Archive for juli, 2010

Consumptie in het kapitalisme

zaterdag, juli 17th, 2010

Inleidende opmerking over de objectieve rol van de consumptie in het kapitalisme

Over de consumptie doen merkwaardige, maar veelzeggende mededelingen de ronde. Bij tijd en wijle moet ze bijvoorbeeld “aangezwengeld” worden. Er wordt daadwerkelijk consumptie geĂ«ist opdat de economische groei op gang komt. Dat zegt al veel. In het kapitalisme is de voorziening van goederen blijkbaar niet het doel, de productie niet het middel om de gewenste goederen te leveren. Omgekeerd; de consumptieve behoefte is het middel om het doel te bevorderen: de groei binnen de ondernemingen. Vandaar dat een grootheid onder geen beding als groeimotor in aanmerking komt: het inkomen van de werkende mensheid dat beslist over de potentie om te consumeren en over de omvang van de afzet op de markt van gebruiksgoederen. In plaats daarvan wordt liever het consumptieklimaat geprezen en de kooplust gestimuleerd; geen crisisgepraat maar optimisme luidt de leus, zodat de consument zijn spaargeld of een krediet gebruikt voor extra aanschaffingen. Zodoende draagt de consumptie namelijk bij aan de groei zonder de balansen te beschadigen. De reden voor dergelijke merkwaardigheden is de geldende calculatiewijze van de ondernemingen. Het inkomen van de mensen dient op de markt als realiseringsmiddel voor de omzet van waren en kan in dit opzicht niet groot genoeg zijn. Aan de andere kant is hetzelfde inkomen in de bedrijfsbalans loonkost, noodzakelijke uitgave voor de winst die deze tegelijkertijd vermindert en daarom zo klein mogelijk vastgesteld wordt. Dat de werknemers meer geldswaardige prestaties leveren dan ze zelf kosten is de voorwaarde voor elke werkgelegenheid. Het consumptievermogen is daarom niet alleen een beperkte grootheid, voor de gewenste omzet van waren altijd te klein gedimensioneerd. Het is ook een de winst beperkende factor waarvan de vergroting dus buiten discussie staat. Desondanks vordert de groei. Niet alleen omdat de voorschotten van de kapitalisten naast de factor loon alsook hun eigen luxueuze consumptie bijdragen tot de vraag. Met behulp van het krediet bevrijden ze zich ook nog van de grenzen van de markt om hun groei te financieren. Deze bedrijfscalculatie, waaraan het inkomen ondergeschikt is, bepaalt ĂŒberhaupt de gehele doelstelling van de kapitalistische economie. Wat, hoe en hoeveel geproduceerd wordt dat is evenals de kwaliteit en de prijs van het product afhankelijk van de winstberekening. De uitgaven voor elk product moeten een overschot opleveren. In deze accumulatie van geldrijkdom is de voorziening van de werknemers een factor die binnen de perken blijft van de pure reproductie van hun arbeidsvermogen. Ook zonder de lectuur van Marx houdt het bedrijfsleven zich aan het principe dat arbeid niet rijk maakt, maar – in het gunstigste geval – het levensonderhoud oplevert. De consumptie is in elk opzicht de afhankelijke variabele van de kapitalistische productie. Die bepaalt niet alleen de omvang, soort en prijs van de goederen, maar ook het inkomen van de verbruikers dat hen ĂŒberhaupt in staat stelt te consumeren.

*

Bij de manier van consumeren geniet de mens natuurlijk elke denkbare vrijheid. Hij kan tussen gelijksoortige of verschillende producten kiezen en hun kwaliteit of design vergelijken. Hij is zelfs de enige instantie die over de koop beslist. Daarbij moet hij uiteraard enerzijds rekening houden met de eigen noodzakelijkheden en het sortiment van de aanbieders, anderzijds met de warenprijzen en zijn portemonnee. Van sommige alternatieven binnen het warenaanbod moet hij derhalve afzien. Of de vakantie, of de nieuwe auto. Voor grotere aanschaffingen is de consument zo vrij om te sparen; vandaag onthouding voor de consumptie van morgen. Wie dat mishaagt, kan zijn vrijheid ook op omgekeerde wijze gebruiken en op krediet kopen: consumptie vandaag, onthouding morgen, er moet immers afgelost worden. En alle rekeningen en berekeningen resulteren in een voor de grondlegger van deze calculatiewijze gelukkige omstandigheid die ervoor zorgt dat de consument zowel zijn vrijheid als zijn probleem behoudt: het bestede inkomen is teruggestroomd in de kassa’s van degenen die het zo laag laten uitvallen en voor hun winst opnieuw voorschieten. De kringloop kan weer beginnen, die van het kapitaal als die van de consument, die door zijn werk opnieuw een inkomen moet verdienen dat hem in staat stelt, als alles meezit, weer te werken, dus zich te reproduceren.

*

Over de privĂ©-sfeer van consumptie en genot heeft de consument natuurlijk ook nog een eigen mening. Met al zijn afwegingen en keuzes binnen de warenwereld beslist hij eigenlijk maar een ding: waaraan hij de voorkeur geeft. Maar dat interpreteert hij in dichterlijke vrijheid zo alsof hij degene is die beslist. Uitgerekend de afhankelijke variabele van de gehele kapitalistische productie verbeeldt zich de baas te zijn over de kapitalistische procedure. Bij dit simpele, maar verkeerde zelfbewustzijn van de gewone “verbruiker” zou het vermoedelijk blijven, waren er niet de publieke opinie en wetenschappelijke experts die min of meer fantasievolle bijdragen leveren aan de rooskleurige voorstelling van zaken en die behoorlijk verder ontwikkelen. Daarbij zijn deze ideologen zo verstokt dat ze zich ook niet van de wijs laten brengen door allerlei voor iedereen waarneembare ervaringen. Sinds een of twee decennia buigen journalisten en sociale wetenschappers zich openlijk over de groeiende kinderarmoede en registreren een stijgend aantal bijstandtrekkers
 En tegelijkertijd houden dezelfde mensen vast aan hun legende van de “welvaartsmaatschappij” waarvan wij allen lid zijn en waarin Jan Modaal zelfs promoveert tot “koning klant”.

 Een kritiek op de consumptie is er ook. Echter niet op haar miserabele gesteldheid, maar op een teveel aan consumptie. Mensen die niet weten hoe ze moeten rondkomen met hun inkomen bevinden zich onverhoeds in een “overvloedmaatschappij”. En naargelang het morele sensorium worden aan de overvloed ook nog uitwerkingen toegeschreven die het verantwoordelijkheidsbesef van moderne consumenten moeten activeren. Dioxine in levensmiddelen, door pesticiden vergiftigde landarbeiders, kinderarbeid in de derde wereld, klimaatbelasting door globale goederentransporten: dat zijn misstanden die de consument moeten aanzetten tot nadenken. Helaas niet over doel en karakter van een productiewijze die zoiets voortbrengt, maar over zich en zijn “consumentenmacht”. Omdat hij door te kopen deel uitmaakt van “het systeem” dient hij zijn consumptie als oorzaak van de euvels te beschouwen en deze via zijn koopgedrag te corrigeren. Dat sorteert in de praktijk geen effect en is theoretisch net zo misplaatst als de genoemde lof en afkeuring van de “consumptiemaatschappij”. Dat vraagt om nadere toelichting.

 Over de ideologieĂ«n over consumptie en consument in de markteconomie ( het ophemelen van het kapitalisme tot “welvaartsmaatschappij” en de inzet van de “consumentenmacht” tegen de “overvloedmaatschappij” en haar “uitwassen”) lees verder in: Gegenstandpunkt 2-2010