Geweldsmonopolie, Volk, Leitkultur

maart 26th, 2024

Het eerste dat de staat zijn burgers verschuldigd is, dus hen opleggen moet, is recht & orde. Daarvoor beschikt hij over een intern veiligheidsapparaat dat met haast onuitputtelijke geweldsmiddelen de algemene naleving van de wet afdwingt. Dat getuigt van de tegenstelling tussen politieke heerschappij en tot gehoorzaamheid verplichte bevolking in de banale elementaire vorm; want alleen om die reden bestaat dit apparaat. Omvang en uitrusting van de politie zijn weliswaar berekend op storingen van de openbare orde, die de executieve verwacht; de hele veiligheidsdienst komt echter niet in de wereld als reactie op criminele uitzonderingen op de regel van een frictieloos maatschappelijk samenleven, maar als noodzakelijke praktische order van de overheid aan haar bevolking: de dienst staat absoluut voor het verbod van privé geweld, dat evenzo absoluut als normaal verondersteld is; hij realiseert de nationalisering van de geweldsverhoudingen die inherent zijn aan de kapitalistische concurrentie. Zonder schroom zodoende de wrede normaaltoestand van de door hem beveiligde productie- en levenswijze te openbaren, presenteert en rechtvaardigt de staat zijn gewapend geweldsmonopolie enerzijds als absolute voorwaarde voor het geciviliseerde samenleven van zijn burgers. Anderzijds beoogt hij daarmee niet alleen schijnbaar meer dan pure afschrikking, meer dan afgedwongen respect en berekende naleving van de wet. Zonder iets terug te nemen van de dwang die zijn ambtenaren uitoefenen, doelt hij met zijn intimiderend geweldsmonopolie op inzicht, namelijk dat de omnipresentie van zijn politiegeweld goed en juist is – vandaar dat excessen bij de toepassing daarvan hebben achterwege te blijven en getroffen burgers bezwaar kunnen maken. Zijn veiligheidsapparaat moet weliswaar als noodzakelijke voorwaarde voor, maar niet als dwang tot burgerlijk fatsoen fungeren en opgevat worden; hij dient veeleer als eis van een fatsoenlijk burgerbewustzijn op te treden, als gewenste levenshulp: politiegeweld als gewapende arm van de staatsburgerlijke moraal.
Dat functioneert uiteraard niet vanzelf. Daar rekent de liberale burgerlijke staat ook helemaal niet op. Die geeft zich in het kader van zijn opleidingswezen, dat zijn jeugd voorbereidt op de concurrentiestrijd op de arbeidsmarkt, een aanvullende opvoedings- en vormingsopdracht: hij laat zijn burgers aan het standpunt wennen de wereld en ook zichzelf, de eigen behoeftes en plannen, vanuit de imperatieven van een functionerende orde te beoordelen en zich voor een groter geheel, uiteindelijk voor het grote geheel van de natie verantwoordelijk te voelen. De burgerlijke media stelt hij in staat en moedigt hij ertoe aan het publiek van allerlei informaties te voorzien en daarmee bezig te houden, hetgeen een voor alles verantwoordelijk rechts- en verantwoordingsbewustzijn veronderstelt, bedient en zo tot vanzelfsprekendheid maakt. De gewoonte het grote en kleine wereldgebeuren vanuit het standpunt van een enigszins als belangrijk erkend collectief, een uiterst fatsoenlijk “Wij”, uiteindelijk vanuit de fictie van een nationale gemeenschap te problematiseren en voor alles goede oplossingen te eisen, dat maakt van concurrentiesubjecten met hetzelfde paspoort een volk, waarover de nationale heerschappij ook in moreel opzicht als haar basis kan beschikken. Het onderscheid tussen een dergelijk staatsvolk en anderen, buitenlandse burgers is geen banale rechtskwestie meer, maar een zaak van de nationale identiteit die het verschil maakt tussen staatstoebehorigheid en volkstoebehorigheid. Dat het de staat daarbij om meer dan een vaste gezindheid gaat, wordt duidelijk aan de inburgering die geenszins elke gewillige buitenlandse aanvrager gegund wordt. Vereist is uiteindelijk een belijdenis die geen reversibele wilshandeling mag zijn maar onvoorwaardelijke verplichting op de staat beïnhoudt, subjectief: patriottisme zonder voorbehoud en berekening. Wat echter moeilijk te objectiveren valt. In elk geval zijn buitenlanders voor de staatsmacht een onzekerheidsfactor, niet qua hun brave naleving van de wet, maar aangaande hun absolute betrouwbaarheid. Die wordt bij het “eigen volk” verondersteld, dienovereenkomstig in het geval van statelijke behoefte ook geëist en ook door crimineel gedrag niet weerlegd. Twijfel aan het eenduidige antwoord op de nationale identiteitskwestie wekt veel eerder de toebehorigheid tot een minderheid, die met haar niet eens verboden manier van leven afwijkt van het canon van erkende zeden die de kritische media en hun followers als “Leitkultur” beschouwen; in het moederland van de burgerlijke vrijheid kunnen de leden van sommige communities daarover meepraten. Privé botgevierde vreemdelingenhaat en racisme zijn echter verboden – dit betreft niet toevallig volksleden die bijzonder vastberaden erop insisteren als vrije individu’s met de heerlijkheid van het nationale collectief en zijn de regering toevertrouwde macht absoluut identiek te zijn. Zijn inhouden genereert het standpunt van het nationale “Wij” in overvloed, maar ook niet vanzelf: het staatsgeweld dat een volksvorming in de dubbele betekenis beoogt, voedt het vaderlandse bewustzijn met toepasselijk beeldmateriaal, bijzonder graag, uitgebreid, zelfs wetenschappelijk met het teleologisch tot geschiedenis van de natie gestileerde verleden.
De burgerlijke staat doet er dus veel voor dat de status van de rechts- en verantwoordingsbewuste en zedelijk geïntegreerde burger de “tweede natuur” van de mensen wordt die hij als zijn bezit claimt. Desondanks blijft hij wantrouwig. Hij controleert niet alleen met justitie en politie daden die de vanzelfsprekende plicht tot loyaliteit schenden – trefwoord: trouw aan de grondwet – ; hij heeft ook – minstens – een geheime dienst die voor de verdenking tegen burgers in het algemeen, van staatsdienaars in het bijzonder verantwoordelijk is en in het grijze gebied van de meningsvorming spioneert, waarin de gedachtes weliswaar vrij zijn, maar toch ook gelden moet dat deze vrijheid niet misbruikt mag worden door vijanden van de vrijheid.
Zie: GEGENSTANDPUNKT 4- 23

De aanpak van sociale ontevredenheid per democratie

maart 26th, 2024

Door het nationale collectivisme en het zedelijke conformisme (het met geweld en staatsburgerlijke vorming gecreëerde “Wij”) verdwijnt allerminst de materiële inhoud van de vrijheid die de staat zijn burgers bewilligt: de weinig vreedzame belangentegenstellingen van de concurrentie om het geldverdienen en de kosten van de ordentelijke deelname daaraan, waarmee de staat zijn mensen opzadelt. Met zijn wetten en zijn huishouding produceert en reproduceert hij de heilloze tegenstellingen tussen de op elkaar aangewezen maatschappelijke belangen en de tegenstelling tussen het productieve eigenbelang van de klassen en concurrenten, zijn machtsbasis die hij hebben wil, en zijn duur regime daarover. Inhoudelijk is deze tegenstelling niet op te lossen. Aangepakt d.w.z. duurzaam bestendigd wordt zij middels de methode van de burgerlijke heerschappij: de tegenstelling wordt veranderd in een pluralisme van elkaar relativerende concepten: hoe maatschappelijk relevante belangen niettemin in overeenstemming te brengen zouden zijn met de helemaal niet te relativerende noodzakelijkheden en eisen van de staatsmacht. Met dit soort programmas’s – en het personeel dat daarvoor staat – concurreren politieke partijen om de overname van de heerschappij en de uitoefening van de ambten volgens de daarin reeds voorhanden takencatalogus. Daarmee is al duidelijk: alle schades die de diverse daders en slachtoffers van de kapitalistische concurrentie moeten verduren en daar met gerechtvaardigde ontevredenheid op reageren, wordt niet de burgerlijke staatsmacht en haar onverbiddelijke agenda ten laste gelegd, maar de partijen die per se zulke functie ambiëren. Aan al het bekritiseerde en bejammerde zijn zij schuldig, wat inzoverre niet heel erg is als zij de heerschappij immers “slechts” tijdelijk uitoefenen, van een verkiezing tot de volgende. Het staatsbelang zelf, de raison van de burgerlijke heerschappij blijft bij het geklaag buiten schot, en niet alleen dat: omdat de partijen optreden om met hun programma’s deze heerschappij te dienen, is die niet alleen boven elke kritiek verheven maar met haar veronderstelde eigenlijk goede taken de meetlat van alle kritiek; bij het min of meer bevredigende uitvoeren van deze taken kunnen partijen slagen of falen. Daaraan meten de concurrerende partijen elkaar en bekrachtigen zo permanent en in hun periodieke verkiezingscampagnes de schitterende scheiding tussen de tijdelijke heerschappij, die voor alle euvels en tegenslagen verantwoordelijk is, en de belangen van de staatsmacht waarvan het duurzame absolute behoud met elke verkiezing bevestigd wordt, onafhankelijk van de uitslag.
De kiezer geeft door te stemmen zijn onvoorwaardelijke tijdelijk onbeperkte toestemming tot de staatsmacht en haar raison in de vorm van een “slechts” tijdelijk beperkte toestemming tot een partij, en dat in alle vrijheid als zijn essentiële politieke vrijheidsdaad. Hij grijpt zo de door de staatsmacht geboden kans om zijn ontevredenheid over alles wat hem in zijn beroepsleven en op grond van politieke beslissingen overkomt weliswaar zeer zwijgzaam, maar daarvoor methodisch fundamenteel uit te leven, overtuigd van de praktische relevantie. Met de uitslag krijgt de teleurstelling die regelmatig op verkiezingen volgt het passende antwoord: de aanhangers van de verkiezingsoverwinnaars krijgen, wat hun materiële belangen betreft, hoogst zelden wat zij gewild maar in ieder geval wat zij vrijwillig gekozen hebben, mogen dus de voortbestaande ergernis zichzelf aanrekenen en voor de volgende verkiezingen een “proteststem” overwegen. Wie op de verliezers gestemd heeft, krijgt met de uitslag het bindende antwoord dat zijn gepolitiseerd interesse in de minderheid is gebleven en alleen daarom, maar daarom definitief terecht ongeldig is, en mag zich daarmee troosten dat zijn staat in principe ook voor zijn wensen en politieke voorkeuren een plek heeft en slechts tijdelijk de zegevierende variante van heerschappij uitvoert. Deze puur methodische relativering van de macht: de scheidbare verbinding van het staatsgeweld met het heerschappijconcept en -personeel van een partij bewerkstelligt de verabsolutering van de heerschappij tegenover haar basis en creëert en waarborgt tegelijk voor de staat de eenheid van leiding en volk, en voor het kiesgerechtigde volk de identiteit van vrije wil en onderwerping.
Zie: GEGENSTANDPUNKT 4-23
Zie ook: Demokratie, die perfekte Form bürgerlicher Herrschaft, GegenStandpunkt Verlag

Het organiseren van een anti-Russisch front

oktober 6th, 2023

De oorlog in Oost-Europa wordt niet alleen om de oprichting en het behoud van een autonome, van al het Russische gezuiverde Oekraïense natie resp. om de handhaving van een Russisch recht op een niet-bedreigend coöperatief “naburig buitenland” gevoerd, maar tevens om het voortbestaan van de vooralsnog door de VS gedomineerde wereldorde resp. om de vervanging ervan door een andere, volgens zijn voorstanders, multipolaire.
De wereldpolitieke betekenis van de lokaal begrensde oorlog wordt door alle betrokken partijen onderkend: Zelensky staat sowieso op het standpunt dat zijn Oekraïners voor de vrijheid van alle staten in de wereld vechten. Op zijn manier en met meer gewicht geeft het verenigde Westen hem gelijk als het erop hamert dat Poetin deze oorlog onder geen beding mag winnen, dat “agressie niet mag lonen”. Anders zou het afgelopen zijn met de mondiale veiligheid omdat Poetin, ten eerste, steeds verder zou gaan, straks in het Balticum en ooit aan de Rijn zou staan, en omdat, ten tweede, een Russisch succes een “uitnodiging voor autocraten” zou zijn om het Rusland na te doen. Met hun nieuwe domino-theorie – als één staat met een door het Westen ongewenste en afgekeurde oorlog succes heeft, doen ook andere een poging – insisteren de VS en hun partners erop dat hun wereldorde geen uitzondering op het naleven van het geweldverbod verdraagt dat ze alle andere staten verordenen en waarvan ze de enige hoeders zijn. Ze openbaren zo dat de vredesorde die ze verdedigen op de absoluutheid van de afschrikking berust, waar ze andere statelijke machthebbers mee bedreigen, dus hun inzet van militaire middelen bij voorbaat kansloos maken. Door de oorlog en een westerse overwinning moet dit geweldsmonopolie over de wereld – door Ruslands macht en wil tot autonome inzet van zijn leger in de praktijk bestreden en daarmee daadwerkelijk in twijfel getrokken – hersteld en opnieuw veroverd worden.
Met verklaringen die in het Westen als onzinnige, elke basis onberende imperialistische fantasieën worden beoordeeld, geeft de Russische president op zijn beurt de oorlog de tegenovergestelde betekenis: hij beschouwt de militaire zelfhandhaving van zijn eisen tegen de NAVO-gesteunde Oekraïne niet alleen als terugwijzing van het vijandige territoriale oprukken van de NAVO, maar als opmaat tot bevrijding van “de meeste landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika”, als een begin van het einde van de westerse hegemonie over de statenwereld en een eerste stap tot oprichting van een – pas door de demontage van de Amerikaanse militaire chantagepotentie mogelijke – multipolaire wereld van werkelijk vrije staten.
De lokaal gevoerde oorlog om mondiale suprematie en subordinatie gaat alle staten aan; niet zozeer omdat ze van de gevolgen van de oorlog, de vluchtelingen, het stijgen van de energie- en graanprijzen en de teruggang van de wereldconjunctuur getroffen zijn, dat ook; maar vooral omdat door de VS en de EU nadrukkelijk van hen geëist wordt in deze strijd de westerse kant te kiezen en mee te werken aan de politieke isolering alsook aan het op vernietiging van de economische en militaire potenties van Rusland gemunte sanctiebeleid. Ze worden geacht deel te nemen aan het front dat het Westen poogt te vormen om Rusland als outlaw van de statengemeenschap buiten te sluiten. Daarbij is de praktische bijdrage aan de economische oorlog die het Westen van alle staten eist slechts de ene kant. Elke met aanbiedingen en chantages bereikte diplomatieke veroordeling van een Russische schending van het VN-Handvest is een stuk herstel van de Amerikaanse wereldorde, omdat zo’n bereidwillige staat daarmee deze oorlog ook als tegen de eigen internationale rechtspositie gericht beschouwt, dus instemt met de principes van de VS-orde en daarmee met de suprematie van de VS als basis van zijn bestaan als staat.
De strijd om de integratie van de statenwereld in het anti-Russische front bepaalt tegenwoordig de internationale politiek. Want zelfverzekerde staten zijn geenszins bereid om zich te onderschikken. Ze zien zich door het actuele strijdtoneel uitgedaagd tot eigen inschattingen, nemen ook eigen initiatieven omtrent oorlog en vrede in Oost-Europa, en sommige ontdekken in de oorlog zelfs een goede gelegenheid om hun land vooruit te helpen in de permanente concurrentiestrijd van de naties om invloed en macht.
Enkele voorbeelden in: GEGENSTANDPUNKT 3-2023

Oorlogskroniek uit Oekraïne

juni 28th, 2023

1
Oorlogskronieken worden geschreven om langs de leidraad van de vraag wie begonnen is daders en slachtoffers te onderscheiden, zodoende de schuldige te vinden, dienovereenkomstig partij te kiezen en zich daarmee de gruwelijke gebeurtenis te verklaren. Daarbij volgt de partijdigheid als ze met praktische consequenties van staten, namelijk van hun machthebbers gepaard gaat niet de moraal of een of andere rechtstoestand maar het politieke interesse dat – het is immers een van de hoogste instantie – als recht, dus met geweld wordt geldend gemaakt. Bij het doeltreffend beïnvloede publiek daarentegen is de partijdigheid van moralische aard, oriënteert zich regelmatig aan de beslissingen die in de natie in de praktijk gelden en leeft als privé-oordeel – uitsluitend met gevolgen voor het persoonlijke gevoel – van de domheid juist in grotere tussenstatelijke geweldaffaires de als slachtoffer ingeschaalde staat, dus een heerschappijapparaat dat elke menselijke maat overstijgt, als een persoon te beschouwen die men als fatsoenlijke medemens tegen een overval zou moeten bijstaan; en dit bij nader inzien ook nog uitgerekend omdat de werkelijke mensen met hun gehele bestaan aan dit heerschappijapparaat als beschikbaar voetvolk onderworpen, quasi daarin geïncorporeerd zijn.
In het geval Oekraïne is de zaak eenvoudig. Met het trefwoord “aanvalsoorlog” – vaak met toevoegingen als “Poetins”, “wrede”, “niet-geprovoceerde” – is voor bijna 100 procent van de liberaal-democratische publieke opinie de oorlogsschuld opgehelderd, de vraag naar de oorlogsreden beantwoord: de enige en absoluut schuldige is Rusland; als bijzondere redenen worden “imperialisme”, “angst voor democratie”, “postsovjetische fantoompijn” of ook alleen maar “kwaadaardigheid” aangevoerd. Ondanks dat stopt men natuurlijk niet met het schrijven van oorlogschronologieën. Ze geven het oorlogsverloop weer, graag aan de hand van zulke waardeneutrale vraagstellingen als: valt Ruslands leger uit elkaar? Heeft Poetin zijn hand overspeeld? Waarom duren de westerse wapenleveringen aan Oekraïne zo lang? Wat ontbreekt er nog aan een succesvol offensief van Oekraïne? Of ook: waarom is het “globale zuiden” nog niet anti-Russisch ingesteld? Ook waar het informatiegedeelte van de berichtgeving zich terughoudt met zijn professionele verontwaardiging over Russische wandaden, voldoening over Russische slachtoffers, leedvermaak in het geval van Russische nederlagen, hoop op Oekraïense overwinningen etc. beheerst de moralische veroordeling van Rusland als alomtegenwoordig uitgangspunt elk “verhaal” uit het oorlogsgebied.
2
De eentonigheid van deze gedecideerd anti-Russische berichtgeving provoceert sommige traditionele Rusland-vrienden tot het pleidooi men moge toch ook eens naar de tegenzijde luisteren. Zij opperen dat de politiek van het Westen – de oostwaartse NAVO-uitbreiding, de economische annexatie van voormalige Sovjetrepublieken door de EU, het bevorderen van “oranje” revoluties in Ruslands “naburig buitenland” – in de voorgeschiedenis van de oorlog niet buiten beschouwing mag worden gelaten, dat er ten minste van “niet-geprovoceerd” geen sprake kan zijn. Dit alles wordt in het kader van de liberaal-pluralistische meningsvorming geenszins geïgnoreerd of verzwegen. Veeleer veroorlooft men zich zeer vrijmoedig de tegenstrijdigheid eraan te herinneren dat, sinds wanneer, hoe omvangrijk, met welke middelen, zelfs met welke verreikende doelstelling de VS en Europese NAVO-machten Oekraïne op een oorlog met Rusland hebben voorbereid en de oorlog als die nu plaatsvindt als hun eigen zaak voeren – en tegelijkertijd dat alles en met name de anti-Russische oorlogsdoelen van het Westen een grote leugen te noemen, zodra ook maar iets daarvan deel uitmaakt van de officiële Russische stellingname ter verklaring van het eigen optreden. Rusland is begonnen – wie daarmee niet alles begrepen heeft, geldt niet alleen als dissident maar maakt zich bovendien schuldig aan het goedkeuren van een misdaad.
3
Een alternatieve chronologie van het gebeuren die ook kijkt wat er vooraf ging aan februari 2022 kan echter nuttig zijn: idealiter neemt men nader kennis van de imperialistische en de anti-Amerikaanse, de specifieke Euro-imperialistische en de nationalistische berekeningen die de drie oorlogspartijen sinds meer dan een jaar zo onverbiddelijk in praktijk brengen. En omdat alle oorlogspartijen – verwijzend naar de oorlogsdoelen en calculaties van hun respectievelijke vijanden en rechtvaardigend onderscheidend tussen slachtoffers en daders – vinden dat zij in waarheid aangevallen zijn, dus zich verdedigen moeten en het recht ertoe aan hun zijde hebben, kan men deze berekeningen wel degelijk als stof gebruiken om te begrijpen wat de oorlogspartijen daadwerkelijk zo absoluut te verdedigen hebben, d.w.z. welke raison van hun heerschappij ze volgen als ze daaruit de onverenigbaarheid van hun statelijke macht met die van hun tegenstanders concluderen. Dat heeft in ieder geval het voordeel dat men – idealiter – de noodzakelijkheid van hun oorlog begrijpt: de werkelijke oorlogsreden, waarnaast zich elke moralische inschatting belachelijk maakt.
De “historische waarheid” over de voorgeschiedenis van de Oekraïne-oorlog zoals ze bijvoorbeeld linkse vrede-voorstanders ter correctie van de officiële en ook inofficiële hetze aanvoeren, heeft een cruciaal manco: de domheid van de schuldvraag raakt ze niet echt kwijt. Uiteindelijk is ze, de “historische waarheid”, slechts de alternatieve versie van de fout de oorlog door identificatie van een schuldige, maar dan niet zo eenzijdig anti-Russisch, te verklaren. En iets anders kan de vraag wie werkelijk begonnen is en wie terecht de slachtofferstatus claimt ook helemaal niet opleveren, omdat de historische regressie volgens het schema prikkel en reactie steeds daar blijft staan waar een partijdig interesse zich gerechtigd acht of waar een onpartijdig standpunt op remise pleit – beide het tegendeel van een verklaring.
4
In Oekraïne zijn de drie actieve oorlogspartijen bezig met de doelgerichte escalatie van het doden en verwoesten; allen volgens het maxime de vijand daarbij steeds weer te overtreffen, totdat die niet meer reageren wil of kan, en onder geen beding degene te zijn die ooit opgeeft. Hierbij maken Rusland en de VS met hun wederzijdse waarschuwingen voor de inzet van nucleaire wapens duidelijk tot welke laatste consequenties ze in staat zijn.
Wij hebben voor dit nummer momenten van de lopende oorlog en bijbehorende verklaringen en diplomatieke activiteiten genoteerd, toegelicht en in de vorm van een kroniek gebracht, om exemplarisch vast te houden hoe deze escalatie plaatsvindt: in grotere en kleine stappen die stilaan in het nationale en internationale staatsleven normaal worden.
Redenen voor partijdigheid hebben wij daarbij niet gevonden.
“Oorlogskroniek uit Oekraïne” in: GEGENSTANDPUNKT 2-2023

Goede zeden op het slagveld I

juni 28th, 2023

Gevallenen- en gevangenenruil
Het paasfeest brengt hoop en een nieuw begin voor 200 Oekraïense en Russische soldaten die in het kader van een gevangenenruil terug naar huis mogen. Dat deze soldaten, als levende oorlogsbuit in de handen van de vijand, niet te maken krijgen met de wraak van de vijandelijke natie, hebben ze te danken aan de Geneefse Conventies. Die eisen van oorlogspartijen o.a. een “menswaardige behandeling” van gevangenen, die door ontwapening en internering hun functie als wapen van de vijand hebben verloren. Als wapen onschadelijk gemaakt en niet langer de statelijke geweldopdracht uitvoerend, krijgen ze als krijgsgevangenen en nieuwe volkenrechtelijke status, die hen voor de gebruikelijke wreedheden van het soldatenhandwerk behoedt. Met hun zelfbeperking, het verbod op marteling en executie van gevangenen, insisteren staten erop dat hun soldaten “slechts” het mensenmateriaal zijn dat ze voor hun geweldbehoefte inzetten, dat hun vernietigingswil tegen de soldaten van de vijand zich niet op hen persoonlijk richt, maar op de oorlogswil en de oorlogspotentie van hun opdrachtgever, dus op de politieke tegenstander gemunt is.
Maar wat heet “slechts”! Ze zijn met huid en haar het beschikbare voetvolk van de oorlogspartijen, die elkaars eigendomsrecht op hun soldatenpersoneel erkennen en het als menselijk onderpand conform hun politieke berekeningen gebruiken. Dat ze na het verbreken van alle andere diplomatieke betrekkingen via een ruil van gevangenen direct met elkaar onderhandelen, geldt als civiel lichtpuntje midden in de oorlog, en omdat de mensen als materiaal voor het statelijke zelfbehoud moeten dienen, als zorg voor hen en als daad van statelijke humaniteit. De staten biedt de gevangenenruil een gelegenheid tot zelfverheerlijking – als beschermingsmachten van de volkeren die ze in de oorlog voor hun politieke doelen zo meedogenloos de dood in jagen.
Dit statelijke eigendomsrecht op zijn mensenmateriaal en de functionaliteit ervan voor de politieke leiding eindigt zelfs niet met de dood van de soldaten. De oorlogspartijen ruilen naast gevangenen ook nog gevallenen. In de strijd om een verenigd Oekraïens volk acht diens politieke opperbevelhebber zich verplicht te beloven dat de nationale leiding geen enkele soldat, die ze naar het front gestuurd heeft, vergeet: “Wij herinneren ons aan allen. Wij zullen iedereen van hen terugbrengen.” De statelijke leiding bewijst de gevallenen als martelaars van de verdediging van Oekraïne de laatste eer; en in een plechtige ceremonie in de nationale aarde begraven, bekrachtigen de doden middels de grootste individuele dienst voor het vaderland, het opofferen van hun levens, dat de nationale zaak, voor die ze gestorven zijn, elk slachtoffer waard is. Met dit wederzijdse eerbetoon celebreert de staat de onverbreekelijke loyaliteit tussen volk en leiding, die zelfs de dood trotseert, en prijst de onverstoorbare oorlogswil van het nationale zelfbehoud met de slachtoffers die hij creëert. In deze laatste daad ter versteviging van de oorlogsmoraal van zijn volk vallen de politieke en de menselijke kant weer samen: als aanbod voor de nabestaanden; ze mogen troost putten uit de vaderlandse zingeving omtrent de dood van hun naasten.
Uit “Oorlogskroniek…”: GEGENSTANDPUNKT 2-2023

Goede zeden op het slagveld II

juni 28th, 2023

Onthoofdingsvideo
Gedood wordt er in de Oekraïne-oorlog op grote schaal. Voor dit handwerk worden soldaten tenslotte opgeleid en getraind, opdat ze desnoods ter verdediging van de veiligheid van hun vaderland zo snel mogelijk zo veel mogelijk vijandelijke strijders doden, voordat ze zelf worden gedood. Beide oorlogspartijen meten hun vooruitgang en succes aan het aantal gedode vijandelijke soldaten, en eren degenen die bijzonder dapper bleken of bijzonder lang hebben standgehouden. Sommig dodingsdelict mag echter ook in de oorlog niet, bepaalde wreedheden zijn volgens de Geneefse Conventies uit den boze en bieden derhalve stof voor een schandaal: “In de nacht is in de sociale netwerken een video opgedoken die lijkt te tonen hoe een vermoedelijk Oekraïense krijgsgevangene door een waarschijnlijk Russische soldaat wordt onthoofd.”
Dit is niet alleen voor de media brisant materiaal, maar ook voor de statelijke justitie. Beide oorlogspartijen zien zich namelijk verplicht om hun tussenstatelijke geweldexcessen in het kader van volkenrechtelijke normen uit te voeren, die tussen de doelmatige inzet van statelijk geweld, dus de normaliteit van wreedheden, en ondoelmatige private geweldexcessen van soldaten onderscheiden. Bij het laatste zijn de statelijke krijgsheren geconfronteerd met een verruwing van hun uitvoerend personeel, die blijkbaar bij de oorlog hoort.
De soldaten moeten plichtsgetrouw, dus hun levens riskerend en ondanks de bijhorende doodsangst, de dienstbevelen van de leiding onvoorwaardelijk opvolgen, en bereid zijn tot elke bevolen gewelddaad (die in het civiele leven niet mag en voor die ze privaat ook helemaal geen reden hebben). Ze moeten zich de statelijke dodingsopdracht eigen maken, en dit geweldhandwerk zo professioneel verrichten dat ze persoonlijke wraakoefeningen op gevangenen of andere niet geëiste gruwelijkheden achterwege laten. Een beeld van de boze vijand die kameraden ombrengt en de eigen familie bedreigt, kan de wreedheid, het doden van wildvreemden, echter nauwelijks ontberen; de oorlog levert daarvoor ook een hoop persoonlijke ervaringen die sommige soldaten, naast de ideologische ophitsing door de leiding, van een privaat motief voorzien. Overgangen tot privé-geweld zijn kennelijk inherent aan het statelijk georganiseerde soldatenhandwerk; vandaar dat ze met het oog op de discipline van de troepen verboden zijn en strafrechtelijk worden vervolgd.
Zo begint ook in deze zaak het Russische Openbaar Ministerie een onderzoek, insisteert zo tegenover de rest van de wereld op zijn verantwoordelijkheid voor zijn geweldpersoneel en onderzoekt of dit – om het even of soldaat of Wagner-huurling – werkelijk uitsluitend in statelijke opdracht Oekraïners ombrengt. Ook de Oekraïense zijde onderzoekt de zaak, om nog een bewijs te presenteren voor de gewenste wereldpolitieke veroordeling van de Russische inval als een actie zonder enige politieke doelstelling: puur een voortbrengsel van het kwaad. Voor deze door het Westen gedeelde boodschap volstaat natuurlijk ook de verdenking. Of de video authentiek is of niet, het doet er niet toe; de westerse media unisono: “Het behoeft geen nieuwe videobewijzen voor de Russische wreedheid.”
Uit “Oorlogskroniek…”: GEGENSTANDPUNKT 2-2023

De loonkwestie in harde tijden

april 12th, 2023

Toelichtingen van hogerhand over de noodzaak van inflationaire verarming
Het Westen voert een economische oorlog tegen Rusland, de leidende West-Europese demokratieën zetten hun bestaande economische betrekkingen in als wapen tegen de energiegrootmacht – en aan het thuisfront breken prompt de aangekondigde “harde tijden” aan. In verschillende gradaties komt het overal in Europa tot een in deze snelheid ongekende, de markteconomie waardige verarming van de bevolkingen: in de afdeling energie vertalen de spelers van de markt de politiek veroorzaakte (of ook slechts de verwachte) vermindering van het aanbod aan energiedragers naar hogere prijzen, die de commerciële klanten uit alle mogelijke andere afdelingen betalen om op hun beurt ook voortaan lonende zaken te doen. Daarvoor “berekenen” zij hun gestegen inkoopprijzen op z’n minst “door”, (meestal met opslag). Hoe omvattend en hoe succesvol zij dit doen, ondervindt het soort marktdeelnemers dat aan het einde van alle markteconomische ketens de prijzen slechts betaalt om het gekochte te consumeren: eerst bij het benzinestation, dan in de supermarkt en ten slotte bij de voorschotten van de energierekeningen. Zwart op wit krijgen zij in de statistieken over het inflatiepercentage van het nationale geld de mate van hun verarming voorgerekend, hoeveel het maandsalaris devalueert waarvan zij moeten rondkomen, wat echter steeds moeilijker lukt.
Natuurlijk worden de mensen daarmee in een fatsoenlijke sociale markteconomie niet alleen gelaten. In hun eigenschap als sociaalpolitici besluiten de nationale machthebbers diverse “steunpakketten” die elke verergering met een passende maatregel flankeren. Zo bewerkstelligen zij dat de schade, die zij naar eigen goeddunken verzachten, de nieuwe realiteit uitmaakt waaraan de volkeren zich hebben aan te passen. En natuurlijk is het in de vrije markteconomie de loonafhankelijke meerderheid ook niet verboden iets tegen de ongetwijfeld blijvende schade te ondernemen – namelijk op de al lang voorgeschreven wijze: de vakbonden zijn voor de steeds weer nodige correctie van de contractueel vastgelegde salarissen voor onzelfstandige arbeid verantwoordelijk en reageren op de nieuwe situatie.
Met voorbeelden uit landen van de westerse welvaart, Frankrijk, Engeland en Duitsland, behandelt GEGENSTANDPUNKT 1-2023 de actuele verarming van de meerderheid, die voor de groei van de rijkdom werkt die niet van haar is.

Een jaar Oekraïne-oorlog

maart 26th, 2023

– Na een jaar oorlog in Oekraïne zijn ongeveer zoveel Russische soldaten dood of verwond als een jaar geleden aan de “speciale militaire operatie” begonnen. Waarvoor? President Poetin verklaart het keer op keer: voor het herstel van een intact Russisch vaderland; en voor de veiligheid van de natie als strategische macht tegen de existentiële bedreiging door de NAVO. In het Westen worden beide verklaringen als absurd verworpen, niet met argumenten maar vanuit het vaste standpunt dat deze – uitgerekend deze! – redenen niets anders zouden zijn dan rechtvaardigingen die helemaal geen serieuze kennisname verdienen.
Was het maar zo! Maar serieus, letterlijk genomen zijn het duidelijke openbaringen over wat voor verschrikkelijke imperatieven “vaderland” en “strategische macht” zijn.
– Na het eerste oorlogsjaar is Oekraïne verwoest; een aanzienlijk bevolkingsdeel werd door de regering in haar strijd tegen de Russische invasie geslachtofferd. Waarvoor? President Zelensky verklaart het dagelijks in uiterst drastische vorm: zonder standvastig doden en sterven aan alle fronten zou Oekraïne als zelfstandige staat niet meer bestaan. Dit geldt als absoluut te respecterende rechtvaardiging van alle slachtoffers, als het summum van een gerechte oorlogsreden.
En zoveel klopt daarvan: de held van de nationale verdediging openbaart wat voor een dodelijke aangelegenheid de oprichting, handhaving en redding van een echte natie is. Met het verwijt “volkerenmoord” aan het Russische adres benadrukt hij bovendien dat het levensdoel van de bewoners van zijn machtsgebied daaruit bestaat als volk volledig gesubsumeerd te zijn onder de door hun overheid gedefinieerde en gepraktiseerde “nationale identiteit”.
– Na een jaar “Zeitenwende” ontwaart het Westen de kosten van zijn inzet tegen Rusland in Oekraïne: de schade (die hij georganiseerd heeft) voor de wereldeconomie en voor de eigen economische groei; de wellicht langdurige uitgaven voor wapens en voor de fictie van een Oekraïense staatsbegroting; de vluchtelingenstroom die hij managet; ook schades en lijken in Oekraïne maken deel uit van de balans. Waarvoor dat alles? De verantwoordelijken kunnen het niet vaak genoeg verklaren: met het geweld dat zij mobiliseren redden zij de Europese en überhaupt de globale vredesorde. Wat een nobel streven! Wat een onbaatzuchtige verantwoordelijkheid!
Ook dat: wat een openbaring! In de statenwereld voor orde zorgen is de exclusieve taak van het Westen. Nodig daarvoor is het monopolie op de inzet van oorlogsgeweld dat zonder nietsontziende inzet van superieure militaire middelen niet te krijgen is; rekening houdend slechts met één ding: dat de kosten, de slijtage, de onvermijdelijke slachtoffers het liefst de anderen moeten dragen.
– Ten slotte: sinds een jaar benadrukken de makers van de Oekraïne-oorlog allemaal voortdurend dat hun oorlogsvoering dan wel -deelname per se noodzakelijk is. Waarom? Omdat de respectievelijke andere zijde zich kwaadaardig vergrijpt aan het heilige goed voor dat men zelf oorlog voert. Iedereen reageert slechts op een onaanvaardbare bedreiging, op een wrede agressie.
En als het daadwerkelijk zo is? Namelijk zo dat voor elke partij haar vitale belangen onverenigbaar zijn met die van de tegenpartij? Dat de essentiële rechten, die elke partij haar vitale belangen toekent, geweld tot het uiterste niet alleen rechtvaardigen maar eisen? Alle tegenstanders beroepen zich op een objectieve dwang tot oorlog, op een absoluut onmisbaar recht erop en openbaren zo daadwerkelijk één ding: de onverenigbaarheid van de staatsraison die zij als militaire mogendheden naleven – dus van inhoud, zin en doel van hun natie met haar wereldmacht en navenante wereldorde – met de soortgelijke raison van hun vijand.
De noodzakelijkheid van de Oekraïne-oorlog die daaruit volgt, is voor degenen die ervan bezield zijn en dienovereenkomstig de oorlog voeren hun goede reden om mensen de dood in te jagen. Uiteraard: ze zouden immers niet zijn wat ze zijn – de verantwoordelijke uitvoerders van de existentiële belangen van hun machtsgebied – als hen hun functie (daaraan inherent de absolute affirmatie van deze belangen) niet volstrekt vanzelfsprekend zou zijn. Het onvoorwaardelijke professionele Ja tot de rechtsaanspraak op nietsontziende handhaving van het nationale bestaansdoel met al het beschikbare geweld tegen elke beperking en belemmering is de voorwaarde van hun ambt en het principe van het daarvoor noodzakelijke valse bewustzijn, namelijk het patriottische verantwoordingsbewustzijn waarmee ze hun ambt uitoefenen. Omgekeerd: uit de goede redenen die de strijdbare macht- en bevelhebbers voor hun strijdvaardigheid doen gelden,valt de werkelijke noodzaak van de oorlog te concluderen, zijn reden in de imperialistische natuur van de betrokken machten – als men uit de in omloop gebrachte redenen de affirmatie, uit de uitentreuren herhaalde goede redenen het “goed” wegstreept. Dan begrijpt men ook de buitengewoon cynische berekeningen beter die door presidenten en kanseliers en hun strategen worden gedaan en in het oorlogsverloop worden toegepast – en vermijdt verkeerd begrip als even verkeerd onbegrip.
De vier GEGENSTANDPUNKT-uitgaven uit het oorlogsjaar 2022 verschaffen duidelijkheid over de Oekraïne-oorlog. Nr. 1-2023 behandelt de reactie van het Westen op de fase van de oorlogsvoering die de Russische kant in het najaar is begonnen.
Bovendien beantwoordt een artikel de vraag (die helaas niemand zo stelt): hoe krijgt het een moderne democratie eigenlijk zo effectief voor elkaar dat haar volk alles voor de samenleving noodzakelijke zo alternatiefloos gewillig ondergaat, zelfs de militaire “Zeitenwende”? Hoe lukt het haar de analoge prestaties van beruchte autokraties zeer zelfbewust te overtreffen?

Oorlogsmoeheid

september 5th, 2022

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken waarschuwt voor oorlogsmoeheid. En dat serieus. Is deze vrouw niet goed wijs?
Natuurlijk, zij heeft het over de oorlog in Oekraïne. Die is zo ver weg dat niet de mensen over wie zij meeregeert verordonneerd worden te doden en te sterven maar – vooralsnog – slechts enkele miljoen Oost-Slaven. Echter juist dat is haar, niet ruimtelijk maar kwalitatief gezien, te ver weg. Zij meent dat door de Oekraïners ónze oorlog wordt gevoerd. En zij bedoelt daarmee niet dat wij blij mogen zijn een stel nationalisten gevonden te hebben dat voor ons door het vuur gaat. Zij maant ons tot identificatie met hen die daarginds aan de Zwarte Zee het bevel krijgen te doden en te sterven. Identificeert zij zich ook met degenen die daar het commando voeren? Bereidt zij zich erop voor het de Oekraïense leiding na te doen? Sommeert zij haar driekleurige regering – en tevens de meeregerende oppositie – mensenoffers niet te schuwen?
Misschien denkt zij ook aan iets anders. Over de oorlog in die zin praat zij helemaal niet. Maar over een hoger doel. Over onze waarden waarvoor de Oekraïners zich met ware doodsverachting opofferen en Russen doden: vrijheid, democratie en iets dergelijks. De euro bedoelt zij daarmee zeker niet, laat staan de dagelijkse concurrentiestrijd om die te verdienen. De methode waarmee zij de commandomacht in de staat gekregen heeft, bedoelt zij zeker ook niet. Maar wat bedoelt zij dan?
Waarden is het ingeburgerde woord voor de doelgerichte abstractie van alle werkelijke politieke en economische levensomstandigheden en staatsinstellingen. Namelijk erop gemunt dat in of achter deze leegte iets zit dat het waard is zich daarvoor onvoorwaardelijk in te zetten. Geen levens- of genotmiddel maar dit hogere, absolute voor dat een waardengebonden staatsmacht – en welke in de wereld is dat niet? – haar burgers verordonneert te doden en te sterven als zij oorlog voert. Waarden hebben hun gehele inhoud in hun functie geweld te rechtvaardigen; in Baerbocks geval: oorlog te idealiseren. Die mag derhalve dan ook lang duren; tot in de zomer van het volgende jaar schat de regering, minstens. Daarbij mag het volk niet oorlogsmoe worden. Dat is wel degelijk bedoeld.
Om het nogmaals zo te zeggen:
Of de minister wil de geregeerden meedelen dat de frase van de offerbereidheid van de goede staatsburger niet slechts een frase is; dat de regering in ieder geval niet aarzelt deze in praktijk te brengen als ze soldaten nodig heeft. En dat het volk zich niet hoeft te verwonderen als het daarvoor wordt opgetrommeld, maar altijd en onvermoeibaar bereid moet zijn zijn staat als wapen te dienen.
Of, de andere mogelijkheid: men heeft het te maken met het nietsontziende cynisme van een would-be-kanselier die zich en haar volk bij het op waarden gebaseerde de dood injagen van vreemde volkeren aanspoort vol te houden.
Ten derde is dat wellicht helemaal geen of – of.
*
Mensen als Baerbock, regerende alsook oppositioneel ophitsend meeregerende, maken sinds een half jaar een Zeitenwende. Hoe ver ze daarmee inmiddels gekomen zijn, wereldwijd en thuis, staat in de nieuwe Gegenstandpunkt 3-22

Armoederapport

januari 24th, 2022

De wereldmarktprijzen voor gas en andere energiedragers stijgen; de prijsstijgingen waar gezinnen, werknemers, AOW’ers… ongevraagd mee geconfronteerd zijn, komen hard aan – geen verrassing gezien hun inkomstenbronnen. Zij moeten de zakelijk gecalculeerde energie- en warenprijzen betalen en staan nu voor de vraag of ze dat nog kunnen. Wie hier reeds relatief arm is, loopt nu eenmaal het risico absoluut te verarmen.

Een gegeven dat geen illustratie behoeft; niettemin blikt een Volkskrant-reporter voor een supermarkt in enkele winkelwagens en constateert: weinig inhoud. Een oudere vrouw mag vandaag de massa vertegenwoordigen, die moet rondkomen met zulke verworvenheden als lage lonen, minimumlonen, AOW of andere uitkeringen, “zij zucht”:“Ik durf bijna niet te kijken naar de gasrekening van vorige maand. Voor een handjevol boodschappen ben je ook zo 25 euro kwijt, dus al met al kijk je toch bewuster naar wat je echt nodig hebt.” Dat kunnen omstanders beamen. Bovendien krijgt een hoogleraar micro-economie het woord; hij, een voorstander van het mensenrecht op markteconomie, kan op basis van CBS- en Nibud-cijfers bevestigen dat mensen met lage inkomens het zwaar hebben: “… zij hebben ook minder mogelijkheden om hun uitgaven te verlagen.”

Kortom, een lastige toestand; maar hoe nu verder? Samengevat zo: uitgeput door het koopjesjagen, het “marktonderzoek” der minderbedeelden, naast de laaggezette verwarming (want “even opwarmen is er niet bij”) tamelijk gelaten hopen op hulp – die uiteraard van boven moet komen: een paar 100 euro van rijk en gemeente om de winter te doorstaan. En vooral “geen hoge schulden opbouwen”, ook niet in “tochtige huurhuizen.”… Het plaatje is compleet, de boodschap is duidelijk.

De vaste wil om in belabberde omstandigheden met beperkte middelen stand te houden: respect! Goedkope trucs d.w.z. povere pogingen om “uitgaven te verlagen”: niks mis mee. Tenminste is men niet alleen; weliswaar is ieder voor zich bezig op basale dingen te besparen, armoede als persoonlijke uitdaging, maar tegelijkertijd maakt men deel uit van de grote gemeenschap van lotgenoten, een collectief met hetzelfde voorbeeldige gedrag.

Of het moderne pauperisme zich herkent in dit portret en gechoqueerd van zichzelf schrikt, moet het door zijn praktijk beantwoorden.
(citaten: de Volkskrant 19.1.2022)

Beroep: politieagent

januari 18th, 2022

Leden van een beroepsgroep, die met outfit en uitrusting haar bestaansreden plastisch belichaamt, worden door een VN-rapporteur beschuldigd van excessief geweld. “De politiebonden reageren woest” – niet op het gewraakte politieoptreden, maar op de kritiek. Hun zelfbewust zelfbeeld berust op het volgende:

1. Naast haar concrete deeltaken en veelzijdige beschermingsfuncties voor uiteenlopende staats- en burgerbelangen is de hoofddoelstelling van de politie de beveiliging en handhaving van de soevereiniteit van het staatsgeweld. Als diens gewapende arm zet de politie het statelijke geweldsmonopolie door en verschaft zo de statelijke autoriteit onvoorwaardelijke erkenning in de samenleving, d.w.z. ze zorgt er heel principieel voor dat alles wat de staat via recht en wet zijn samenleving verordent en toestaat, gehoor vindt en erkend wordt als maatschappelijk te respecterend kader bij het nastreven van de eigen belangen, dat de samenleving zich dus aan het gezag onderwerpt en hem – ongeacht alle private belangen – onvoorwaardelijk gehoorzaamt. Het doorzetten van het geweldsmonopolie is de voorwaarde van al het statelijke handelen en daarom het hoogste doel van de staat; daarvoor permitteert hij zich een beroepsgroep, die hij volgens het principe bevel en gehoorzaam hiërarchisch organiseert, en voorziet van omvangrijke geweldsmiddelen.
2. Als instrument van het staatsgezag is de politie het geweld binnen de natie, en voor het doorzetten van het geweldsmonopolie behoeft het een heleboel geweld. Ter waarborging van de statelijke soevereiniteit moet de geweldsafdeling altijd en overal paraat staan, zodat zich niets en niemand kan onttrekken aan de gewapende arm van de wet. Die moet de handel en wandel in de samenleving zo dominant kunnen controleren dat elk verzet zinloos is, en de bevolking bij het nastreven van haar belangen afziet van geweld, en recht en wet als verplichtende basis van haar privébestaan erkent. Met haar alomtegenwoordigheid en gewapende superioriteit creëert de politie de nodige afschrikking, zodat de gehoorzaamheid van de bevolking t.o.v. van de rechtsorde het directe geweldgebruik doorgaans overbodig maakt. Waar het doorzetten van recht en wet niettemin de politionele hardhandigheid vereist, wordt de gewelddadige basis van de statelijke orde evident, die de brave burger gezien de onbetwistbaarheid van het geweld en diens geslaagde afschrikkingsprestatie zo graag vergeet, wanneer hij in vrijheid zijn concurrentiebelangen nastreeft en de heersende rechtsstatelijke orde met de afwezigheid van geweld verwisselt – althans zolang hij niet zelf geconfronteerd wordt met gewapende wetshandhavers.
3. Als uitvoerders van de statelijke geweldsbehoefte wordt van politieagenten verwacht dat ze alle schendingen van de rechtsorde bij voorbaat verhinderen, of repressief bejegenen. Met hun geborneerde blik op ( potentiële ) wetsovertreders, wier beweegredenen in het schema van “toegestaan of verboden” niet voorkomen, hebben ze de hele samenleving kritisch te observeren, naar misdadigers te speuren en de opgepakten adequaat te behandelen. Om hun opdracht goed uit te voeren, moeten zij in persona altijd in staat en bereid zijn rücksichtslos tegenover zich en de anderen geweld uit te oefenen, en de “directe dwang” zo lang te escaleren tot elk verzet gebroken en de situatie onder hun controle is; daarbij zijn ze in de praktijk aangewezen op de voorbehoudloze, tot offer bereide, als korpsgeest geïdealiseerde verbondenheid van de groep. Om aan dit veeleisende beroepsprofiel te voldoen, moet de politieagent zich met de gewelddadigheid van de rechtsstaat, waarvan hij de incarnatie is, identificeren en met morele partijdigheid de onbetwistbaar goede reden voor zijn eigen geweldsaanwending als absolute noodzakelijkheid verinnerlijken. De gewelddadige beroepsinhoud moet als “law-and-order”- standpunt zijn tweede natuur worden. Dat dit geëiste en gestimuleerde ordefanatisme bij grote delen van het gewapende personeel gepaard gaat met de navenante gezindheid, is werkelijk geen wonder…
Uittreksel uit: Gegenstandpunkt 4-2020

Democratische verdeeldheid

januari 18th, 2022

Pluralistisch palaver of “maatschappelijke polarisatie”?
Volgens de vrije media staat er iets waardevols op het spel: steeds meer Nederlanders lijken steeds minder te beseffen dat ze een volk zijn.
De objectieve waarheid van deze eenheid bestaat daarin dat de Nederlandse burgers – evenals de leden van elk staatsvolk – onderworpen zijn aan één en hetzelfde gezag. Voor zover deze eenheid een subjectieve waarheid heeft, bestaat die daarin dat de burgers deze abstractie aan zichzelf voltrekken en tot de merkwaardige eigenschap “nationale identiteit” maken, doordat zij hun gemeenschappelijke onderworpenheid ophemelen tot morele gemeenschap, die beschermd wordt door het statelijke geweld. Het koesteren van deze identiteit celebreert weliswaar steeds de morele eenheid van het volk – maar geschikt voor het stichten van harmonie is het allerminst. De alledaagse praktijk van de nationale identiteit is een permanent twisten over wie zijn plichten tegenover de morele gemeenschap nakomt – en wie juist niet, waardoor de rechten van de plichtsgetrouwen worden beknot.
Dit twisten kent enkele escalatieniveaus, wat tevens geldt voor de middelen die ter bescherming van de verstoorde gemeenschap overwogen worden en eventueel worden ingezet. Het spreekwoordelijke “elkaar de maat nemen” inzake rechten en plichten eindigt consequent met de vraag wie zijn eigen belangen laat prevaleren boven de pure abstractie, dus wie überhaupt nog deel uitmaakt van de morele gemeenschap.
Wat de media betreft die momenteel ten aanzien van zo’n ongezellige volksgemeenschap eensgezind hun bezorgdheid uiten ( bijv. “Hoe lossen we de toenemende verdeeldheid in onze samenleving op?” KRO-NCRV 17.1.2022) – zij verwoorden kennelijk het ideaal van een perfect democratisch staatsburgercollectief, waar alle democratische regenten van dromen: over burgers regeren die niet vragen wat de staat voor hen kan doen, maar wat zij voor de staat kunnen doen.

(Wie zich zorgen maakt over de “toenemende verdeeldheid” kan gerustgesteld worden: de situatie is pas penibel als burgers massaal, gedesillusioneerd over de politiek, niet alleen de verkiezingen mijden, maar in de gedaante van werknemers, verontwaardigd bijvoorbeeld over de weigering van hun werkgevers de inflatie met loonsverhogingen ruimhartig te compenseren, het vertrouwen verliezen en trachten de “samenwerking” te beëindigen.)

De bestorming van het Capitool

januari 12th, 2022

Enkele opmerkingen over een patriottische ziel
Miljoenen kiezers uit het geweldigste (greatest) volk op aarde stonden en staan blijkbaar achter de beruchte bestormers van het Capitool; behorend tot diverse sociale lagen, verbindt hen onderling en met hun president de onvoorwaardelijke liefde voor de vrijheid. Deze heiligste waarde, dat moet gezegd, heeft een profane inhoud: zich handhaven in de concurrentie om geld met de respectievelijke middelen waarover de individu’s als hun eigendom beschikken. Hetgeen voor de meesten betekent dat hun vrije bestaanswijze een zeer afhankelijke blijkt: “hard working” voor hun bazen, of als zelfstandigen zo zelfstandig werken dat ook hun dromen van carrière en onafhankelijkheid doorgaans dromen blijven. Vrij zijn ze natuurlijk niet in die zin dat ze de deelname aan dit buitengewone bestel zouden kunnen weigeren – ze worden door het vrije staatsgeweld ertoe verplicht, lang voordat en onafhankelijk ervan of ze daarin het toppunt van menselijke vrijheid zien: het directe tegendeel van een van bovenaf opgelegd leven.
Vanzelfsprekend genieten zij de vrijheid om daarover te denken wat ze willen. Dat doen ze dan ook, en wel op een manier die de bestuurders en profiteurs van dit systeem goed uitkomt: ze beschouwen de kapitalistische concurrentiemaatschappij als terrein voor het verwezenlijken van maatschappelijke en karakteriële deugden: van “free enterprise”, dus het recht voor zichzelf iets te “ondernemen”, en van “self-reliance”, dus de plicht voor zichzelf te zorgen zonder hulp nodig te hebben… Ver verheven boven de vraag of het in zelfbeschikking verdiende inkomen überhaupt elke maand toereikt, vinden ze de markteconomische strijd om het bestaan dermate plausibel en attractief dat ze zich verbeelden eigenlijk zelf de heren over dit gebeuren te zijn, wanneer ze volgens zijn regels, principes en wetmatigheden handelen. Zij kunnen zich – zoals van overheidswege gewenst – zo totaal identificeren met deze productiewijze en haar machtsverhoudingen dat ze de Amerikaanse grondwet (een verzameling voorschriften omtrent moeten en mogen) duiden als opdracht voor regeringen de burgers met rust te laten, resp. ervoor te zorgen dat ze met rust worden gelaten. Volgens deze legende hebben de fameuze “founding fathers” de Amerikaanse staat vooral gesticht door hem in te perken.
In zijn plaats kwam een unieke, tegelijk wereldwijd voorbeeldige samenleving van zelfverantwoordelijke geluksjagers. Die vestigden op het Noord-Amerikaanse continent een expansief “homeland” voor een uitverkoren volk dat – vrije eigenaren die ze zijn – niets cadeau krijgt, maar een van God gegeven natuurrecht heeft op alles wat het zich toe-eigenen kan als middel voor zijn markteconomisch ageren. Uitgerekend in deze bedrijvigheid – in de concurrentie met alle inherente tegenstellingen – vinden Amerikanen de bron van hun eenheid. De economische strijd drijft hen niet uit elkaar, maar versmelt ze tot een collectief met de gemeenschappelijke wil om fair te concurreren; of rijk of arm, of machtig of niet: ongeacht alle klassenverschillen, die er ook in de Amerikaanse versie van de kapitalistische “way of life” bestaan, zijn ze identiek in hun trots de enige werkelijk vrije, dus volmaakte mensen te zijn…
Hun trots op vaderland en vlag is dermate groot dat ze enerzijds uiterst kieskeurig beoordelen of iemand geschikt is om volwaardig mee te doen in “the land of the free” tussen “rustbelt” en Silicon Valley, en anderzijds hun regering steun beloven en succes wensen bij het exporteren van dit vrijheids-eldorado naar de hele wereld… Megalomanie en ongeëvenaarde mogendheid zijn nu eenmaal onafscheidelijk.
Waarom enkele duizend van deze fanatici der vrijheid – (wantrouwig t.o.v. belasting heffende overheden en on-Amerikaanse sociale voorzieningen, naar eigen zeggen gewapend ter bescherming tegen een overmachtig bewind) – in het centrum van de macht een poging wagen om hun president, als een soort moderne monarch, aan de macht te houden, wordt uitvoerig uitgelegd in:
Gegenstandpunkt 1-2021

Inflatie en inflatie

januari 9th, 2022

De inflatie hoort bij de markteconomie. Dat weet iedereen. Ook wat dit betekent voor al degenen die loon moeten verdienen en daarmee in hun levensonderhoud voorzien door de geëiste consumentenprijzen te betalen, en wier koopkracht door het fenomeen van de algemene prijsstijging continu afneemt: deze mensen worden steeds armer – een alom aanvaard automatisme, als het ware bij de prijs inbegrepen.
Daarnaast – dat weet misschien niet iedereen en moet het ook niet weten, de markteconomische deskundigenverstand echter wel, en op die komt het immers aan – heeft de inflatie een heel andere, veel grotere betekenis. Zij is een indicator.
Want
– als de inflatiedynamiek, naar verluidt, momenteel weer toeneemt, dus de vraag opkomt of deze ontwikkeling een tijdelijk fenomeen blijkt, waartegen spreekt dat vooral de grondstofprijzen sterk stijgen en internationale leveringsketens met onderbrekingen kampen, dus of de inflatie juist daarom langdurig buiten controle raakt, alhoewel die vrees, globaal bekeken, gezien de enorme productiecapaciteiten van de gehele wereldeconomie wellicht ongegrond is,
– als bijgevolg onduidelijk is hoe de financiële toezichthouders reageren wanneer hun beoogde inflatiepeil overtroffen wordt – blijft het bij de ruimhartige geldpolitiek en de aandelenopkoopprogramma’s of stijgen de rentes en verslechteren zo de financieringsmogelijkheden van ondernemingen, wat de sfeer op de beurs natuurlijk zou verzieken, om nog maar te zwijgen van mogelijke bedrijfsfaillissementen –,
– als reeds nu markttrends zich aftekenen volgens welke marktdeelnemers in profylactische reactie op dreigende inflatie-uitwassen, of ook slechts op hun hoogstpersoonlijke inflatieangsten of de eventuele van hun collega’s, opteren voor solide reële vermogenswaarden als vastgoed, infrastructuur, kunst, landbouw en veehouderij,
– als al met al ongewis blijft welke samenhang precies bestaat tussen vaccinatiegraad, de hoogte van het bruto nationaal product en de inflatiegevaar…,
dan is dat alles zonder twijfel te bedenken, te wikken en wegen en in de calculaties van degenen in te voeren die hun geld niet gebruiken om te winkelen, maar om te investeren en derhalve voortdurend op zoek zijn naar houvasten die ze motiveren tot kopen, houden of verkopen van al de mooie op de beurzen van deze wereld verhandelde waardepapieren, dus in de calculaties van degenen die door de praktijk van hun speculaties de reëel bestaande fictieve kapitalistische rijkdom creëren en vernietigen, waarvan, zoals bekend, erg veel, als niet alles afhangt. Dat de werkelijk relevante, dus eigenlijke betekenis van de inflatie met hun inflatiezorgen samenvalt, is daarom in orde, evenals de publicistische behoefte van bepaalde kringen om via de economiepagina’s van de serieuze pers en televisie ook een breder publiek bij deze zorgen te betrekken.
En evenzo is het in deze context in orde, dat hen die gewoonweg bij de kassa steeds meer moeten betalen, tot slot ook nog als opgetelde consumptie de achtenswaardige rol van indicator ten deel valt.
Gegenstandpunkt 3-2021

Renitente teleurgestelde onderdanen

januari 7th, 2022

Terwijl de meeste burgers de gevolgen van de beperkende coronamaatregelen voor werk en vrije tijd als uitdaging nemen om weer eens hun vermogen tot aanpassing aan en zelfbeperking in “moeilijke tijden” te demonstreren, hopend dat de overheid ooit voor betere zorgt, gedraagt zich een minderheid afwijkend. Haar vertrouwen in de regering is ernstig beschadigd. In de optiek van “wappies, vaccinweigeraars, coronaontkenners” etc. verzaakt de overheid haar taak de zelfontplooiing, die een vrij individu in de burgerlijke concurrentieorde zou toekomen, te waarborgen.
Uitgerekend een beleid dat in het belang van het verdere soepel functioneren van het maatschappelijke leven de tijdelijke stillegging van de gewone gang van zaken verordent: ten behoeve van het kapitalistische doel, staat onder verdenking stiekem de afschaffing van de burgerlijk-liberale kapitalistische grondorde te bedrijven. Een verbluffende ontdekking; zo’n gedachte is echter geen teken van verstandsverbijstering, maar de consequente intellectuele toespitsing van de teleurstelling van mensen, die het niet kunnen vatten dat nota bene de eigen regering zich vergrijpt aan hun hele burgerlijke levensinhoud. In plaats van hen in staat te stellen in vrije zelfverantwoordelijkheid naar succes te streven, hetgeen volgens hen de voornaamste plicht van een regering is, wordt dat door Rutte & Co. belet. Daar in hun ogen zoiets volstrekt onmogelijk is, niet waar zijn kan wat hen niet aanstaat, bestrijden zij domweg dat de regering geldende redenen heeft voor haar besluiten, waarvan de gevolgen hen mishagen. Wat vervolgens resteert, is het afleiden van deze gevolgen uit de werkelijke doelstelling waar het de regering om zou gaan: om niets anders dan vrijheidsberoving en monddood maken van haar burgers. En daar ze dit natuurlijk niet eerlijk kan zeggen, blaast ze een belachelijk virus op tot grote gevaar voor de samenleving en zichzelf tot redder van het volk voor diens voortschrijdende decimering.
Daarmee heeft het burgerlijke verstand succesvol afscheid genomen van elk onderzoek van de materiële schade waar hij zich aan stoort, alsook van alle politieke en economische redenen waar die uit voortkomt; in plaats daarvan houdt hij zich bezig met het construeren van fake-fantasieën om zijn idee-fixe dat het kwaad de macht usurpeert in de democratie overtuigend te illustreren. De vondsten die zo tot stand komen zijn weinig origineel. Ze komen alle erop neer een vervangende grond voor het ongegronde ageren van de machthebbers plausibel te maken; die ontdekt men regelmatig daarin dat de regering haar macht misbruikt wanneer zij nalaat haar dienst voor de vrijheid van haar burgers te doen. Men maakt dus kennis met een wil die verder niets wil dan het kwaad, onderdrukking om te onderdrukken, die macht uitoefent om macht uit te oefenen, en omdat dit zonder personen die iets dergelijks willen niet te denken valt, worden bestuurders, adviserende virologen etc. vanwege hun kwade bedoelingen slachtoffers van smaad en laster, hoe primitiever de beeldvorming des te provocatiever. Dezelfde eentonigheid kenmerkt de “complottheorieën”: zeer zelfbewuste burgers die menen bedrogen te zijn om hun recht op vrije ontplooiing, kunnen daarbij putten uit de verzameling bedenksels die de onderdanige collectiefgeest gedurende enige eeuwen, op zoek naar schuldigen voor oorlog, honger, cholera en pest, heeft voortgebracht. De gemoderniseerde sprookjes over Joodse bronnenvergiftigers zijn even bruikbaar als de chips van Bill Gates…
Staatsburgers, die hardnekkig ongestoord hun geluk willen smeden in democratie en markteconomie, aanhangers van recht en orde, zijn blijkbaar zonder meer in staat hun verstand te misbruiken om waanideeën te produceren. Zo komt het dat brave onderdanen, die zich qua rechtschapenheid en plichtbesef door niemand laten overtreffen, weigeren hun overheid te gehoorzamen en, verontwaardigd over “het verraad van de machthebbers”, niet terugdeinzen voor wetsovertredingen en militante demonstraties.
P. S. : Een columniste van de serieuze Volkskrant ( 4. 1. 2022 ) verblijdt de lezers met haar narratief: “Zolang het Westen een paradijs van kansen, ontplooiingsmogelijkheden en vrije ideeënvorming is, zullen ze blijven komen ( de vluchtelingen ), van overal”. Ook een manier de democratische kapitalistische realiteit te ontkennen.