Archive for the ‘Teksten’ Category

De bestorming van het Capitool

woensdag, januari 12th, 2022

Enkele opmerkingen over een patriottische ziel
Miljoenen kiezers uit het geweldigste (greatest) volk op aarde stonden en staan blijkbaar achter de beruchte bestormers van het Capitool; behorend tot diverse sociale lagen, verbindt hen onderling en met hun president de onvoorwaardelijke liefde voor de vrijheid. Deze heiligste waarde, dat moet gezegd, heeft een profane inhoud: zich handhaven in de concurrentie om geld met de respectievelijke middelen waarover de individu’s als hun eigendom beschikken. Hetgeen voor de meesten betekent dat hun vrije bestaanswijze een zeer afhankelijke blijkt: “hard working” voor hun bazen, of als zelfstandigen zo zelfstandig werken dat ook hun dromen van carrière en onafhankelijkheid doorgaans dromen blijven. Vrij zijn ze natuurlijk niet in die zin dat ze de deelname aan dit buitengewone bestel zouden kunnen weigeren – ze worden door het vrije staatsgeweld ertoe verplicht, lang voordat en onafhankelijk ervan of ze daarin het toppunt van menselijke vrijheid zien: het directe tegendeel van een van bovenaf opgelegd leven.
Vanzelfsprekend genieten zij de vrijheid om daarover te denken wat ze willen. Dat doen ze dan ook, en wel op een manier die de bestuurders en profiteurs van dit systeem goed uitkomt: ze beschouwen de kapitalistische concurrentiemaatschappij als terrein voor het verwezenlijken van maatschappelijke en karakteriële deugden: van “free enterprise”, dus het recht voor zichzelf iets te “ondernemen”, en van “self-reliance”, dus de plicht voor zichzelf te zorgen zonder hulp nodig te hebben… Ver verheven boven de vraag of het in zelfbeschikking verdiende inkomen überhaupt elke maand toereikt, vinden ze de markteconomische strijd om het bestaan dermate plausibel en attractief dat ze zich verbeelden eigenlijk zelf de heren over dit gebeuren te zijn, wanneer ze volgens zijn regels, principes en wetmatigheden handelen. Zij kunnen zich – zoals van overheidswege gewenst – zo totaal identificeren met deze productiewijze en haar machtsverhoudingen dat ze de Amerikaanse grondwet (een verzameling voorschriften omtrent moeten en mogen) duiden als opdracht voor regeringen de burgers met rust te laten, resp. ervoor te zorgen dat ze met rust worden gelaten. Volgens deze legende hebben de fameuze “founding fathers” de Amerikaanse staat vooral gesticht door hem in te perken.
In zijn plaats kwam een unieke, tegelijk wereldwijd voorbeeldige samenleving van zelfverantwoordelijke geluksjagers. Die vestigden op het Noord-Amerikaanse continent een expansief “homeland” voor een uitverkoren volk dat – vrije eigenaren die ze zijn – niets cadeau krijgt, maar een van God gegeven natuurrecht heeft op alles wat het zich toe-eigenen kan als middel voor zijn markteconomisch ageren. Uitgerekend in deze bedrijvigheid – in de concurrentie met alle inherente tegenstellingen – vinden Amerikanen de bron van hun eenheid. De economische strijd drijft hen niet uit elkaar, maar versmelt ze tot een collectief met de gemeenschappelijke wil om fair te concurreren; of rijk of arm, of machtig of niet: ongeacht alle klassenverschillen, die er ook in de Amerikaanse versie van de kapitalistische “way of life” bestaan, zijn ze identiek in hun trots de enige werkelijk vrije, dus volmaakte mensen te zijn…
Hun trots op vaderland en vlag is dermate groot dat ze enerzijds uiterst kieskeurig beoordelen of iemand geschikt is om volwaardig mee te doen in “the land of the free” tussen “rustbelt” en Silicon Valley, en anderzijds hun regering steun beloven en succes wensen bij het exporteren van dit vrijheids-eldorado naar de hele wereld… Megalomanie en ongeëvenaarde mogendheid zijn nu eenmaal onafscheidelijk.
Waarom enkele duizend van deze fanatici der vrijheid – (wantrouwig t.o.v. belasting heffende overheden en on-Amerikaanse sociale voorzieningen, naar eigen zeggen gewapend ter bescherming tegen een overmachtig bewind) – in het centrum van de macht een poging wagen om hun president, als een soort moderne monarch, aan de macht te houden, wordt uitvoerig uitgelegd in:
Gegenstandpunkt 1-2021

Inflatie en inflatie

zondag, januari 9th, 2022

De inflatie hoort bij de markteconomie. Dat weet iedereen. Ook wat dit betekent voor al degenen die loon moeten verdienen en daarmee in hun levensonderhoud voorzien door de geëiste consumentenprijzen te betalen, en wier koopkracht door het fenomeen van de algemene prijsstijging continu afneemt: deze mensen worden steeds armer – een alom aanvaard automatisme, als het ware bij de prijs inbegrepen.
Daarnaast – dat weet misschien niet iedereen en moet het ook niet weten, de markteconomische deskundigenverstand echter wel, en op die komt het immers aan – heeft de inflatie een heel andere, veel grotere betekenis. Zij is een indicator.
Want
– als de inflatiedynamiek, naar verluidt, momenteel weer toeneemt, dus de vraag opkomt of deze ontwikkeling een tijdelijk fenomeen blijkt, waartegen spreekt dat vooral de grondstofprijzen sterk stijgen en internationale leveringsketens met onderbrekingen kampen, dus of de inflatie juist daarom langdurig buiten controle raakt, alhoewel die vrees, globaal bekeken, gezien de enorme productiecapaciteiten van de gehele wereldeconomie wellicht ongegrond is,
– als bijgevolg onduidelijk is hoe de financiële toezichthouders reageren wanneer hun beoogde inflatiepeil overtroffen wordt – blijft het bij de ruimhartige geldpolitiek en de aandelenopkoopprogramma’s of stijgen de rentes en verslechteren zo de financieringsmogelijkheden van ondernemingen, wat de sfeer op de beurs natuurlijk zou verzieken, om nog maar te zwijgen van mogelijke bedrijfsfaillissementen –,
– als reeds nu markttrends zich aftekenen volgens welke marktdeelnemers in profylactische reactie op dreigende inflatie-uitwassen, of ook slechts op hun hoogstpersoonlijke inflatieangsten of de eventuele van hun collega’s, opteren voor solide reële vermogenswaarden als vastgoed, infrastructuur, kunst, landbouw en veehouderij,
– als al met al ongewis blijft welke samenhang precies bestaat tussen vaccinatiegraad, de hoogte van het bruto nationaal product en de inflatiegevaar…,
dan is dat alles zonder twijfel te bedenken, te wikken en wegen en in de calculaties van degenen in te voeren die hun geld niet gebruiken om te winkelen, maar om te investeren en derhalve voortdurend op zoek zijn naar houvasten die ze motiveren tot kopen, houden of verkopen van al de mooie op de beurzen van deze wereld verhandelde waardepapieren, dus in de calculaties van degenen die door de praktijk van hun speculaties de reëel bestaande fictieve kapitalistische rijkdom creëren en vernietigen, waarvan, zoals bekend, erg veel, als niet alles afhangt. Dat de werkelijk relevante, dus eigenlijke betekenis van de inflatie met hun inflatiezorgen samenvalt, is daarom in orde, evenals de publicistische behoefte van bepaalde kringen om via de economiepagina’s van de serieuze pers en televisie ook een breder publiek bij deze zorgen te betrekken.
En evenzo is het in deze context in orde, dat hen die gewoonweg bij de kassa steeds meer moeten betalen, tot slot ook nog als opgetelde consumptie de achtenswaardige rol van indicator ten deel valt.
Gegenstandpunkt 3-2021

Renitente teleurgestelde onderdanen

vrijdag, januari 7th, 2022

Terwijl de meeste burgers de gevolgen van de beperkende coronamaatregelen voor werk en vrije tijd als uitdaging nemen om weer eens hun vermogen tot aanpassing aan en zelfbeperking in “moeilijke tijden” te demonstreren, hopend dat de overheid ooit voor betere zorgt, gedraagt zich een minderheid afwijkend. Haar vertrouwen in de regering is ernstig beschadigd. In de optiek van “wappies, vaccinweigeraars, coronaontkenners” etc. verzaakt de overheid haar taak de zelfontplooiing, die een vrij individu in de burgerlijke concurrentieorde zou toekomen, te waarborgen.
Uitgerekend een beleid dat in het belang van het verdere soepel functioneren van het maatschappelijke leven de tijdelijke stillegging van de gewone gang van zaken verordent: ten behoeve van het kapitalistische doel, staat onder verdenking stiekem de afschaffing van de burgerlijk-liberale kapitalistische grondorde te bedrijven. Een verbluffende ontdekking; zo’n gedachte is echter geen teken van verstandsverbijstering, maar de consequente intellectuele toespitsing van de teleurstelling van mensen, die het niet kunnen vatten dat nota bene de eigen regering zich vergrijpt aan hun hele burgerlijke levensinhoud. In plaats van hen in staat te stellen in vrije zelfverantwoordelijkheid naar succes te streven, hetgeen volgens hen de voornaamste plicht van een regering is, wordt dat door Rutte & Co. belet. Daar in hun ogen zoiets volstrekt onmogelijk is, niet waar zijn kan wat hen niet aanstaat, bestrijden zij domweg dat de regering geldende redenen heeft voor haar besluiten, waarvan de gevolgen hen mishagen. Wat vervolgens resteert, is het afleiden van deze gevolgen uit de werkelijke doelstelling waar het de regering om zou gaan: om niets anders dan vrijheidsberoving en monddood maken van haar burgers. En daar ze dit natuurlijk niet eerlijk kan zeggen, blaast ze een belachelijk virus op tot grote gevaar voor de samenleving en zichzelf tot redder van het volk voor diens voortschrijdende decimering.
Daarmee heeft het burgerlijke verstand succesvol afscheid genomen van elk onderzoek van de materiële schade waar hij zich aan stoort, alsook van alle politieke en economische redenen waar die uit voortkomt; in plaats daarvan houdt hij zich bezig met het construeren van fake-fantasieën om zijn idee-fixe dat het kwaad de macht usurpeert in de democratie overtuigend te illustreren. De vondsten die zo tot stand komen zijn weinig origineel. Ze komen alle erop neer een vervangende grond voor het ongegronde ageren van de machthebbers plausibel te maken; die ontdekt men regelmatig daarin dat de regering haar macht misbruikt wanneer zij nalaat haar dienst voor de vrijheid van haar burgers te doen. Men maakt dus kennis met een wil die verder niets wil dan het kwaad, onderdrukking om te onderdrukken, die macht uitoefent om macht uit te oefenen, en omdat dit zonder personen die iets dergelijks willen niet te denken valt, worden bestuurders, adviserende virologen etc. vanwege hun kwade bedoelingen slachtoffers van smaad en laster, hoe primitiever de beeldvorming des te provocatiever. Dezelfde eentonigheid kenmerkt de “complottheorieën”: zeer zelfbewuste burgers die menen bedrogen te zijn om hun recht op vrije ontplooiing, kunnen daarbij putten uit de verzameling bedenksels die de onderdanige collectiefgeest gedurende enige eeuwen, op zoek naar schuldigen voor oorlog, honger, cholera en pest, heeft voortgebracht. De gemoderniseerde sprookjes over Joodse bronnenvergiftigers zijn even bruikbaar als de chips van Bill Gates…
Staatsburgers, die hardnekkig ongestoord hun geluk willen smeden in democratie en markteconomie, aanhangers van recht en orde, zijn blijkbaar zonder meer in staat hun verstand te misbruiken om waanideeën te produceren. Zo komt het dat brave onderdanen, die zich qua rechtschapenheid en plichtbesef door niemand laten overtreffen, weigeren hun overheid te gehoorzamen en, verontwaardigd over “het verraad van de machthebbers”, niet terugdeinzen voor wetsovertredingen en militante demonstraties.
P. S. : Een columniste van de serieuze Volkskrant ( 4. 1. 2022 ) verblijdt de lezers met haar narratief: “Zolang het Westen een paradijs van kansen, ontplooiingsmogelijkheden en vrije ideeënvorming is, zullen ze blijven komen ( de vluchtelingen ), van overal”. Ook een manier de democratische kapitalistische realiteit te ontkennen.

Het ellendige verlangen naar “normaliteit”

vrijdag, januari 7th, 2022

Naast de verstokte strijders die niets liever willen dan onbelemmerd door mondkapjes in vrijheid hoesten, zijn er talrijke medeburgers die min of meer publiekelijk, medelijdend gadegeslagen, eronder lijden dat zij door het epidemiebeleid werkloos worden of werktijdverkorting opgelegd krijgen, en dus met hun inkomens nog moeilijker rondkomen dan gewoonlijk. Van hen is op zijn minst zo veel onderscheidingsvermogen te verwachten dat zij uit de lastige lockdownsituatie niet meteen de dubieuze conclusie trekken dat het normale alledaagse arbeidsleven per se het summum zou zijn van begerenswaardige verhoudingen. Immers, het door de lockdown bemoeilijkte levensonderhoud werpt een schril licht op de bestaans- en overlevingsvoorwaarde die de alledaagse kostwinning zo volstrekt beheerst dat het infame ervan nauwelijks nog opvalt: het hele leven hangt af van geld, het geld van de kans het te verdienen, en deze kans van omstandigheden waarvan één ding zeker is: ze worden niet bepaald door degenen wier bestaan ervan afhangt. Op basis hiervan en vergeleken daarmee is het natuurlijk mooi als de staat in veel gevallen met geld bijspringt – dat hij wijselijk vooraf heeft ingezameld bij de massa van eventueel plotseling door inkomensloosheid getroffenen: de verzorgingsstaat met zijn werkloosheidsuitkeringen en plichtverzekeringen koestert kennelijk geen illusies over de afhankelijkheid in die hij de meerderheid van zijn burgers stort en de ellende in die zij bijgevolg altijd kunnen raken. Als hij in het coronacrisisgeval zo zegenrijk actief wordt, dan openbaart dat de kwaliteit van een normaal afhankelijk arbeidsleven: er blijkt overduidelijk hoe weinig nodig is om het “van-de-hand-in-de-tand-leven” te veranderen in een beroerd burgerlijk bestaan: binnen dagen – zonder staatssteun – of weken – met verzorgingsstaat – wordt alles bedreigd, van het wonen tot het eten. Voldoende reden om de vurige wens naar “terugkeer naar de normaliteit” iets sceptisch te bekijken, in ieder geval aan de pre-corona-toestanden iets meer kritische aandacht te wijden.
Ten slotte zijn er een hoop mensen die notitie nemen van de uitvoerige berichtgeving over hoe erbarmelijk de massa’s in de zogenaamde arme landen eraan toe zijn als zij door de epidemiebestrijding hun subsistentie verliezen, wellicht volledig in hun hutten opgesloten worden: dat daar de honger erger woedt dan de epidemie. Wie dit onverschillig laat die lijkt zich enigszins comfortabel te voelen in zijn wereldvreemdheid, gefeliciteerd. Wie zich aan deze wreedheid in verre landen echter stoort, kan er desondanks beter van afzien de thans stilgelegde normaliteit, die er anders heerst, met een klein of groot geschreven “tenminste” een bepaalde bruikbaarheid voor de menselijke overleving te attesteren – wat overigens, dit als leestip, de impliciete boodschap is van al de deels bezorgde, deels verontwaardigde, deels demonstratief zakelijke berichten over persoonlijke tegenslagen, over ontwortelde Indische seizoenarbeiders of nochtans vrolijke favela-bewoners, waarmee de serieuze media hun publiek onderhoudend informeren. Ook daar werpt de wreedheid van het uitzonderingsgeval alleen maar een schril licht op de reddeloos wrede normaliteit, die met het onplezierige afhankelijke bestaan in de markteconomisch beter gestelde klimaatzonen vooral in één punt contrasteert: de loonafhankelijke mensen in hun min of meer precaire situatie in het “rijke” noorden en westen van de wereld kunnen eigenlijk slechts rondkomen – enigszins, met behulp van sociaalstatelijke herverdeling – omdat zij voor het mondiale zakendoen als nuttige armoede fungeren, kortom: middels toepasselijke salarissen voortdurend genoodzaakt worden voor andermans economisch voordeel dienstvaardig beschikbaar te zijn. Elders is niet eens deze soort dienstbaarheid gevraagd, of alleen onder voorwaarden die dicht in de buurt komen van het voor hele bevolkingsdelen vernietigende verdict: volledig onbruikbaar voor de globale kapitaalvermeerdering. Uit de lockdown daarheen weer terug: dat kan niemand serieus bedoelen.
In ieder geval heeft iemand die over de toestanden hier en in exotische landen zo denkt andermaal de kans gemist uit een crisis een juiste conclusies te trekken over de wereld voor, na of zonder een crisis.
Pandemie XIV: Gegenstandpunkt 3-2020

Het Avondland marcheert

zondag, april 12th, 2015

Praktische ophelderingen over de logica van verontwaardigde vaderlandsliefde uit verschillende Europese kapitaalvestigingsplaatsen

Op elkaar lijkende buitengewoon sympathieke, even hardnekkige als populaire politieke gezindheden horen blijkbaar thuis in het Europese Avondland. De nationale afgrenzing van een nationaal ‘wij’ van ‘de anderen’ die principieel storen en niet ‘erbij’ horen, hoort kennelijk onuitroeibaar ook en juist bij een ‘Europa zonder grenzen´. Het is het gepraktiseerde wereldbeeld van nationaal gezinde burgers: hun bereidheid tot aanpassing aan weinig tevredenstellende omstandigheden gaat gepaard met de duiding van alle levensomstandigheden als kans en recht waarop de inlandse burgers aanspraak mogen maken, maar anderen niet.

*

De lidstaten van de EU worden door patriottische Europeanen geregeerd. De tegenstrijdigheid tussen Unie en vaderland die ze tot heersende raison d’état hebben gemaakt en onvermoeibaar verder ontwikkelen, heeft na jaren van crisis en crisisbestrijding een vergevorderd stadium bereikt. De politieke richtlijn die de club heeft bijeengebracht – elk lid poogt uit de vereniging voor zich in concurrentie tegen de anderen meer kapitalistische rijkdom en politieke macht te halen dan hem zonder binnenmarkt en gemeenschapsrecht en eenheidsmunt mogelijk zou zijn – heeft lang genoeg effect gesorteerd om tot haar onvermijdbaar resultaat te leiden: de scheiding van de deelnemende naties in winnaars en verliezers in een vorm die allen in toenemende mate ondraaglijk vinden. De bevoegde overheden krijgen bijgevolg nieuwe taken. De enen moeten binnen de Europese Unie de schades van hun concurrentienederlagen bolwerken en zich voor het terugwinnen van hun nationaal concurrentievermogen voorwaarden laten dicteren die nauwelijks of helemaal niet na te komen zijn. De anderen – en vooral één ander – boeken een enorme winst aan richtlijnbevoegdheid tegenover hun partners en ervaren tegelijk de zwakte van hen als vermindering van het concurrentiesucces dat ze ten koste van hen hebben behaald.

Hoe de regerende Europeanen met deze situatie omgaan, is één zaak; een andere is hoe de geregeerde patriotten ze gewaarworden en inpassen in hun staatsburgerlijk wereldbeeld. Van de toenemend ongelijke verdeling van politieke en economische potentie en richtlijnbevoegdheid tussen de partners nemen de geregeerden in ieder geval nota – en dat adequaat verkeerd. De enen voelen zich in hun nationale eer gekwetst, de anderen, als herrenvolk dat alles juist doet, zowel bevestigd als misbruikt; wie het niet vanzelf zo ziet, wordt door zijn nationale media toepasselijk op de hoogte gebracht.

*

Van imperialisme nemen de Europese regeringen afstand. Maar dat de wereld avondlandse waarden nodig heeft, juist daar waar ze op net zo weerbare als betaalkrachtige ambassadeurs van markteconomie, democratie en systeemvrome satire niet werkelijk heeft gewacht, en dat zij verplicht zijn de volkeren van deze wereld het criterium van nationale schuldendraagkracht als grondbeginsel van een verstandig staatsbelang en de wil tot onvoorwaardelijke aanpassing als staatsburgerlijke basisbagage bij te brengen, waar die zich niet vanzelf in hun ellende schikken: daarvan gaan de gekozen leiders van de vrije wereld uit. Ze zetten nationale rijkdom in om voor hem in de wereld groeivoorwaarden te scheppen; ze oefenen politieke invloed uit; waar die niet naar wens indruk maakt, deinzen ze ook niet terug voor gewapend ingrijpen – het liefst via ‘leading from behind’ door inheemse bevolkingsgroepen te laten vechten. Uit hun optredens komen nieuwe taken voort: ze krijgen te maken met nieuwe vijanden die met bloederige daden en navenante selfies willen bewijzen dat ze in al hun onmacht door de echte machthebbers toch serieus moeten worden genomen. Een heel andere elite onder de slachtoffers van de heersende wereldorde duikt ongevraagd en niet besteld op in de vaderlanden van wereldgeld, gevechtsdrones en vrijheid van meningsuiting en zoekt daar een overlevingskans, die maar een minieme minderheid van hen krijgt geboden. Voor de Europese leiders maakt dat deel uit van de kosten die ze moeten dragen vanwege hun verantwoordelijkheid voor het lot van de moderne statenwereld, en die ze hooguit met elkaar en met hun trans-Atlantische partner en niemand anders willen delen.

De samenhang tussen mondiale verantwoordelijkheid van hun overheden en lokaal te dragen gevolglasten begrijpen de geregeerden op hun manier. Namelijk zo als ze altijd hun verhouding tot het hoogste gezag praktiseren: per opsplitsing in de plicht tot deugdzaam uithouden en instemming met de ambtelijke agenda enerzijds, ontevredenheid over de consequenties voor het eigen streven naar voordeel anderzijds. Daarbij vinden zich – ook dat als altijd – de enen door de nationale wereldpolitiek uitgedaagd hun onvoorwaardelijke wereldopendheid te benadrukken; de in de regel ‘zwijgende meerderheid’ concludeert normaliter uit de last, als die ze haar overheid in de praktijk aan den lijve ondervindt, lasten die haar overheid zelf zou hebben te dragen en ruziet met haar regering die uit min of meer onbegrijpelijke redenen dienstbaar is aan vreemde belangen ten koste van het eigen volk.

*

De conjuncturen van de nationale politiek laten regelmatig politieke figuren en partijen ten tonele verschijnen die hun kritiek op de nationale prestaties van de regerenden, de gewoonlijke betweterij van een gevestigde oppositie overstijgend, verwerken tot extra aanbod aan het patriottische politieke misnoegen resp. het door de politiek teleurgestelde patriottisme (‘Politikverdrossenheit’): aan een geesteshouding die ze, terecht, bij hun volk vermoeden. In hun verwijt ‘algemeen politiek falen’ valt het onderdanen-ideaal van een onvermoeibare en daardoor succesvolle dienst van de overheid aan haar burgers volstrekt samen met het overheidsstandpunt van absolute en daardoor succesvolle soevereiniteit. Aangesproken wordt daarmee de elementaire staatsburgerlijke verbeelding ‘baas in eigen huis’ te zijn – eigenlijk; geanimeerd wordt de voorstelling vanwege het gebrek aan doortastendheid van overheidswege juist dit niet meer te mogen zijn en daarom getroffen te zijn door alle beproevingen die de moderne mensen storen; voorzien wordt het zo gemobiliseerde patriottische oordeelsvermogen van gemakkelijk bevatbare voorlichtingen over de wijdverbreide heteronomie (vreemde invloed), die het eigen vaderland voor het goede volk onherkenbaar maakt.

Van dit verkeerde bewustzijn zijn er thans in Europa verschillende varianten. Enkele daarvan zijn onderwerp in Gegenstandpunkt 1-15

Het crisisgeval Griekenland

donderdag, april 9th, 2015

Door de euro geruïneerd – om euro-krediet strijdend – afgeketst op het euro-regime

Een les over krediet en macht in Europa

Sinds de verkiezingsoverwinning van de linkse partij Syriza escaleert de strijd over de ‘redding van Griekenland’. Die draait, naar verluidt, vooral om de kwestie hoe de ‘economische consolidatie’ van dit Zuid-Europese land het beste te bewerkstelligen zou zijn: eerder door ‘begrotingsconsolidatie’, dus het nietsontziende schrappen van alle als overbodig gedefinieerde staatsuitgaven in het bijzonder voor het onderhoud van het volk? Of toch eerder door ‘kredietgefinancierde groeistimulaties’, dus een beleid dat voor de dienst van het volk aan de groei moet zorgen. Het eigenlijke onderwerp van bezorgdheid van de politiek, zo hoort men verder, zijn de ‘gewone mensen’: terwijl de Griekse regering er attend op maakt dat Griekse werknemers, gepensioneerden, werklozen, zieken… inmiddels al offers hebben gebracht ver over de pijngrens heen, wijst bijvoorbeeld Schäuble, de Duitse minister van Financiën, op de hard werkende Duitse belastingbetaler die reeds jaren geleden de noodzaak van harde ingrepen zou hebben ingezien, hetgeen men derhalve nu ook van de Grieken zou mogen verwachten.

Of ze nu ernstig bezorgd zijn of zich alleen maar erop beroepen: in ieder geval wordt er tussen de regeringen niet over de aanspraken van het respectievelijke volk gestreden, maar over die van de regeringen, over hun economische middelen en rechten – en over die verschaft de strijd enkele opmerkelijke inzichten:

– over het krediet om dat ze strijden

De Schäuble-fractie insisteert met haar eis naar uitsluitende gebruikmaking van Europese kredieten voor de schuldenaflossing en naar het gelijktijdige schrappen van alle ‘onproductieve’ Griekse uitgaven erop: krediet is een economische onderwerpingsverhouding. Omdat geldeconomie en staat het krediet gebruiken, heeft de nationale economische groei en de staat met zijn schulden te voldoen aan de berekeningen van de kredietverstrekkers; alleen dan en alleen daarvoor verstrekken ze hem. Alle productieve activiteiten van de samenleving zijn per wetgeving gegarandeerd ondergeschikt aan het geldvermeerderingsbelang van het kredietgevende financiële kapitaal. Krediet is geen universeel inzetbaar middel voor welke doelen dan ook, maar voor de groei van kapitaal waarvoor het maatschappelijke leven diensten verricht – of het heeft zijn bestaansrecht verloren. En dat erkent het Tsipras-team op zijn manier ook wanneer het de aangelegenheid omgekeerd boekstaaft en om nieuw krediet als per se noodzakelijk nationaal bestaans- en groeimiddel strijdt. Dan – en uitsluitend dan – belooft de nieuwe regering immers kan ze weer nuttig zijn voor de doelen van de ‘geldgevers’.

– over het fameuze project Europa

In de lopende strijd om Griekenland en zijn faillissement eist vooral Schäuble namens de euro-gemeenschap dat Griekenland zijn schulden beslist verder moet aflossen vanwege de sterkte van de euro, die niet Griekenland maar Duitsland, dus zijn kapitaal niet op de laatste plaats in en aan Griekenland heeft verdiend en nog verdient. Omgekeerd verwijt Syriza de troika “financieel-politiek waterboarding’, eist van de gemeenschap meer euro-krediet opdat het land weer handelingsbekwaam wordt en waarschuwt dat de andere euro-staten een Griekse exitus op financieel-politiek gebied niet verdragen omdat die de euro bedreigt. Zo laten de gewaardeerde Europese politici blijken wat de prachtige euro-club, waar Griekenland lid van is en blijven wil, met zijn gemeenschappelijke munt is: Europa is de geïnstitutionaliseerde vestigingsplaatsconcurrentie. De euro-naties doen zaken met één munt, maar ze concurreren daarbij onderling op het scherpst van de snede om het gemeenschappelijke geld, om euro-krediet dat het bestaansmiddel van hun markteconomieën is en dient te zijn. Ze hebben het krediet nodig en gebruiken hem om zich in deze concurrentie tot succesvolle zakenvestigingsplaats te maken, om geldrijkdom bij zich te accumuleren. En wie hierbij met zijn successen de waardering van de financiële markten kan wekken, hoort óf bij de winnaars óf bij de verliezers. Wat de Griekse status betreft is de zaak duidelijk. Dit vonnis spreken niet alleen de financiële markten uit, het wordt ook ondertekend en uitgevoerd door de politieke bazen over het euro-krediet. De Duitse politici staan als concurrentiewinnaars erop dat Griekenland als verliezer voor zijn schulden instaat en ‘zich weer fit maakt voor de Europese concurrentie’, dat wil zeggen alles schrapt wat aan Griekenland niet loont.

Hun concurrentiesuccessen en hun euro-kredietmacht mogen door de ineenstorting van concurrentieverliezers gewoonweg geen schade oplopen. En met het economische succes beschikken ze ook over de gemeenschappelijke munt, het politiek-economische machtsmiddel om dit besluit in hun ‘gemeenschap’ als geldige economische ‘logica’ door te drijven.

– over de rol van hun volkeren, waar ze zich zo graag op beroepen

Als de Duitse politiek trots naar de door haar – in wisselende coalities – wettelijk afgedwongen prestaties van de Duitsers voor steeds minder geld te werken als reden voor Duitse economische successen verwijst; als de Griekse politiek het bezwaar oppert dat een geruïneerd volk ook in toekomst voor generlei economische groei te gebruiken valt – dan maken conservatieve als linkse euro-politici duidelijk:

‘De mensen’ zijn er opdat de kapitalistische berekeningen vorderen. Ze moeten zich in fabrieken, kantoren en elders ervoor nuttig maken dat met hun arbeidsdiensten zo veel mogelijk geld wordt verdiend.

Daarom is hun belangrijkste dienst in hoog- en laagconjunctuur, in alle grote en kleine vestigingsplaatsen altijd de ene: ze moeten goedkoop zijn, hoe beperkter hun levensonderhoud hoe beter – zeer kwistig mogen ze immers al bij het werken zijn. Zo is hun armoede nuttig – juist in de Europese winnaar-naties. En volgens dezelfde logica kent hun verarming helemaal geen grenzen indien hun armoede nutteloos blijkt omdat het nationale kapitaal – als in Griekenland – ze vanwege zijn concurrentienederlagen niet aanwenden kan. En als de Griekse regering erom strijdt land en volk enigszins in leven te houden om ze weer productief te maken, dan krijgt ze uit de Europese centrale te horen dat Griekenland zich het voorbije bestaan van het volk volgens de succesmaatstaven van het euro-kapitaal en -krediet definitief niet meer kan permitteren. Zo strijden beide zijden om het nationale nut van hun massa’s.

Het lijkt dat de Europese massa’s zich dat alles eigenlijk niet kunnen permitteren.

Ebola: imperialistische epidemiebestrijding

dinsdag, februari 3rd, 2015

2014 registreert de WHO de tot nu toe zwaarste uitbraak van de ebola-koorts in Afrika. Tegen de achtergrond van 14100 geïnfecteerden en 5100 doden in Liberia, Sierra Leone en Guinea erkennen de staten van de wereld op hun jaarlijkse VN-bijeenkomst zelfkritisch ebola te hebben ‘onderschat’. De epidemie zou niet minder zijn dan een ‘gevaar voor veiligheid en vrede’ ( VN-veiligheidsraad ) en een van de ‘drie grootste bedreigingen van onze tijd’ ( Obama ). Daartegen smeedt de chef van de supermogendheid een alliantie. Hij benadrukt de ‘bereidheid van de VS tot leidinggeven’ alsook de ‘kracht van de internationale gemeenschap’ zonder die ‘het agressieve virus’ niet te verslaan zou zijn. De VS-president belooft een ‘marathon met de snelheid van een sprint’, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken een ‘inhaalrace’ en de G20-top ‘de mobilisering van alle krachten en meer financiële middelen voor onmiddelijke hulpacties’.

*

Het engagement van de wereldmogendheden komt op gang met een programmatische verklaring van de VS-president voor de VN:
‘Er werd door onze landen in de laatste dagen veel hulp geboden. Maar laat ons eerlijk wezen: dat is niet voldoende (… ). Ebola is meer dan een gezondheidscrisis. Het is een groeiende bedreiging voor de regionale en mondiale veiligheid. De publieke gezondheidssystemen in Liberia, Guinea en Sierra Leone zijn ineengestort. De economische groei heeft zich extreem vertraagd. Indien deze epidemie niet wordt gestopt, zou de ziekte een humanitaire ramp in de gehele regio kunnen veroorzaken. En in een era waarin regionale crises snel kunnen uitgroeien tot een mondiaal gevaar is het in ons aller belang ebola te stoppen( … ). Ik zeg, de wereld kan op Amerika’s leiding rekenen: wij zullen de capaciteiten ter beschikking stellen die uitsluitend wij hebben, en wij zullen de wereld mobiliseren zoals wij het vroeger in crises van soortgelijke omvang hebben gedaan. Ebola te stoppen heeft voor de Verenigde Staten hoge prioriteit. Dat is een even belangrijke kwestie van nationale veiligheid voor mijn team als al het andere daar buiten. Wij zullen onze bijdrage leveren. Wij zullen ook verder leidinggeven, maar het moet een prioriteit voor iedereen zijn. Wij kunnen het niet alleen doen.’ ( 25. 9. 14 )
Niet slechts een gezondheidscrisis noch een natuurramp hetgeen uitgerekend weer Afrika treft: de president werd door zijn deskundigen inderdaad juist geïnformeerd. Er is een klassieke armoede-epidemie uitgebroken die zich in de sloppenwijken razendsnel verspreidt, het minieme economische leven in de landen stopzet en de rudimentaire gezondheidszorg ter plaatse lamlegt. Van de epidemie, die in dergelijke levensomstandigheden een uitstekende voedingsbodem heeft, neemt de president op zijn manier nota: 57 percent letaliteit wordt geëxtrapoleerd tot ‘100 000 doden per jaar’ en die tot een ‘groeiverlies van 30 miljard dollar’ ( IMF ) – wat niet alleen de lokale overheden ‘destabiliseert” maar ook de ‘veiligheid van de regio’. Heel koel bekijken de VS het besmette gebied vanuit het standpunt van hun belang: de gevreesde humanitaire ramp zou de politieke stabiliteit van de gehele wereld kunnen bedreigen – een consequent functionalistische kijk op risico’s en bijwerkingen voor hun wereldorde. En in dit opzicht is ebola daadwerkelijk een uitdaging: de nationale en internationale veiligheid gebiedt de getroffen mensen en staten te hulp te schieten. De op het eerste gezicht absurde opsomming van Obama die het ‘Oekraïne-conflict, de terreur van ISIS en ebola’ tot de ‘drie grootste gesels van de mensheid’ telt, is toepasselijk: Amerika identificeert verstoorders die deze vredige wereld momenteel teisteren.
Met haar diagnose definieert de wereldmogendheid ook al de enige effectieve therapie: leadership van de VS. Zonder de macht en de middelen van Amerika – ‘capabilities that only we have’- is de epidemie niet in te dammen; daarvoor heeft het echter medehelpers nodig. ‘We cannot do it alone’: zo formuleert Obama de bevoegdheid van zijn natie om ook op de wereldgezondheid te letten als op ‘anything that’s out there’, en wijst de partners hun plek toe aan de zijde van de leidende mogendheid. De wereldmogendheid deelt mee wat thans belangrijk is op de wereld; ze gaat ervan uit dat de andere naties aan alles wat er gebeurt de betekenis geven die Amerika geeft, en van Amerika het antwoord verwachten op de vraag wat er zou moeten gebeuren. Dus neemt Amerika als voorbeeld het voortouw en richt een coalitie van de gewilligen op die de wereld beschermt. Dienovereenkomstig worden staten, die zich geroepen voelen, actief en zien zich uitgedaagd bewijzen van hun prestatievermogen als epidemiebestrijders te leveren.

*

De mobilisering sorteert effect. Amper hebben de VS ebola op het niveau van de mondiale veiligheid getild, is velerlei mogelijk wat voordien onmogelijk was.
Dan wordt ‘het vergeten continent’ voor een poosje tot rampengebied verklaard. Het technisch en medisch noodzakelijke wordt gedaan of geprobeerd. Perfect geplande rampenbestrijding wordt inderhaast op de been gebracht. Amerika stuurt 900 veldlazaretten en 3000 gezondheidsadviseurs, Duitsland rekruteert vrijwilligers bij het rode kruis en het leger, de EU verhoogt haar ebolahulp tot een miljard euro, ook Chinese en Cubaanse artsenteams zijn ter plekke. Wat bij de laatstgenoemden eerder als onaangename opschepperij opvalt, dient men bij de vrije wereld hoog te waarderen: ze maakt resources vrij die er normaliter voor andere doelen bestemd zijn, zonder die in deze wereld echter geen humanitaire ramp gemanaged wordt: geld en militairen, dollars en euros, GI’s en soldaten. Het uitzonderingskarakter van zulke ‘medische missies’ ( Ban Ki Moon ) plaatst de regel allerminst in een slecht daglicht, maar verschaft deze inzet van nationaalkrediet en leger een uiterst goede reputatie: als er een toonaangevend belang is dat de eeuwige roep om hulp verhoort, dan kunnen staten wat hun politici in kersttoespraken beloven: weleens echt vrijgevig zijn! Dan is hulp de allereerste vereiste: hulp bij de ‘stabilisering’ van een statenwereld waarin de toestanden van hulpbehoeftigheid steeds opnieuw gereproduceerd worden. En dan wordt het vlak van het vrijgevige ordenen van de wereld ten slotte een vlak van de nationale eer waar men bijvoorbeeld met ‘het grootste quarantainevliegtuig ter wereld’ indruk kan maken…
Als staten een behoefte uiten en geld ter beschikking stellen – het dus niet meer simpelweg om een eenvoudige verzorgingsbehoefte met twijfelachtige koopkracht gaat – dan toont ook de vaak gehekelde farmaceutische industrie wat ze kan. Dan wil iedereen de eerste zijn bij het aanvragen van octrooien en het opstarten van de productie. En uiteindelijk komt ook nog de giften-industrie op gang. Geen epidemie zonder charity! Bill Gates vult de collectebussen, bij het boodschappen doen krijgt men ‘PAYBACK-punten tegen ebola’ en er wordt natuurlijk ook gezongen.

*

In de democratisch-markteconomisch geordende wereld kan men er immers niet simpelweg op rekenen dat er hulp wordt geboden enkel omdat ze nodig en het benodigde voorhanden is. Het zijn kennelijk louter imperialistische staatsbelangen en kapitalistische voordeelsberekeningen volgens welke in extreme noodsituaties erover wordt bevonden en beslist of en hoe hulp plaatsvindt. De rampenregio’s worden daarbij niet minder. Maar als een acute ramp bij de wereldmogendheid belangstelling wekt, kan het warempel gebeuren dat men zich om de getroffenen bekommert.
Uit Gegenstandpunkt 4-14

IS versus VS en het Westen

woensdag, januari 28th, 2015

Een militant antwoord op de verwoesting van de Arabische wereld en zijn bestrijding door een nieuwe oorlog onder VS-regie

Sinds de aanslagen van Parijs staat vast: het islamitische terrorisme is ‘bij ons’ aangekomen en bedreigt alles wat ons dierbaar is; onze vrijheid, voornamelijk die van het menen.

Deze diagnose heeft een belachelijke kant: na het bloedbad door twee vrome desperados krijgt een satireblad, dat voordien geïgnoreerd of overstelpt werd met aanklachten wegens belediging, de rang van een westerse icoon. Het recht om zijn irrelevante mening te zeggen, in het bijzonder nadrukkelijk respectloos de spot te mogen drijven ook met het geloof in Allah wordt ter gelegenheid van deze aanslag verheven tot non plus ultra van de westerse verlichting, van onze leefwijze en waardengemeenschap – alsof het dagelijkse leven in het vrije Westen daadwerkelijk erdoor wordt gekenmerkt dat de mensen onderling twisten en debatteren of zelfs de geestelijke onderwerping aan zelfgekozen ‘geboden van God’ kritiseren; alsof niet iedereen weet dat het werkelijke leven in de westerse democratieën om het geldverdienen draait met al zijn noden en noodzaken, tegenstellingen en pesterijen op kleine schaal, om harde internationale concurrentie inzake nationale economische groei en politieke macht op grote schaal.

Niemand lacht – omdat deze idealisering van het nationale, Europese of westerse ‘Wij’ op iets doelt: op de morele diskwalificatie van zijn tegenstanders. Dat die de vreedzame integratie in hun werkelijke, namelijk werkelijk erbarmelijke levensomstandigheden in Franse voorsteden en andere getto’s weigeren, verwijt men hen als vijandschap tegen onze waarden. En dat wordt zonder meer daarmee gelijkgesteld dat zij zelf helemaal geen waarden, al helemaal geen religieuze hebben. Dus zonneklaar: er is uiteindelijk generlei reden om ’tegen ons’ en ‘onze geciviliseerde samenleving’ te zijn – behalve hun ‘blinde haat’ op alle waarden die onze westerse gemeenschap beminnelijk maken. Tegen deze haat moeten ‘wij’ optreden – dat is de ‘conclusie’ waar al de idealiseringen van het ‘vrije Westen’ en al de morele demoniseringen van de aanslagplegers op neerkomen. Dat is dan inderdaad het tegendeel van een belachelijke aangelegenheid. Want als er opgeroepen wordt tot ‘gemeenschappelijke strijd tegen haat en intolerantie’ dan mogen weliswaar potloden en balpennen als symbool daarvoor worden getoond; iedereen weet echter dat niet ‘wij allen’ deze strijd voeren maar de staatsmachten, en dit niet met schrijfgereedschap maar met hun arsenaal aan superieure middelen: militair en politie, inlichtingendiensten en wetgevingen, met het geweld dat onze van hogerhand beveiligde vrijheidsorde niet uitsluitend voor de strijd tegen de terreur in petto heeft en gebruikt.

Wie en waar de huidige hoofdvijand in deze strijd is, weten – niet pas sinds de aanslagen van Parijs – ook allen; de leider van het vrije Westen heeft het immers enige tijd geleden geopenbaard – de aanslagen zijn de daad van door een buitenlandse terreur-centrale verleide en tot geweld aangezette personen, de daad van de ‘terreurmilitie IS’: ‘In deze eeuw zijn wij geconfronteerd met een nog moorddadiger, ideologische soort terroristen die een van de grootste wereldreligies heeft geperverteerd… Zij doden zo veel mogelijk onschuldige burgers en gebruiken de wreedste methoden om de mensen in hun omgeving te intimideren… Dat zijn extremisten die niets opbouwen en creëren kunnen en daarom slechts met fanatisme en haat te koop lopen… Geen God keurt deze terreur goed… Geen ontevredenheid rechtvaardigt deze daden… Men kan met dit kwaad niet onderhandelen, men kan er geen vat op krijgen met logische argumenten… De enige taal die dergelijke moordenaars begrijpen, is de taal van het geweld’. ( Obama-toespraak voor de VN, 25. 09. 14 )

Wat Fransen en andere Europeanen kunnen dat kan Obame al lang en op zijn manier: in de slachtoffers, die een gewelddadige guerilla onder beroeping op haar God produceert, een aanval op het ideële westerse ‘Wij’ ontdekken, dat daarmee het grootste recht en de absolute plicht heeft om op deze aanval te reageren. Conform zijn werkelijke macht spreekt hij dan ook als ideële woordvoerder voor de gehele mensheid. In haar naam verafschuwt de leider van de wereldmogendheid, die zoals bekend wereldpolitiek vooral met logische argumenten en weldenkend overtuigingswerk bedrijft en begripvol naar beschaafd geuite ontevredenheid luistert, elk gewelddadig optreden. En dat de IS-strijders de verwoestingen van hun Arabisch-islamitische naties bedoelen als ze de ‘kruistocht van het Westen tegen de Islam’ beklagen, daarvan heeft Obama ook nog nooit gehoord.

En weer weet iedereen dat dit gezwets over het verafschuwenswaardige islamitische geweld maar één ding beoogt: de aanzegging van eigen geweld ter vernietiging van de tegenstander. Dat zou men dan echter ook in deze volgorde serieus moeten nemen: de morele karikatuur van de strijd ‘goed tegen kwaad’ die Obama in vereniging met de westerse politiek en media tekent, is het behoorlijk fundamentalistische vijandbeeld bij een vijandschap, waarmee tegelijk wordt aangekondigd dat de strijd niet met de wapens van de moraal maar met het wereldwijd machtigste geweldsapparaat wordt uitgevochten.

Helemaal niet duidelijk zijn daarmee de werkelijke redenen voor deze vijandschap, de politieke doelen, belangen en berekeningen van de westerse leidende mogendheid en haar bondgenoten, die met deze aanzegging de opdracht krijgen in het Nabije Osten onder Amerikaanse leiding een stoorgeval van hun wereldorde te elimineren – met een oorlog die volgens de Amerikaanse president minstens tien jaar zal duren. Voor deze redenen zou men zich echter moeten interesseren. Anders verwisselt men samen met onze verlichte media de strijdvaardige cultuurkritische verklaringen uit Washington en de hoofdsteden van het Westen met de zaak om die het de ingrijpende mogendheden, de VS voorop, gaat bij hun gevecht tegen een ‘gesel van de mensheid’.

Een lectuurtip: Gegenstandpunkt 4-14: daarin onder meer: IS tegen VS

Met TTIP naar een economische NAVO

zondag, december 28th, 2014

De geheimzinnigheid omtrent de nieuwe handelsovereenkomst (TTIP: ‘Transatlantic Trade and Investment Partnership’) die critici de VS en de EU verwijten, was blijkbaar niet waterdicht – als ze  überhaupt ooit bestond. In ieder geval zijn er voldoende details van de geprojecteerde, door de regeringsleiders van beide zijden cruciaal genoemde overeenkomst bekend om te weten wat men als gewone burger ervan te verwachten heeft: nog meer vrijheid voor het zakendoen, nog meer concurrentie tussen de concerns over de Atlantische Oceaan heen en weer, nog meer nieuwe rechten voor hun calculaties, tot het recht om van nationale regeringen via internationale, aan generlei nationale wetgevingen gebonden speciale rechtbanken (‘investeerder-staatarbitrage’) schadevergoeding te eisen indien hun politieke besluiten de winst verminderen waarop de investeerder bij het investeren in het transatlantische partnerland had gerekend. Dus grootschalige ‘liberalisering’ die men uit ervaring als meedogenloosheid tegen de eigen levensbehoeftes kent. En de desbetreffende vrees dat werknemersrechten zullen worden aangetast, gewende zekerheden en beschermingsrechten verloren gaan, van de gezondheidszorg tot het wonen, van het milieu tot het voedsel etc. is zeker niet uit de lucht gegrepen. Om wiens vrijheid het gaat als de leus ‘liberalisering’ luidt, is voorstanders als critici van TTIP namelijk duidelijk: om de vrijheid van een kleine radicale minderheid van profiteurs, ook ‘de economie’ genoemd, die haar belang aan zo veel mogelijk groeiende winsten zonder elke beperkende voorwaarde over elke staatsgrens heen dient te realiseren.
De voorstanders en protagonisten van TTIP verhelen dat ook geenszins, maar wijzen wanneer ze van de burgers toestemming tot dit project eisen op een feit dat werkelijk niet te ontkennen valt: van het succes van het nooit definitief te bevredigende winstbelang van kapitalistische ondernemingen zijn alle andere belangen in de samenleving afhankelijk, d.w.z. : uitsluitend als de ondernemingen winst maken en daarvoor in steeds grotere omvang ook vreemde markten en vestigingsplaatsen gebruiken, kunnen ze hier te lande – als zou dat hun doelstelling zijn! – ‘banen creëeren en behouden’, kunnen dus de vele mensen die zonder alternatief op loondienst zijn aangewezen enigszins rondkomen.
Een goede gelegenheid voor een tussenbalans. Wat voor’n soort land is dat eigenlijk waar het privé-belang van enkele vermogende economische spelers het gehele maatschappelijke produceren en verdelen bepaalt? Hoe komt het dat uitgerekend de productie van steeds grotere rijkdommen voor de meerderheid slechts draaglijk is wanneer ze – als werknemer, als consument – wordt beschermd voor degenen die het economische leven bepalen? Waarvandaan krijgt dit particulaire belang eigenlijk zijn maatschappelijke macht waarmee het alle anderen van zich afhankelijk maakt en gebruikt? Waarom heeft de nationale markteconomie zo dringend steeds grotere delen van de wereld nodig, en waarom kan men er zeker van zijn dat ze die ruïneert zodra ze daarvan gebruik maakt? Waarom betekent een mondiale markteconomie eigenlijk automatisch dat de naties elkaar de wereldwijd groeiende rijkdom betwisten, zo verstrekkend dat naties die niet bij de weinige wereldeconomische mogendheden horen bij de vleet worden geruïneerd?
Jammer genoeg stellen de critici van TTIP dergelijke vragen niet. De allesbehalve vanzelfsprekende omstandigheid dat de vrije en grensoverschrijdende realisatie van de heersende economische calculaties de schade van de getroffenen en afhankelijken vast en zeker includeert, vinken ze af – en roepen de staat aan opdat die paal en perk stelt aan de winstbelangen van de ondernemingen. Een argument voeren ze niet aan voor hun voorstelling dat uitgerekend de politieke leiders van hun natie zouden moeten verhinderen dat een paar concerns met hun winststreven de gehele rest van de samenleving beheersen en beschadigen. Zonder enigerlei toetsing vertalen ze hun eigen onmacht tegenover het heersende winstbelang naar het geloof in de weldoende macht van de machtigen en hun goede bedoelingen. Zelfs het nietsontziende EU-sanerings-beleid in Zuid-Europa doet hen niet beseffen dat democratisch gekozen politici hun verantwoordelijkheid vooral daarin zien de kapitalistische winstmakerij daadkrachtig op weg te helpen, ook als daarvoor de levensstandaard van hele volkeren moet worden opgeofferd. Juist uit de grandioze ‘Europese gemeenschap’ zou men kunnen afleiden dat voor de nationale regeringen de nationale soevereiniteitsrechten blijkbaar zeer verregaand inruilbaar zijn tegen de deelname aan een supranationale markt, om welks aanzienlijk grotere opbrengsten ze willen concurreren. En als de Europese politici in al hun vrijheid en in dezelfde geest ermee bezig zijn hun Europese markt met niet minder dan met de onbelemmerde economische toegang tot de grootste economie van de wereld te completeren? Dan waarschuwen de critici voor de uitverkoop van de Europese democratie en soevereiniteit! Om welke reden dan ook bekruipt hen ook hierbij niet het vermoeden dat het beoogde handelsverdrag incluis de gevreesde consequenties in het nationale belang is van de onderhandelende staten, die daarmee berekeningen verbinden waarin de getroffen volkeren precies zo worden behandeld als zij vrezen, maar steeds niet willen geloven. Welke belangen dat zijn, wat ze beogen en op wie ze het gemunt hebben – daarover verschaft Gegenstandpunkt 3-14 duidelijkheid.

De westerse waardengemeenschap in actie

dinsdag, september 23rd, 2014

De partnerlanden van het zogeheten Westen wijden zich aan een alles bepalende raison d’ état: het privé-eigendom en zijn vermeerdering. Het verdienen van dollars resp. euros of soortgelijk geld, preciezer: het succesvolle gebruik daarvan als kapitaal, is het maatschappelijke bestaansmiddel, de onverbiddelijk geldende bestaansvoorwaarde, dus het de samenleving beheersende bestaansdoel.

Bij deze raison d’ état van de landen van het zogeheten Westen hoort hun zelfverplichting zich wereldwijd sterk te maken voor het respect voor de vrijheid van het verdienen van geld en zijn aanwending als kapitaal. Het geld om dat de mensheid vrij dient te concurreren teneinde zich voor zijn vermeerdering verdienstelijk te maken, stellen de soevereine geldscheppers resp. hun kredietinstellingen dan ook genereus ter beschikking. De leidende mogendheid VS speelt daarbij de onbetwist toonaangevende rol. Ze laat haar nationaal geld en haar nationale schulden in de gehele wereld als krediet en financiële middelen circuleren en door privé-eigenaren als door staten als zakelijke middelen benutten. En dit volgens een reglement met welks erkenning alle soevereine staatsmachten zich erop vastpinnen het kapitalistische gebruik van het privé-eigendom in het algemeen, het gebruik van de dollar in het bijzonder te dienen, hun nationale eigenbaat in afhankelijkheid van het succes van deze dienst te zoeken en in hun onderling verkeer om dit soort van succes te concurreren.

Deze concurrentie heeft consequenties: de inzet van de volkeren en rijkdommen van de naties voor een keurige concurrentiestrijd van de kapitalisten leidt niet alleen bij de economische spelers op de wereldmarkt tot zekere verschillen qua zakensucces en in het geheel tot crisissen van hun geldgroei überhaupt. Ook de voordeelsverwachtingen van ettelijke staten komen niet uit. Ze kunnen de noodzakelijkheden die het dollar- en eurokapitalisme voor het economische leven van hun land en de uitrusting van hun macht met zich meebrengt gewoonweg niet bolwerken. Vele zien zich beschadigd, sommige geruïneerd. Hun bruikbaarheid voor het wereldwijde zakendoen laat steeds meer te wensen over. En soms ziet zich een regering zelfs genoodzaakt haar land te onttrekken aan het verdere tendentieel ruïneuze gebruik door het internationale kapitaal en uiteindelijk zelfs te zondigen tegen de canon van bindende waarden die de activisten van de wereldwijde concurrentieorde haar heeft voorgeschreven.

Onder dergelijke effecten mag hun oorzaak uiteraard niet lijden. De gelukkig bereikte ‘heerschappij van het recht’ op de wereldmarkt verplicht haar beschermingsmachten ontoegeeflijk op de naleving van de regels inzake vrijheid van het geïnternationaliseerde kapitaal te insisteren. Vandaar dat vooral de VS, vanuit hun zelfbesef als zijn hoeder, zich genoodzaakt achten voor de onbelemmerde inzet van het kapitalistische eigendom op te treden. En omdat alle kapitalistisch rekenende naties afhankelijk zijn van kapitaal en krediet van de leidende mogendheden resulteert de privémacht van het geld, die conform de consensus van de moderne ‘volkerenfamilie’ supranationaal geldt, in een aanzienlijke politieke chantagemacht in handen van de VS en hun Europese bondgenoten. Daarvan maken deze staten rijkelijk gebruik.

Ook en juist wanneer het niet alleen om de bescherming van het wereldwijde zakendoen onder hun supervisie gaat, maar als ze zich genoodzaakt zien als ordemachten ook van de politieke machtsverhoudingen het respect van de statenwereld af te dwingen. Voor de leidende mogendheid van het Westen is het vanzelfsprekend dat de civiele statenconcurrentie om nationale wereldmarktopbrengsten plaatsvindt onder een voorbehoud dat ze zo nodig doet gelden – en hetgeen niemand anders toekomt, zelfs hun bondgenoten niet zonder meer. De vrije deelname van alle naties aan de wereldmarkt draagt in laatste instantie het karakter van een vergunning door de VS waarvan de regering zich het recht reserveert de uitsluiting van enkele landen, die ze als gevaar voor Amerika’ s veiligheid definieert, uit dit civilisatorische totaalkunstwerk te verordenen en tegenstanders te verbannen uit het economische verkeer van de naties.

De in het lopende internationale zakendoen praktisch waargemaakte beschikking van de VS dat de waarde van hun geld zonder onderscheid wereldwijd geldt en dat privé-eigenaren en staten op mondiale schaal hun krediet kunnen vertrouwen, gaat dus gepaard met de aanspraak van de grote dollar-macht op het uitsluiten van enkele naties en hun geldbezitters uit de discriminatievrije gang van het internationale zakendoen, dus op eventuele beperking van de gegarandeerde vrijheid van het eigendom om wereldwijd te opereren. Dan wordt de vrije wereldmarkt, de daaruit voortkomende economische afhankelijkheid van vele naties van dollar- en eurozaken en daarmee van hun politieke oppertoezichthouders, tot wapen dat tegen eigenmachtigheden van economisch beschadigde naties, tegen ongewenste machtsambities, maar ook tegen politiek storende zaken binnen het westerse bondgenootschap door de VS in stelling wordt gebracht.

Voor de overeenstemming en concurrentie van de leidende economische mogendheden bij de organisatie van de vrije wereldmarkt als omgekeerd voor politieke ingrepen in deze mondiale zaken en hun instrumentalisering als politiek wapen in de machtsconcurrentie toont de westerse waardengemeenschap, met name haar leidende mogendheid Amerika actueel rijkelijk aanschouwingsmateriaal. Daarover in Gegenstandpunkt 3-14 de actuele artikels:

  • Argentinië vs. ‘gierenfondsen’

  • Yukos vs. Russia

  • De bestraffing van een Franse grootbank

  • Economische oorlog tegen Rusland

  • TTIP: Dollar-imperialisme en Euro-binnenmarkt

Het islamitische fundamentalisme

donderdag, augustus 21st, 2014

Al Qaida, IS (Islamitische Staat), Hamas in Palestina, ayatollahs in Iran, Hezbollah in Libanon, Taliban in Afghanistan en Pakistan, Boko Haram in Nigeria, Morsis moslimbroederschap in Egypte, de salafisten… – ze gelden allemaal als islamitische fundamentalisten. Als ze in de media worden genoemd, hechten de journalisten hen adjectieven aan als ‘radicaal-islamitisch’, ‘islamistisch’ of ‘fundamentalistisch’ en menen daarmee al het essentiële over deze bewegingen te hebben gezegd. Als de media zulke bewegingen als ‘islamistisch’ bestempelen, hoeft men over hun overtuigingen niet meer te weten dan: ‘Die passen niet bij ‘ons’ in het vrije Westen’.

– ‘Ze zijn vijanden van de vrijheid.’

– ‘Onderdrukken vrouwen.’

– ‘Verklaren de Israeelse Joden vogelvrij.’

– ‘Zijn intolerante fanatici die hun seculaire islamitische geloofsbroeders of die met een andere confessie (Soennieten/ Sjiieten) opblazen.’

– ‘Willen de niet-islamitische rest van de wereld tot het islamistische fundamentalisme bekeren.’

– Kortom: ‘Ze zijn terroristen’ met wie men niet discuteert, maar die men bestrijdt.

Het woord ‘islamistisch” behelst een compleet vijandbeeld. Voldoende reden voor ons om iets uit te diepen wat het ‘islamitische fundamentalisme’ is en wil.

Stellingen over het islamitische fundamentalisme

1.

Het is verkeerd het fundamentalisme van de Islam af te leiden uit een bijzondere eigenschap van deze religie en zich daarvoor over de Koran en de Arabische geestesgeschiedenis te buigen. Nader bekeken is elke religie fundamentalistisch: een morele waan die van zichzelf beweert theoretisch waar en praktijkrelevant te zijn. Elke religie laat zich echter ook in vrijwel elke politieke heerschappij integreren en zich tot morele, goed en kwaad beoordelende instantie van willekeurige maatschappelijke en economische verhoudingen maken. Inzake minachting van het verstand, grootheidswaan en aanpassingsvermogen is er geen verschil tussen de wereldreligies.

2.

De politisering van de Islam komt niet voort uit een bijzondere, van de privé-religie van het Westen verschillende rol van de religie in Arabische landen of het Nabije Oosten. Hier als daar is de religie minstens een, vaak de geldige interpretatie van rechten en plichten. De benoemde hoog- en laaggeplaatste herders beoordelen de godgevalligheid van het handelen van heren en knechten. Ze begrijpen zich als de agenten van de ideële gemeenschap die aan de werkelijke haar recht toewijst; ze dirigeren de volksmoraal en organiseren het patriottisme. De wereldse leiders weten doorgaans de macht van de geestelijke leiders te waarderen – en organiseren in de Occident als in de Oriënt een prachtige symbiose tussen geestelijke en wereldse macht. Beide profiteren door elkaar te dienen.

3.

De religie is op elk gebied bevoegd; ze bekritiseert veel – juist omdat ze rechtvaardigt. Voor haar vermaningen eist ze gehoor; om zich daarmee door te zetten mag ze niet conflictschuw zijn. Tot tegenstander van de staatsmacht wordt de religie echter als ze zich, namelijk haar rol als organisator van de zedelijke volksgemeenschap bedreigd ziet – en daarom de zedelijke gemeenschap zelf waarop ze het nationale samenleven gebaseerd waant. In zo’n geval insisteren de godgeleerden erop zelf de ware representanten van het volk te zijn en betichten de regering niet alleen van zonde tegen het Opperwezen, maar van volks- en landverraad. Met haar goddeloze oriëntatie aan volksvreemde waarden verzwakken de politieke elites de zedelijke gemeenschap, ondermijnen de nationale identiteit en geven het vaderland prijs aan een vijandig buitenland.

4.

Als de gelovigen in al hun devotie hebben besloten dat het bestaan onder de verwerpelijke staatsleiding niet langer draaglijk is en berusting in het lot nu zonde zou zijn, worden ze tot politieke partij en beramen de opstand. Ze ruien het goede volk op tegen de staatsmacht en propageren het ware islamitische leven. Bij hun pogingen het volk diens fatsoen en vaderland terug te geven, moeten ze echter constateren dat de macht van de ongelovige duivels, die ze willen verjagen, in belangrijke mate steunt op het goddeloze leven van het volk. De islamisten zien zich voor de taak gesteld een van boven naar beneden bedorven volkslichaam te helen. De machtstrijd die ze op touw zetten richt zich daarom maar half tegen de staatsmacht – de andere helft richt zich met doelgerichte en willekeurige terreur tegen het zondige alledaagse leven.

5.

Als de gelovige redders van de natie de macht hebben veroverd continueren ze, in bezit van de staatsmacht, de morele terreur waarmee ze om de macht hebben gestreden. Dat is de hervorming die ze beogen. De economische middelen van de natie die ze erven en op de een of andere manier beheren, zijn niet hun thema.

6.

Voor de mogendheden die de wereld en de wereldmarkt beheersen is het islamitische fundamentalisme als oppositiebewegings alsook als islamitische staat een vijand. Dat men ook met deze staten zaken kan doen, olie kopen en fabrieken verkopen, doet daar weinig aan af.

Uitvoerig toegelicht in Gegenstandpunkt 1-95

Weer eens: Israël voert oorlog in de Gazastrook

donderdag, augustus 21st, 2014

Nadat Israël in de Gazastrook opnieuw tegen Hamas – en tegen de daar opgesloten en opgepropte bevolking – met zijn superieure militaire macht heeft toegeslagen, bevoorradingstunnels, infrastructuur en nog veel meer grondig heeft verwoest, trekt de regering haar leger uit het gebied terug, bestrijdt en bewaakt de tegenstander, die tot werkelijk verweer niet in staat is, van buitenaf en laat voor de rest het afgegrendelde en verwoeste gettogebied aan zichzelf over. De Nederlandse media beklagen geschokt de talloze civiele slachtoffers, overwegen partijdig het recht van Israël op ‘zelfverdediging’ en zien in de oorlog alweer geen werkelijke zin. Ze missen namelijk het eenduidige succes: de definitieve vernietiging van Hamas – en vragen onbewogen en enigszins sceptisch naar nieuwe ‘kansen van het vredesproces’. Die gaat al sinds jaren zijn gang met zo nu en dan grotere militaire acties van Israël in de Gazastrook en met door Israël doelbewust getorpedeerde diplomatieke onderhandelingen over enigerlei ‘vredestoestand’ en enigerlei vorm van ’tweestatenoplossing’.
Bij het debat over de schuld voor de niet-totstandkoming van een ‘vreedzame oplossing’ komt de eigenlijke inhoud van de tegenstelling die de ongelijke tegenstanders uitvechten nauwelijks, of slechts als min of meer eenzijdig antwoord op de vraag naar het recht van de een of ander op ‘zelfverdediging’ ter sprake. Daarom – vooruitlopend op een artikel in Gegenstandpunkt 3/14 – enkele korte toelichtingen over de zaak waarvoor er zo onverzoenlijk en met ongelijk verdeelde geweldsmiddelen wordt gestreden: het ‘bestaansrecht’ van Israël resp. van de Palestijnen. Dit hoge goed beoogt blijkbaar niet het bestaan van de respectieve bevolking die aan beide kanten als gevechtstroepen of slachtoffers wordt ingezet dan wel getroffen gemaakt, maar het betreft de exclusieve aanspraak op heerschappij over land en mensen.
Aan de ene kant eist de staat Israël de soevereiniteit over het gebied en de bevolking die hij zich als ‘zijn land’ en ‘zijn volk’, dus als omtrek van zijn macht toeschrijft. Deze aanspraak op de nog niet onherroepelijk onder de eigen macht geplaatste en het eigen volk als ‘lebensraum’ toegewezen gebieden sluit voor eens en voor altijd de Palestijnen buiten als niet erbij horende, storende, daar deze aanspraak in de weg staande, dus in principe vijandige bevolking in het ‘eigen’ land. Israël definieert zich, met beroep op het ‘heilige recht’ van zijn volk op een nog altijd te vormende grotere en machtigere staat, als onaf, nog steeds in oorlog verkerend voor dit staatsrecht en realiseert dit expansieve staatsprogramma door alle diplomatieke onderhandelingen over een ‘oplossing van het conflict’ te torpederen, door zijn nederzettingspolitiek in het West-Jordaanland, door zijn militair optreden tegen elk Palestijns verzet – dus met al zijn militaire macht die het aanwenden kan en via landverovering wil vergroten. Daartegenover staat de aanspraak van Palestijnse politici die voor de erkenning van het tegenovergestelde recht op een eigen staat strijden. Vanwege het overmachtige geweld van Israël rest hen niets anders dan pogingen zonder navenante geweldsmiddelen om diplomatieke erkenning en inspanningen voor een protest van buitenlandse mogendheden tegen de voortschrijdende Israeelse landverovering, of met het beperkte tegengeweld waartoe ze in staat zijn tenminste hun onverzettelijke wil te demonstreren hun ´heilig recht’ op een eigen staat tegenover Israël niet op te geven.
Het alom beklaagde heen en weer tussen vergeefse hoop op ‘vrede’, tussen voortdurend falende vredesgesprekken en steeds opnieuw ‘uitbrekend’ geweld, de halfslachtig beklaagde gestaag voortschrijdende Israeelse nederzettingspolitiek en het deels onder ’terrorisme’, deels onder enigszins gerechtvaardigde Palestijnse autonomiewensen gerubriceerde onmachtige diplomatieke en militaire verzet van de diverse Palestijnse fracties is het noodzakelijke verloop van deze Israeelse strijd om het doorzetten van de aanspraak op regionale hegemonie, die zonder de heerschappij over ‘geheel Israël’ niet tevredengesteld is, tegen de concurrerende Palestijnse aanspraak op soevereiniteit.
In plaats van partijdigheid voor de een of de ander of van voortdurend teleurgestelde hoop op inzicht van beide partijen zou men uit het weer eens geëscaleerde conflict dus beter het onverzoenbare en exclusieve van concurrerende aanspraken op staatsvorming concluderen. Waar het daarom gaat, om het doordrukken en de erkenning van het eigen geweldsmonopolie, daar is in de ogen van staatsactivisten elke vorm van geweld vereist en gerechtvaardigd, daar beslist dus het superieure geweld. Daar hebben de aanspraken om die er gevochten wordt allicht niets positiefs.

Het mensenrecht (inzake verkiezingen)

donderdag, januari 30th, 2014

Artikel 21: “De wil van het volk moet de grondslag zijn van het gezag van de regering; deze wil moet tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden moeten worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.” (Universele verklaring van de Rechten van de Mens)

De het principe mensenrecht typerende theoretische onzin de positieve verhouding tot de staat als eigenschap van “de mens”, dus de onderwerping aan de staat als soortelijke rechtsaanspraak op hem te beweren, richt zich hier op een staatsrechtelijke procedure, de verkiezingen.

Objectief gezien zet de burgerlijke staat met het houden van verkiezingen zijn abstracte erkenningsverhouding tot de wil van zijn burgers voort. Die zijn opgeroepen hun tevredenheid of ontevredenheid over vroegere of aangekondigde daden van de regering niet enkel aan de stamtafel of als lezersbriefschrijvers, maar ook als kiezers te betuigen. En weer definieert de staat met de modaliteiten van de georganiseerde uiting van de wil niets anders dan de wil zelf. De permissie om aan de keuze van kandidaten voor bepaalde staatsambten deel te nemen, legt de burgers heel principieel vast op de verkiezingen als enige geoorloofde manier om het overheidshandelen te beïnvloeden. Dat de verkiezingen als hoogtepunt van de democratie worden gevierd, is dus terecht; een andere gelegenheid om bij het gezag gegarandeerd gehoor te krijgen, heeft de burger gewoonweg niet. Daarbij mag hij zich ook niet over van alles en nog wat uiten, maar zijn mening wordt uitsluitend gevraagd aangaande de op het stembiljet afgedrukte alternatieven, die in de regel geen inhoudelijke maar personele zijn. In hoeverre er tussen de personen qua politiek daadwerkelijk grote differenties of slechts nuanceverschillen bestaan of zelfs dat niet, mag de mondige kiezer zich natuurlijk afvragen; het staat hem vrij om voorstellingen en hoop omtrent de voortzetting of verandering van de nationale agenda met het stemmen of niet-stemmen op bepaalde personen te verbinden, maar dat alles blijft zijn private afweging. Zijn meningen en verzoeken zijn in het stemhoek gedegenereerd tot puur individuele motieven, die in het kruisje op het stembiljet volledig verdwijnen. Vervolgens worden de naam- en commentaarloze kruisjes opgeteld en wel alweer volgens van overheidswege bepaalde regels, die in een rijpe democratie voor de stemmende mensensoort doorgaans onbegrijpelijk zijn.

Men mag het dus zonder meer ironie noemen wanneer verkiezingen als “achterhalen van de wil van de kiezers ” worden geparafraseerd, behelst toch de methode van “achterhalen” een volledige definitie van deze wil, die ze enkel te “achterhalen” voorgeeft. Met welke verwachtingen dan ook de miljoenen individuele kiezers hun kruisje daar hebben gezet waar ze het hebben gezet – het stemresultaat presenteert hen nadien een collectieve wil van de kiezers, waarvan hun stemmen als pure gelijk-geldige atomen tellen en die te erkennen zij verplicht zijn; wat de gekozen machthebbers dan met de machtiging uitvoeren, valt uitsluitend onder hun verantwoordelijkheid en geldt verbindend voor alle kiezers. Daartoe laat de staat zich verplichten als hij periodiek over een deel van zijn ambtsdragers door de kiezers laat beslissen. Met de machtiging van de kiezers tot keuze van kandidaten verplicht hij hen de verkiezingsuitslag te aanvaarden – regelmatig dezelfde: per definitie de voortzetting van zijn heerschappij.

Dit objectieve voordeel van vrije verkiezingen voor hun officiële organisator laat het mensenrecht ruimdenkend buiten beschouwing. En dat juist in een levendige democratie qua verkiezingen niets zo gebruikelijk is als afkeurende oordelen over het verkiezingscircus, de leugenachtigheid en corruptheid van de kandidaten en de onnozelheid van de kiezers – ook dat brengt het mensenrecht niet aan het twijfelen. Mensenrechtelijk gezien doet dat niet ter zake omdat de mens zich volgens deze leer kenmerkt door een wil, waarvan de wezenlijke inhoud bestaat uit het recht op erkenning door de staat die hem regeert. En aan dit recht wordt in de verkiezingen tenslotte met veel kosten en een hoop heisa voldaan. Dat de staat elk concreet verzoek aan zijn laars lapt als hij met betrekking tot zich slechts het ene verzoek laat gelden, namelijk periodiek een door hem gedefinieerde invloed op de keuze van zijn personeel te nemen – dat dan “naar eigen geweten” handelt – krijgt in de ideologie van het mensenrecht de draai dat de staat gehoor geeft aan de soortelijke wil en rechtsaanspraak van “de mens”, hij moge uitsluitend met een procedureel correcte legitimering door de geregeerden zijn regeringswerk uitvoeren. En zo verwezenlijkt, als de kiezer maar zijn stem uitbrengt, de heerschappij als ze heerst niets minder dan de menselijke natuur.

Zie: Het mensenrecht (Das Menschenrecht, Gegenstandpunkt 2-2013)

Bankenunie en bankentoezicht

donderdag, november 14th, 2013

Gemeenschappelijk zoals het staten betaamt die met gemeenschappelijk geld op een gemeenschappelijke markt opereren, en in concurrentie tegen elkaar zoals het onvermijdelijk is in een vereniging waarin elk lid voor zich calculeert, spannen de EU-landen zich in voor de preventie van het risico voor hun staten dat het faillissement van grotere geldinstellingen met zich meebrengt. Met het EU-bankentoezicht en de bankenunie is een supranationaal toezichts- en controlewezen op de rails gezet dat niet alleen het management van een crisis betreft, maar de concurrentievoorwaarden van de financiële sector in het geheel nieuw regelt.

*

Terwijl het groot-project Europese bankenunie (het gemeenschappelijke instaan voor de EU-bankensector) vanwege onenigheid voorlopig is uitgesteld, heeft het nieuwe toezichtswezen over de Europese banken reeds groen licht gekregen. Daarvoor heeft men in Europa dan ook gewichtige positieve redenen.

Banken zijn immers niet slechts en niet op de eerste plaats een probleemgeval inzake garant staan voor hun vele schulden. Ook al worden ze momenteel hoofdzakelijk bekeken aangaande hun testament, een anticiperend afwikkelingsplan dat ze voor een eventueel faillissement dienen op te stellen: het komt natuurlijk allereerst erop aan dat ze bestaan. Want de schulden in kwestie zijn het zakenmiddel van een branche waarin het enige doel waarvoor staten hun kapitalisme oprichten en onderhouden – van geld meer geld te maken – als inhoud van een eigen business fungeert. Dat de groei van vermogens die deze branche in de veelvoudige vormen van krediet tot derivaat in indrukwekkende omvang genereert, uitsluitend steunt op rechtsgeldige, dus speculatieve toezeggingen doet geen afbreuk aan het feit dat het vermogen is wat er zo gestaag groeit, in geld becijferde private toeëigenings-macht. Met dit soort groei dienen de banken volgens de wil van de Europese overheden binnen Europa ook grensoverschrijdend te opereren, en wel zo succesvol mogelijk: dat verenigt de staten in de consensus dat op dit vlak de wettelijke basis voor het Europese bankenstelsel te renoveren en tevens ook te unificeren is. Uiteraard concurreren de commerciële spelers in deze branche onderling om hun zakensucces, en daarbij bewijzen zich de verschillen tussen de nationale wetgevingen ter regeling van de schuldeneconomieën als middel van hun concurrentie. Welke zekerheden voor haar kredietzaken zo’n instelling zelf moet tonen, wat voor papieren zij voor haar herfinanciering deponeren en met welke investeringen zij mag zaken doen, welke zakelijke activiteiten principieel verboden blijven: dergelijke rechtsregels zijn voor een bank hetzelfde als bevordering of belemmering van zakenkansen en -middelen, zijn voor haar dus direct identiek met haar versterking dan wel verzwakking in de onderlinge concurrentie. Met de nieuwe rechtsgrondslag voor de bancaire business in de eurozone krijgen de instellingen nieuwe concurrentiecondities voorgezet, waarvan de ene instelling kan profiteren, de andere nadelige gevolgen moet vrezen – die in het ene geval dus als hefboom ter geldvermeerdering in de vestigingsplaats dienen, in het andere geval de reductie ervan teweegbrengen. Met de nieuwe regeling van de bankentoezicht staan dus kwesties van multilaterale toewijzing en toeëigening van aanzienlijke geldvermogens op de agenda.

Het zakendoen van de banken is voor de staten niet alleen wat zijn omvang betreft van groot belang. Naar verluidt hebben ze ook de elementaire “taak ondernemingen van krediet te voorzien” – een transformatie van de bancaire business naar een nuttige dienstverlening die de economische toedracht verdraait: banken centraliseren het geldvermogen van de samenleving bij zich om daarmee hun zaken te doen. Tijdelijk en tegen een vergoeding verstrekken zij de potentie van het geld, namelijk zich te vermeerderen, aan andere actoren die daarmee over een extra middel beschikken voor hun geldvermeerdering. Inzoverre profiteert en floreert de kredietzaak van de banken dankzij de geldbehoefte van alle andere – “reëel-economische”– branches van een nationale markteconomie. Met deze behulpzame service, het verstrekken van krediet, gaat echter een niet onbelangrijke omkering van de dienstverhouding gepaard: de succesvolle bevrediging van het belang van de banken – zich door kredietzaken te verrijken – is de noodzakelijke voorwaarde daarvoor dat de zakenlieden uit de wereld van productie en handel toegang krijgen tot krediet, de hefboom voor hun groei en het middel van hun concurrentie. Het oordeel van de banken welke kredietzaken zij voor zich lonend achten, bepaalt derhalve hoeveel en welk kapitalistisch zakenleven überhaupt plaatsvindt in een nationale vestigingsplaats. Hetgeen de balansen van de banken (die in de crisis vooral als “risico” aandacht wekken) dus in feite representeren, is datgene wat een complete kapitalistische vestigingsplaats oplevert aan potentie van het geld tot zelfvermeerdering – uitgedrukt als prestatie van de banken; en dat is geen aanmatiging van deze instellingen, maar een feitelijke waarheid van het systeem: de geldbranche is de cruciale branche; van haar successen zijn de zakensuccessen van alle andere bedrijfstakken afhankelijk; vandaar dat zij consequenterwijs de gecreëerde rijkdom meteen weer als middel voor haar verdere zaken in beslag neemt, als stof voor haar financiering en herfinanciering en daarmee als instrument ter uitbreiding van haar zakendoen.

Een verdere “dienstverlening” maakt de macht waarmee de bankensector regie voert over de kapitalistische vestigingsplaats definitief compleet: de instellingen verstrekken krediet, het levensmiddel van de groei, immers niet alleen aan de lieden van het zakenleven, maar eveneens aan de toezicht houdende politieke instanties. Geld, de materie van de private verrijking, is ook het machtsmiddel van de overheid waar zij zich aanzienlijke delen van verschaft door schulden te maken: via de uitgifte van waardepapieren komt de staat aan financiële middelen en stelt tevens de banken een uitstekend zakenmiddel voor hun private verrijking ter beschikking. Ook de modaliteiten van deze beproefde symbiose staan ter discussie bij de nieuw te beklinken controle op de banken, zodat omtrent de nieuwe definitie van hun concurrentievoorwaarden alle wezenlijke factoren ter sprake komen die de kapitalistische potentie van de vestigingsplaatsen en de financiële macht van hun politieke bestuurders uitmaken. Dienovereenkomstig hardnekkig twisten de staten over de details van dit toezichtsregime als aangelegenheden van hun concurrentie. Met het EU-toezichtsregime ligt voor alle partners de kwestie op tafel welke bankensector van welke lidstaat de regie voert over de nationale euro-economieën en daarmee van dit regime profiteert; er zijn dus allerlei “inhoudelijke kwesties” omstreden tussen de partners, die strijd leveren om voordelen te behalen voor hun vestigingsplaats en zich verzetten tegen nadelen die zouden kunnen voortkomen uit het supranationale toezichtswezen.

*

Omdat de euro-staten in al hun supranationalistische geëngageerdheid blijkbaar niet zo onverantwoordelijk zijn om hun nationale voordeelsberekeningen te vergeten, komen er in verband met de kwesties van toezicht en controle ook nog speciale prestaties van de bankensector op de politieke agenda. De leidende Europese mogendheid oppert het gezichtspunt van wie de rendementen eigenlijk zijn die de banken met de vermogens van hun inleggers behalen. De desbetreffende regelingsvraagstukken raken de reikwijdte van de nationale belastingssoevereiniteiten, de vrijheden die de staten hun geldelites qua vermogensbeheer toestaan; hetgeen sommige van hen het harde verwijt oplevert als “belastingsparadijzen” deugdzame burgers tot fraude te verleiden. Zulke zelfzuchtige praktijken moeten worden deactiveerd, en ook de kwesties omtrent dit onderwerp komen neer op het twistpunt waar ook alle andere kwesties om draaien: welke lidstaat uit de euro-club trekt zijn voordeel uit welke algemeen geldende overeenkomsten, die de leden vanwege de “soliditeit” van de bankzaken in principe unaniem goedkeuren. Met de gezamenlijke behandeling van al deze “inhoudelijke kwesties” staat dus onvermijdelijk de ultieme kwestie op de agenda: wie bindend voor alle anderen voorschrijft hoe de banken binnenkort op Europese schaal worden gecontroleerd.

*

Zo wordt het door de leden van de euro-zone alom gewaardeerde gemeenschappelijke verlangen naar een nieuwe rechtsgeldige controle op het bankenwezen tot strijdtoneel van hun concurrentie op het hoogste niveau. De staten voeren zich als argument aan, het gewicht dat ze in de schaal leggen als financiële en economische mogendheden, om de competentie op te eisen voor zowel het vaststellen van de richtlijnen als voor het definiëren van de procedures bij het toekomstige omgaan met het financiële kapitaal. Vanzelfsprekend heeft in deze edele wedstrijd die natie de beste “argumenten” die in Europa de onbetwist leidende, want grootste economische en financiële macht is. Tegen de wil van Duitsland is er in elk geval geen toezichtswezen over het financiële kapitaal op Europese schaal – dit is nog zo’n soort Europese consensus, namelijk een gegeven dat de concurrenten van Duitsland flink wat hoofdpijn bezorgt.

Uitvoerig in: Gegenstandpunkt 2-2013

De “humanitaire ramp” voor Lampedusa

zaterdag, november 9th, 2013

Hoe de politiek met geweld en recht een “vluchtelingenprobleem” creëert – en het vervolgens met recht en geweld bestrijdt

1. Begin oktober gebeurt er nabij Lampedusa een “humanitaire ramp”. Een gammele boot, volgepropt met Afrikanen, kentert: men telt meer dan 300 doden. En als altijd wanneer het alledaagse verdrinken, verhongeren en verdorsten van vluchtelingen in de Middellandse Zee het gewone aantal overstijgt, betuigen hooggeplaatste Europese politici “geschokt” hun rouwbeklag in het bijzijn van gretig toegestroomde journalisten en verzekeren alles te doen wat in hun macht ligt opdat zo’n “tragedie” niet meer kan gebeuren. “De Middellandse Zee mag geen massagraf worden”, luidt hun humanitair bezielde boodschap – alsof ze over het hoofd zien dat dit water, mare nostrum, al sinds jaren een massagraf is, en naarmate de uitbouw van het Europese continent tot “onneembare vesting” vordert steeds meer daarop zal lijken.

2. Om te beginnen: er zijn wereldwijd mensen die onder geweld en armoede lijden; de plaatselijke levensomstandigheden worden ook in Afrika tot in de uithoeken bepaald door het mondiale systeem van de kapitalistische geldeconomie; zelfs de meest erbarmelijke bronnen van inkomsten van de lokale bevolking worden bijvoorbeeld door Europese visserijvloten of goedkope exporten van kippenresten geruïneerd – geregeld door verdragen waarbij Europese politici geen geringe rol speelden. Wie ontkomen wil aan deze desastreuze toestanden verandert opeens in dit merkwaardige type mens genaamd vluchteling.

3. En veroorzaakt het “vluchtelingenprobleem”: oftewel niet de vluchtelingen hebben een probleem als ze niet of nauwelijks kunnen overleven – ze zijn een probleem. Europa beschouwt zich als slachtoffer van een lawine aan vluchtelingen die naar zijn grenzen rolt. En de op dit vlak verantwoordelijke politici maken duidelijk dat de veelgeprezen effecten van de “mondialisering” maar in één richting gelden. De species vluchteling heeft geen toegang en mag die niet krijgen, althans niet zonder controle en toestemming door de staten.

4. Dit besluit tot grenstrekking tegenover mensen, die hier terechtkomen als aanspoensel van de “mondialisering”, is de hoofdpremisse van elk “vluchtelingenbeleid”. Dat de vluchtelingen iets nodig hebben, namelijk levensonderhoud, kan dan wel een “humanitair probleem” wezen, mag echter niet dienen als leidraad voor het politieke beleid. De inhoud daarvan is even simpel als wreed: hebben wij vluchtelingen nodig? En anders dan buitenlandse IT-experts, die de economische groei mogen helpen bevorderen, en Syrische burgeroorlog-vluchtelingen, die inzetbaar zijn als kroongetuigen tegen het “onmenselijke Assad-bewind”, kunnen de armoede-vluchtelingen geen bruikbaarheid tonen; niet eens in de lagelonensector ligt hun aanwending in het verschiet. Bijgevolg moeten ze buiten blijven; daarmee is de tot Europese raison d’état geworden sortering wettelijk correct tot stand gebracht.

5. Dergelijke vluchtelingen zijn illegalen. Een status die ze nolens volens krijgen verleent, en die dus alle betreurde “individuele lotgevallen” omvat: voor wie de Europese politici hun grenzen doorlatend dan wel dicht willen maken, dat is al lang voordat een vluchteling in richting Europa vertrekt omvangrijk gecodificeerd om de wereldwijde “migratie” in gewenste banen te leiden. Door deze wetten belanden vluchtelingen als die van Lampedusa, dus in principe alle ellendigen die zich op weg begeven naar Europa, in de illegaliteit. Het lijkt macaber als de overlevenden van de “ramp” naast droge kleren een proces-verbaal krijgen vanwege “illegale grensoverschrijding” – werpt echter alleen maar licht op het onverbiddelijke rechtsprincipe, waar elk “vluchtelingenbeleid” op baseert als het de daad bij het woord voegt.

6. Daaruit halen de “vluchtelingenpolitici” ook hun schoon geweten: steeds beroepen ze zich erop dat ze niet anders kunnen daar ze verplicht zijn het recht te handhaven – dus dat ze juist handelen als ze vluchtelingen laten opsporen, uitwijzen of opsluiten. Tegelijk laten ze blijken hoe het gesteld is met het recht – dat hen “geen keuze laat” bij de behandeling van vluchtelingen – wanneer ze de noodzakelijke consequenties uit het “vluchtelingendrama” opnoemen: steeds voelt zich hun rechtsmacht uitgedaagd – die ze daadkrachtig willen gebruiken opdat het groeiende aantal vluchtlingen effectiever wordt weggehouden van Europa.

7. Dit doel wordt perfect gepland en georganiseerd. De Frontex-schepen, die met behulp van geavanceerde opsporingstechnologie zo min mogelijk vluchtelingenboten in de buurt van de Europese kusten moeten laten komen, zijn niet eens het belangrijkste. Grootschalig worden Noord-Afrikaanse staten ingeschakeld om Zwart-Afrikanen op hun tocht naar Europa te interneren en terug te sturen. En idealiter zorgen al de herkomstlanden ervoor dat niemand aan een vlucht begint uit de belabberde situaties. Dat heet dan welluidend “bestrijding van vluchtoorzaken”. Als er helemaal geen vluchteling meer bij een Europese instantie aanklopt om een asielaanvraag in te dienen, is het “vluchtelingenbeleid” geslaagd.

8. Zo krijgen de vluchtelingen op elk gebied met de (mede)daderschap van Europa te maken, van de alom bekende ondraaglijke levensomstandigheden, waar Europese concerns niet slecht aan verdienen, tot de “mensensmokkelaars”, wier “criminele zaken” met de overlevingsnood van vluchtelingen juist berusten op de wettelijke status: illegaal; steeds wanneer Europese politici de noodzaak tot handelen benadrukken om “vluchtelingen te redden”, beogen zij die uit Europa te verwijderen en voorgoed op afstand te houden.

Het Europese “vluchtelingenbeleid” is geen kwestie van moraal. Het is het gerealiseerde staatsbelang dat het menselijke afval van de “mondialisering” bij voorkeur daar wil dumpen en opslaan waar de wereldwijd actieve markteconomie het produceert.

P. S. “De moraal is geen serieus te nemen bezwaar tegen enigerlei “misstanden” en hun oorzaken, maar maakt deel uit van het geweten van de aardbewoners en van het publieke debat: als goede ‘menselijke’ houding waarmee men de reëel geldende politieke belangen begeleidt; als ‘subjectieve instelling’ die hoogachting verdient, echter nooit mag worden misverstaan als werkelijke richtlijn voor het politieke beleid.”

Over de verhouding tussen politiek en moraal: Gegenstandpunkt 3-2013 (De paus op Lampedusa)