Goede zeden op het slagveld I

Gevallenen- en gevangenenruil
Het paasfeest brengt hoop en een nieuw begin voor 200 OekraĆÆense en Russische soldaten die in het kader van een gevangenenruil terug naar huis mogen. Dat deze soldaten, als levende oorlogsbuit in de handen van de vijand, niet te maken krijgen met de wraak van de vijandelijke natie, hebben ze te danken aan de Geneefse Conventies. Die eisen van oorlogspartijen o.a. een ā€œmenswaardige behandelingā€ van gevangenen, die door ontwapening en internering hun functie als wapen van de vijand hebben verloren. Als wapen onschadelijk gemaakt en niet langer de statelijke geweldopdracht uitvoerend, krijgen ze als krijgsgevangenen en nieuwe volkenrechtelijke status, die hen voor de gebruikelijke wreedheden van het soldatenhandwerk behoedt. Met hun zelfbeperking, het verbod op marteling en executie van gevangenen, insisteren staten erop dat hun soldaten “slechts” het mensenmateriaal zijn dat ze voor hun geweldbehoefte inzetten, dat hun vernietigingswil tegen de soldaten van de vijand zich niet op hen persoonlijk richt, maar op de oorlogswil en de oorlogspotentie van hun opdrachtgever, dus op de politieke tegenstander gemunt is.
Maar wat heet “slechts”! Ze zijn met huid en haar het beschikbare voetvolk van de oorlogspartijen, die elkaars eigendomsrecht op hun soldatenpersoneel erkennen en het als menselijk onderpand conform hun politieke berekeningen gebruiken. Dat ze na het verbreken van alle andere diplomatieke betrekkingen via een ruil van gevangenen direct met elkaar onderhandelen, geldt als civiel lichtpuntje midden in de oorlog, en omdat de mensen als materiaal voor het statelijke zelfbehoud moeten dienen, als zorg voor hen en als daad van statelijke humaniteit. De staten biedt de gevangenenruil een gelegenheid tot zelfverheerlijking ā€“ als beschermingsmachten van de volkeren die ze in de oorlog voor hun politieke doelen zo meedogenloos de dood in jagen.
Dit statelijke eigendomsrecht op zijn mensenmateriaal en de functionaliteit ervan voor de politieke leiding eindigt zelfs niet met de dood van de soldaten. De oorlogspartijen ruilen naast gevangenen ook nog gevallenen. In de strijd om een verenigd OekraĆÆens volk acht diens politieke opperbevelhebber zich verplicht te beloven dat de nationale leiding geen enkele soldat, die ze naar het front gestuurd heeft, vergeet: “Wij herinneren ons aan allen. Wij zullen iedereen van hen terugbrengen.” De statelijke leiding bewijst de gevallenen als martelaars van de verdediging van OekraĆÆne de laatste eer; en in een plechtige ceremonie in de nationale aarde begraven, bekrachtigen de doden middels de grootste individuele dienst voor het vaderland, het opofferen van hun levens, dat de nationale zaak, voor die ze gestorven zijn, elk slachtoffer waard is. Met dit wederzijdse eerbetoon celebreert de staat de onverbreekelijke loyaliteit tussen volk en leiding, die zelfs de dood trotseert, en prijst de onverstoorbare oorlogswil van het nationale zelfbehoud met de slachtoffers die hij creĆ«ert. In deze laatste daad ter versteviging van de oorlogsmoraal van zijn volk vallen de politieke en de menselijke kant weer samen: als aanbod voor de nabestaanden; ze mogen troost putten uit de vaderlandse zingeving omtrent de dood van hun naasten.
Uit “Oorlogskroniek…”: GEGENSTANDPUNKT 2-2023

Comments are closed.