingen beschrijven; zo krijgt de - net behoorlijk van slag geraakte - markteconomische normaliteit alleen daarom al het kwaliteitskenmerk boven elke kritiek verheven te zijn omdat daar alles functioneert wat markteconomisch moet functioneren. Een uiterst affirmatieve kijk op de dingen; hij vindt algemene instemming daar hij inhaakt op de praktijk van een aangepaste levensmanier, het uit geld verdienen en kopen, sparen en schulden maken samengestelde alledaagse bestaan als alternatiefloos en vanzelfsprekend voorstelt en, complementair daarmee, de crisis niet als logisch gevolg, maar als afwijking van de regel duidt. De ontevredenheid waarmee de gewoontegetrouwe aanpassing regelmatig gepaard gaat, mag met het oog op de veel grotere beschadigingen door de crisis getroost worden vergeten; de ergernis over de gevolgen van de crisis wordt moreel begeleid en verzacht: door de succesvolle opsporing van schuldigen die “ons allemaal” - de fictieve solidaire gemeenschap van crisisslachtoffers: van serieuze kredietinstellingen tot en met net ontslagen werknemers - in het ongeluk zouden hebben gestort, godzijdank slechts tijdelijk. Wie het preciezer wil weten, wordt doodgegooid met toelichtingen over de techniek van hoogcomplexe financiële zaken, informaties die, wat reden en doel van de “haute finance” betreft, het tegendeel van voorlichting vormen; er wordt in ieder geval noch de regel noch de uitzondering uitgelegd - en al helemaal niet het verband tussen de bejammerde en vervloekte afwijkingen en de regels die ervoor zorgen dat reeds de functionerende markteconomische normaliteit ten koste gaat van de “onzelfstandige” meerderheid, en die de loop van de crisis zelf reguleren.

Dat moet dus verklaard worden. Zo leerrijk de crisis ook is: de moeite van het (om)leren bespaart ze haar slachtoffers niet

Om direct met de hoofdzaak te beginnen, de bron van inkomsten waarvan de grote massa in het markteconomische systeem inderdaad alternatiefloos afhankelijk is: in de crisis ondervinden nog aanzienlijk meer mensen dan anders aan den lijve of beleven van dichtbij mee dat loondienst een uiterst precaire aangelegenheid is. Dit ervaringsfeit is uiteraard ook in normale tijden niet onbekend, en de reden daarvoor is ook geen raadsel: geld krijgt men uitsluitend als de uitgave voor de werkgever loont - voor de winst van zijn bedrijf; maar publieke werkgevers calculeren uiteindelijk ook niet anders. Vandaar dat voor zo weinig geld mogelijk maximale prestaties worden geëist; en waar dergelijke werkgelegenheid desondanks niet rendeert, wordt op de mens - namelijk op het geld dat hij verdient bezuinigd. Dat weet men; iedereen houdt daarmee enigszins rekening en verwacht - op de een of andere wijze - nadelige invloeden op zijn eigen “levensstandaard”. Wanneer dan echter, zoals momenteel, de ontslagen steeds talrijker worden, personeelsstop afgekondigd wordt, inlevering van loon en arbeidstijdverlenging in het kader van “werkgelegenheids- programma’s” ook niet meer helpen en het moeizaam verdiende “burgerlijke bestaan” kapot gaat, dan is de private consternatie toch groot, het publieke lamento luid. Het blijkt dat de aanpassingsbereide mensheid niet echt beseft, in ieder geval niet werkelijk serieus neemt wat eigenlijk iedereen merkt en weet: zijn levensonderhoud kan men uitsluitend verdienen zolang de winstverwachtingen van werkgevers uitkomen. Men klampt zich vast aan het “zolang” als zou “hetzelfde schuitje” waarin bedrijf en personeel gezamenlijk zitten daadwerkelijk bestaan, en wil niet inzien dat “zolang” voor “omdat” en “opdat” staat: geld voor arbeid wordt uitsluitend betaald omdat en opdat de onderneming daarmee zelf geld verdient; de kans om door loonarbeid het noodzakelijke te verdienen, is in de markteconomie geen doel, maar voor eens en voor altijd slechts middel - voor de doelen van werkgevers. Door het gejammer over “dalende werkgelegenheid” en daarbij horende trieste “individuele lotgevallen” wordt de levensleugen die deel uitmaakt van de basisbagage van een burgerlijk bestaan in stand gehouden: ergens en uiteindelijk zou het in het markteconomische systeem, althans ook, om de loonafhankelijken moeten draaien: dat ze het loon waarop ze aangewezen zijn ook kunnen verdienen. Daarbij is de les zonder meer duidelijk: crisis betekent niet dat tal van werknemers in existentiële nood geraken en de rest van hen eveneens een onzekere toekomst tegemoet gaat; maar er heerst crisis als de winstmakerij mislukt. Dan worden werknemers massaal geslachtofferd daar ze in het markteconomische systeem sowieso alleen maar een bestaansrecht hebben als werkgevers door gebruikmaking van hun arbeid hun eigen voordeel behalen. In de crisis wordt dat niet eens verbloemd; desondanks weigert iedereen deze verduidelijking gewoonweg te onderkennen.

Uitgerekend de vertegenwoordigers van de werknemers, de vakbonden, lopen daarbij voorop. Ze komen met voorstellen hoe de rendabele aanwending van loonarbeiders weer op gang kan komen en het massale ontslag van arbeidskrachten binnen de perken kan blijven, namelijk door middel van loonsverlaging, onbetaald werk en minder vrije tijd - en niemand merkt, de bonden al helemaal niet, dat hun offerte alleen maar bevestigt wat geen mens wil inzien: de commerciële belangen van werkgevers, in de crisis ultimatief toegespitst, en de behoeftes van werknemers aan enigszins veilige levensomstandigheden staan diametraal tegenover elkaar. Desalniettemin verklaren de bonden zich bereid namens hun leden deze tegenstelling te verzoenen - volkomen ten koste van de loonarbeid. En niet eens daarmee vinden ze gehoor: de crisis dooft elk vonkje hoop op verenigbaarheid van de noodzaak tot geld verdienen met de economische wetten van de markteconomie. Uiteraard eist ieder bedrijf als het in moeilijkheden geraakt van zijn personeel inlevering van loon en langere werktijden; van dergelijke concessies maken werkgevers graag gebruik. Maar zo worden zelfs in normale tijden geen “arbeidsplaatsen gecreëerd”, maar kosten verlaagd en arbeidskrachten overbodig gemaakt. En als de winstmakerij algemeen stagneert, wordt flink het mes gezet in het loon en de kansen op loondienst - vrijwillige verarming “redt” helemaal niets…

Meer lessen uit de crisis (de financiële sector en de staatsinterventies), dus meer gelegenheden om het kapitalistische vaderland beter te leren kennen, in Gegenstandpunkt 3-09, of op deze website: crisislessen 2009

Obamas “change” in de wereldpolitiek

October 11, 2009

Als wereldpolitici hun mondiale voornemens onder een idealistisch motto lanceren, de droom van een betere wereld of een missie voor de mensheid verkondigen, dan is voorzichtigheid geboden. Volledig misplaatst is de onderdanige gewoonte de geloofwaardigheid van de politieke leiders onder de loep te nemen: of ze het eerlijk en oprecht bedoelen en of ze überhaupt over de middelen beschikken om hun mooie beloftes waar te maken. Hoe hoopvol of sceptisch, hoe gauw en diep teleurgesteld dan ook de staatsburgerlijke gemoederen gestemd zijn - te goeder trouw zijn ze allemaal. Want ze hanteren het gepropageerde politieke ideaal als maatstaf ter beoordeling van overheidsdaden - als de ongetwijfeld goede opdracht waaraan wereldpolitici zouden moeten voldoen. Daarbij behelst het plechtige beroep op grensoverschrijdend geldige waarden, waarmee machtige staatsleiders niet alleen hun nationaal voetvolk inpalmen maar ook huns gelijken op hun verantwoordelijkheid aanspreken, regelmatig de onmiskenbare aankondiging van harde imperialistische aanspraken. Dat zij de taak hebben de wereld te civiliseren waarin kennelijk louter concurrerende overheden hun rechten opeisen, is immers de premisse van dit soort politieke afkondigingen. De leus “vrijheid of socialisme” bijvoorbeeld stond voor de oorlogsverklaring van het verenigde westen aan het “verkeerde systeem” van de Sovjet-Unie die zich en haar invloedssfeer onttrok aan de globalisering van het kapitalisme - een oorlogsverklaring die de planning van een nucleaire oorlog omvatte. Daaraan aansluitend, na het verdwijnen van het “ijzeren gordijn”, proclameerde VS-president George Bush senior de “nieuwe wereldorde”; haar aanvang was de oorlog tegen Irak. En de laatste democratiserings-missie die George Bush junior onder het motto “anti-terrorisme” resp. “goed versus kwaad” liet uitvoeren, ontketende zoals bekend een oorlog op meerdere fronten tegen ongewenste staten.

De nieuwe Amerikaanse president Barack Obama verkondigt zijn wil tot “change” voor een globaal publiek. In grote speeches aan uiteenlopende adressaten laat hij iedereen weten, de Russen als de moslims, de Afrikaanse hongerlijders als de vredelievende Europeanen, ja zelfs de schurken van George Bush, dat de Verenigde Staten zich per direct inzetten voor een goede verstandhouding met en tussen alle staten en hen de hand reiken. Volgens hem is het afgelopen met het tijdperk van confrontaties en unilaterale dictaten door het Witte Huis. Men zou bijna kunnen menen - en de applaudisserende publieke opinie nagenoeg overal ter wereld, vooral de enthousiaste jonge fans van de nieuwe politieke ster vatten het daadwerkelijk zo op - dat de kapitalistische supermacht politieke zelfbeperking in haar vaandel schrijft en een indrukwekkend harmonie-besluit heeft genomen, namelijk dat de Verenigde Staten voortaan geen afwijkende en vijandelijke nationale belangen meer kennen.

De inhoud van de aankondiging van een “change” van de wereldpolitiek alsook het begonnen diplomatieke “charmeoffensief” van Barack Obama laten deze interpretatie echter allerminst toe; ze spreken veeleer duidelijke taal.

Ten eerste blijkt uit de agenda van de nieuwe president het tegendeel van een nieuwe bescheidenheid van de Amerikaanse staatsmacht. Juist door empathisch te benadrukken dat de staten en volkeren der wereld toch naast alle verschillen voornamelijk door “gemeenschappelijke belangen en gedeelde waarden” met elkaar verbonden zijn, verduidelijkt de nieuwe VS-regering de aanspraak dat de Amerikaanse belangen het ijkpunt vormen voor de politiek van buitenlandse staten. Zij laat de wereld weten wat de “globale uitdagingen” zijn en dat deze te overwinnen voor het welzijn van de mensheid per se noodzakelijk is. Zij presenteert haar politieke richtlijnen en opdrachten aan de staten als overeenkomend met hun oereigen belangen waartegen toch werkelijk niemand nee kan zeggen. Zo eist de VS-regering - gesteund op de superieure machtsmiddelen van de eigen natie - volstrekt vanzelfsprekend de bevoegdheid om de concurrerende overheden in welke wereldregio dan ook de rechten en plichten toe te wijzen die de identiteit van Amerikaanse en globale veiligheid garanderen. De soevereine wil van vreemde staten onder controle te krijgen, geniet dus voor Obamas regering hoogste prioriteit. Wat “american leadership” betreft heerst er ongetwijfeld continuïteit: een VS-president is verantwoordelijk voor de wereldorde - of hij is geen president.

Ten tweede demonstreert de nieuwe leider voor de ogen van de wereld, vooral voor haar regeringen, dat hij “het” anders doet dan Bush. Een grapje en een handdruk met de “rebel” Hugo Chavez en statements als “het Iraanse volk kiest zelf zijn president” en Amerika “schrijft niet voor op wie het moet stemmen”, moeten aantonen dat de Obama-administratie de vriend-vijand-fronten, de tot gisteren geldige Amerikaanse politiek in twijfel trekt. De overal tentoongespreide bereidheid tot coöperatie moet documenteren dat Obama zich distantieert van de nietsontziende militante manier die zijn voorganger noodzakelijk vond om het Amerikaanse leiderschap wereldwijd te handhaven. Deze politiek heeft volgens de nieuwe president gefaald, namelijk averechts gewerkt: ze moet dringend gecorrigeerd worden…

Zoals gezegd, voorzichtigheid is op zijn plaats: een uitvoerige analyse van Obamas “change” in de wereldpolitiek, het verschil en de breuk met Bush’s strategie, in Gegenstandpunkt 3-09

“Bad banks” en dergelijke absurditeiten

July 11, 2009

De handelsartikelen waarmee de banken zaken doen, functioneren momenteel niet voor het doel waarvoor ze zouden moeten functioneren, aldus de algemene onwrikbare beeldvorming. Dit klopt ongetwijfeld; dat ze werden uitgevonden om het zakenleven altijd en overal van krediet te voorzien, zoals gesuggereerd wordt, is echter een misvatting – ze functioneren namelijk juist niet voor het doel waarvoor ze werden uitgevonden. Deze prachtige “ingewikkeld gestructureerde waardepapieren” van de banken zijn, zoals de experts geloofwaardig verklaren, “precair”. Achter de termen van het vakjargon, dat inmiddels iedereen beheerst, verbergt zich: “moeilijk te waarderen”, “amper te verkopen” etc., het zijn “waardeloze toxische papieren” die zo snel mogelijk moeten worden “afgevoerd”. Dezelfde deskundigen vertellen echter ook over zeer eigenaardige problemen die in samenhang met deze dringend geboden opruimactie optreden. “Rommel-waardepapieren” simpelweg verbranden als afval? Absoluut onmogelijk! Dit soort “toxische rommel” vraagt om een bijzondere behandeling en een speciale vuilstortplaats, call it bad bank”. De moeilijkheden bij de grote schoonmaak beginnen al met de interessante vraag hoeveel toxische papieren zich in de vermogens van de banken verstoppen. Die zijn uiterst moeilijk op te sporen omdat men daarvoor immers zou moeten weten welke papieren “toxisch” zijn en welke niet, en dat is aan de papieren, die in de banken tussen – vooralsnog – beslist “niet-toxische” papieren liggen, nu eenmaal niet af te lezen: wat ze actueel en of ze überhaupt nog iets waard zijn, hoeveel ze binnenkort zouden kunnen waard zijn, of ze voor altijd waardeloos blijven – dat staat daarop niet vermeld. Indices voor het speculeren daarover zijn er voor de handelaren in schulden en risico’s natuurlijk voldoende. Maar voor deze oriëntatiepunten voor hun calculaties geldt hetzelfde als voor de stof van hun speculaties: wat die waard is, wordt door hen in de praktijk bepaald, namelijk daardoor dat ze daarmee handel drijven. Dat doen ze momenteel juist niet; de “normale” concurrentie tussen aanbieders en vragers die de prijs van de handelswaar “waardepapier” vaststelt, werd door hun agenten zelf stopgezet; en de reden is geen groot geheim: banken in de hoedanigheid van kopers kopen niets van elkaar omdat ze vrezen in plaats van een automatisch groeiende bron van geld een waardeloos papier in handen te krijgen; en in de hoedanigheid van verkopers proberen ze momenteel liever niet om voor hun rijkelijk voorhanden aanbod klanten te vinden, daar ze vrezen door het gebrek aan belangstelling de waardeloosheid van hun handelsartikel definitief bevestigd te krijgen; en wie voor het salderen van zijn rekeningen toch moet verkopen, verlaagt zodoende de prijs van het verkochte waardepapier en vermindert zijn bezit nog meer. Zo volstrekt krankzinnig gaat het er aan toe in de markteconomie, de beste van alle mogelijke werelden: waardepapieren worden niet verhandeld omdat ze niets waard zijn, en ze zijn niets waard omdat ze niet verhandeld worden! Dat alleen al is absurd; nog absurder zijn de verwoestende gevolgen die daaruit voortkomen: omdat schulden in de vorm van papieren – die beloven toekomstig meer waard te zijn dan vandaag – geen belangstellenden meer vinden die door daarin te beleggen rijker willen worden, begint meteen de gehele rest van deze hooggeprezen economie te stagneren of achteruit te gaan. Producenten van bruikbare goederen en handelaren in uiterst solide gebruikswaarden en uiteindelijk ook nog de staatshuishouding worden flink geraakt door de crisis – omdat mensen die papieren zonder gebruikswaarde en waarde verhandelen het economische fundament van hun zelfverrijking zijn kwijtgeraakt.

*

Juist deze markteconomische waanzin wordt door de oprichting van een “bad bank” in leven gehouden, koste wat het kost. Er worden van overheidswege kosten nog moeite geschuwd om zo min mogelijk van het fictieve kapitaal van de banken, dat waardeloos blijkt te zijn, af te schrijven. In plaats daarvan wordt een volgens de regels van de valsmunterij geconstrueerde fictie van waarde op het waardeloze bankvermogen geplakt – en opgeslagen in een “bad bank” die officieel met een faillissement haar zaken begint, maar juist zo het faillissement van de andere banken moet verhinderen en hun zakendoen nieuw leven inblazen: opdat die weer winst kunnen maken, mogen ze hun verliezen in een instelling deponeren die het heel toepasselijke doel heeft waardeloze geldvermogens als bronnen van rijkdom te bewaren – als de staat de aangelegenheid in de hand neemt, lukt de kapitalistische geldvermeerdering kennelijk domweg qua wetgeving. Onbeduidend welke condities (looptijd, terugkoopbedragen en -opties etc) daaraan verbonden zijn: op zo’n “herstelde” basis kan de financiële sector – naar verluidt de “levensader” van de markteconomie – weer naar hartelust risico’s nemen en speculeren.

*

Het vermoeden dat “geld de wereld regeert” komt af en toe op in de markteconomie, ook als ze niet in een crisis verkeert. In een crisis krijgt dit vermoeden vaak de klankkleur van een moreel verwijt. Dat is niet goed. Men kan beter ter kennis nemen wat politiek en bedrijfsleven dag in dag uit verkondigen, namelijk dat zonder een gesaneerde bankensector geen economische groei tot stand komt, en zich afvragen welke rijkdom in de voorbeeldige markteconomie eigenlijk met een “gezonde” bankensector tot bloei komt. Dat is ongetwijfeld exact dezelfde die in juist deze sector floreert. Schulden als waren verhandelen, uitgeleend geld in vermogentitels met ingebouwde groeibeloftes veranderen en winstgevend verkopen – dat is de bron van de rijkdom die per se moet functioneren voordat enigerlei andere rijkdom voortgebracht wordt, zonder “fictieve” geen “reële” economie. Geen moeilijke les, lijkt ons, en de politieke en economische elite zegt het zelf: geld heeft de bestemming meer te worden, en voor iets anders dan de wereld te regeren bestaat het helemaal niet. “Bad banks” en soortgelijke absurditeiten als “noodfondsen” en “grotere financiële buffers” maken overduidelijk hoe absoluut en onverbiddelijk het regime van het geld, namelijk zijn onvoorwaardelijke vermeerdering het bestaan in de markteconomie bepaalt. En als men dat begrepen heeft, heeft men gewoon geen zin meer om dit bestaan met het domme oordeel te becommentariëren dat het in dit economische systeem toch eigenlijk om iets anders draait of zou kunnen draaien.

Zie ook: Het financierskapitaal II

EU-richtlijn omtrent illegale immigratie

June 10, 2009

In de Europese Unie verblijven circa 8 miljoen illegale immigranten; ze leven en werken in de EU zonder permissie. Er zijn tal van werkgevers die hen kunnen gebruiken, natuurlijk juist omdat personen die illegaal leven extra chanteerbaar zijn: ze moeten werken om te overleven, maar mogen zich niet laten betrappen – niet bij het werken nog bij het leven, een onschatbaar voordeel voor werkgevers. Mensen die zich moeten verstoppen, zijn met huid en haar aan hen overgeleverd; dat blijkt dan ook uit de arbeidsomstandigheden. Volgens een onderzoek van de EU-commissie worden die gekenmerkt door “extreme uitbuiting”; verworvenheden als “dwangprostitutie” en “illegale exploitatie van minderjarigen” zijn aan de orde van de dag. Als seizoenarbeiders in de bouw, oogsthelpers op het land, als schoonmakers, verplegers en sexslaven doen ze waardevol werk waarvan hun werkgevers vaak dubbel profiteren. Het is immers een gangbare praktijk dat het overeengekomen loon niet wordt uitbetaald. Als de getroffenen op het afgesproken loon insisteren of als men hen simpelweg niet meer nodig heeft, maken de werkgevers gebruik van hun illegale status en tippen de instanties. Wanneer er vervolgens tot uitzetting wordt overgegaan, zijn de werkgevers naast hun werkkrachten ook hun betalingsverplichtingen kwijt.

Het bekende verhaal rond een illegaal bestaan. Rest de vraag: wat doet de EU-Commissie met haar nieuwe richtlijn omtrent illegale immigratie aan deze situatie? Zulke schandalige toestanden kunnen EU-Commissie, EU-Raad en EU-Parlement namelijk niet langer verdragen; ze besluiten een einde te maken aan de uitbuitingspraktijken. Vandaar dat er nu een nieuwe “richtlijn” voor de nationale wetgevingen van de EU-staten is aangenomen. Daarin wordt vastgesteld dat de “werkgevers zowel de openstaande vergoedingen van onderdanen van derde staten alsook de daarmee samenhangende verplichte belastingen en premies sociale verzekeringen” moeten betalen.

De EU-verantwoordelijken prijzen hun richtlijn als sociale weldaad, en een caritatief ingestelde publieke opinie beoordeelt dat net zo: daarmee zou eindelijk een eind komen aan de “niets ontziende loonslavernij” die de ellendigen van deze wereld, die in Europa hun heil zoeken, moeten ondergaan. Bij zoveel gewetensvol sociaal gedoe verbaast het niet dat niemand de politieke doelstelling van de aangelegenheid ontdekt. Daarbij verdoezelen Europa’s verantwoordelijke politici allerminst wat ze met deze richtlijn nastreven; de titel ervan luidt namelijk: Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van sancties voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

De illegalen mogen dus geen werk meer krijgen! Er is geen sprake van dat “illegaal verblijvende onderdanen van derde landen” een “rechtvaardig dagloon voor een rechtvaardig dagwerk” dienen te ontvangen – wat trouwens ook niet bepaald aantrekkelijk zou zijn. Het tegendeel is het geval. Door werkgevers met sancties te bedreigen, worden ze afgeschrikt om illegalen werk te geven; elke kans op eigen levensonderhoud wordt hen zodoende ontnomen. De wettelijke strijd tegen irreguliere arbeidsomstandigheden en bedrog op het gebied van loonbetaling beoogt blijkbaar allesbehalve werkgelegenheid voor illegalen en uitbuiting volgens de Europese standaardnormen. De richtlijn pakt de werkgevers in hun portemonnee; de verplichting tot het betalen van regulier loon voor irregulier werk komt in waarheid erop neer dat dit soort werk überhaupt wordt tegengegaan; de vreugde over de kostenbesparing die werkgevers daarvan verwachten, wordt door geldboetes grondig bedorven: de richtlijn zegt: “Ter handhaving van het algemene verbod en als afschrikking tegen overtredingen moeten de lidstaten adequate sancties opleggen. Daarbij horen geldboetes alsook een bijdrage tot de kosten van de terugkeer van onderdanen van derde staten zonder legaal verblijf.”

Privé-personen die om familiale redenen een arme donder iets laten verdienen, kunnen er per uitzondering met een kleine geldboete afkomen, professionele werkgevers echter die illegale immigranten in dienst nemen, onverschillig voor welk loon, worden bijzonder hard aangepakt: ze worden van publieke opdrachten buitengesloten en ontvangen geen subsidies meer; bij zware overtredingen kan het bedrijf worden gesloten.

Daarbij gaan de EU-politici ervan uit – wat ze natuurlijk niet in hun richtlijn opnemen – dat de schade voor werkgevers binnen de perken blijft wanneer ze toekomstig geen illegalen meer in dienst (mogen) nemen. De Europese statenclub beschikt tenslotte zelf over meer dan voldoende straatarme onderdanen die zich laten uitbuiten, weliswaar binnen de grenzen van de legaliteit, maar uiteindelijk even voordelig als illegalen. Wat de EU-politici in plaats daarvan – nogal honend – in hun richtlijn opnemen, zijn extra bepalingen die een sociaal tintje geven aan de politieke doelstelling. Een kleine mogelijkheid om de richtlijn te ontduiken wordt namelijk opengelaten: wie illegalen advies geeft, bijvoorbeeld hoe ze aan loon kunnen komen, heeft niet automatisch “het illegale verblijf begunstigd” – een generositeit die alleen maar beklemtoont dat andere soorten “steun” niet worden getolereerd.

Hoe past deze nieuwe richtlijn bij de politiek die de EU-landen tot nu toe tegen de immigratie van arme vluchtelingen hebben gevoerd? Sinds jaren, zelfs sinds decennia belooft de EU de oorzaken te bestrijden die de mensen uit de sloppenwijken van de wereldeconomie naar Europa doen vluchten. De EU en de lidstaten voegen met deze richtlijn aan hun wrede uitzettings- en afsluitingspraktijk de humanitaire boodschap toe dat ze zich nu nog intensiever om een verbetering van de situatie van de ellendigen bekommeren. Dat was altijd al een huichelarij. Want de oorzaken voor de massale stroom van vluchtelingen liggen niet in de laatste plaats in Europa en zijn economie. Met haar greep op alles waarmee in vreemde landen geld te verdienen valt, richt deze economie in de meeste Afrikaanse en in vele andere staten een enorme massa-ellende aan. Tegelijkertijd beschouwen de slachtoffers Europa als een wereldregio waar het geld thuis is en derhalve de enige kans biedt om aan geld te komen. Dat talloze zogenaamde “onderdanen van derde staten” niets liever willen dan weg uit hun “derderangs” staten ligt voor de hand. De oorzaken van de migratiebewegingen bestrijdt de EU vooral door een grendel van high-tech-grensbeveiligingen en door massale grenscontroles. Naties die buiten de EU liggen, worden tot hulpdiensten verplicht en daarvoor eventueel zelfs van financiële middelen en paramilitaire wapens voorzien. Inmiddels heeft de EU nog een bijkomend inzicht gewonnen: minstens een oorzaak voor de aanhoudende stroom immigranten ligt wel degelijk in Europa, namelijk daarin dat de ellendigen uit de hele wereld, voor zover ze hun doelbestemming bereiken, zelfs onder de meest erbarmelijke omstandigheden nog beter leven dan in hun thuislanden.

En daartegen wil de EU iets ondernemen. “Een belangrijke prikkel voor de illegale immigratie ligt daarin dat het mogelijk is in de EU werk te vinden zonder over de noodzakelijke rechtsstatus te beschikken. Het tegengaan van illegale immigratie en illegaal verblijf moet daarom ook maatregelen toepassen die deze prikkel verminderen…” Duidelijke taal: er moet ervoor worden gezorgd dat de vluchtelingen van deze wereld in de EU net zo ellendig leven als in hun landen van herkomst, zodat ze niet meer geprikkeld zijn om aan hun ellende te ontkomen. De richtlijn van de EU tracht dus zo effectief mogelijk deze prikkel te verwijderen.

De opstellers van de richtlijn vinden het bovendien gepast deze in een groter kader te plaatsen om de rechtsgeldigheid ervan te onderstrepen. Dat is enerzijds een juridische formaliteit; anderzijds kan iedereen die rechten met weldaden verwisselt en mensenrechten met bestaansmiddelen daaruit iets concluderen. De richtlijn die het “onderdanen van derde staten” onmogelijk moet maken in de EU te overleven, is – aldus de geruststellende mededeling uit Brussel – volledig in overeenstemming met de mensenrechten (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 16, 20, 21, 47 en 49).

Hoe miserabel de illegalen ook worden behandeld – in het genot van de grond- en mensenrechten komen ze in ieder geval. Daarmee zullen ze blij zijn.

De economische groei

May 24, 2009

Diepe bezorgdheid alom: de groei blijft uit; de economie krimpt. De overheid acht reusachtige conjunctuurprogramma’s noodzakelijk opdat de economie weer op gang komt en “ons” met positieve groeicijfers verblijdt. Voldoende aanleiding om te vragen: wat is de economische groei en waarom is hij zo belangrijk? En vooral: wie is dit wij dat volgens politici en pers weer dringend groei nodig heeft?

De voorstanders van de markteconomie beweren dat het bijzondere voordeel ervan (dat ook de voormalige Oostblokstaten uiteindelijk overtuigd heeft) uit de omvangrijke voorziening met mooie en nuttige goederen bestaat, en daarvoor zou de groei onmisbaar zijn. Dan is de momenteel heersende bezorgdheid echter niet te begrijpen. Als het werkelijk om de beschikbaarstelling van voldoende nuttige goederen gaat – waar ligt het probleem? Vijf procent minder economische groei: dat zou ongeveer overeenkomen met de cijfers uit 2006, volgens algemene inschatting een goed jaar. Niemand had het toen over een gebrek aan computers, auto’s, dienstverleningen etc. En vermoedelijk zal niemand bestrijden dat men met dezelfde productie, als het werkelijk om goederenvoorziening zou gaan, ook 2009 behoorlijk zou kunnen rondkomen. Maar dat is uiteraard een nutteloze overweging.

Iedereen weet dat de economische groei waarover men wereldwijd bezorgd is niet uit de vermeerdering van bruikbare goederen bestaat, maar uit de toename van het bruto nationaal product; dat is het cruciale kencijfer. Daarin worden niet aantallen, kilos of calorieën opgeteld maar prijzen, en deze som, dus de optelling van geldsommen moet jaar in, jaar uit groeien. Daarbij gaat het kennelijk niet om goederen waarvan de mensheid kan worden voorzien, maar om waren. Voor de consumptie begint, moeten de waren worden betaald; het gaat niet om behoeftes of benodigdheden, maar om de beschikking over geld. De kapitalistische producent wil geld zien voordat hij afstand doet van zijn waren, en vanzelfsprekend moet de verkoop winst opleveren. De productie van goederen hangt er dus van af of ze als waren winstgevend op de markt kunnen worden verkocht, en wat een ondernemer produceert, vindt hij uitsluitend onder dit aspect belangrijk.

Deze onverschilligheid tegenover de nuttige eigenschappen van goederen blijkt overduidelijk als een ondernemer, omdat er elders meer winst te verwachten valt, de productie staakt en zijn kapitaal in andere sectoren investeert. Zelfs natuurrampen of verkeersongelukken kunnen de groei bevorderen omdat ze een kans bieden om zaken te doen: er wordt weliswaar waarde vernietigd, maar in plaats daarvan komen waren of dienstverleningen, nieuwe handelswaar van kapitalisten waarmee zij hun kapitaal vermeerderen en het bruto nationaal product laten groeien.

De kapitalisten zijn de hoofdrolspelers en representanten van hetgene dat in deze samenleving rijkdom is: niet de opeenhoping van nuttige goederen, maar het geld waarvoor deze goederen worden verkocht. Het gehele maatschappelijke bestaan – de bevrediging van alle mogelijke behoeftes – is onderworpen aan de privé-macht van het geld en dient de doelstelling ervan: van geld meer geld te maken. Het geld dat de gewone mens op zak heeft, is er en volstaat (als hij geluk heeft) om de waren te kopen die hij nodig heeft voor zijn bestaan – zijn geld belandt met ijzeren regelmaat bij de ondernemer die de waren geproduceerd heeft. Als het terugstromende geld diens investering vermeerdert, gaat hij door met zijn productie, anders niet.

Anders uitgedrukt: een kapitalist produceert uitsluitend met de doelstelling zijn kapitaal te vergroten; of en in welke mate goederen vervaardigd worden, hangt ervan af of ze geschikt zijn voor de kapitaalvermeerdering. En nog anders uitgedrukt: de boven nutteloos genoemde overweging dat de samenleving met de productie uit 2006 toch behoorlijk goed zou kunnen rondkomen, is voor een kapitalist een pure absurditeit: daarmee zou hij zijn doel helemaal niet bereiken, in tegendeel: als zijn kapitaal zich niet vermeerdert, betekent dat voor hem hetzelfde als kapitaalvernietiging.

Juist dat gebeurt tijdens de crisis en het gaat logischerwijs gepaard met een nog extremere absurditeit: hij beschikt over te veel, dus onverkoopbare waren, en dat is zijn cruciaal probleem: het kapitaal dat hij geïnvesteerd heeft, vermeerdert zich niet, dus ook daarvan heeft hij te veel. Natuurlijk wil hij deze waren niet simpelweg wegschenken. Hij gaat met zijn probleem – de meeste andere maatschappijleden zouden blij zijn met gratis waren, dus goederen – anders om: hij houdt de waren onverkocht op voorraad, neemt dus een kwaliteitsverlies op de koop toe; of hij verlaagt de prijzen, wat echter slechts een noodoplossing is; vandaar dat hij minder produceert of de productie helemaal staakt. Hij maakt dus de reeds geproduceerde rijkdom onbruikbaar en stelt de bronnen van rijkdom buiten werking omdat ze zich niet waarmaken als bronnen van geld. Daaruit volgt dat er ook te veel werk bestaat, namelijk in de gestalte van werknemers die voor de warenproductie niet meer nodig zijn en daarom hun levensonderhoud kwijtraken. Om op de geciteerde bewering van de voorstanders van de markteconomie terug te komen: het is niet alleen onwaar dat de groei voor de best mogelijke voorziening noodzakelijk is – in de crisis komt aan het licht dat de groei zelfs in strijd is met deze beweerde goederenvoorziening.

Momenteel heerst er crisis; voor de arbeidskracht behelst dat echter alleen maar dat de gewone kapitalistische eisen nu – ter overwinning van de crisis – nog nadrukkelijker gelden: lage lonen, flexibele werktijden, arbeidstijdverkorting, ontslag van flexwerkers etc. kortom: het bekende kapitalistische eisenpakket. In het belang van de groei moet men zijn eigen wensen en belangen op de achtergrond plaatsen. Er wordt bescheidenheid geëist opdat de economie vooruitkomt, de “welvaart voor iedereen” is identiek met het afzien van de eigen welvaart.

Bescheidenheid als uitgevoerde dwang en opgeëiste deugd: als na de crisis de “opleving” komt, is die in geen geval verenigbaar met looneisen. En als de economie echt boomt en de prijzen algemeen stijgen dan beginnen werkgeversorganisaties en economische experts een waar trommelvuur: die ene prijs, namelijk het loon, mag onder geen beding stijgen want dat zou de prachtige boom bedreigen, en de centrale bank levert bovendien het extra argument “loon- prijsspiraal”: als met de algemeen stijgenden prijzen ook nog het loon stijgt, dan zijn de prijzen quasi gedwongen om nog meer te stijgen – dus als men als werknemer verschoond wil blijven van stijgende prijzen moet men zijn eigen prijs laag houden. Voor alle fases van de groei geldt dus de grondregel: “terughoudendheid op het gebied van loon”. En in alle fases van de groei wordt steeds dezelfde reden genoemd voor de bescheidenheid van de loonafhankelijken: alleen zo wordt de werkgelegenheid gewaarborgd! Een veelzeggende bekentenis: als de loonafhankelijken van de groei iets kunnen verwachten, dan is het uitsluitend werkgelegenheid. Daaruit bestaat hun “welvaart voor iedereen”, en daarvoor moeten zij voortdurend terughoudendheid aan de dag leggen. Samengevat: tijdens alle economische fases, conjunctuur en crisis, mogen ze blij en tevreden zijn met werkgelegenheid, en in deze troosteloze rol hebben zij zich dan ook te schikken: als afhankelijke variabele van de calculerende kapitalisten die de werkgelegenheid immers ter beschikking stellen.

P.S.

Een zeer eenzijdige en vervalsende voorstelling van zaken, zullen de aanhangers van de markteconomie zeggen. Beperkte loonstijging, afhankelijkheid van werkgelegenheid, ongetwijfeld, en de “welvaart” is misschien niet bovenmatig groot – maar de levensstandaard van deze bevolkingsgroep is toch in de laatste decennia wel degelijk gestegen. Dit feit zou te danken zijn aan het zogeheten “trickle down-effect”: iets van de rijkdom druppelt of sijpelt van boven naar beneden. Als men – door de ogen te sluiten voor de werkelijke sociale toestanden – het waarheidsgehalte verondersteld, bevat deze bewering twee interessante mededelingen: ten eerste is de maatstaf steeds de armoede van gisteren, en als er een verbetering optreedt, mag men van geluk spreken; als maatstaf komt natuurlijk niet de behoefte in aanmerking, dus welke van de mooie goederen, die er nu eenmaal zijn, men nodig heeft. Ten tweede, en daarbij passend, moet men dus zonder meer goedvinden dat de rijken steeds rijker worden en de veel beklaagde “kloof tussen arm en rijk” steeds groter wordt, want uitsluitend zo kan men – ongelofelijk! – op (meerdere) druppels van boven hopen. Ook een manier de “afhankelijke variabele” te troosten.

De crisis: een leerstuk

April 23, 2009

Aan het begin van de financiële crisis verklaarden politici en “captains of industry” unisono dat er geen gevaar zou dreigen voor de “reële economie”; die was namelijk robuust en kerngezond, resistent tegen de grote crash. Sinds het najaar van 2008 toont ze zich dan toch: de crisis van de economische sector die zich met productie en handel van goederen en dienstverleningen bezig houdt. En dezelfde politici en “captains of industry” verkondigen nu dat het daarbij om de “grootste crisis sinds de Grote Depressie uit de twintigste eeuw” gaat, veel erger dan de diverse “recessies” van de naoorlogse economie.

Het is dus weer zover. In plaats van te groeien, krimpt de economie. Nou en? Moeten eigenlijk steeds meer dingen en diensten geproduceerd en verkocht worden? Een naïeve vraagstelling, lijkt het, die door de economische berichtgeving eenduidig wordt beantwoord: alle grootbanken, verzekerings- en autoconcerns, communicatieondernemingen en chipfabrikanten… ontslaan momenteel aanzienlijke aantallen mensen per bedrijf. Deze werknemers mogen jaar in, jaar uit hun noodzakelijke inkomens uitsluitend verdienen als hun werk de zaken laat groeien, dus voor hun werkgevers groeiend eigendom produceert. Blijkbaar verdienen zij hun levensonderhoud door de ondernemers steeds rijker te maken, terwijl zijzelf permanent arm blijven en aangewezen zijn op werkgelegenheid en loon. Zij worden voor hun dienst aan de accumulatie van het kapitaal betaald – wie dat niet teweegbrengt, kan naar zijn inkomen fluiten. Daarom is het in dit soort economie al een ramp wanneer alles verdergaat als voorheen: dat er net zoveel gewerkt wordt, dezelfde hoeveelheid levensmiddelen, woningen, auto’s en computers geproduceerd en geconsumeerd worden als in de periode daarvoor – de mensen dus niet armer en niet rijker zouden zijn – dat is onverenigbaar met een economie waarin niet voor de behoefte geproduceerd wordt, maar voor de verrijking van degenen die kapitaal bezitten. Als “het” alleen maar verdergaat als voorheen gaat het economische leven achteruit – en al helemaal wanneer “het bedrijfsleven” krimpt (volgens de laatste voorspelling met circa 5 procent).

En als het al zo is dat alle economische subjecten óf belang hebben bij de economische groei, óf ervan afhankelijk zijn als van het dagelijkse brood, als iedereen groei wil en zich daarvoor inzet – waarom blijft die dan uit? Wat is dat voor een economisch systeem waarin de spelers het tegendeel bereiken van wat zij proberen te bereiken? De ondernemers die de groei organiseren, doen namelijk niets verkeerd: zij eisen van hun werknemers steeds meer prestaties, laten steeds meer waren vervaardigen en bedienen de markt. Maar opeens “vallen forse klappen”, ze kunnen hun warenaanbod niet meer winstgevend verkopen of raken het helemaal niet meer kwijt. De maatschappelijke koopkracht blijkt ontoereikend om alle waren te verzilveren. De oorzaak is geen geheim: niemand anders dan de ondernemers zelf stellen een limiet aan de verkoop omdat zij voor hun winst laten produceren. Bij de productie van het reusachtige aantal waren dat zij willen verkopen, leggen zij zich generlei beperkingen op en produceren alsof de samenleving onbeperkt zou kunnen kopen. Waar zij echter zelf voor hun leveranciers en werknemers koopkracht creëren, daar zijn ze uitermate krenterig. Omdat er voor de winst geproduceerd wordt, d.w.z. met de doelstelling het verschil tussen kosten en baten te maximeren, is de productie van de rijkdom aan waren gescheiden van het scheppen van koopkracht die nodig is om het warenaanbod te gelde te maken (ouderwets uitgedrukt: “De omstandigheden van de exploitatie en die van de realisering ervan zijn niet identiek” Marx). Die crisis ontstaat omdat te veel kapitaal gecreëerd en geïnvesteerd werd, te grote productiekrachten ontwikkeld en te veel waren gefabriceerd werden, te veel om voor het cruciale doel bruikbaar te zijn: winstgevend te worden verkocht.

Zo wordt men periodiek met de absurditeit geconfronteerd dat er in deze samenleving allerlei vormen van extra armoede heersen – niet als gevolg van een gebrekkige productie, bijvoorbeeld na natuurrampen of oorlogen, maar vanwege een teveel aan materiële rijkdom. Er is werkelijk alles voorhanden! Fabrieken blijven ongebruikt, grondstoffen worden niet bewerkt, mensen die op loon of salaris zijn aangewezen, staan op straat. Alle elementen van de materiële rijkdom blijven onbenut en worden ontwaard daar ze niet geschikt zijn voor de winstmakerij, het enige doel dat in deze economie geldt. In deze fase van de industriële cyclus vormt de winst kennelijk een belemmering voor de productie in haar geheel.

Als de samenleving voldoende lang door de braaklegging van haar reproductie gechanteerd is, als de prijzen voor machinerie en grondstoffen gedaald zijn en de werklozen zich steeds goedkoper aanbieden, dan is het zover dat kapitaal weer lonend geïnvesteerd kan worden – en de hele bedoening, de absurde kringloop van accumulatie en overaccumulatie, zowel op gang als tot stilstand gebracht door het krediet, begint opnieuw.

In ieder geval zolang als de werknemers zich weigeren uit de crisis lering te trekken, dus hun afhankelijkheid van het kapitaal aanvaarden.

Obama, hope & glory

March 5, 2009

De machtswisseling in het Witte Huis wekt bij driekwart van de Amerikanen en de halve wereldbevolking een ongeremd optimisme. Behalve een handvol verstokte bewoners van de Gazastrook voelt en vindt iedereen dat de nieuwe “machtigste man ter wereld” “ons hoop” geeft. Op wat eigenlijk?

Obama is met een programma aangetreden dat “change” belooft, dus wijziging, verandering. Wat zich niet zal veranderen, is bekend – bij politici en publieke opinie in ieder geval: net als zijn voorgangers beoogt Obama Amerika’s succes, het succes van de wereldmacht; dat heeft in de laatste jaren nogal te wensen overgelaten – daarover verschillen Amerikaanse burgers en VS-politici, professionele en niet-professionele waarnemers in binnen- en buitenland nauwelijks van mening. De oorlogen die weliswaar gewonnen maar niet afgelopen zijn, het wereldwijde imago, de diepste economische crisis sinds de Grote Depressie – alles weinig tevredenstellend.

Dit nationale debâcle wordt de ex-leider en zijn team aangerekend. Het moet toch ongetwijfeld aan het prutsbeleid van de Bush-administratie liggen dat de leidende natie van de wereld, “God’s own country”, in zo’n onverdiende abominabele toestand verkeert. Met de regering-Bush waren allen tamelijk ontevreden – hetzij degenen die hun huizen in de hypothekencrisis, hun ouderdomspensioenen in de bankencrisis of hun jobs in de economische crisis zijn kwijtgeraakt of zoiets binnenkort verwachten, hetzij degenen die tamelijk lusteloos de Amerikaanse vlag hijsen omdat hun land zich moet laten verwijten in Irak te falen en in Guantanamo te martelen, die dus onder de slechte reputatie van hun natie lijden. Maar voor ontevreden burgers heeft de (Amerikaanse) democratie een aanbod in petto – hoe groter de ontevredenheid, des te attractiever het aanbod: een nieuwe leider die overtuigend de wil tot vernieuwing van de succeskoers van deze eersterangs natie belichaamt; die alleen al door zijn optreden als personificatie van de “verandering” alle euvels te lijf gaat; die, omdat hij belooft anders te zijn dan Bush, het predikaat “beter” verdient. Dankzij de ontevredenheid over de regeringsresultaten van zijn voorganger avanceert Obama tot projectievlak waarop iedereen zowel zijn specifieke ontevredenheid als zijn persoonlijke hoop op verbetering kan projecteren.

Daarvoor zijn “change” en het beroemde “yes we can” de passende leuzen; een nieuwe leider, een nieuw geluid. In commentaren werd weleens laatdunkend gedaan over de ontbrekende “inhoud”: “change”, dat kan toch van alles en nog wat betekenen! Natuurlijk – juist zo is het bedoeld: Obama profiteert van het wijdverbreide ongenoegen, en hij moet en wil alleen maar beloven dat hij “het” anders zal maken en dat elke ontevredenheid bij hem in goede handen is. Deze bewust vage belofte luidt samengevat, net zo vaag, maar een stuk energieker: “Yes we can!” – en dan moet zijn boodschap alleen nog geloofwaardig overkomen. Daarin is hij kennelijk geslaagd door zich als volstrekt nieuwe politicus te profileren, onverwisselbaar en onvergelijkelijk, en als hoopgever uitermate geschikt daar hij zo duidelijk anders eruit ziet dan de 43 presidenten uit het verleden.

Want – dat moest uitentreuren worden benadrukt – de 44. president van de VS is zwart; de eerste en enige met zo’n huidskleur, weliswaar slechts halfzwart, maar toch! Het Afro-Amerikaanse deel van de VS barst van trots omdat een van hen het heeft “gehaald”; vele blanke Amerikanen zijn evenzo trots omdat ze hun racisme hebben ingeslikt – in deze harde tijden wilden zij voor deze charismatische leider best een uitzondering maken.

Het hooggeprezen land van vrijheid en gelijkheid kent altijd al bijzonder extreme maatschappelijke verschillen; de algemene kapitalistische scheiding tussen arm en rijk behelst bovendien de extra verschillen naar geslacht, afkomst en huidskleur. En wat heeft Obama deze slecht behandelde minder- of ook meerderheden te bieden? Het afschaffen van de ellende en haar oorzaken? Sociale vooruitgang? Of ten minste een fatsoenlijk bestaan? In plaats daarvan krijgen zij Obama’s carrière, de waargemaakte “Amerikaanse droom” voorgeschoteld, een soort parafrase van het oeroude bordenwasser-miljonair-volkssprookje. Dat er een dichtbevolkte sociale onderlaag en een kleine toonaangevende elite constant bestaat, vormt het vaste fundament van deze belachelijke belofte. Wanneer dan iemand uit de lage klasse daadwerkelijk hogerop komt in de concurrentie, mogen de vele anderen, die beneden zijn en blijven, daarover dolblij zijn. Als zij het niet halen, ligt dat altijd aan henzelf; zij leven immers – zoals net weer bewezen – in “het land van de onbeperkte mogelijkheden”, maar men moet de “mogelijkheden” wel grijpen… Het getuigt dus van een uiterst bescheiden behoefte als de leden van de chronisch “achtergestelde” collectieven daarmee tevreden zijn dat ze nu door een van hen (beter gezegd: vroeger een van hen) vertegenwoordigd worden en zich vanwege dit verheugende feit eindelijk als volwaardige “echte Amerikanen” kunnen voelen. Hun miserabele materiële situatie wordt blijkbaar gecompenseerd door hun hervonden “geloof in Amerika”. Obama heeft de hoogste positie bereikt die er in Amerika te bereiken valt, hoewel hij vanwege zijn huidskleur voorbestemd was tot bewoner van een sloppenwijk. En uit dit “wonder” blijkt dat het einde van de rassenscheiding made in USA is ingeluid, dat waarlijk “alles mogelijk” is? Hoe komt het dan dat dit wonder zo’n fantastische en unieke uitzondering is dat de mensen wereldwijd van ontroering beginnen te snikken?

Wat hebben de Afro-Amerikanen, Latino’s en andere “achtergestelden” dus gekregen en wat maakt hen zo zielsgelukkig? Niets anders dan het ideële loon dat een zwarte Amerikaan de enorme carrièresprong kon maken. Hun situatie is dezelfde gebleven, de verhoudingen tussen profiteurs en “losers” in de sociale rangorde zullen niet veranderen – maar met Obama als groot voorbeeld zijn ze nog minder geneigd om over de benarde omstandigheden te klagen (laat staan “un-American Activities” te overwegen) waarin zij – ondanks alle “onbeperkte mogelijkheden” – altijd “bordenwassers” blijven.

Obama’s persoonlijke promotie tot chef van de wereldmacht no.1 richt ieders aandacht op het werkelijk belangrijke object van verering en bewondering: de natie met al haar sociale en politieke hiërarchieën – alleen zij biedt immers aan alle burgers de kans op een succesvolle loopbaan. Een zwarte president is dus de actueelste goede reden voor onvervalst patriottisme en daarmee de meest geschikte “hoopgever”. Dat nu een zwarte machthebber het mandaat heeft om over alle Amerikanen, ongeacht huidskleur en klassen, te regeren, dient als levend bewijs dat men de maatschappelijke tegenstellingen als onbeduidend kan beschouwen en eindelijk weer eensgezind zonder voorbehoud pal achter zijn natie kan staan.

De rest van de wereld sluit zich daarbij graag aan en gunt zich, althans vooralsnog, een uitbarsting van vreugde. De publieke opinie van Nederland etc. komt bijna woorden tekort om Obama de hemel in te prijzen: oorlog en vrede, zwart en blank, crisis en klimaat – de oplossing is dichtbij. Niet dat iemand werkelijk daarin gelooft, maar dat geeft niet. Het gaat toch alleen maar om het opwekken van enthousiasme over zo’n populaire kleurrijke leidersfiguur; alleen jammer dat “wij” Europeanen daarvoor naar Amerika moeten kijken.

De kleurloze leiders die Europa nu eenmaal heeft, hebben andere zorgen. Ook zij waren zeer ontevreden over George Bush – maar dat was een ontevredenheid over diens zogeheten “unilateralisme”. Daardoor werden hun eigen wereldpolitieke voornemens en aanspraken enigszins belemmerd. Voor hen betekent “change”, dat Obama zich coöperatiever opstelt tegenover de Europese wereldpolitiek. Dit Europa (Duitsland, Frankrijk…) vergelijkt zich voortdurend met de VS, hun doelstellingen, macht en invloed; en de hoopvolle verwachting die het van Obama heeft, is niets anders dan de deels verbloemde, deels duidelijke eis hij moge meer rekening houden met de Europese belangen. Anders dan hun volkeren die zich als vrolijke Obama-groupies gedragen en Amerika’s “aantrekkingskracht” herontdekken, weten de Europese leiders dat de goede wil geen rol speelt in de politiek – van de wereldmacht no. 1 die met zichzelf ontevreden is, is generlei toegeving te verwachten; zij zal veeleer haar status handhaven en zelf eisen stellen. Vandaar dat het Obama-enthousiasme, dat nog steeds wordt aangewakkerd, gepaard gaat met waarschuwingen voor “overdreven hoop” en “onrealistische verwachtingen”. Mooie vooruitzichten.

Crash en crisis I

December 9, 2008

I. “Zwaar weer / economische tsunami”: de financiële elite decimeert niet alleen haar eigen vermogen, maar ze laat de gehele wereld voelen hoezeer zelfs de slechtst betaalde figuranten in het economische leven volkomen afhankelijk zijn van haar financiële kunsten – en wat blijkt? Nooit in zijn lange geschiedenis had het kapitalisme meer fanatieke aanhangers dan uitgerekend nu; geen “vertrouwensverlies” te bespeuren; ook de vakbonden hebben de ernst van de situatie begrepen: “het zijn economisch onzekere tijden” (FNV-advertentie). En wat volgt daaruit, behalve lage looneisen en: – FNV Bondgenoten. Juist nu. – ? Loyaliteitsverklaringen aan het kabinet: de meest ingrijpende en rücksichtsloze reddingsmaatregelen van overheidswege wenst men van harte veel succes. De verontruste en verontwaardigde bevolking richt haar verwijten uitsluitend aan het adres van de speculanten. Die zouden op grond van hebzucht, begunstigd door een gebrek aan toezicht, hun plicht tot kredietverstrekking hebben verzaakt – deze op zichzelf verdienstelijke “dienstverlening” voor de productieve economie; een compliment verpakt als klacht. Zelfs critici die zich links of socialist noemen, stellen hun (milde) kritiek op het systeem – “voorlopig” – uit en doen met groot verantwoordelijkheidsbesef constructief bedoelde voorstellen voor de redding en het herstel van het kapitalisme – natuurlijk door verwijdering van de voorvoegingen “turbo”of “roofdier”:

Een schadelijk “misverstand”.

Het heersende markteconomische systeem bestaat immers niet uit twee helften: enerzijds een goede helft waarin rechtschapen werkgevers hun vlijtige werknemers van een redelijk inkomen voorzien en betrouwbare spaarbanken de economische vooruitgang financieren; en anderzijds een slechte helft waarin “neoliberale” overdrijvingen en uitwassen het idyllische leven in de markteconomie eerst tot een hel maken en vervolgens ook nog vernielen door crisisachtige ontsporingen in de financiële sector.

Ten eerste heeft de vermeende goede helft generlei positieve kanten: het normale bestaan in de – sociale, liberale of neoliberale – markteconomie is onderworpen aan de noodzakelijkheden van het geld verdienen, het beïnhoudt dus niets anders dan het werken voor kapitalistische zaken; en de heerschappij van het geld wordt niet attractiever door het feit dat ze nu door het “falen” van haar eigen schepsel – de bank- en beurssector – in moeilijkheden raakt.

Ten tweede functioneert het armzalige dagelijkse leven in het kapitalisme – met of zonder “globalisering” – sowieso nooit zonder de kredietsector en de diverse varianten van aandelenhandel, derivaten en hedgefonds die de laatste maanden disfunctioneren: waar het geld heerst, heeft nu eenmaal het krediet de macht. Daarom is het

ten derde uiterst onverstandig dat diegenen die toch niets te zeggen hebben hun hoop vestigen op de redding van dit superieure systeem – uitgerekend omdat het door de financiers en andere profiteurs momenteel wordt ontwricht.

De financiële crisis maakt een paar dingen duidelijk over dit systeem dat net door krachtdadig overheidsoptreden wordt gestabiliseerd; men zou kunnen beseffen, ook zonder parlementaire enquête, hoeveel geweld en absurditeit daaraan inherent zijn: aan de markteconomie, de crisis en de staatssteun.

II. De financiële sector is momenteel aan het crashen, deze of gene “banca” is “rotta”, gigantische hoeveelheden kredietpapieren gaan in rook op, dus de overheid moet reddend optreden. In de ogen van politici en opinievormers van links tot rechts heeft het “neoliberale dogma” zichzelf ontmaskerd: de markt is niet in staat om zichzelf te reguleren; alleen het vastberaden optreden van de politieke macht kan de ramp nog voorkomen; de overheid moet eindelijk ingrijpen – zo luidt het diepe inzicht. Hoe wijdverbreid deze opvatting ook is, ze is ronduit verkeerd omdat de overheid altijd al “betrokken” is bij de activiteiten van de financiële sector. De symbiose tussen bankinstellingen en overheid vestigt überhaupt eerst de macht van het geld over de samenleving en daarmee de macht van de banken om het gehele economische leven tot middel van hun winst en groei te maken. De overheid redt, als ze het financiële systeem redt, haar eigen creatie en regime. Bondgenoten zijn er voldoende.

Misschien kan de radicale SP daarbij helpen met haar 30 voorstellen voor hervorming financieel stelsel, bijvoorbeeld: “Het toezicht op banken moet voortaan onder verantwoordelijkheid vallen van het land waar de handel plaatsvindt, niet in het land waar het hoofdkantoor van een bank staat (…) om de doorgeslagen aandeelhoudersmacht terug te draaien en de perverse bonussencultuur af te schaffen.” Amen. Heel veel nationale toezicht over internationale speculanten en sprinkhanen, perverse roofridders en doorgeslagen geldwolven die onze brave banken en mooie markteconomie economisch onzekere tijden bezorgen.

Of de nog radicalere NCPN: “Een belangrijke eis voor het bestrijden van de crisis is stoppen met het neoliberale beleid. Er moet worden geëist (…) betere arbeidsvoorwaarden, betere koopkracht (…) het socialiseren van de energiesector, het openbaar vervoer, zorginstellingen, enz. Het geld dat Wouter Bos ‘tevoorschijn kan toveren’ moet ingezet worden voor het ontwikkelen van maatschappelijk nuttige en noodzakelijke werkgelegenheidsproramma’s met goede arbeidsomstandigheden en lonen…” Twee keer amen. Het kapitalisme, aangedreven door zonne- en windenergie, zou bijna paradijselijk kunnen zijn, als het geen kapitalisme zou zijn…

Crash en crisis II

December 4, 2008

Bijna 20 jaar na de triomfantelijke overwinning over het “reële socialisme” verkeert het mondiale kapitalisme in zijn tot nu toe diepste economische malaise; een crisis die het kapitalisme niet door zijn tegenstanders of onvrijwillige slachtoffers werd toegebracht, en ook natuurrampen of geslaagde terroristische coups van “het kwaad” zijn daaraan onschuldig. De crisis die dit systeem (en bijgevolg de hele wereld) momenteel zoveel problemen bezorgt, deze crisis heeft het zelf teweeggebracht.

Daarbij springt in het oog dat de actuele catastrofale toestand van het naoorlogse kapitalisme uitdrukkelijk niet bestaat uit de alom bekende uitwerkingen van de globale vermeerdering van geld en kapitaal:

- niet uit de tig miljoen hongerlijders die reeds werden geteld toen de internationale zakenlieden zich nog hoogst tevreden toonden;

- niet uit de oorlogen en conflicten tussen nationaalstaten die om economische en politieke invloedssferen concurreren;

- niet uit de verwoesting van het natuurlijke leefmilieu, de weliswaar “betreurenswaardige” maar “nu eenmaal onvermijdelijke bijwerking” van de onstuitbare groei van het eigendom van de bezittende klasse;

- niet uit de globale uitbuiting van de “bezitlozen” die onderling concurrerend steeds meer arbeidsprestaties voor steeds minder loon moeten leveren.

Dat alles en nog veel meer was er al voor de crisis – als noodzakelijk gevolg van het feit dat de gezagdragers en zakenmensen de bronnen van rijkdom in alle continenten toegankelijk hebben gemaakt en optimaal uitgeput. De crisis waaronder de heersende elite van de wereld momenteel zo diep lijdt, is dus niet te verwisselen met het lijden van diegenen die ook al bij de slachtoffers hoorden toen de wereld voor de economische en politieke bovenlaag nog in orde was. Sinds de meeste grenzen open zijn, heeft het globale kapitalisme de gehele wereld in zijn functioneel middel veranderd: alle landen zijn geschikt voor exploitatie, wetenschap en techniek zijn ontwikkeld en de arbeiders functioneren wereldwijd naar wens. Maar nu is alarmfase rood, de bank- en beurszaken gaan failliet en ruïneren ook de “reële” economie (geen wonder: door de ontwaarding van de financiële sector en het krimpen van het krediet zien industrie en handel zich weer geconfronteerd met de grenzen van markt en koopkracht waarvan ze door de kredietbranche relatief onafhankelijk werden gemaakt): het ware doel van het kapitalistische systeem, van geld meer geld te maken, wordt in toenemende mate onbereikbaar.

De bezittende klasse deinst er niet voor terug om de overige wereld de consequenties van deze crashes te verduidelijken en tegelijkertijd stapsgewijs te realiseren: als de aanspraak van banken, geldbezitters en geldschieters op vermeerdering van geld en beschikking over steeds meer geld ijdele hoop blijkt te zijn, dan is de rest van de samenleving de dupe.

- Als de huizen en hun bewoners de aanspraken van de kredietbranche op aflossing en rente teleurstellen, zijn ze waardeloos. De huizen worden ontruimd en vervallen; de bewoners zijn dakloos en verkommeren.

- Als “het bedrijfsleven” van moderne landen niet in staat is zijn personeel winstgevend uit te buiten en de producten binnen de concurrentie met andere kapitalisten op de wereldmarkt te verkopen, als er dus geen (of onvoldoende) rendement wordt behaald zodat de aanspraak van ondernemers en investeerders op aanhoudende groei onbevredigd blijft, dan worden gehele industrieën gesloten. De fabrieken hebben schrootwaarde, het personeel is overbodig.

- Als de financiële kapitalisten er niet in slagen om “hun” geld – dat zij via de banken bij de rest van de samenleving tegen rentebeloftes hebben geleend – te vermenigvuldigen door kredietverstrekking aan andere kapitalisten en/of door financiële speculaties, dan zijn de vermogens van de bankklanten, het geld van de samenleving en uiteindelijk de valuta niets meer waard.

De diverse kapitalisten laten onmiskenbaar blijken dat hun waardering voor deze wereld afneemt naarmate haar bruikbaarheid voor hun zelfverrijking vermindert. Dat was al voor de crisis niet anders. Nu hun zelfverrijking stagneert, bewijzen zij in de praktijk hoeveel vernietigingskracht – ook ten opzichte van hun eigen economische basis – deze calculatie behelst. Zij laten eerder de voorhanden materiële rijkdom, het economische leven van de samenlevingen en de daarvan afhankelijke mensheid ten onder gaan dan af te zien van openstaande vorderingen en aanspraken op winst en rente – zo en niet anders doen het recht en de logica van het eigendom zich gelden.

In het najaar van 2008 bekennen de financiële kapitalisten aller landen dat ze in een serieuze crisis zitten en vragen om hulp. Die blijft niet uit. Overal ter wereld reageren de staten en regeringen onmiddellijk en trekken tot nu toe ondenkbare hoeveelheden geld uit om de banken te steunen, hun slechte kredieten op te kopen, desnoods van overheidsgeld te voorzien en zo een nieuw begin van hun zegenrijke activiteiten mogelijk te maken.

Van de ene dag op de andere herroepen zij hun eigen leugen over de staat die zich niet moet bemoeien met de economie; en ook het verzinsel over het onvermijdelijke bezuinigingsbeleid, de lege schatkist en de “helaas” ontbrekende financiën voor de “losers” van deze productiewijze wordt ad acta gelegd. Dat de overheid zich niet met de economie zou moeten bemoeien: geen woord van waar!; dat de schatkist leeg zou zijn: geen sprake van! In de praktijk maken zij duidelijk welke noodsituatie echt belangrijk is en waarvoor het geld van kapitalistische staten in ernstige situaties werkelijk dient: voor de redding van het banksysteem – de zogeheten “financiële ruggegraat van het bedrijfsleven” –  zodat het zijn dienst kan verrichten voor de groei van de nationale economie. Opdat de banken en beurzen hun functies voor het markteconomische systeem en de daarop berustende uitbreiding van de statelijke macht weer kunnen vervullen, beschouwen de redders van overheidswege geen geldsom als te groot, geen prijs als te hoog.

Voor de regeringen waar ook ter wereld staat onwrikbaar vast: hun reddingsacties zijn zonder alternatief. Alle doelstellingen en voornemens van de overheid moeten zich daaraan onderschikken; de gevolgen die de naties en hun economisch leven te wachten staan, zijn zonder meer te aanvaarden: in hun kapitalistische samenleving is immers alles afhankelijk van de succesvolle vermeerdering van geld en krediet. De consequenties zijn weliswaar nog niet precies te overzien, maar één ding is blijkbaar honderd percent zeker en wordt dagelijks luidkeels aangekondigd: voor de overwinning van de crisis moeten diegenen offers brengen die ook al tijdens de gunstige conjunctuur de slachtoffers van de markteconomie waren. Als belastingsbetalers, bankklanten, loonafhankelijke werknemers en gepensioneerden wordt de geëxploiteerde bevolking van het kapitalisme gedetailleerd voorbereid op hogere kosten, lagere lonen en pensioenen, werkloosheid en slinkend spaargeld en vertrouwd gemaakt met het alternatief voor de geëiste beperkingen en ontberingen: anders zou het gehele economische systeem in gevaar komen en ineenstorten.

Voor de loonafhankelijke massa’s valt er dus niets te lachen als de zaken van de zakenlieden op alle niveaus mislukken. Maar moeten zij zich daarom laten inspannen voor de redding van een systeem waarin zij ook tijdens voorspoedige conjuncturen uitsluitend bestemd zijn voor de vermeerdering van rijkdom die ze weliswaar produceren, maar die niet van hen is? Moeten zij zich door linkse en rechtse politici en vrije media op morele manier* laten ophitsen om schuldigen op te sporen – “geldzuchtige gokkers” en soortgelijke louche figuren – en zo het systeem vrij te pleiten? Moeten zij achter de succesvolle uitbuiting staan omdat het mislukken ervan nog erger is? Kortom: moeten zij alles slikken wat overheid en kapitaal hen voorschrijven en voor altijd de rol spelen van gewillige en goedkope arbeidskrachten? Of zeggen zij eindelijk hun dienst op om zich de rijkdom van de wereld toe te eigenen en de regie over hun economisch bestaan zelf in handen te nemen? Daarvoor moet echter de actuele crisis van het kapitaal worden veranderd in de ultieme crisis van het kapitalisme.

*zie ook De moraal op deze website