Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Wat de VS stoort aan Iran

donderdag, april 19th, 2012

Terwijl de inlichtingen- en subversiedienst CIA eind februari vermeldde dat volgens zijn informatie het eerder onwaarschijnlijk is dat Iran een atoomwapen produceert, dreigde president Obama begin maart ter gelegenheid van het bezoek van de IsraĂ«lische premier Netanjahu onverholen met oorlog, gegarneerd met de belofte: “Ik bluf niet!”

Het zodoende verder op- en uitgebouwde oorlogsscenario tegen de Islamitische Republiek wordt bepaald door twee protagonisten: de VS en Israël. Hun bevoegdheid tot preventieve nucleaire ontwapening van Perzië wordt door de westerse publieke opinie in principe niet in twijfel getrokken, alhoewel de een, Amerika, zijn kernwapens niet alleen gebruiksklaar houdt, maar deze ook al twee keer met doorslaand succes en blijvende gevolgen heeft getest. De andere protagonist, Israël, bezit de bom zonder dat zijn beschermingsmacht en haar bondgenoten dat verwijtbaar achten. En in tegenstelling tot Iran heeft Israël het non-profileratieverdrag (NPV) nimmer geschonden – om de eenvoudige reden: het heeft die nooit ondertekend.

Dat Iran wegens het verrijken van uranium zich geconfronteerd ziet met deze oorlogsverklaring op afroep door twee zo vredelievende tegenstanders van geweld als politiek middel – ondersteund niet alleen door de NAVO-leden, maar met uitzondering van Rusland en China door de complete relevante statengemeenschap met hun financieel en economisch embargo – komt niet voort uit een afkeer tegen dit verschrikkelijke wapen en hangt er ook niet van af of Teheran werkelijk van plan is dit wapen te bemachtigen.

Het is veeleer zo: De Islamitische Republiek Iran ontstond uit de (in het Westen ongewenste) omverwerping van het sjah-regime; ze begrijpt zich als een staat die hogere waarden, namelijk de wet van Allah naleeft, en ze treedt militant-alternatief op tegen de hegemonie en de waarden-canon van het democratische imperialisme. Ze veroorlooft zich dus met haar anti-westerse en islamitische opstelling een soort vijandschap tegen het westerse systeem, probeert partners te winnen en biedt zich aan als partner voor staten die opponeren willen tegen het VS-overwicht. Iran bestrijdt de hegemonie van de VS in een regio waar deze “vitale belangen” hebben, van de energieverzorging en de onduidelijke machtsverhoudingen tengevolge van de “Arabische lente” tot de aanstaande omverwerping van de regering Assad in SyriĂ«; om maar niet te spreken van de nasleep van de Irak-veldtochten en van de veiligheidspartner IsraĂ«l, dat zijn staatsoprichtingsproces ten koste van de Palestijnen nog lang niet heeft voltooid. In de ogen van de VS vormt Iran bovendien een bedreiging omdat het middelen heeft om zijn anti-Amerikaanse activiteiten kracht bij te zetten. Door zijn olie-inkomsten beschikt het tot nu toe over economische en militaire potenties die hem in staat stellen Amerikaanse directieven niet alleen te negeren maar ook daartegen op te treden. Voor de door de VS geleide mooie vrije wereld van het democratische imperialisme is Iran dus een gevaarlijke stoorfactor en wordt navenant behandeld. Dat betekent: de VS en hun partners eisen en bevorderen een “regime change”.

In deze context staat dus het Iraanse nucleaire programma resp. de bestrijding daarvan door de VS en Co. Voor hen is het niet pas dan ondragelijk als daaruit een atoombom voortkomt, maar het is vanaf het begin onaanvaardbaar omdat reeds de opbouw van kerntechnologie per definitie de mogelijkheid biedt om naast kerncentrales ook kernwapens te produceren. Wat betreft de bondgenoten en partners van de VS geldt zo’ n vijandschap natuurlijk niet. Duitsland, dat evenals de ajatollahs officieel en voor alle tijden kernwapens heeft afgezworen, beschikt nochtans al lang over datgenen wat Iran nog aan het ontwikkelen is: een hoogmoderne kerntechnologie. Japan en Canada krijgen ondanks alle concurrentie om wereldmarkt en wereldmacht nooit problemen met de controle-instanties van het NPV. In tegendeel: de VS als zelfbenoemde opperste bewaker van dit verdrag gaf hen uitdrukkelijk toestemming tot ontwikkeling van het volledige nucleairtechnische spectrum. Tegenover de Republiek Iran worden de mogelijke andere toepassingen van verrijkt uranium echter als aanleiding genomen om het door het verdrag toegestane civiele gebruik van kernenergie te verbieden. In plaats daarvan wordt het inspectieregime ingezet als chicaneus controleregime, dat vooral als officieel gesanctioneerde tussenstatelijke inlichtingendienst ageert. Daarbij verzwijgen de controleurs geenszins dat Teheran het wantrouwen in zijn nucleair-technologische pogingen uitsluitend zou kunnen sussen door het programma stop te zetten.

Iran te beletten het gebruik van kernenergie zo ver te ontwikkelen dat het in staat is nucleaire wapens te bouwen, is blijkbaar een pretentieuzer doel dan alleen maar het verhinderen van een daadwerkelijke nucleaire bewapening. Dienovereenkomstig groot gedimensioneerd zou dan ook een militaire aanval moeten zijn, óf door de Israëlische luchtmacht als solo-actie, dwz. slechts met logistische en wapentechnische NAVO-ondersteuning, óf als joint venture met de VS. Geen wonder dat daartegen, vanwege de onafzienbare gevolgen, zelfs de generale staf van het Israëlische leger nog bezwaren opwerpt.

Vandaar dat voor Obama het repertoire van de wereldmacht ter eliminering van het Iraanse stoorgeval nog niet uitgeput is, en zijn dreiging met een militaire aanval als ultima ratio moet de al te strijdvaardige IsraĂ«lische vriend voorlopig in toom houden. Anders dan bijvoorbeeld bij het uitschakelen van Gaddafi geven de VS in het geval Iran de leidende rol niet uit handen. Er worden rechtvaardigingen gefabriceerd die de VS de bevoegdheid tot elke maatregel geven en de “statengemeenschap” noodzaken zich daarbij aan te sluiten, en die gezien hun “plompheid” en “ongeloofwaardigheid” doen denken aan het onvergetelijke optreden van Colin Powell, Bush’ s minister van Buitenlandse Zaken, in de VN-Veiligheidsraad met zijn onweerlegbare bewijzen voor de massavernietigingswapens van Irak. Een vermeend door Teheran beraamd attentaat op de Saoedische ambassadeur in de VS is volgens Amerikaanse lezing gelijk te stellen met de planning van een terroristische aanslag op Amerikaans grondgebied en komt dus in de buurt van 9/11: de Iraanse regering – een “terreurregime” dat de soevereiniteit van andere staten niet respecteert en de VS op hun eigen territorium wil aanvallen. Daaruit leidt de Obama-regering het recht af Iran aan te vallen ook zonder internationale medewerking resp. VN-mandaat. Daarop vooruitlopend scheppen de VS ingrijpende feiten, vooral de unilaterale sancties (die in het volkerenrecht gelijkstaan met krijgshandelingen) en confronteren Rusland en China zo met de vraag of ze zich dat willen laten gevallen. Duitsland en de EU maken inmiddels zonder strubbelingen deel uit van het anti-Iran-front; ze werken met eigen sancties mee aan het “verlammen” van Iran.

Hun maatregelen beogen de ruĂŻnering van Iran: alle middelen waar deze staat over beschikt, worden bestreden. Met de krachten van een supermacht wordt het voorbereidende werk gedaan om Iran definitief op de knieĂ«n te dwingen. De VS laten duidelijk blijken dat de nu in werking tredende economische sancties niet slechts het Iraanse nucleaire programma moeten blokkeren. Ze moeten Iran’s op gas- en olieverkoop berustende nationale economie ontwrichten en het land afsnijden van het internationale geldverkeer, dus alle geldbronnen uitdrogen waar het zijn weerstand tegen de VS mee financieert. Zo moet Iran internationaal geĂŻsoleerd worden.

Door de “Patriot Act” heeft de Obama-regering elk economisch verkeer met Iraanse banken als witwassen van geld en bedreiging van de “Homeland Security” gedefinieerd. Elke onderneming uit derde landen – de Amerikaanse ondernemingen is het verkeer sowieso al lang verboden – die handelsverdragen afsluit met Iran en tegelijkertijd bij een Amerikaanse bank een rekening heeft, riskeert een aanklacht wegens een zwaar vergrijp en loopt de kans te worden buitengesloten van het zakenverkeer met de VS.

Staten in het Midden-Oosten die onder president Bush nog aarzelden zich in te voegen in het front tegen Iran omdat ze niet nog een oorlog in de regio wilden, worden door het creĂ«ren van een “oorlogsachtige situatie” bij deze betrokken. Door de sancties ondervinden ook Iran’s buurlanden economische schade; en indien ze deelnemen aan de boycotmaatregelen zijn ze frontstaten tegen Iran. Daarvoor worden de Golfstaten door de VS van alle noodzakelijke militaire middelen voorzien. Als opmarsgebied voor de VS onontbeerlijk, mag Bahrein de opstand van zijn bevolking neerslaan met behulp van Saoedi-Arabische interventietroepen, en zelfs de vriendschappelijke kritiek op Saoedi-ArabiĂ« wegens “democratisch deficiet” blijft achterwege sinds de confrontatie met Iran op de agenda staat. De burgeroorlog in SyriĂ« resp. de strijders tegen de regering kunnen op veel Amerikaanse sympathie rekenenen, omdat zo een bondgenoot van Iran en zijn belangrijkste steun in het Midden-Oosten behoorlijk verzwakt wordt.

Tamelijk onverschillig registreert de democratische publieke opinie ook de overgang van de VS-regering van “the war on terror” naar een terroristische guerillaoorlog: blijkbaar voeren CIA en Mossad naast preventieve executies van leidende Iraanse wetenschappers ook sabotages uit, zoals het oplopende aantal “ongelukken” en de wormaanval op de besturingssoftware van Iraanse kerncentrales duidelijk bewijzen.

Als de regering in Teheran – in dit geval in overeenstemming met de anders hier te lande als “democratisch alternatief” voor Ahmadinedschad en de mullahs zeer gewaardeerde oppositie – van krijgshandelingen spreekt, heeft ze weliswaar gelijk; maar de VS en hun helpers voelen daardoor alleen maar hun verwachting bevestigd op de goede weg te zijn, omdat de vijand kennelijk geraakt werd als hij zich geraakt toont.

Propaganda voor verarming

vrijdag, april 13th, 2012

Hoe de bevolking klaargestoomd wordt voor bezuinigingen

De crisis op de financiële markten is uitgegroeid tot een staatsschuldencrisis. De reddingsmaatregelen met reusachtige staatskredieten die de financiële branche en de eveneens noodlijdende reële economie voor de collaps moesten behoeden, vormen dermate gigantische schuldenvolumes in de begrotingen dat de investeerders meer en meer hun vertrouwen verliezen. In de meeste staatspapieren investeren ze alleen nog tegen hogere rentes; niet weinige staten moeten kredietweigering vrezen. Daarmee begint de volgende fase die het uitgangspunt van de crisis op een nieuw niveau reproduceert. Ontwaarde staatspapieren, schuldenkwijtschelding als van Griekenland, het mogelijke volledige bankroet van een land: dat alles dreigt een nieuwe bankencrisis te veroorzaken, want de grote banken behoren tot de belangrijkste investeerders in staatsobligaties die steeds meer in waarde dalen. Als gevolg daarvan doemt een nieuwe, veel diepere recessie op, uiteindelijk het einde van het geld waarvan iedereen gebruik maakt. Alles staat op het spel. De cruciale kwestie in beurzen en tijdens politieke topontmoetingen luidt: wie redt de toenemend insolvent wordende redders, de staten die bij de geredde financiële hoofdrolspelers hun kredietwaardigheid verliezen?

Dit zijn kwesties waarbij de volkeren uitsluitend in een opzicht een rol spelen: ze zijn de flexibele massa die moet opdraaien voor alle gevolgen en vereisten die de commerciĂ«le en politieke kopstukken noodzakelijk achten. Wat de gevolgen betreft heeft de meerderheid van de bevolking in de diverse Europese lidstaten haar ontwaarding als arbeidsmateriaal al lang aan den lijve ondervonden. Tengevolge van de crisis moesten de mensen loon inleveren of ze hebben meteen hun baan verloren. Wie zijn lening niet aflossen kan, verliest zijn koopwoning en blijft met zijn schulden zitten. Wie zijn spaargeld bij zo’ n verkeerde bank als Lehmann heeft gestald, raakt ook dat kwijt. En terloops komt men te weten dat het aantal hongerlijders in de afgelopen drie jaar met 40 miljoen is gestegen, omdat grote financiĂ«le investeerders wegens gebrek aan alternatieve investeringen op de grondstof- en levensmiddelenmarkten spekuleren en het voedsel voor steeds meer mensen definitief onbetaalbaar maken.

En er ligt nog meer in het verschiet. Sinds de enorme staatsschulden dagelijks de voorpagina’ s halen, kent de mensheid de verarming niet alleen als voorbije, maar ze komt opdagen als aangekondigde vereiste, als groots opgezette politieke strategie. De sociale demontage op grote schaal, meestal gepaard met belastingverhogingen, wordt namelijk door alle euro-staten als uitstekend middel beschouwd om het vertrouwen van de financiĂ«le kapitalisten in hun staatsobligaties te herstellen. Daarbij gaat het om alles of niets: om het overleven van de euro. Duitsland, het succesmodel in Europa, gaat er prat op dat het sinds de rood-groene regering onder kanselier Schröder het sociale sloopwerk voorbeeldig heeft uitgevoerd, en oogst daarmee bij zijn buren geen verachting, maar respect en jaloerse blikken. Maar dat volstaat nog lang niet. Het bereikte moet gehandhaafd en uitgebouwd worden, en door de verankering van de schuldenrem in de grondwet is de verdere toepassing van het paardenmiddel gegarandeerd.

Zoiets moet de massa uiteraard verwerken. In de praktijk sowieso. Maar opdat het volk ook gewillig doet wat hem opgedragen wordt, moeten de harde ingrepen ook als intellectueel verwerkbaar voorgesteld worden om begrip en toestemming te wekken. Politiek en publieke opinie doen in ieder geval hun best om de burger te voorzien van de geestelijke oriëntatie die nodig is om het crisisbeleid te ondergaan.

“De maatregelen van de regering zijn alternatiefloos”

Dit is het eerste, in steen gebeitelde argument dat de regeringen het volk inprenten. De boodschap is duidelijk: tegen de achtergrond van rigide bezuinigingen moet niemand het in zijn hoofd halen om te pleiten voor het ontzien van of meer terughoudendheid tegenover gepensioneerden of sociaal zwakken. Want die is er niet, de alternatieve handelswijze die sommige organisaties of linkse politici her en der voorstellen. De regering beweert niet over het betere argument voor haar optreden te beschikken waar ze andere voorstellen als slecht onderbouwd mee verwerpt – ze ontkent simpelweg het bestaan van alternatieven. En daarmee is elk bezwaar argumentloos tot onmacht veroordeeld. De regering voert een objectieve noodzaak uit die geen andere keuze toelaat. Zo dient de mensheid het te beschouwen.

Ongetwijfeld een interessante mededeling voor de aangesproken volkeren: het herstel van dit soort economie die hen als onafwijsbaar levensmiddel wordt opgedrongen, is uitsluitend door een radicale verslechtering van hun levensomstandigheden te bewerkstelligen, en dit niet slechts tijdelijk, maar zo duurzaam als de bezuinigingsorgieën op AOW, gezondheid en andere sectoren gepland zijn. Niet met boze bedoelingen, maar omdat de wetmatigheden van onze economie zoiets vereisen. Serieus genomen is dit natuurlijk een vernietigend oordeel over dit economische systeem. Zo is het echter niet bedoeld; bedoeld is het als bewijs voor de noodzakelijkheid van harde ingrepen.

Daarbij heeft de met het argument objectieve noodzaak voorgeschreven verslechtering van de levensomstandigheden blijkbaar niets te maken met een fysiek tekort dat tijdelijk zou dwingen tot beperking van de leefwijze. De financiĂ«le crisis is diep – maar geen natuurramp heeft de oogsten vernietigd, geen hectare akker is verdwenen, fabriken en machines voor de productie van eetbare en nuttige dingen zijn er net zo rijkelijk als handen die zouden kunnen werken. Alle materiĂ«le voorwaarden voor een degelijke voorziening van de mensen zijn aanwezig. Maar omwille van geldopbrengsten, waar het gebruik van al deze factoren aan onderworpen is, wordt op de levensstandaard van de werkende mensheid bezuinigd opdat deze opbrengsten weer kunnen uitpakken naar tevredenheid van hun grote profiteurs. De financiĂ«le branche verliest met het oog op de opgehoopte staatsschulden haar vertrouwen in de staatspapieren en eist nieuwe bewijzen voor hun soliditeit voordat ze verdere leningen aan de staten verstrekt. Europa’s regeringen trekken alle registers open en doen het noodzakelijke. Ze verminderen hun schulden door uitgaven te verkleinen en inkomsten te vergroten; de dupe worden voornamelijk de brede massa’s in hun eigenschap als gepensioneerden, ziekenfondsverzekerden of consumenten omdat zo de tegelijkertijd noodzakelijke groei het minste schade ondervindt of zelfs bevorderd wordt. Want dit is het tweede strijdterrein: veel economische groei door uiterst goedkope arbeid, dat heeft de staat nodig om het vertrouwen van de financiĂ«le investeerders terug te winnen, en dat hebben de ondernemingen sowieso en altijd nodig. Het financiĂ«le kapitaal, de reĂ«le economie, de staat – drie instanties, een berekening: het verarmen van de massa’s is simpelweg noodzakelijk om alle balansen op orde te brengen, tijdens de crisis dringender dan ooit!

Het klopt inderdaad: in dit systeem is de slechte behandeling van de werkende mensheid alternatiefloos; maar dit systeem is niet alternatiefloos. De objectieve noodzaak waar men zich op beroept, is gemaakt; ze komt voort uit het regime van het geld dat de staat met zijn soevereine macht voor zijn soort economie bindend maakt. Het is dus alleen maar consequent als in talrijke euro-staten het sociale sloopwerk met politiegeweld wordt doorgedreven tegen het verzet van de bevolking. Want de objectieve noodzaak heeft dan toch niet de status van een natuurwet die vanuit zichzelf geldt, maar sorteert slechts in die mate effect als de staat met zijn dwang doordrukt.

“De euro moet per se gered worden”

Wat de regering doet is in ieder geval niet alleen alternatiefloos, maar het heeft ook een doel: de euro moet gered worden. Welke euro eigenlijk? is men geneigd te vragen. De euro op de salarisstrook van een arbeider in ploegendienst en de AOW-euro? Of de euro op de balansen van ondernemingen, banken en staatsbegrotingen? Het hoe van de redding geeft meer duidelijkheid over het wat. De politici willen de fameuze Europese geldeenheid namelijk redden door arbeiders en gepensioneerden zo veel mogelijk loon en pensioen weg te nemen, opdat de euro weer deugt voor de groei van ondernemingen, banken en een gezonde staatsbegroting.

Een logische aanpak. De euro is immers de maateenheid voor de algemene rijkdom die in een kapitalistisch land wordt voortgebracht; hij becijfert allerminst een gemeenschappelijke rijkdom. Dezelfde euro betekent dus voor de verschillende economische spelers iets zeer verschillendst. Voor een groep spelers is hij maat en materie van haar vermogen voor welks vermeerdering ze gebruik maakt van het werk van de andere groep die geen vermogen bezit en daarom steeds op zoek is naar een ondernemer die ze verrijken kan door haar werk. Voor deze groep is de euro een uiterst bescheiden en precair middel voor haar consumtie. Een klassenverschil dat zich uitdrukt in de vele nullen die het verschil maken tussen de geldsommen waar beide groepen over beschikken. Wat zijn een paar duizend euro loon vergeleken met de miljarden-voorschotten van kapitaalkrachtige investeerders! En vandaag verdiend is het loon morgen weer uitgegeven aan het levensnoodzakelijke, zodat de loonarbeiders zich opnieuw moeten inspannen voor de vermeerdering van andermans vermogen – althans als ze werk vinden. Dat is niets anders dan economische groei door uitbuiting, de normale gang van zaken in elke kapitalistische natie en in elk ander geld. Deze handelswijze hebben de euro-staten door hun monetaire unie van een bredere basis voorzien. Binnen een vergroot economisch gebied meer groei door steeds grotere kapitalistische ondernemingen met een gemeenschappelijk geld – dat is voordelig voor Europese global players in de wereldmarktconcurrentie, verschaft het bankkrediet een lonend strijdterrein en de staat veel stabiel geld dat concurreren kan met de dollar.

Dat de profiteurs van de euro-constructie deze per se willen redden, is begrijpelijk. Maar ze willen ook de slachtoffers ertoe verplichten. Ze bepleiten dus hun zaak, echter zonder dat die überhaupt ter sprake komt. Het succesverhaal van de euro dat in omloop wordt gebracht, luidt daarom iets anders: Wij allen hebben van de euro geprofiteerd! Niet alleen beursgoeroes en naamloze vennootschappen met hun miljardenomzet, ook automonteurs met hun schamel salaris moeten zich aangesproken voelen. De onbenullige reclame dat de valutaruil voor toeristen in Europa wegvalt, wordt voor de achtergrond van de existentiële bedreiging door de crisis inmiddels niet meer verspreid. In plaats daarvan worden de Duitse exportsuccessen opgehemeld die zonder euro en eurozone niet mogelijk zouden zijn en waarvan toch iedereen iets zou hebben. Dat de arbeider zo een absurde verwisseling wordt aangeraden, ligt voor de hand. De exportopbrengsten die hem blij moeten maken, becijferen helemaal niet zijn opbrengst, maar de opbrengst die deze ondernemingen uit hem hebben behaald. Een mooi bewijs daarvoor zijn de bezwaren uit de Europese partnerlanden (zoals Frankrijk) die lijden onder de Duitse lagelonensector en de goedkope exporten omdat hun nationale ondernemingen daardoor terrein verliezen en het werklozenleger groeit.

En opdat niemand bij het tellen van zijn verdiende centen en euro’ s begint te piekeren over de samenhang tussen de indrukwekkende exportcijfers en het loon van de arbeider, gebruikt de publieke propaganda meteen de valuta waar ze al lang de situatie van het werkvolk mee opsmukt. Deze valuta heet “werkgelegenheid” en staat ver boven de kleingeestige vraag wat deze gelegenheid eigenlijk oplevert aan valuta waarmee het levensnoodzakelijke moet worden betaald. Het middel van de arbeider, ĂĽberhaupt loon te mogen verdienen, wordt verklaard tot het hoogste doel; daarvoor moeten loonbestanddelen zonder meer worden opgeofferd – werkgelegenheid, dat is de hoofdzaak! In dit opzicht, en uitsluitend in dit opzicht mag (niet alleen) het Duitse werkvolk zich gelukkig prijzen met de eurozone. Zonder euro en export verdwijnen namelijk miljoenen banen. Strikt genomen worden ze weliswaar door de concernchefs vernietigd als die in andere landen betere afzetkansen of goedkopere arbeidskrachten bespeuren, maar hoe dan ook: het geprezen voordeel bestaat in het gunstigste geval uit een andersoortig nadeel. De afhankelijkheid van het proletariaat van het succes van zijn aanwenders is het gehele overtuigingsargument; het is identiek met de chantage het succes van ondernemingen in de eurozone verder te bevorderen door nagenoeg onbeperkte werkwilligheid en offerbereidheid inzake salaris en loon.

*

Dit fantastische systeem is door de crisis behoorlijk in wanorde geraakt. En ook daarover moet de werkende bevolking voorgelicht worden: hoe in de beste van alle mogelijke werelden zo’ n ontsporing kon gebeuren die niet weinige mensen met bestaansonzekerheid confronteert en waarvoor zij nu in elk opzicht moeten instaan…

Meer over de propaganda (zoals bijvoorbeeld het vervangen van kritiek door de uitgebreide zoektocht naar schuldigen) die de volkeren te horen krijgen om hun verarming te aanvaarden in: Gegenstandpunkt 4 – 2011

De bron van extreem-rechts terrorisme

vrijdag, november 18th, 2011
1

Volgens de berichtgeving in de media verkeert Duitsland sinds enkele dagen in rep en roer door het rechts-terrorisme. Naar verluidt is er sprake van “extreem-rechts terrorisme” als Duitse rechts-extremisten vanuit een ondergronds bestaan gedurende meer dan 10 jaar, bezield van fanatieke vreemdelingenhaat, allochtone winkeliers of kioskeigenaren koelbloedig doden en weer onderduiken, zonder middels achtergelaten pamfletten de verantwoordelijkheid op te eisen en extra toe te lichten dat in hun ogen elke aanwezige Turk of Griek er een te veel is. Vandaar dat er geen sprake kan zijn van terrorisme, met name van “bruine terreur”, als men in het kader van het democratisch gelegaliseerde vreemdelingenbeleid rond Europa een muur optrekt om de toestroom van ongewenste buitenlanders tegen te houden, waardoor jaarlijks honderden buitenlanders ellendig omkomen – ter land, maar vooral in het water van de Middellandse Zee. Ook kan er geen sprake zijn van extreem-rechts terrorisme wanneer mensen met een vreemde nationaliteit hier te lande op basis van de vreemdelingenwetgeving het leven zo zuur wordt gemaakt dat ze Ăłf vrijwillig terugkeren naar de regio’s waar ze voor hun leven moesten vrezen, Ăłf hier zelfmoord plegen. En ten slotte valt het niet onder extreem-rechts terrorisme als mensen die hier illegaal verblijven eerst in detentiecentra opgesloten worden en vervolgens in boeien per vliegtuig daarheen getransporteerd worden waar hun leven bedreigd was. Dergelijke gevallen zijn geen extreem-rechts terrorisme omdat deze rĂĽcksichtslos tegenover het welzijn van buitenlanders doorgevoerde maatregelen ten eerste niet van fanatieke vreemdelingenhaat getuigen, maar van politiek gecalculeerde xenofobie van democraten; omdat ze ten tweede wettelijk correct worden besloten; omdat ze ten derde niet vanuit de illegaliteit, maar bovengronds binnen de politiĂ«le legaliteit plaatsvinden en omdat ze ten vierde regelmatig toegelicht worden door “pamfletten” die de verantwoordelijkheid opeisen en in alle Duitse kranten staan: als informaties van de minister van Binnenlandse Zaken over nieuwe maatregelen ter bescherming van het vaderland tegen illegale vreemdelingen en als statistieken over de succesvolle doorvoering daarvan.

2

De publieke en politieke opwinding over de seriemoord van deze extreem-rechtse groep buigt zich dan ook voornamelijk over de vraag hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat dit al lang door de binnenlandse veiligheidsdienst van de deelstaat Thüringen geobserveerde terreur-trio voor zijn geplande arrestatie kon onderduiken en jarenlang onontdekt zijn zelfgekozen taak kon uitvoeren: op de vaderlandse bodem het aantal buitenlanders decimeren. Welke instantie heeft gefaald? Welke sporen heeft wie waarom over het hoofd gezien? Was de veiligheidsdienst misschien zelf betrokken?, kortom: hoezo konden extreem-rechtse wetsovertreders zo lang ontsnappen aan de anders toch onberispelijk functionerende executieve? Met dit afdwalen van het eigenlijke thema houden televisie en pers het publiek permanent bezig: hoe effectief is onze veiligheidsdienst? Is de recherche voldoende toegerust? Hoe zeer belemmert het federalisme het gezag bij zijn coöperatief en gecoördineerd optreden?
Wat daarentegen nauwelijks interessant wordt gevonden, is de vraag wat de oorzaak is voor de fanatieke vreemdelingenhaat van dit soort binnenlandse burgers, dat immers noch tot het oppakken, noch tot het opsluiten en uitwijzen van buitenlanders, laat staan tot het uitoefenen van geweld tegen hen bevoegd is. Daarom komen de protagonisten van het op gang gekomen publieke debat ook niet op het idee dat het hierbij wellicht gaat om goed opgevoede Duitsers die van hun regeringen geleerd hebben dat “das Boot voll ist” (de boot vol is), dat te veel buitenlanders “das deutsche Volk durchrassen” (het Duitse ras verontreinigen), die derhalve de leus “lieber Kinder statt Inder” (liever kinderen in plaats van IndiĂ«rs) onvoorwaardelijk onderschrijven en het zonder meer eens zijn met zulke vertegenwoordigers van democratische partijen die niet alleen de dubbele nationaliteit bedenkelijk vinden, maar elk integratiebeleid het liefst zouden verwerpen etc., dat dus deze goed opgevoede Duitsers vanuit hun nationalistische teleurstelling over de volgens hen ontoereikende bescherming van de Duitse volksaard tegen buitenlanders door de Duitse politiek wellicht het heft in eigen handen hebben genomen: het voorbeeld volgend van die Duitsers die ooit in Hoyerswerda, Mölln of Solingen onderkomens en woningen van buitenlanders in brand hebben gezet; anders dan de brandstichters was deze groep echter goed georganiseerd ondergronds actief, wel wetend dat privĂ©-personen allerminst gemachtigd zijn om buitenlanders te doden. Gerechtigd tot hun handelen, voelen ze zich in elk geval: namelijk als Duitsers die jarenlang het oordeel hebben vernomen dat buitenlanders hier eigenlijk niets te zoeken hebben en dat over elke uitzondering op de regel uitvoerig gedebatteerd moet worden voordat deze nauwkeurig wettelijk wordt vastgelegd. En daarom delen ze ook het standpunt van zo grote aantallen Duitse vaderlandsliefhebbers die de verdachtmaking van al het vreemde vertaald hebben naar een schuldvraag: schuld aan werkloosheid en verarming, aan drugscriminaliteit en “parallelmaatschappijen”, die in Duitsland wanorde, verwaarlozing en ontwrichting van het volk aanrichten, hebben ten eerste de buitenlanders, en ten tweede de Duitse politici met hun falend vreemdelingenbeleid.

3

Kritische democraten zoals Heribert Prantl (SĂĽddeutsche Zeitung) of Cem Ă–zedmir (BĂĽndnis 90/Die GrĂĽnen) komen meteen met een variant op deze ergerlijke afdwaling van het eigenlijke thema: de reden voor het falen van de opsporingsinstanties zien ze in het feit dat die “blind zijn aan het rechteroog”. Ze bepleiten het consequente optreden van het machtsapparaat tegen politiek ongewenste groeperingen – dit moet echter rechtvaardig gebeuren. Anarchisten zoals toen de RAF en andere linkse groepen, die zich aanmatigen iets te ondernemen tegen regering en staatsgezag, worden door de veiligheids- en politiediensten met beide ogen geobserveerd, mopperen Prantl en Ă–zedmir. Daar is naar hun mening niets mis mee, maar dan moet het extreem-rechtse spectrum wel net zo scherp in de gaten gehouden worden. De rechtvaardigheid van het optreden van het recht tegen linkse en rechtse afwijkingen van de democratische consensus is hun variant op het thema. En zonder schroom eisen ook zij een nieuwe poging om de rechtse Nationaal-Democratische Partij (NPD) te verbieden: “…als het daadwerkelijk zo is dat deze partij gewelddaden bevordert” (Prantl, SZ, 14.11.).
Of deze vereerder van de rechtvaardige gerechtigheid eigenlijk beseft dat hij met zijn roep naar een verbod van zulke politieke groeperingen, die niet met een diepe buiging voor de democratie ageren, een overheidsoptreden tegen politieke tegenstanders voorstelt dat aan de orde van de dag was in juist het  systeem waarvan de nieuwe aanhangers hem zo razend maken? En heeft hij ooit erover nagedacht hoeveel partijen moesten verboden worden als hij zijn eigen eis serieus zou nemen, namelijk het verbod van alle partijen die “gewelddaden bevorderen”? Maar vermoedelijk heeft hem alleen maar zijn juristenverstand in verwarring gebracht. Hij wilde zeggen dat uitsluitend die partijen dienen verboden te worden die onbevoegd gewelddaden bevorderen. Bevoegde gewelddaders zijn natuurlijk geen gewelddaders, maar verdedigers van de vrijheid van hier tot Afghanistan, beschermers van het vaderland tegen staatsvijanden, beveiligers van de (Europese) grenzen tegen ongewenste buitenlanders, handhavers van de openbare orde tegen alle fundamentele critici, behoeders van het kapitaalbezit, voorstanders van de rechtsorde, strijders tegen onrechtsstaten etc.
Zie: www. fhuisken. de

Wilders en andere democraten

zaterdag, oktober 15th, 2011

Europa’s “rechtspopulisten” hebben de wind mee; hun aanhang groeit. Ze ageren tegen een bepaalde, door buitenlanders “binnengesleepte” geloofsgemeenschap, de Islam. Ze zien een “voortschrijdende islamisering” van Nederland resp. Europa en waarschuwen zelfs voor een “islamitische verovering van onze samenlevingen”. In Nederland verwijten Wilders en andere “rechtspopulisten” de democratische partijen door integratiebeleid, islamconferentie’ s, het toestaan van de bouw van moskeeĂ«n…, kortom: door multiculturalisme de Nederlandse volkseenheid te beschadigen en de kernwaarden van het christelijke Avondland, het nationale bindmiddel, op het spel te zetten. Ze vergissen zich in meervoudig opzicht.

*

1.
De gemeenschap der Nederlanders, het Nederlandse volk, komt niet als waardengemeenschap tot stand, maar is een door de overheid dagelijks in praktijk gebrachte functionele abstractie van alle economische, politieke en sociale tegenstellingen die deze gemeenschap kenmerken. De inhoud daarvan luidt: iedereen die door het politieke machtwoord tot Nederlandse staatsburger wordt verklaard en bij het Nederlandse volk wordt gevoegd, heeft op zijn respectievelijke positie in de samenleving – als arbeider of fabriekseigenaar, als bijstandtrekker of miljonair, als soldaat of generaal, als student of professor, als “Henk en Ingrid” of lid van de elite – zijn voor de maatschappij nuttige functie te vervullen.
2.
Desalniettemin is de verheffing van het volk tot zedelijke eenheid, tot waardengemeenschap, niet overbodig, integendeel: door de democratische nationale opvoeding en vorming krijgen de burgers de leugen over de boven elke twijfel verheven topkwaliteit van hun vaderland ingeprent, waar men zich thuis kan voelen en waarvoor “wij” met z’n allen uiteindelijk samenwerken. Een uiterst dienstige ophemeling, juist als resp. omdat de meerderheid van hen niet bepaald makkelijk rondkomt in het beminnelijke vaderland.
3.
Dit tot zedelijke norm geworden nationalisme zorgt er tevens steevast voor dat het volk zich inleeft in de politieke mensensortering, waar de beleidsmakers telkens mee bepalen wie weer eens deel uitmaakt van de volkseenheid en wie daarvan wordt buitengesloten. In de loop van de geschiedenis hadden “de Nederlanders” vaker de gelegenheid om te wennen aan veranderde samenstellingen van het nationale “wij”.
4.
Sinds enige tijd voelen zich de democratische volkspartijen wederom geroepen om hun nationale volkseenheid nieuw te definiëren. Ze doen aan vreemdelingen, waaronder talrijke moslims, een inburgeringsaanbod. Niet alleen de nakomelingen van Nederlanders zijn Nederlands – een lot dat hen automatisch, zonder dat ze daarvoor hebben gekozen, te beurt valt; ook een buitenlander mag Nederlander worden, zelfs iemand zonder christelijk-avondlandse socialisatie: in de ogen van “rechtspopulisten” een schandaal en, in combinatie met veel te makkelijk toegekende verblijfsrechten, de eerste stap in richting ondergang van het Avondland.
5.
Daarbij stemmen deze “rechtspopulisten” met de toonaangevende democraten, die toch al hun inspiratiebron zijn, volledig overeen wat de aangelegde nationale maatstaf betreft. Ook Rutte, Leers en hun voorgangers willen niets anders dan een halt toeroepen aan de dreigende ontwrichting van de volkseenheid, hetgeen ze vooral opmaken uit het oprichten van (vaak verpauperde) “islamitische parallelmaatschappijen”. Ook zij beogen de volkseenheid als intacte gemeenschap van zedelijk sterke, in de geest van het hoogste wereldlijke gezag – de kernwaarde heet hier Nederland resp. grondwet – opgevoede staatsburgers te handhaven. Ook zij verdenken in eerste instantie zeer principieel elke buitenlander van “deloyaliteit” tegenover de overheid, juist omdat hij buitenlander is. En ook zij zien in de islamitische geloofsgemeenschap een concurrentie op het gebied van zedelijkheid, wellicht de voedingsbodem voor fundamentalisme en terrorisme.
6.
Uitsluitend over het teweegbrengen van een zedelijke volksgemeenschap onderscheiden zich de meer realistische beroepsnationalisten uit het (gedoog-) kabinet van hun fanatieke beroepscollega’s uit het uiterst rechtse spectrum, de zogenoemde “rechtspopulisten”. De traditionele democraten weten immers dat ze het grote aantal buitenlanders met “on-Nederlandse zeden en geloofsbelijdenis”, dat sinds geruime tijd hier te lande leeft en merendeels zoals gewenst functioneert, niet zomaar kunnen uitwijzen. Ze beseffen dat de radicale oplossing, die “rechtspopulisten” openlijk en zij als “ware” democraten slechts stiekem prefereren, onafzienbare nationale en vooral internationale gevolgen voor het Nederlandse staatswezen zou hebben. Zo hebben ze na enkele decennia ingezien dat ze de “vreemdelingen” moeten accepteren; en uit dit besluit en zijn wreed alternatief blijkt een xenofobische logica die nauwelijks verschilt met de propaganda van “rechtspopulisten”: Ăłf de allochtonen bewijzen in de praktijk hun integratiewil, worden met huid en haar Nederlanders die met al hun denken en doen achter het Nederlandse staatsgezag staan – Ăłf ze hebben hier niets te zoeken. En tegenover de moslims onder hen luidt de integratie-eis mutatis mutandis: Ăłf ze beschouwen Nederland en hun lot als door God resp. door de profeet gewild, Ăłf…
7.
Het is deze van de moslims geëiste integratiewil – aan te tonen door taal, voldoende inkomen, gehoorzaamheid aan de wet, opgeven van het oorspronkelijke staatsburgerschap, moraal en weetjes over de Nederlandse politiek, cultuur en geschiedenis – die Wilders en zijn “rechtspopulisten” zeer fundamenteel en met gebruikmaking van alle bekende varianten van racisme betwijfelen. Ze zijn fanatici van de verdenking tegen het “vreemde” (waar trouwens elke vreemdelingenwetgeving op berust) en verwijten de regerende politici het “gevaar van het Islamisme” te bagatelliseren. Daarbij stappen de heersende democraten met hun integratiebeleid geenszins af van hun principieel voorbehoud tegen islamitische buitenlanders. Integendeel: ten eerste behouden ze zich het definitieve oordeel erover voor of de alomvattend getoetste immigranten daadwerkelijk de gewenste mate van Nederlands patriottisme opbrengen, waarvan ze het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit afhankelijk maken; en ten tweede zijn de immigranten dan niet simpelweg Nederlanders, maar ze blijven nog generatie lang Nederlanders met een “migratieachtergrond”. Men kan immers nooit weten, weet de democraat, wie zich in geval van oorlog zal ontpoppen als vijfde colonne van de vijand.
8.
Het wantrouwen en de verdenking die tegenover de moslims na 9/11 werden verscherpt, zijn de basis voor een passende aanvulling op de integratiepolitiek. Dezelfde mensen wier integratiewil in theorie en praktijk wordt getoetst, zijn namelijk tegelijkertijd het onderwerp van veiligheidsmaatregelen die deel uitmaken van het binnenlandse anti-terreurbeleid. De vermeend menslievende integratiepolitiek (“bestrijding van achterlijkheid”) is kennelijk een hoofdstuk van de nationale anti-terreurpolitiek: goede Nederlandse moslims, daarop bouwen Rutte, Opstelten, Leers en co. in tegenstelling tot Wilders en co., zijn geen volgelingen van een door Mohammed bezield terreurnetwerk; want ze zijn geheel vrijwillig gehoorzaam aan het hoogste gezag in de kleuren rood-wit-blauw.

*

Wie de Nederlandse democratie, de civiele maatschappij of zelfs de Europese Unie beschermen wil tegen “rechtspopulisten” gaat ten eerste voorbij aan de slechte behandeling waar de buitenlanders hier normaliter aan onderworpen zijn, en heeft ten tweede niet begrepen dat de rechtsradicale scene het fanatieke “bijproduct” is van de democratische vreemdelingenpolitiek in tijden van toenemende volksverarming in de metropolen en globaal gevoerde westerse anti-terreuroorlogen. Wie de stemmenwinst van rechtsradicale partijen als gevaar beschouwt, zou zich moeten afvragen welke politieke agenda’s eigenlijk die kiezers goedkeuren die steeds opnieuw op de “gewone” democratische volkspartijen stemmen. En wie ten slotte de oorzaak voor het groeiende “rechtspopulisme” daarin ziet dat de burgers ontevreden en verbitterd zijn over de “sociale bezuinigingen” in Europa, daaruit echter uitsluitend en uitgerekend een bedreiging van de eenheid tussen volk en staat afleidt (“Populisme is het resultaat van een gestoorde communicatie tussen elite en volk…¨: verschillende commentatoren) en dan de conclusie trekt dat de regerende democraten een betere verstandhouding met het volk moesten opbouwen (door “minder abrupte sociale veranderingen, het verkleinen van de kloof tussen winnaars en verliezers van de modernisering…”), die openbaart dat hij een voorstander is van juist het loyale staatsvolk en van juist die volkseenheid die de “rechtspopulisten” door de uitsluiting van moslims en de regerende politici door een mengeling van integratiebeleid, dreiging met uitzetting en veiligheidsmaatregelen willen creĂ«ren. Bovendien zijn er nog linkse groepen die hetzelfde ideaal met soortgelijke middelen willen bereiken, bijvoorbeeld door iets minder harde ingrepen in de sociale zekerheid, door het verzinnen van perspectieven (voor degenen die momenteel elk perspectief kwijtraken als gevolg van het regeringsbeleid), door meer kansen voor kansarme allochtonen of door compensaties voor de verliezers (die juist door hun opgelegde verliezen voor de winst van de winnaars zorgen)…; een armoedig bestaan – maar dan zonder “rechtspopulisten”, een verleidelijk perspectief.
Zie ook: De buitenlander en het probleem dat hij vormt

Redders en ridders van het Avondland

dinsdag, september 27th, 2011

Door bij de Noorse regionale verkiezingen de rechtse partijen een gevoelige nederlaag toe te brengen, hebben de Noren de daad van hun landgenoot Anders Breivik vooreerst verwerkt: als singuliere daad van zinloze wreedheid en boosaardigheid. Daarbij heeft Breivik, die voor de massamoord een eerder onopvallende burger was, de redenen voor zijn daad in een dik manifest via het internet uitvoerig toegelicht. Hij doet veel moeite om zijn bloedbad als consequente conclusie uit zijn politieke bedoeling voor te stellen. Hij wil niets minder bereiken dan het christelijke Avondland te redden voor de Islam, die zich als hoofdvijand zou hebben genesteld in de Europese samenlevingen. De publieke opinie heeft nota genomen van zijn politieke stellingen, en sommige commentatoren is zelfs opgevallen dat die niet bijster opzienbarend zijn en gedeeltelijk zelfs ‘midden in de samenleving’ circuleren. Hiermee is de kous af: men neemt de ‘onbegrijpelijke daad’ ter kennis en verdiept zich niet verder in het denken van Breivik – hij wordt immers beschouwd als doorgedraaide gek die uiteindelijk bezeten is door ‘het kwaad’.

Wat zijn “waanwereld” betreft: het is overduidelijk dat Breivik aanknoopt bij een uiterst moderne traditie: sinds de aanslag op het World Trade Center in New York door terroristen uit de Arabische regio voeren de VS en hun bondgenoten een wereldwijde oorlog tegen elke vorm van anti-Amerikaans geweld en tegen alle gebieden die verklaard worden tot broednesten van terreur. De nog steeds actuele oorlogsgebieden zijn Irak en Afghanistan. De lessen en inzichten die de westerse statenwereld met het begin van haar anti-terreur-oorlog in omloop heeft gebracht, vond Breivik blijkbaar zeer overtuigend – als men hem al misleid wil noemen, dan in die zin dat hij zich daarvan liet leiden. Het is de rechtvaardigingsleer, waarmee de westerse staten hun oorlog tegen het terreur opsmukken, waar hij zich met hart en ziel aan wijdt. De VS en hun bondgenoten hebben hun oorlog namelijk niet gerechtvaardigd met hun wereldmachtbelangen die ze bedreigd zien door een fanatiek-religeuze opstand, maar met hun heilige taak (over waanzin gesproken) de hoogste waarden van het christelijke Avondland te moeten beschermen tegen de vermeend middeleeuwse Mohammedaanse religie, omdat die dogmatisch zou zijn en de kiem van geweld in zich zou dragen. Over deze zienswijze waren ze het allemaal eens, de pers, de partij- en staatsleiders alsook paus Benedictus. De terreurgroepen die zich op de profeet Mohammed beroepen, willen niet achterblijven en verheffen hun strijd tegen de westerse suprematie tot een ‘heilige oorlog’ die de Islam zou moeten voeren tegen de ‘kruisvaarders’ uit het Avondland.

Al deze voorstellingen zijn onzakelijk want ze verwisselen oorlogsreden en oorlogsredenering. Het is een echte grap wanneer westerse regeringsleiders hun oorlog legitimeren met de vermaning aan het adres van hun tegenstanders dat geweld geen middel van de politieke strijd zou mogen zijn. Dergelijke staatslieden hebben immers niets tegen geweld, maar uitsluitend tegen het geweld van de anderen.

Het resultaat uit de rechtvaardiging van de oorlog door de christelijke traditie van het Avondland is opmerkelijk. Het nationale belang wordt zo als dienst aan supranationale universele menselijke waarden voorgesteld en daarmee onaanvechtbaar: zo’n onzelfzuchtig mensheidsideaal van het christelijke Avondland en zijn gewapende arm, de NAVO, kan alleen iemand bestrijden die zelf inhumaan is, dus ‘het kwaad’ belichaamt. De metamorfose is daarmee compleet: een oorlog van politieke mogendheden wordt veredeld tot een cultuurstrijd tussen Avondland en Morgenland.

Dit leugenachtige rechtvaardigingsargument vond de Noorse patriot kennelijk zo plausibel dat hij het verschil niet zag tussen de reden en de redenering voor de oorlog: hij beschouwt de ideologie over de oorlog als de inhoud daarvan. Hij gelooft wat men hem wijsmaakt, namelijk dat een cultuurstrijd woedt tussen het moderne christelijke Avondland en het premoderne Morgenland. En wel een cultuurstrijd van apocalyptische dimensies: er zou niet minder op het spel staan dan het bestaan van het Avondland ĂĽberhaupt, Noorwegen inbegrepen. (Trouwens: de commentatoren die de spot drijven met Breivik’s bewondering voor de tempelridders en zijn waarschuwing voor de Saracenen kunnen misschien beter eens terugdenken aan hun geschiednisles; toen kregen ze ingepeperd dat het ‘Avondland’ 732 tussen Tours en Poitiers en 1529 en 1683 voor de poorten van Wenen gelukkig werd gered voor de aanval van de wilde hordes uit het ‘Morgenland’…)

Breivik is zo’n fanatieke Noor dat hij ontzet is over de toestand in zijn vaderland. Daar hij zich laat leiden door de rechtvaardigingsleer van de anti-terreur-oorlog ziet hij de vijand al midden in het eigen land: de volgelingen van Allah blijven zich uitbreiden en zullen, als men hen geen halt toeroept, geleidelijk de macht overnemen. Sterker nog: ze breiden zich uit met uitdrukkelijke toestemming van de nationale overheid. Ongeveer 20 miljoen islamgelovigen wonen in de staten van de EU omdat ze als arbeidskrachten bruikbaar zijn of als politieke vluchtelingen gehuisvest worden. Zoiets is voor sommigen, Breivik in de voorste gelederen, een ondraaglijke tegenstrijdigheid. Het stelt hen niet gerust, maar spoort hen juist aan dat de opnamelanden deze andersgelovigen principieel ervan verdenken een vijandelijke gezindheid mee te brengen – wellicht zelfs in de bijzonder boosaardige gedaante van ‘slapers’ die als brave burgers vermomd de volgende terreuraanslag beramen – en hen alomvattend controleren en observeren. De verdachten moeten actief bewijzen – genoodzaakt door de ‘integratiepolitiek’ – dat ze ‘bij ons passen’ en niets zullen ondernemen dat in strijd is met ‘onze waarden’. Niettemin staan ze voortdurend onder verdenking ‘heel anders’ te zijn en nooit helemaal bij ‘ons’ te horen. De middels de ideologie van de ‘cultuurstrijd’ verkondigde fundamentele vijandschap wordt door de integratiepolitiek van overheidswege natuurlijk gerelativeerd. Deze relativering is voor staten echter niet moeilijk omdat ze immers de allerlaatsten zijn die daadwerkelijk geloven in hun rechtvaardigingsleer: met de apocalyptische leus van de ‘cultuurstrijd’ wordt de anti-imperialistische islamitische terreur bedoeld, maar niet de gehele Arabische resp. islamitische statenwereld. Goede bondgenoten als Saoedie-ArabiĂ« en andere worden niet alleen daarom al tot vijanden verklaard omdat daar islamitisch wordt geloofd en geregeerd. En als de koran-gelovigen hun religie als privĂ©-zaak zonder politieke ambities uitoefenen en daarnaast hun plichten als arbeidskrachten en burgers nakomen, mogen ze doen wat ze moeten, namelijk voor hun opnameland nuttig zijn – waar hun verblijfsrecht sowieso op berust. De politiek in de Europese staten maakt een verschil tussen de volgelingen van Allah, scheidt hen in ‘goede’ die moslims heten en in ‘kwade’ die als ‘islamisten’ vervloekt worden, omdat hun geloof gepaard gaat met politieke kritiek en vijandige instelling.

Zulke inconsequentie kan Breivik niet begrijpen. Als de Islam de verkeerde religie is die het Avondland wil onderwerpen en zijn christelijke identiteit wil verbieden, hoe kunnen de aanhangers daarvan opgedeeld worden in ‘goede’ en ‘kwade’? Hij vindt het voor de hand liggen dat het beroepen op de hoogste waarden samengaat met het absolute recht en de plicht om het nodige geweld aan te wenden tegen de onverteerbare vreemde cultuur. Wat de geldigheid en onbetwistbaarheid van deze waarden betreft weet hij zich zowel door de meerderheid van de samenleving alsook door de staat gesteund. Maar als dat zo is, waarom weigert de natie de ‘per se noodzakelijke’ oorlog te voeren? Waarom laat ze zich alleen al door de aanwezigheid van de vijand ‘ondermijnen’? Dat ligt volgens Breivik aan de miserabele toestand van de natie, aan ‘multicultuur’, ‘feminisme’ en ‘cultuurmarxisme’, zoals zijn vijandbeelden heten. En daaraan debet is de politieke leiding, de sociaaldemocratie incluis haar jonge aanhang, die dat alles niet slechts toestaat maar bevordert. Voor Breivik is dit een doelbewuste ondermijning van de weerbaarheid, opzettelijk erop gericht de vaderlanden uit te leveren aan de vijand – en zo’n landverraad moet worden gestraft.

Met zijn massamoord voltrekt hij wat hij opmaakt uit de boodschappen van zijn nationalistisch gezinde leermeesters. Daarmee onderscheidt hij zich natuurlijk van zijn normale nationalistische medeburgers. Die delen weliswaar zonder meer Breivik’s mening resp. ‘waanbeeld’ dat het vaderland voortdurend bedreigd wordt door buitenlandse krachten en culturen, maar het heft in eigen handen te nemen, is de meerderheid uiteraard niet van plan. Dat is de taak van de politiek; en als men daarover ontevreden is, wordt er gemekkerd en soms ook op een rechts-populistische partij gestemd, die het nationalistische ongenoegen uitdrukkelijk in haar programma schrijft. Voor de rest heeft men het druk met zijn dagelijkse zorgen. Dat is juist het materialisme en de onverschilligheid die volgens de visie van Breivik zijn vaderland te gronde richten. Als niemand anders het doet, moet hij de ignoranten wakker schudden om het Avondland te redden.

Zie ook: Gegenstandpunkt 3 – 11

Illusies over crisis, democratie, markteconomie

donderdag, september 22nd, 2011

In Spanje, Griekenland, Frankrijk en elders komen grote mensenmassa’s bijeen, waaronder merendeels jongeren, en protesteren. Ze tonen zich diep teleurgesteld, noemen zich grensoverschrijdend “de verontwaardigden” en hebben één ding gemeen: ze kunnen niet begrijpen en accepteren hoe hun staten met hen omspringen; op hun spandoeken staat de leus: Wij zijn geen vijanden van het systeem – het systeem is vijandig tegenover ons.

Dat klopt ongetwijfeld. Het “systeem” is vijandig tegenover hen. Een aanval op hun levensomstandigheden heeft plaatsgevonden en gaat maar door. Hun bestaan, dat toch al moeilijk genoeg was, wordt niet alleen moeilijker maar op steeds grotere schaal onmogelijk gemaakt. Steeds meer mensen, en vooral de vaak aangehaalde “goed opgeleide jongeren”, worden blijvend werkloos gemaakt, de staten bezuinigen meedogenloos op sociale uitkeringen etc. Het “systeem” ontneemt hen het perspectief waaraan ze gewend waren. Daar stellen ze tegenover dat ze toch niets onredelijks eisen als ze hun gewend bestaan willen voortzetten, en dat ze toch heel gewone mensen zijn die helemaal niet kunnen navoltrekken waarom ze zo rĂĽcksichtslos worden behandeld: “Wij zijn normale mensen. Wij zijn als jij: mensen die elke ochtend opstaan om een studie te volgen of een baan te vinden, mensen met gezinnen en vrienden, mensen die elke dag hard werken.” (Manifest van de Spaanse demonstranten}

Hierbij stelt zich de vraag: hoe komen de demonstranten er op dat ze door hun normaliteit aan te voeren over een soort recht beschikken, een billijke eis dat hun overheid dient rekening te houden met hen? En omgekeerd: begaat de overheid een vergrijp als ze de normaliteit nieuw definieert? Want juist dat gebeurt, en dat willen “de verontwaardigden” niet begrijpen.

Ze zeggen dat ze er aan gewend zijn om hard te werken. Ze zeggen ook dat ze er aan gewend zijn om met bescheiden wensen door het leven te gaan – en tonen deze houding als het ware als kwaliteitskenmerk wanneer ze betuigen: wij eisen toch niets bijzonders, alleen maar ons normaal vertrouwd bestaan. Ze verklaren dus hun bereidwilligheid in dit systeem als klein raadje – verder –  mee  te draaien. Daarbij hebben ze datgene waar ze hun diensten willen verrichten niet uitgekozen, laat staan zelf bedacht. Veeleer werd deze normaliteit opgericht en kant en klaar voorgeschoteld, namelijk door hun overheid. Die heeft met haar wetten tot in het kleinste detail geregeld hoe deze normaliteit eruit moet zien resp. hoe men zich daarin te bewegen en te bewijzen heeft. Zij heeft bepaald hoe men zijn levensonderhoud mag verdienen en hoe men ook zonder inkomen moet zien rond te komen, hoe men een gezin sticht en organiseert, wanneer men met pensioen gaat etc. Kortom: binnen de normaliteit waar “de verontwaardigden” naar terugverlangen, waren ze niets anders dan afhankelijke variabelen van de staat. Als ze  zeggen: “Wij hadden een kans, die men ons nu ontneemt”, dan was dat een kans die de staat heeft gecreëerd – niet om de mensen hun normaliteit te gunnen, maar volgens zijn berekeningen en uit eigenbaat. Daaraan is helemaal niets veranderd – uit het tegenwoordige handelen van de staat dat “de verontwaardigden” ondervinden en verafschuwen, blijkt maar één ding: op basis van de bestaande regelgeving nemen de verantwoordelijke politici wetten aan die de nieuwe normaliteit creëren, diegene die voor de staat noodzakelijk is – en als hij de levensnoodzakelijkheden van de mensen beschadigt dan drijft de staat zodoende zijn noodzakelijkheden door. Het is nu eenmaal geen ingebakken eigenschap van het “systeem” zich te laten leiden door de levensnood-zakelijkheden van de onderdanen; integendeel: hun levensomstandigheden worden opgelegd en zij moeten zich laten leiden door datgene wat dit “systeem” voor zich noodzakelijk acht. Het maakt duidelijk hoe de berekeningen van de “gewone mensen” zich verhouden tot de berekeningen die in dit “systeem” gelden. Wat dit “systeem” momenteel per se nodig vindt, is trouwens geen geheim, het wordt zelfs onverholen gezegd: deze samenleving, de moderne markteconomie, berust op en leeft van het functioneren van het kredietsysteem – en als de “redding” daarvan op de eerste plaats komt, is er niet alleen iets belangrijker dan de normaliteit van gisteren, waar “de verontwaardigden” heimwee naar hebben, maar dan is deze normaliteit met de beoogde redding van het kredietsysteem kennelijk onverenigbaar. Zoals de Griekse minister van Financiën zei: “Onze maatregelen zijn hard en onrechtvaardig, maar er is geen andere weg.”

“De verontwaardigden” zeggen: Het systeem is vijandig tegenover ons. Ze constateren dus dat het systeem met zijn maatregelen generlei rekening houdt met hun levensomstandigheden. Zeer duidelijk zeggen ze echter ook dat ze niet van plan zijn tegenmaatregelen te nemen: Wij zijn geen vijanden van het systeem. Het “systeem” voert strijd tegen hen, maar zij willen geen strijd voeren tegen het “systeem”. Met deze tegenstrijdigheid gaan ze zo om dat ze voortdurend maar bezweren: zien jullie niet wat jullie ons aandoen, dat kan toch niemand willen, dat hebben wij toch niet verdiend! Het gehele protest is doordrongen van hardnekkig onbegrip en kinderachtig idealisme, het is gejammer in de vorm van bezwaar, samengevat in de uitroep: dat kan toch niet waar zijn!

Het is echter waar, en “de verontwaardigden” zoeken naar verklaringen voor het eigenlijk onbegrijpelijke. Op de verklaring dat het “systeem” nu net als vroeger volgens zijn noodzakelijkheden handelt en dat “de verontwaardigden” nu net als vroeger het materiaal daarvoor zijn, komen ze niet of – wij zijn geen vijanden van het systeem – willen ze niet komen. Het eigenlijk onbegrijpelijke kunnen ze alleen zo verklaren dat er een grove afwijking, een vergrijp plaatsvindt, namelijk van het “systeem” tegen zichzelf. Als het “systeem” dat toch een normaal bestaan mogelijk maakte dit nu opeens onmogelijk maakt, dan kan dat volgens hun mening alleen daaraan liggen dat een boze wil ageert en zich doorgezet heeft – in plaats van de reden voor het handelen van het “systeem” te zoeken, zoeken ze dus schuldigen binnen het “systeem”. Dat kunnen natuurlijk niet de gewone mensen zoals jij en ik zijn, maar uitsluitend de “machtigen”: die zijn onverantwoordelijk bezig en verzaken hun eigenlijke taak: het behoud van de “normaliteit”; en ze doen dit omdat ze slechts op hun eigen voordeel uit zijn en het ware, het schone en het goede voor zilverlingen verraden en verkopen. Kortom: het “systeem” handelt niet op basis van zijn eigen wetgeving, maar het is ontaard in een schending van het recht – corruptie, waarheen men ook kijkt. In de woorden van een manifest: “Wij zijn bezorgd en woedend ten aanzien van het politieke, economische en maatschappelijke perspectief: de corruptie onder politici, zakenlieden en bankiers maakt ons hulpe- alsook sprakeloos. En deze situatie is inmiddels normaliteit – dagelijks leed zonder hoop.” (Manifest DRY)

Het is ten eerste een raadsel waarom dezelfde politici, zakenlieden en bankiers die voor de oude vermeend uithoudbare normaliteit verantwoordelijk waren en deze garandeerden zo plotseling een criminele loopbaan hebben gekozen. Het is ten tweede een fout het vertrouwen in deze figuren, de Zapateros en de Papandreous, op te zeggen, zelfs als het heel radicaal klinkt: Jullie moeten allen opkrassen! Zo’n afkeuring richt zich immers niet tegen de legitieme machtsbevoegdheden krachtens hun ambt, maar uitsluitend tegen de personen. Kan daaruit iets anders resulteren dan andere personen die dezelfde ambten bekleden? Vandaar dat, ten derde, de opwinding over corruptie belachelijk is – want wat zijn persoonlijke zelfverrijkingen vergeleken met de macht die personen volgens alle regels van de democratie tegen anderen kunnen uitoefenen! Maar dat alles interesseert “de verontwaardigden” niet – als ze maar hun schuldigen ontdekken en verder in het eigenlijk goede “systeem” kunnen geloven. De schuldigen nu met alle macht en middelen te bestrijden, zijn ze echter ook niet van plan; veeleer willen ze bij de “machtigen” indruk maken door aanklagend hun “hulpe- en sprakeloosheid” te laten zien. Waarom menen ze daarmee gehoor te vinden bij de “machtigen”? Is het zo dat ze zich helemaal niets anders kunnen voorstellen dan dat hun levensomstandigheden verder door politici, zakenlieden en bankiers worden bepaald, dat ze verder hun voorwaarden en voorschriften moeten nakomen? “Dagelijks leed zonder hoop” zeggen ze pathetisch – ze willen dus weer kunnen hopen. Zijzelf zijn “hulpe- en sprakeloos” en kunnen alleen maar hopen dat de “machtigen” weer tot bezinning komen, want uitsluitend die kunnen hen weer een betere normaliteit verschaffen. Een merkwaardig protest!

Zie ook: Gegenstandpunkt 3 – 11

Mooie nieuwe wereldorde

dinsdag, september 20th, 2011

Irak, Afghanistan, Libië… –

De onstilbare behoefte aan geweld in de statenwereld

en de verdere ontwikkeling van het volkerenrecht

Civiel kan men de toestanden in de wereld niet noemen. Door de VS en hun uiteenlopend samengestelde allianties wordt er altijd ergens met oorlog gedreigd of oorlog gevoerd, terwijl elders potentiële of voormalige oorlogspartijen door internationale troepenmachten worden gescheiden en puinlandschappen, resulterend uit oorlogen, als “failed states” voortbestaan.

Dat betekent echter niet dat het er ongeciviliseerd aan toegaat, want het recht – van de volkeren of zelfs van “de mens” – is steeds aanwezend waar staten militair optreden: onverschillig of het daarbij gaat om “terrorisme”, “illegaal bezit van massavernietigingswapens” of om het niet nakomen van de “beschermingsplicht” van een regering ten aanzien van haar volk: juist de oorlogen van “het vrije Westen” tegen Afghanistan, Irak, Libië…pretenderen zonder meer maatregelen te zijn om het internationaal geldige recht te herstellen.

De goede reputatie van het volkerenrecht, namelijk dat het respect voor de soevereiniteit van staten het tussenstatelijke geweld zou beperken tot het noodzakelijke minimum van uitzonderingen, hoort tot het verleden. Nu wordt er gewaarschuwd dat het beginsel van soevereiniteit en niet-inmenging voornamelijk terreur-clanchefs en nucleaire en andere schurkenstaten zou beschermen. En dat is uit den boze: vooral binnen het westerse waarden-blok concludeert elke competente staatsman, en de publieke opinie sowieso, uit de principes van het volkerenrecht het recht en de plicht om de grotendeels onbetrouwbare rest van de statenwereld op de vingers te kijken en eventueel te tikken. Met leuzen als “onze vrijheid wordt ook in Afghanistan verdedigd”, met verwijzing naar gevaarlijke wapens in verkeerde handen, met waarschuwingen voor “failed states” die buiten controle zouden kunnen geraken of voor terroristische misdadigers, die zich nergens mogen veilig voelen, wordt de tamelijk vergaande interventiebehoefte van de westerse alliantie onder leiding van de VS gemotiveerd en tevens gerechtvaardigd. Ze beroepen zich daarbij in toenemende mate op het helemaal niet buiten werking gestelde, maar in die zin behoorlijk gemoderniseerde en modern geïnterpreteerde volkerenrecht, dat interventies soms veroorlooft, soms noodzakelijk maakt. Dit gelijkstellen van de hoogste permissie resp. plicht om oorlog te voeren met de reden daarvoor gaat echter voorbij aan de werkelijke samenhang tussen geweld en recht namens de volkeren. Aanwijzingen zijn er rijkelijk.

Het begint ten eerste ermee dat het besluit om militair op te treden altijd al vaststaat voordat de tot oorlog bereide naties proberen het navenante “robuuste mandaat” van de bevoegde instanties te krijgen – anders zouden ze ook helemaal niet weten wat voor’n soort mandaat ze nodig hebben en willen. Ten tweede bestaan de diverse inzake volkerenrecht verantwoordelijke instanties met aan de top de VN-veiligheidsraad uit niemand anders dan de staten zelf die dan het recht toekennen dat ze moeten naleven. Ten derde blijkt hieruit een sortering van de statenwereld die vragen opwerpt: tegenover de geprivilegieerde minderheid met vetorecht in de veiligheidsraad die het volkerenrecht vorm geeft, staat een meerderheid van staten die dit vooral moet accepteren en zich moet onderwerpen aan de controle door de potente mogendheden. Een verschil dat nagenoeg volledig congrueert met het enorme verschil in economische en militaire machtsmiddelen waar de leden van de volkerenfamilie over beschikken, en waarvan het redeneren met het volkeren- en mensenrecht kennelijk volkomen abstraheert. Ten vierde wordt bij elke van deze affaires duidelijk dat ook een rechtsconform genomen besluit van de “volkerengemeenschap” geenszins objectief dwz. gescheiden van de politieke standpunten van de staten nauwkeurig vaststelt waartoe de respectievelijke volgens het volkerenrecht bindende VN-resolutie de staten op die ze gemunt is eigenlijk verplicht: of bijvoorbeeld de in Libië gegeven opdracht “de civiele bevolking te beschermen” de jacht op de boosdoener Gaddafi uitsluit, toestaat of zelfs gebiedt, is een blijvend controversiële, namelijk concurrentiekwestie tussen de staten die zich geroepen voelen over deze militaire aangelegenheid mede te beslissen.

Het praktische standpunt van tot oorlog bereide politici dat dankzij het geschreven – en soms ook ongeschreven – hogere recht inzake militair geweld toch alles zonneklaar en legitiem zou zijn, kan men dus beter niet theoretisch navoltrekken. Maar in plaats daarvan liever aandacht besteden aan de vraag wat de democratische markteconomie van juist de succesvolste economische en militaire mogendheden onder leiding van de VS ermee te maken heeft dat hun behoefte aan militair optreden evenmin uitsterft als hun behoefte aan een volkerenrecht dat algemeen verbindend regelt wie welk geweld mag gebruiken en wie niet. De verdere ontwikkeling van hun concurrentie om macht alsook van hun volkerenrecht kenmerkt de nieuwe wereldorde, dus het hedendaagse imperialisme. Meer daarover in: Het financierskapitaal IV

Imperialistische geldzorgen

dinsdag, augustus 23rd, 2011

Sinds maanden wordt de agenda van de wereldpolitiek weer bepaald door de globale financiële crisis. Pers en televisie houden de burgers dagelijks op de hoogte van het doen en laten van degenen die financiële markten heten en hun zaken doen met speculaties op financiële titels. Men komt te weten dat er gespeculeerd wordt tegen de staatsobligaties van Europese staten en dat staten beurtelings naar de rand van het faillissement worden gedreven; men wordt vertrouwd gemaakt met de activiteiten van ratingbureaus die de schuldtitels van de VS verlagen en zo paniekachtige reacties op de beurzen veroorzaken. En men wordt bekend gemaakt met de inspanningen van regeringen die proberen de negatieve uitwerkingen van dit doen en laten op de staatsfinanciën en het geld van de naties onder de knie te krijgen.

Bij elke reddingsactie waarmee de regeringen de markten willen kalmeren en het kredietsysteem overeind houden, komt de bange vraag op: zijn ze succesvol? Achteraf mag er dan weer gesomberd worden dat de maatregelen wellicht weer tekortschieten… Zo worden de burgers, die noch op de beurs speculeren noch een regeringsfunctie uitoefenen, bij deze zorgen betrokken als waren het hun eigen. Volkomen vanzelfsprekend gaat iedereen ervan uit dat “de gewone man” getroffen wordt door alles wat beurzen en regeringen uitvoeren. Dat het geld dat hij verdient en waarmee hij moet rondkomen eveneens beschadigd wordt als de zaken van het financiële kapitaal slecht gaan, staat voor iedereen vast als een natuurgebeuren. Waarom dat zo is, komt men weliswaar nauwelijks te weten, maar de boodschap wordt toch ontvangen: dat men als “gewone man” eigenlijk alleen maar afwachten kan en zijn hoop erop moet vestigen dat de werkelijke bazen over het geld hun metier beheersen.

De zorgen van normale burgers of de overheid haar best doet om “onze euro” te redden, zijn behoorlijk verkeerd. Ze zien namelijk bewust over het hoofd wat dit “best” eigenlijk is dat de regeringen doen om de financiële crisis te bedwingen:

– Wat is er aan de hand als Europese politici bijeenkomen om een noodfonds voor de euro te construeren en daarbij per se een bijdrage van de grote financiĂ«le instellingen verwachten – en wel vrijwillig? Blijkbaar hechten de politieke leiders er grote waarde aan dat hun maatregelen ter crisisoplossing juist die banken gunstig stemmen die ze bij andere gelegenheden, voor het grote kiezerspubliek, uitmaken voor speculanten. Kennelijk is dit de opperste richtlijn van de politiek: dat alles wat ze onderneemt om het krediet te waarborgen bij de commerciĂ«le berekeningen van degenen past die de schade op de markten momenteel aanrichten.

– Wat is er aan de hand als Merkel en Sarkozy elkaar ontmoeten om over een nieuwe Europese economische regering te praten – en tevens verkondigen dat de politiek alles noodzakelijke zal doen om het “vertrouwen van de markten” terug te winnen?

Dan geven de politieke leiders te kennen wat hun reddingsmaatregelen beogen: dat het belang van de staten aan een sterke euro en de commerciële calculaties van de kredietsector weer overeenstemmen. Dan is de wereld blijkbaar opnieuw op de goede weg!

Hebben de critici gelijk die uit de georganiseerde buiging van de politiek voor de calculaties van de financiële markten willen afleiden dat de politiek zich lelijk liet beetnemen? Of is het in feite zo dat de rijkdom en de macht van de natie staat of valt met het succes van de zaken van de financiers?

– Wat is er aan de hand als de overheden er onwrikbaar van overtuigd zijn dat de financiĂ«le markten gelijk hebben als ze de schuldtitels van staten met wantrouwen bejegenen?

Onverschillig waarom en waarvoor een staat krediet heeft genomen; onverschillig of zijn begroting gisteren nog als solide gold: als de financiële instellingen hem krediet weigeren, luidt de conclusie: de natie heeft boven haar stand geleefd. En dan kent de politiek alleen maar een dogma: wij moeten de kredietgevers bewijzen dat in het betreffende land voortaan uitsluitend solide economische zaken worden gedaan. Dan moet er bezuinigd worden; en dat gaat altijd ten koste van degenen die van loon en uitkeringen moeten leven. Griekenland begint, Portugal, Spanje, Ierland, Italië… volgen. Ter crisisoplossing verordenen de politieke leiders hun volkeren een meedogenloos verarmingsprogramma.

– En wat is er aan de hand als de overheid, die zo nadrukkelijk uit is op de vrijwilligheid van “de markten”, bij het uitvoeren van dit verarmingsprogramma tegen de bevolking weinig waarde hecht aan vrijwilligheid?

Dan geldt: de volksmassa’s hebben het nieuwe niveau van armoede nolens volens te aanvaarden; stakingen, oproer en demonstraties zijn misplaatst als het erom gaat het krediet van de natie te redden. Dit is de leer uit de crisis die de politieke leiders proberen hun volkeren in te peperen; jammer genoeg spreken ze (meestal) niet voor dovemansoren.

De zorg of dergelijke radicale bezuinigingsprogramma’s uit de crisis leiden, kan men dus beter aan de experts overlaten; en zich in plaats daarvan over de redenen voor de crisis buigen – en over de doelstellingen van degenen die hun gehele macht inzetten om het kapitalistische systeem te redden.

*

Europa’s regenten hoeven het natuurlijk helemaal niet te weten: ze handelen in de zin van de marxistische waarheid dat hun schuldeneconomie deel uitmaakt van de maatschappelijke productiewijze, van de verworvenheid dat de arbeid waar de mensen van leven, ondergeschikt is aan het in geld nagetelde eigendom dat de macht heeft als bron van zijn eigen vermeerdering te ageren. Wat Marx als systeem van uitbuiting via loonarbeid geïdentificeerd heeft, dat moet functioneren, precieser: dat moet op nationale schaal zo winstgevend functioneren dat de concurrentiestrijd op wereldschaal wordt gewonnen, dus door andere naties wordt verloren: uitsluitend dan functioneert ook de waanzin dat schulden die generlei zaken genereren, maar het machtsgebruik van de overheid representeren een waarde hebben waar de waarde van het geld op berust, de enige echte rijkdom. Krediet en kredietgeld zijn producten van de kapitalistische productiewijze en deugen uitsluitend omdat en zolang de samenleving met haar arbeid en levensonderhoud in dienst staat van de vermeerdering van het privé-eigendom: het is dit elementaire politiek-economische principe waar Europa’s politici op “terugvallen” wanneer ze, bezorgd over hun valuta, het loonafhankelijke volk zo doelbewust chicaneren en laten chicaneren.

Over de imperialistische geldzorgen en de eurocrisis: Gegenstandpunkt 2-11

“Werkgelegenheid creĂ«ren”- een sociale weldaad

donderdag, februari 17th, 2011

De nieuwe definitie van het sociale vraagstuk

1.

De politiek kent en erkent alleen nog een echt, absoluut beschermenswaardig belang van de “sociaal zwakken” – het meest absurde: het belang aan arbeid. Niemand wordt namelijk zomaar gedreven door een behoefte aan arbeid. Arbeid is immers de inspanning die moet worden geleverd om de voorwerpen en middelen te produceren waar een behoefte aan bestaat, niet de behoefte zelf; en elke arbeider die bij zijn volle verstand is, is blij als hij klaar is met werken. De behoefte aan arbeid waar de politici zich zo nadrukkelijk voor inzetten, is geen oorspronkelijke menselijke drang; veeleer komt daarin een gecreëerde dwangsituatie tot uiting. Naar werk zuchten en werk zoeken, zoiets doen uitsluitend proletariërs in de kapitalistische maatschappij. Mensen wie het onmogelijk is het noodzakelijke werk te verrichten volgens eigen besluit en in overeenstemming met hun behoefte; mensen die gescheiden zijn van de middelen ter productie, zodat ze om te leven voor de vermeerdering van andermans rijkdom, afhankelijk van andermans richtlijnen en eisen moeten werken en zich daarvoor laten betalen. Politici die “werkgelegenheid willen scheppen” (de moderne consensus van de democratische partijen in de vaderlanden van het democratische kapitalisme) veronderstellen de gehele, door de wetgevende macht opgerichte en beschermde eigendomsorde – de scheiding tussen de klasse van eigenaren van productiemiddelen en de klasse van bezitloze arbeidskrachten – als ijzeren “realiteit” waarnaar ze zich zouden moeten richten bij hun ambtsvervulling. Ze erkennen uitsluitend de door deze realiteit opgedrongen belangen en noden als legitieme belangen van de burgers – en daarvoor worden ze dan actief.

Cynisch bouwen ze erop dat het verlangen naar dergelijke activiteiten in het volk rijkelijk voorhanden is, want – dubbel absurd – de opgelegde behoefte voor de rijkdom van de rijken te mogen werken, is voor miljoenen mensen absoluut niet te vervullen. De behoefte van de armen aan loondienst waarmee ze hun levensonderhoud kunnen verdienen, is veel groter dan de behoefte van de kapitalistische maatschappij aan hun arbeidsprestaties. De eigenaren kunnen de vele arbeidskrachten die zich aanbieden gewoonweg niet gebruiken voor het rendabel maken van hun investeringen. Niet dat ze minder goederen produceren dan vroeger of nalaten bepaalde producten te vervaardigen die winstgevend verkoopbaar zijn, integendeel: alles wat kapitalistisch benodigd wordt en mogelijk is, wordt geproduceerd en verkocht – maar kennelijk met beduidend minder arbeidskrachten dan voorheen. Uit de nood van miljoenen werklozen blijkt geen algemene maatschappelijke armoede, geen gebrek aan producten en productiemiddelen, maar overvloed: het bereikte niveau van de productiviteit van de arbeid, dus de vruchtbaarheid van de bronnen van de materiële rijkdom. Hun ontwikkeling verloopt in het kapitalisme zo pervers omdat de ondernemers het werk van hun personeelsleden steeds productiever maken, echter niet om hen arbeidsinspanningen te besparen, maar om minder arbeidskrachten aan te wenden, dus om op hun loon te bezuinigen. Daarvoor maken ze het werk van de mensen die ze verder voor hun zakelijke doeleinden willen gebruiken steeds rendabeler; en daarvoor wenden ze tegelijkertijd steeds minder mensen rendabel aan. Het nut van de hoge arbeidsproductiviteit verdeelt zich dus zeer eenzijdig: het kapitaal krijgt de prestatie van zijn arbeidskrachten steeds goedkoper doordat het per werkdag steeds meer verkoopbare producten uit zijn werknemers haalt; de arbeidskrachten daarentegen hebben van de groeiende effectiviteit van hun werk niet meer te verwachten dan een bedreigd bestaan. Een deel van het personeel mag nog blij zijn dat het voor zijn productiever werk hetzelfde oude loon ontvangt, het andere deel wordt namelijk vanwege het gegroeide prestatievermogen van zijn werk op straat gezet en bekoopt de vooruitgang van de productiviteit meteen met verpaupering. De zegen dat steeds minder werk noodzakelijk is voor de productie van benodigde en gewenste goederen ontpopt zich voor kapitalistische arbeidskrachten als vloek: ze leven van het gebruikt worden voor andermans winst en kunnen derhalve hoe minder leven hoe meer de ontplooiing van de materiële bronnen van rijkdom vordert. Dat ze zich losmaken van dit fnuikenden juk, zich de productiemiddelen toe-eigenen en het noodzakelijke werk zelf zo organiseren dat allen met minder moeite meer goederen voor hun behoefte produceren en het bestaan iets makkelijker maken: deze voorstelling is samen met de communistische bewegingen uitgestorven.

Heersende democraten werven stemmen met de belofte zich te wijden aan de nood die groeit met de vermeerdering van de kapitalistische overvloed; en als ze in een ambt geïnstalleerd zijn, voegen ze de daad bij het woord. Ten eerste creëren ze deze nood door met alle instrumenten van de staatsmacht veilig te stellen dat iedereen uitsluitend leven kan van arbeid die voor het kapitaal lonend is. Ten tweede tonen ze hun bezorgdheid door de taak op zich te nemen van het relatief overbodig geworden werk weer meer te “scheppen”. Dit, ten derde, echter niet voetstoots: het organiseren van publiek werk omdat de werklozen levensonderhoud nodig hebben en daarvoor willen zorgen, is in het rijk der vrijheid uit den boze. Het creëren van werkgelegenheid is hier het privilege en de edele plicht van het vrije bedrijfsleven. Het privilege is er ongetwijfeld – niemand anders bepaalt of, door wie, hoe lang en voor welk doel er gewerkt wordt; de edele plicht is echter een sprookje. Een taak geheten “werkgelegenheid creëren” bestaat helemaal niet in de plichtencatalogus van kapitalisten. Ze gebruiken en betalen altijd juist zo veel of zo weinig personeel als ze voor hun zaken lonend achten – en calculeren daarbij, zoals gezegd, zeer zuinig: zo weinig mogelijk betaalde arbeidskrachten dienen zo veel mogelijk te werken. Paradoxaal genoeg genieten deze uitbuiters van de arbeid hoe meer de goede reputatie van werkgevers hoe meer mensen ze ontslaan; en naarmate de maatschappij ontwaart hoe afhankelijk ze is van de calculaties van de werkgevers des te onvoorwaardelijker wordt deze afhankelijkheid geaffirmeerd. Dan beseft de samenleving ook niet ten aanzien van de massale productie van werklozen dat er in deze economie geen sprake kan zijn van een taak of plicht tot werk geven; integendeel: ze maakt daaruit alleen maar op hoeveel moeite het de ondernemers kennelijk kost om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid na te komen. Ten vierde bemoeit zich de inzake banen creëren onmachtige politiek dan toch met deze zaak, eist de totaalverantwoordelijkheid voor de werkgelegenheid in het land en “creëert werk”, namelijk zo als het haar betaamt in een vrije economie: ze slecht de obstakels en verwijdert de beperkingen die de kapitalisten het werk geven moeilijk maken. Als er in het land te weinig arbeid lonend is voor het kapitaal, dan is de arbeid blijkbaar onvoldoende rendabel, elke werkloze getuigt dan ervan dat het rendement van de kapitalisten te laag is. En de politiek doet het kapitalistisch adequate tegen de nood van de werklozen: ze worden goedkoper gemaakt.

2.

De belofte het volk beter van werk te voorzien en geen ander gebrek te laten gelden dan het gebrek aan werk definieert nieuw wat ooit “sociaal” heette. Langer dan een eeuw had de sociaalpolitiek het doel het kapitalisme voor loonarbeiders dragelijk te maken. Daarvoor was velerlei nodig. Want om dezelfde reden om die het kapitaal het prestatievermogen van de arbeid verhoogt – het bezuinigt op de betaling van de arbeid waaruit het steeds meer prestaties haalt – kan de menselijke kostenfactor eigenlijk niet leven van zijn economische rol, althans niet een leven lang. Pas de wettelijke beperking van de ondernemersvrijheid, de begrenzing van de arbeidsdag, het toestaan van vakbonden en de rechtsgeldigheid van CAO’s hebben ervoor gezorgd dat de uitbuiting van de arbeider voor hem überhaupt tot bron van inkomen werd met een enigszins vastgelegde verhouding van inspanning en opbrengst. Maar ook daarvan kon hij op den duur niet leven zonder sociale verzekeringen van overheidswege, die delen van zijn loon confisqueerden en in het belang van het overleven van de arbeidersklasse onder dwangbeheer plaatsten. Voor de onvermijdelijke fases van ellende op de levensweg van de loonafhankelijke – ouderdom, ziekte, werkloosheid – worden uit het loon dat het kapitaal betaalt verzekeringsbijdragen afgedragen en afhankelijk van verworven aanspraken en behoeftigheden herverdeeld onder de loonloze leden van de arbeidersklasse. Het dwangregime heeft van het loon gemaakt wat het vanzelf niet is: een inkomen waarmee de arbeider een leven lang in zijn levensonderhoud kan voorzien – dat alles uiteraard in ruil voor verdere loonsverlagingen.

In tijden van massale overbodigheid van arbeidskrachten voor de economie vertrouwen politici van verschillende politieke kleur op de overtuigingskracht van het argument dat er voor loonarbeiders iets ergers bestaat dan uitgebuit te worden – namelijk niet uitgebuit te worden, dus helemaal niet de kans te krijgen om door verrijking van werkgevers voor hun eigen levensonderhoud te werken. Dit “inzicht” ligt ten grondslag aan de herwaardering van al het sociale dat de staat ooit noodzakelijk vond: alle voorzorgs- en steunmaatregelen die de uitbuiting voor de arbeider dragelijk moesten maken, maken de arbeid duurder. Ze beschadigen dus hetgene waarvan de arbeider in waarheid leeft – zijn rentabiliteit voor het winstbelang van het kapitaal – en vernietigen zijn prachtige bron van inkomen. Alles wat de arbeider van zijn werk heeft en met zijn arbeidsloon financiert – levensonderhoud, vrije tijd, sociale zekerheid – belemmert de sociale hoofdzaak: dat überhaupt uitbuiting plaatsvindt en de arbeider werk heeft. Dus honderdjarige regelingen van staatswege, correcties en compensaties van de uitbuiting waren een grove fout. Het kapitalisme laat zich niet sociaal veredelen – en wie het probeert, dupeert allereerst de “zwakken” die hij wil beschermen. De uitbuiting als goedkope arbeidskracht an sich is de sociale weldaad van het kapitaal, waarop de normale burger te hopen en te bouwen heeft.

3.

De inhoud van de verkiezingsbelofte wordt begrepen. De kiezers snappen natuurlijk dat de nieuwe definitie van het sociale de aankondiging van verdere “harde ingrepen” impliceert, zoals dat heet in de gemoedelijke taal van de politiek. In verlichte democratieën wordt immers niets verzwegen. De burgers dienen in te stemmen met de offers die ze geacht worden te brengen, ja het liefst deze ook nog zelf te eisen. Zelfs de verarming van de massa van de bevolking wordt afgewikkeld in de vorm van een uiterst democratische concurrentie tussen ambtskandidaten om de gunst van de gedupeerden. Zoiets is zonder meer mogelijk – en niet alleen omdat de kiezers toch geen keuze hebben wanneer alle partijen unisono toezeggen met alle macht werkgelegenheid te creëren, maar omdat ze zich laten overtuigen van de noodzaak van “onvermijdelijke ingrepen”. De democratische politisering van de onderdaan is niets anders dan de kunst zijn belangstelling te wekken tegen zijn eigen belangen. De verkiezingskandidaten attenderen de burger op zijn afhankelijkheid van de vraag van het kapitaal naar arbeid, herinneren hem dat hij aangewezen is op het tegenovergestelde belang en beloven hem met de hefbomen van de macht adequaat te willen omgaan met deze afhankelijkheid indien ze mogen regeren. Ze beloven de bezittende klasse naar beste vermogen te dienen, haar van beperkingen te bevrijden, in elk opzicht te bevorderen en hun werkende kiezers alles weg te nemen wat zij, de hervormers, als hinderlijke verworven rechten in het vizier nemen. Deze burgers zijn objecten van het uitbuitingsbelang van de tegenpartij en worden door de politiek met harde hand vastgepind op deze afhankelijkheidsverhouding – de democratische verkiezingsstrijd echter spreekt hen aan als subjecten van hun afhankelijkheid, als mensen die in hun welbegrepen eigenbelang moeten voldoen aan de eisen waar ze tot hun nadeel aan onderworpen zijn. Dat ze verarmd worden door de volksvertegenwoordigers gebeurt enkel om hun eigen bestwil; in moeilijke tijden moeten vele belangen nu eenmaal onderdoen voor het cruciale, eerste belang! De opgelegde, absurde behoefte aan arbeid krijgen de getroffenen toegelicht als dat wat ze onder kapitalistische levensomstandigheden daadwerkelijk is: hun primaire en eigenlijke levensbehoefte; al hun andere behoeftes die ze met de opbrengst uit hun werk willen vervullen, laten zich hekelen als overbodige luxe die in tijden van de enorm ontwikkelde productiekrachten simpelweg niet meer financierbaar is. Een opmerkelijke verduidelijking van de ellendige rol die toebedacht is aan degenen die in het markteconomische systeem het privilege genieten “werknemers” te zijn.

*

Vertaling van een uittreksel uit Gegenstandpunkt 3-05. Meer daarover in: “Arbeit und Reichtum”, Gegenstandpunkt Verlag, München

De buitenlander en het probleem dat hij vormt

donderdag, december 23rd, 2010

Overal is er ergernis over buitenlanders – meer dan lange tijd gangbaar was: in Duitsland, Oostenrijk, Nederland, de VS; in Frankrijk dat Roemeense Roma deporteert, in Engeland waar de British National Party stakingen organiseert tegen werkvergunningen voor Oost-Europese EU-burgers; in een aantal andere EU-staten waar xenofobische partijen  verkiezingen winnen. Steeds opnieuw en steeds heviger storen zich politieke partijen en regeringen aan de aanwezigheid, de hoeveelheid of de toestand van bevolkingsdelen die als niet bijbehorend geïdentificeerd en van het hoofdvolk afgegrensd worden. Deze segregatie is gebaseerd op het verschil tussen twee soorten mensen dat niemand anders dan de overheid in het leven roept. Tussen zulke die erbij horen, aan haar exclusieve soevereine macht volkomen onderworpen zijn en dus haar eisen moeten nakomen – ze genieten als autochtonen het interessante recht op haar grondgebied te mogen leven. En al degenen die tot andere staten behoren en niets te zoeken hebben in het land, tenzij de staat bijzondere redenen heeft om hun verblijf nochtans toe te staan – omdat en zolang de vreemdelingen voor hem nuttig zijn. Of en wanneer ze storen, hangt blijkbaar niet van hen af.

1

Staten die hun economie geglobaliseerd hebben, behandelen wereldwijd de bronnen van rijkdom, waarover hun buitenlandse concurrenten de zeggenschap uitoefenen, als middel ter nationale verrijking; behalve waren- en kapitaalmarkten ook buitenlandse burgers die als arbeidskrachten interessant zijn. Wanneer de economische groei op de vestigingsplaats, die de nationale overheid regeert, het vereist; dus wanneer inheemse ondernemers de behoefte uiten aan bepaalde soorten van vlijtige en goedkope arbeidersploegen of als er zelfs een algemene schaarste aan arbeidskrachten geconstateerd wordt – hetgeen de lonen omhoogdrijft en de groei beperkt – dan opent de regering de grenzen voor burgers van vreemde landen opdat die als mobile reserve het beschikbare reservoir aan arbeidskrachten vergroten. Als dit doel bereikt is, zegt ze “het is genoeg” en sluit de grenzen. Wanneer er te grote aantallen zijn, hetzij vanwege het ontslag van werknemers op grond van de technologische vooruitgang van de winstproductie, hetzij tengevolge van een crisis, zijn ze overtollig en worden weggestuurd – pesterijen en terugkeerpremies zijn gebruikelijke methodes. Wanneer hun permanente aanwezigheid gewenst is, mogen – als een genereus gebaar – hun gezinnen of bepaalde gezinsleden volgen, voor zover ze zich houden aan de pietluttige, maar wettelijk correct tot stand gekomen voorschriften waarmee ze als buitenlanders door en tegenover de autochtonen gediscrimineerd worden. Als ze zich niet meer nuttig maken, worden ze als lastige kostenfactoren behandeld en als sociale last gechicaneerd. Hoe duurzamer de immigranten zich vestigen en hoe minder het kapitaal hen nodig heeft, des te onhandelbarer worden ze als manoeuvreerbare massa die men heeft binnengelaten.

Over de aanvoer van arme en verpauperde, dus goedkope en gewillige kandidaten hebben West-Europa en Noord-Amerika, de centra van het wereldkapitalisme, niets te klagen; Anatolische boeren hoeven niet meer gelokt te worden. De economische gebruikmaking van de hele wereld heeft voor grote massa’s mensen het bestaan in hun geboortelanden onmogelijk gemaakt. De ruĂŻnering van de traditionele bestaansvoorwaarden die de superieure concurrentiemacht van de westerse concerns wereldwijd aanricht, zorgt ervoor dat voor Afrikanen, Latino’s, Oost- en Zuid-Europeanen enz. zelfs het meest miserabele loon een attractief aanbod is en blijft. Deze armoedevluchtelingen zijn grotendeels overtollig, ze storen alleen maar en worden weggehouden van het nationale territorium, inmiddels met alle middelen van militaire grensbeveiliging. Als er bij de poging muren, prikkeldraad en zeeĂ«n te overwinnen jaarlijks duizenden de dood vinden, is dat enkel een argument voor het perfectioneren van de afschrikkende grensbeveiliging – dan zijn er ook geen “inhumane” opvangkampen meer nodig in Griekenland, ItaliĂ« en elders, althans niet binnen Europa. De velen die evenwel de grens overwinnen, worden afhankelijk van politieke afwegingen soms voor een tijdje gedoogd daar ze als “sans-papiers” dwz. als illegalen voor eerbare nationale zakenlieden uitermate attractief zijn; als ze geluk hebben, krijgen ze zelfs tijdelijk of permanent een legale status; of ze worden opgespoord, als misdadigers gekazerneerd en gedeporteerd.

Terwijl ze de armsten der armen die proberen te overleven met alle macht weghouden, kunnen de leidende kapitalistische mogendheden van een specifieke soort immigranten niet genoeg krijgen. Ze concurreren onderling om uit het globale reservoir zoveel mogelijk wetenschappers, technici en andere specialisten naar hun territorium te halen en als human capital voor hun economie beschikbaar te maken. Mensen van wie men technologische voorsprongen of ten minste bijdragen tot de productiviteit van de vestigingsplaats verwacht, worden middels aantrekkelijke voorwaarden aangeworven en mogen onbureaucratisch immigreren, opdat “wij” niet het nakijken hebben in de concurrentie om hooggekwalificeerde vaklui. Bij de geglobaliseerde republiek hoort nu eenmaal ook dat men de elite wegzuigt uit andere staten en zich hun opleidingsprestaties voor de eigen economische groei ten nutte maakt.

Daarnaast zijn er nog buitenlanders die om politieke redenen het land worden binnengelaten en een navenante rechtsstatus krijgen. Graag ontvangt men bijwijlen “dissidenten” die in een tot vijand verklaard land vervolgd worden; aan hen wordt asiel verleend om het bewuste onrechts-regime aan de kaak te stellen. Andere vluchtelingen komen uit oorlog- of burgeroorlogregio’s waar de eigen natie militair betrokken is of “vitale” belangen heeft. Sommige exemplaren van de menselijke basis van de oorlogspartij die men prefereert, krijgen toestemming om zich in veiligheid te brengen voor het doden en sterven. Met dergelijke humanitaire acties doet de staat zich gelden als beschermingsmacht van de ondersteunde politieke krachten. De (burger)oorlogsvluchtelingen biedt hij een verblijf zolang dit bij zijn imperialistische berekeningen past, natuurlijk inclusief de nodige voorschriften, bijvoorbeeld het werkverbod om permanente vestiging te verhinderen. Dat maakt dan de last bijzonder drukkend die het bestaan van vluchtelingen voor de staatshuishouding vormt. Zodra de regering besluit dat de oorlog afgelopen is of alleen maar de belangstelling daarvoor verliest, vormt ook deze categorie buitenlanders, de groep politieke vluchtelingen, alleen nog een probleem. De oplossing ervan staat vast. Als voormaals nuttige menselijke instrumenten van het buitenlandse beleid worden ze teruggetransporteerd naar het verwoeste (burger)oorlogland, zonder rekening te houden met de ellende en vervolging die hen daar te wachten staat. Want dat is immers hun vaderland waarheen ze toch ongetwijfeld terug willen.

Zo sorteren de politieke machten de buitenlanders van de wereld: gewenst of ongewenst – afhankelijk van de nuttige of schadelijke rol die ze hen toebedelen. Ze behandelen hen als manoeuvreerbare massa, als globale ressource van hun economische en politieke macht. En ze beschouwen het als een privilege dat ze genereus toekennen wanneer ze vreemde burgers toestaan binnen hun soevereine grenzen te leven en – de grootste genade! – daar te werken en zelfs het staatsburgerschap te verkrijgen. Degene die blijven mag, moet zijn – onder permanent voorbehoud – verleende status verdienen. Hij moet aan alle eisen van het “gastland” voldoen; of hij dat als gewenst doet en de duur ervan valt buiten zijn beslissing. Een ding is zonder meer zeker: immigranten moeten het bolwerken met de bestaansvoorwaarden waar ze aan onderworpen zijn; hoe ze dat klaarspelen, dat is – zoals altijd in de vrije maatschappij – hun privĂ©-aangelegenheid. Ze moeten slagen want mislukkingen bedreigen niet alleen hun inkomens en sociale status, maar meteen het recht om daar te leven waar ze leven. Als ze aan alle verwachtingen op zo’n manier beantwoorden als de meeste immigranten van oudsher – is het ook weer niet goed. Ze verhuizen naar stadswijken waar reeds anderen van hun nationaliteit wonen, staan elkaar bij, ontplooien officieuze economische activiteiten binnen de eigen gelederen en leven in de diaspora volgens de zeden van hun land van oorsprong. Zodoende creĂ«ren ze een volgende bron van ergernis: ze vormen een “parallel-maatschappij”.

2

Dit verwijt is belachelijk. De kapitalistische natie bestaat merendeels uit parallel-maatschappijen die erg weinig sociale overeenkomsten vertonen en cultiveren. Sinds wanneer gaan de echt rijke mensen om met de gewone consumenten, waar stemt de academische behoefte aan entertainment overeen met het tijdverdrijf van het proletariaat of het boerenvolk met de homo-scene? Ten opzichte van al deze tegenover elkaar min of meer afgeschermde subculturen staat voor de overheid echter een ding vast en wordt helemaal niet gethematiseerd: ze maken deel uit van de eigen natie. Juist dat garandeert de gemeente van buitenlanders niet, zelfs als sommigen inmiddels een binnenlands paspoort kunnen tonen. Hun anders-zijn wekt wantrouwen, en dat niet pas dan wanneer er gevreesd wordt dat de immigranten zich politiek deloyaal gedragen tegenover de wetten van het land, zijn alliantie’s, vijandschappen en oorlogen. De aanspraak reikt verder. De immigranten staan onder verdenking niet betrouwbaar “Amerika”, “Duitsland” of “Nederland” te denken als ze “wij” zeggen. Wellicht spellen ze vaderland nog steeds anders en adresseren hun hoop en zorgen niet automatisch en het eerst aan de overheid waarvan ze de wetten gehoorzamen, wellicht vertalen ze hun ontevredenheid niet naar het verwijt van slecht regeren en naar het verlangen naar een betere regering. De overheid acht de immigranten niet in staat tot deze fundamentele nationale politisering die ze bij haar inboorlingen veronderstelt als een natuurlijke, als het ware met de paplepel ingegoten eigenschap. Enerzijds ondermijnt de geglobaliseerde republiek het geborneerde traditionele saamhorigheidsgevoel van het volkse collectief wanneer ze haar bevolking uit de gehele wereld binnenhaalt, anderzijds eist ze van haar oude en nieuwe bewoners juist deze aan elk denken en willen voorafgaande partijdigheid voor volk en staat. Dat is de inhoud van de categorische imperatief “integratie” die de politici afkondigen. Mensen onder hun regering dienen hun gehele individualiteit te definiëren door de verbondenheid met het land waar ze verzeild geraakt zijn. Dat ze dat ook werkelijk doen, daarvan kunnen de immigranten de wantrouwige overheid door hun bewust en uitdrukkelijk gedemonstreerde aanpassingsbereidheid principieel niet overtuigen. Door de vreemde taal die ze onder elkaar spreken, evenals door elke rest van zeden, klederdrachten, levensgewoontes van hun landen van herkomst tonen ze veeleer een afwijkende, vreemde identiteit. Op basis van welke indicaties hun ondraaglijke buitenstaander-status telkens gediagnosticeerd en ontmaskerd wordt, dat neemt de politiek graag over uit de oordelen die binnen het volk circuleren.

3

De vijandschap van het volk tegen buitenlanders is namelijk alomtegenwoordig. Ze is de consequentie uit de nationale identiteit waartoe de door de staat aaneengesmede klassenmaatschappij zich bekent. Haar inwoners draaien deze verhouding om en beschouwen zich als collectief van mensen waar de staatsmacht zich dienend voor inzet en waarvan het welzijn te bevorderen haar enige raison is. De buitenlanders zijn bij voorbaat buitengesloten van dit collectief; ze zijn immers geen autochtonen wie de bescherming door de staat toekomt, sterker nog: het inheemse collectief moet zijn welzijn tegen het egoïsme en de nationalistische activiteiten van andere staten nastreven en verdedigen. Het volk, vooral het werkvolk met zijn steeds precaire werkgelegenheid, beschouwt het toebehoren tot zijn staat als privilege en beschermingsgarantie, niet zozeer tegen de commerciële calculaties van de werkgevers, als wel tegen buitenlandse concurrenten die niet hetzelfde privilege genieten. Zelfs als buitenlanders het laagste en het slechtst betaalde werk doen, staat vast dat ze van “ons” profiteren omdat ze in “ons” land hun voordeel zoeken. Doorgaans daalt het vertrouwen van de volksleden in hun politici wanneer die buitenlanders toestaan in het land te verblijven en de autochtone bewoners banen en kleuterschoolplaatsen, woningen en dergelijke weg te nemen. Ambtsdragers staan dan al gauw onder verdenking van onbetrouwbaarheid tegenover hun volk.

4

De politiek gebruikt en stuurt dit ressentiment door erop in te gaan. Het geldt als eerbaar standpunt en goed recht van het volk; de politiek keurt dit niet af, laat echter haar globale bevolkingspolitiek hierdoor ook niet belemmeren. “Eigen volk eerst”, zeggen uitsluitend rechts-radicale partijen, maar in praktijk rechtvaardigt zich elke politiek met deze maatstaf. Alles wat de staat bij de behandeling van immigranten noodzakelijk acht – hoe hij hen discrimineert, welke extra bewijzen van loyaliteit hij eist en welke extra toezicht hij verordent – presenteert hij aan de oud-ingezetenen als dienstverlening voor hen, en hij kan beslist rekenen op hun instemming met elke wrede maatregel. Indien de staat het opportuun acht, kan hij de agressie van het volk tegen willekeurige nationaal en etnisch gedefinieerde bevolkingsgroepen richten en vervolgens zichzelf opdragen de spanningen op te lossen en hun oorzaken te ondervangen. Wanneer hij het wenselijk vindt, treedt zijn bevestiging van het nationalistische ressentiment matigend op – “wij” hebben de buitenlanders nodig en ze zijn toch ook nuttig voor “ons” – om  ongedifferentieerde uitbarstingen van haat en eigenmachtige inbreuken in te tomen.

5

De officiële vijandschap jegens buitenlanders zit anders in elkaar; die is in het laatste decennium binnen de westerse staten ontstaan en richt zich tegen een categorie immigranten die helemaal niet vanwege haar toebehoren tot een andere natie als vreemd geïdentificeerd wordt, maar wegens haar geloofsbelijdenis. In Frankrijk zijn de Noord-Afrikanen de dupe, in Engeland de Pakistanen, in Duitsland en Nederland de nakomelingen van de Turkse of Marokkaanse gastarbeiders die men vroeger allemaal als leden van hun respectievelijke natie beschouwde en ook toen al behoorlijk weerzinwekkend behandelde; tegenwoordig versmelten deze nationaliteiten tot figuur van de moslim. Zijn religie is de storende afwijking die de integratie bemoeilijkt en belemmert. De landen van de religievrijheid laten de Islam niet als privé-aangelegenheid gelden, althans niet zo ruimhartig als andere religies. Ze betwijfelen dat dit geloof zich ertoe beperkt privé-religie te zijn die men niemand ontnemen wil, en koesteren de verdenking dat het toch meer is, namelijk een politieke wil die onverenigbaar is met de westerse verhoudingen.

De karakterisering van deze religie draagt kenmerken van een vijandbeeld. Men verneemt hierover niet meer dan een lijst van vergrijpen tegen moderniteit en vrijheid. Ten eerste heeft de Islam de pijnlijke verlichting gemist die het christendom zo goed doet; hij is dogmatisch, intolerant en hij doodt. Ten tweede – afgeleid uit de trias van hoofddoek, dwanghuwelijk en eermoord – heeft Mohammed in de zevende eeuw de onderdrukking van de vrouw verordend hetgeen bij ons sinds enkele decennia officieel verboden is. Vrije denkers verdiepen zich ijverig in de verkeerde religie en leveren met Koranstudies en Islamwetenschap een bijdrage aan de kritische toets en daarmee aan het objectiveren van het vijandbeeld. Als resultaat wordt het wanproduct van de vreemde religieuze fantasie onder de categorie misdaad en onderdrukking gesubsumeerd; een oordeel dat zijnerzijds de onderdrukking van de kwade gezindheid legitimeert. De Islam verdient misschien niet meteen vervolging, maar wel het wantrouwen waarmee het Westen hem bejegent.

Ook in dit geval rechtvaardigt het vijandbeeld een politieke vijandschap die andere redenen heeft dan de verwerping van de vreemde moraal. Hierbij gaat het echter om een buitengewone vijandschap als in de eenentwintigste eeuw een religie het beeld van de vijand bepaalt: de VS, Duitsland en de meeste EU-staten voeren oorlog tegen het “islamitische terrorisme”; daarvoor hebben ze zich na 11 september 2001 beroepen op artikel 5 van het NAVO-verdrag (collectieve verdediging). Ze vechten in Afghanistan, maar niet tegen Afghanistan. Ze vechten daar ter plaatse, in Pakistan, Somalië, Jemen en waar dan ook ze broedplaatsen van Al-Qaida en geestverwanten kennen of vermoeden. De vijand is geen staat maar een radicale beweging en bepaalde politieke krachten, die haar een thuishaven bieden. De actuele vijanden van de westerse naties, hun onverenigbaarheid met de bestaande wereldorde van het kapitaal, zijn dus niet nationaal gedefinieerd, maar als niet-statelijke terroristen die hun radicale motieven uit de Islam halen. De vijandschap van de wereldmachten omvat dus ook de islamitische regio voor zover deze geïdentificeerd is als voedingsbodem en wapen van de tegenstander. In de schaduw van de Hindukush motiveren de Taliban hun anti-Amerikaanse en antiwesterse strijd met de Islam, en het Westen motiveert het engagement voor zijn vazal Karzai met de strijd tegen het islamisme, tegen de boerka en voor meisjesscholen. De kritiek op de religie, die de antiwesterse radicalisering niet betrouwbaar verhindert, rechtvaardigt elke militaire actie door de geciviliseerde statenwereld.

Aan de andere kant richt zich haar strijd toch ook weer niet tegen de Islam; men wil uiteraard niet de gehele islamitische wereld van Marokko over BosniĂ« tot IndonesiĂ« als vijand bestempelen. “Slechts” de politieke Islam is de vijand, de opstand tegen westerse penetratie en onderwerping van het morgenland. Het is kenmerkend dat leidende politici zich steeds weer genoodzaakt zien tot rechtzettingen: de VS, aldus president Obama, voeren geen oorlog tegen de moslims; ook de Islam hoort tegenwoordig bij Duitsland, vult de Duitse bondspresident aan. Uit hun dementi’s blijkt hoe onwrikbaar het vijandbeeld vaststaat dat zij en hun vrije publieke opinie gedurende een decennium anti-terreur-oorlog geĂ«tableerd hebben. Ze doen grote diplomatieke moeite om een vijandbeeld te differentiĂ«ren, hetgeen eigenlijk in strijd is met de natuur van zo’n beeld. Een onmenselijk monster heeft tenslotte geen slechte en goede kanten.

Het worstelen van de staatslieden met het (onder)scheiden tussen de eigenlijk tolereerbare islamitische religie en fundamentalistische misdaden ondervindt de geïmmigreerde islamitische bevolking in Amerika en Europa aan den lijve. De moslims met migratieachtergrond worden tot slachtoffers van het net zo onontbeerlijke als selectief toegepaste vijandbeeld. En dat niet pas dan wanneer men de moskeeën verdenkt het rekruteringsveld en de schuilplaatsen van Al-Qaida te zijn – ook dat gebeurde en gebeurt nog steeds af en toe. De onverenigbaarheid met de als antiwesters geïdentificeerde geloofscultuur is omvattender. Ook als ze niet politiek actief zijn, passen deze mensen niet bij het avondland, tenzij ze “ons” geloofwaardig bewijzen dat ze bereid zijn hun Allah achter te stellen bij “onze” seculiere staat die boven alle goden zetelt. Hierover, of en hoe zo een bewijs van echte loyaliteit die “ons” tevredenstelt te leveren is, ontvlamt overal een fundamentalistische strijd. Die heet in Nederland integratiedebat.

© Gegenstandpunkt Verlag, München 2010

Consumptie in het kapitalisme

zaterdag, juli 17th, 2010

Inleidende opmerking over de objectieve rol van de consumptie in het kapitalisme

Over de consumptie doen merkwaardige, maar veelzeggende mededelingen de ronde. Bij tijd en wijle moet ze bijvoorbeeld “aangezwengeld” worden. Er wordt daadwerkelijk consumptie geëist opdat de economische groei op gang komt. Dat zegt al veel. In het kapitalisme is de voorziening van goederen blijkbaar niet het doel, de productie niet het middel om de gewenste goederen te leveren. Omgekeerd; de consumptieve behoefte is het middel om het doel te bevorderen: de groei binnen de ondernemingen. Vandaar dat een grootheid onder geen beding als groeimotor in aanmerking komt: het inkomen van de werkende mensheid dat beslist over de potentie om te consumeren en over de omvang van de afzet op de markt van gebruiksgoederen. In plaats daarvan wordt liever het consumptieklimaat geprezen en de kooplust gestimuleerd; geen crisisgepraat maar optimisme luidt de leus, zodat de consument zijn spaargeld of een krediet gebruikt voor extra aanschaffingen. Zodoende draagt de consumptie namelijk bij aan de groei zonder de balansen te beschadigen. De reden voor dergelijke merkwaardigheden is de geldende calculatiewijze van de ondernemingen. Het inkomen van de mensen dient op de markt als realiseringsmiddel voor de omzet van waren en kan in dit opzicht niet groot genoeg zijn. Aan de andere kant is hetzelfde inkomen in de bedrijfsbalans loonkost, noodzakelijke uitgave voor de winst die deze tegelijkertijd vermindert en daarom zo klein mogelijk vastgesteld wordt. Dat de werknemers meer geldswaardige prestaties leveren dan ze zelf kosten is de voorwaarde voor elke werkgelegenheid. Het consumptievermogen is daarom niet alleen een beperkte grootheid, voor de gewenste omzet van waren altijd te klein gedimensioneerd. Het is ook een de winst beperkende factor waarvan de vergroting dus buiten discussie staat. Desondanks vordert de groei. Niet alleen omdat de voorschotten van de kapitalisten naast de factor loon alsook hun eigen luxueuze consumptie bijdragen tot de vraag. Met behulp van het krediet bevrijden ze zich ook nog van de grenzen van de markt om hun groei te financieren. Deze bedrijfscalculatie, waaraan het inkomen ondergeschikt is, bepaalt überhaupt de gehele doelstelling van de kapitalistische economie. Wat, hoe en hoeveel geproduceerd wordt dat is evenals de kwaliteit en de prijs van het product afhankelijk van de winstberekening. De uitgaven voor elk product moeten een overschot opleveren. In deze accumulatie van geldrijkdom is de voorziening van de werknemers een factor die binnen de perken blijft van de pure reproductie van hun arbeidsvermogen. Ook zonder de lectuur van Marx houdt het bedrijfsleven zich aan het principe dat arbeid niet rijk maakt, maar – in het gunstigste geval – het levensonderhoud oplevert. De consumptie is in elk opzicht de afhankelijke variabele van de kapitalistische productie. Die bepaalt niet alleen de omvang, soort en prijs van de goederen, maar ook het inkomen van de verbruikers dat hen überhaupt in staat stelt te consumeren.

*

Bij de manier van consumeren geniet de mens natuurlijk elke denkbare vrijheid. Hij kan tussen gelijksoortige of verschillende producten kiezen en hun kwaliteit of design vergelijken. Hij is zelfs de enige instantie die over de koop beslist. Daarbij moet hij uiteraard enerzijds rekening houden met de eigen noodzakelijkheden en het sortiment van de aanbieders, anderzijds met de warenprijzen en zijn portemonnee. Van sommige alternatieven binnen het warenaanbod moet hij derhalve afzien. Of de vakantie, of de nieuwe auto. Voor grotere aanschaffingen is de consument zo vrij om te sparen; vandaag onthouding voor de consumptie van morgen. Wie dat mishaagt, kan zijn vrijheid ook op omgekeerde wijze gebruiken en op krediet kopen: consumptie vandaag, onthouding morgen, er moet immers afgelost worden. En alle rekeningen en berekeningen resulteren in een voor de grondlegger van deze calculatiewijze gelukkige omstandigheid die ervoor zorgt dat de consument zowel zijn vrijheid als zijn probleem behoudt: het bestede inkomen is teruggestroomd in de kassa’s van degenen die het zo laag laten uitvallen en voor hun winst opnieuw voorschieten. De kringloop kan weer beginnen, die van het kapitaal als die van de consument, die door zijn werk opnieuw een inkomen moet verdienen dat hem in staat stelt, als alles meezit, weer te werken, dus zich te reproduceren.

*

Over de privé-sfeer van consumptie en genot heeft de consument natuurlijk ook nog een eigen mening. Met al zijn afwegingen en keuzes binnen de warenwereld beslist hij eigenlijk maar een ding: waaraan hij de voorkeur geeft. Maar dat interpreteert hij in dichterlijke vrijheid zo alsof hij degene is die beslist. Uitgerekend de afhankelijke variabele van de gehele kapitalistische productie verbeeldt zich de baas te zijn over de kapitalistische procedure. Bij dit simpele, maar verkeerde zelfbewustzijn van de gewone “verbruiker” zou het vermoedelijk blijven, waren er niet de publieke opinie en wetenschappelijke experts die min of meer fantasievolle bijdragen leveren aan de rooskleurige voorstelling van zaken en die behoorlijk verder ontwikkelen. Daarbij zijn deze ideologen zo verstokt dat ze zich ook niet van de wijs laten brengen door allerlei voor iedereen waarneembare ervaringen. Sinds een of twee decennia buigen journalisten en sociale wetenschappers zich openlijk over de groeiende kinderarmoede en registreren een stijgend aantal bijstandtrekkers… En tegelijkertijd houden dezelfde mensen vast aan hun legende van de “welvaartsmaatschappij” waarvan wij allen lid zijn en waarin Jan Modaal zelfs promoveert tot “koning klant”.

 Een kritiek op de consumptie is er ook. Echter niet op haar miserabele gesteldheid, maar op een teveel aan consumptie. Mensen die niet weten hoe ze moeten rondkomen met hun inkomen bevinden zich onverhoeds in een “overvloedmaatschappij”. En naargelang het morele sensorium worden aan de overvloed ook nog uitwerkingen toegeschreven die het verantwoordelijkheidsbesef van moderne consumenten moeten activeren. Dioxine in levensmiddelen, door pesticiden vergiftigde landarbeiders, kinderarbeid in de derde wereld, klimaatbelasting door globale goederentransporten: dat zijn misstanden die de consument moeten aanzetten tot nadenken. Helaas niet over doel en karakter van een productiewijze die zoiets voortbrengt, maar over zich en zijn “consumentenmacht”. Omdat hij door te kopen deel uitmaakt van “het systeem” dient hij zijn consumptie als oorzaak van de euvels te beschouwen en deze via zijn koopgedrag te corrigeren. Dat sorteert in de praktijk geen effect en is theoretisch net zo misplaatst als de genoemde lof en afkeuring van de “consumptiemaatschappij”. Dat vraagt om nadere toelichting.

 Over de ideologieën over consumptie en consument in de markteconomie ( het ophemelen van het kapitalisme tot “welvaartsmaatschappij” en de inzet van de “consumentenmacht” tegen de “overvloedmaatschappij” en haar “uitwassen”) lees verder in: Gegenstandpunkt 2-2010
 

 

Verkiezingen

dinsdag, juni 1st, 2010

Het democratische hoogtepunt nadert: de burgers worden naar de stembus geroepen om ambtsdragers te kiezen, d.w.z. de uitoefening van macht aan hen toe te vertrouwen. Daarvoor krijgen de kiezers personele en partijpolitieke alternatieven aangeboden waartussen ze hun keuze kunnen maken. Als ze dan op een partij of kandidaat stemmen, mogen ze de meest uiteenlopende motieven hebben, het komt op hetzelfde neer: ze machtigen een politicus soeverein de belangen van de staat door te drukken – ook tegen de belangen van zijn kiezers. De kiezer prefereert het ene boven het andere partijprogramma, stemt op de partij of persoon die hij competenter of sympathieker dan de andere vindt, in elk geval stemt hij daarmee in dat hij geregeerd wordt; ja, door te stemmen geeft hij als het ware de opdracht daartoe. En niets anders wordt van hem verwacht: tijdens de verkiezingsstrijd en eigenlijk voortdurend wordt hij gestimuleerd zijn ontevredenheid (over de van overheidswege gestichte orde, over werkgevers en werkgelegenheid, armoede en rijkdom, oorlog en vrede, ziektekosten en huur, salaris en bijstand…, over zijn maatschappelijke tegenslagen en mislukkingen) te vertalen naar de behoefte aan een goede en betere regering; opdat hij op die mensen stemt wie hij in staat acht goed te regeren. Kortom: de kiezers beschouwen de verkiezingen als aanbod en kans om in hun eigen belang invloed te nemen op de politiek –  wat op z’n minst gezegd een grove (en blijkbaar onuitroeibare) misvatting is, want in feite doen ze het tegendeel: ze geven de politiek periodiek een vrijbrief.

Over de uitslag wordt niet gecorrespondeerd, hij staat vast en is honderd procent voorspelbaar: de burgers hebben een macht boven zich gekozen en die heeft een programma en een oud of nieuw gezicht; men mag weer mopperen en moet weer gehoorzamen, maar een legislatuurperiode is zo voorbij.

Zie uitvoerig in: Het volk III

De euro en het wereldvalutasysteem

donderdag, mei 27th, 2010

De financiële crisis begint aan haar volgend hoofdstuk en ruïneert instanties die tot nu toe als machtige redders van de banken en de conjunctuur zijn opgetreden: soevereine staten en valuta’s verliezen hun kredietwaardigheid – niet alleen, maar vooralsnog vooral Griekenland.

Een daad van speculatie doet de wereld alweer schokken en verschaft een stuk duidelijkheid over de kapitalistische wereld: over het moderne geld, over de fundamenten van de financiële macht van de staten, over het imperialisme binnen de Europese Unie (EU) en over de gewaagde constructie van een Europese wereldvaluta zonder Europese wereldmacht – en wat vertellen regeringen en media het publiek over de dramatische gebeurtenissen? Uitsluitend onzin, nationalistische opschepperij en imperialistische brutaliteit.

– “De Grieken moeten de schuld bij zichzelf zoeken”, zegt men; ze zouden boven hun stand hebben geleefd; te veel geĂŻmporteerd en geconsumeerd, te weinig gewerkt en geĂ«xporteerd. De balans van de buitenlandse handel heeft echter twee kanten! De succesvol exporterende landen behalen exact zo veel overschotten als andere landen tekorten ophopen, daar ze niet opgewassen zijn tegen superieure kapitaalmacht en vechtprijzen. Het Griekse faillissement is het spiegelbeeld van bijvoorbeeld het Duitse of Nederlandse exportsucces. De EU-binnenmarkt is geen coöperatieproject ter wederzijdse ondersteuning van buurvolkeren, maar het strijdtoneel waar elke natie voor haar kapitaalgroei tracht te profiteren van de partners. Tegenover de winnaars staan onvermijdelijk verliezers.

– “De Grieken kunnen hun schulden niet terugbetalen”, luidt een verwijt. Alsof er ook maar een staat is binnen en buiten de EU die dat zou kunnen. Alle lossen hun schulden af door nieuwe te maken. En steeds maken ze meer nieuwe schulden dan oude af te lossen. De nood van de Grieken bestaat daaruit dat ze geen koper meer vinden voor hun staatsschulden. FinanciĂ«le kapitalisten beschouwen de Griekse staat niet langer als betrouwbare rente-machine – en presenteren hem de rekening.

– “De Grieken moeten hun probleem zelf oplossen; hun schulden zijn niet de onze.” Onzin. Het Griekse bankroet beschadigt al lang de euro. Griekse en EU-schulden zijn immers niet meer te scheiden als ze in dezelfde valuta voorkomen. De Europese partners vragen zich in feite alleen nog af waarmee ze de euro meer beschadigen: als ze een staatsbankroet in de eurozone toelaten, of als ze hem door noodkredieten voorkomen. Hoe dan ook: het Griekse onvermogen schulden tegen acceptabele rente aan de markt kwijt te raken, demonstreert het wantrouwen van de globale financiĂ«le kapitalisten tegen Europa en zijn geld.

– “Als “wij” de Grieken toch helpen, dan onder strenge bezuinigingsvoorwaarden en met volledige controle over hun staatshuishouding.”

Vooral kanselier Merkel treedt op als de baas in het Europese huis: “wij” zijn nodig als geldgevers, “wij” hebben de middelen dus “wij” bepalen. Ze gebruikt de crisis – waarvan ze  allerminst weet hoeveel die nog intact laat van de Duitse kredietmacht – als kans om de onderschikking van de partners onder het Duitse financiële toezicht te bespoedigen en hun soevereiniteit af te kopen. Zo gezellig gaat het er aan toe in “ons” Europa – en zo rechtvaardig: Duitsland mag zijn net oplevende conjunctuur geenszins kapot bezuinigen: “wij” moeten ordentelijk nieuwe schulden maken opdat “wij” sterker en met meer concurrentiekracht uit de crisis komen. Voor de Grieken geldt het tegendeel: die moeten hard bezuinigen en nog veel armer worden dan ze toch al zijn om hun staatsuitgaven aan te passen aan hun impotente economie.

P.S.

In alle landen hetzelfde beeld als in Griekenland: de armoede van het volk moet de kredietwaardigheid van de staat herstellen. Natuurlijk: door volksverarming wordt het kapitaal niet per definitie succesvol; maar door zo met zich te laten omspringen, bewijst het volk zijn loyaliteit en het functioneren van de politieke macht; en zolang die onaangevochten is, lukt het haar wellicht ooit het volk (weer) nuttig en lonend te maken voor het kapitaal.

Uitleg over “Het nieuwe Europa in de crisis” in Gegenstandpunkt 1-2010

Griekenland en de euro

woensdag, mei 5th, 2010

Hoe komt het toch dat een land als Griekenland, dat kort geleden nog werd gezien als economisch succesverhaal, nu ondanks EU-lidmaatschap en euro op de rand staat van het staatsbankroet? Het economische doel van de EU naar binnen was en is op Europese schaal uniforme, door nationale reguleringen zo min mogelijk belemmerende concurrentievoorwaarden voor het kapitaal voort te brengen. Ondernemingen moeten met hun concurrentiemacht op de gehele EU-markt kunnen ageren. En de EU- staten moeten van de sterke economische groei profiteren die zo tot stand dient te komen. Zwakkere lidstaten krijgen subsidies ter modernisering van hun economie en infrastructuur, opdat ook zij zich kunnen ontwikkelen tot rendabele kapitaalvestigingsplaatsen op de binnenmarkt.

Op deze manier werd ook Griekenland tot een lucratief zakengebied. Binnen- en buitenlandse banken konden hun Griekse zaken in de gemeenschappelijke valuta doen. De toegang tot krediet van de Europese Centrale Bank breidde hun kredietvolume aanzienlijk uit. Europese concerns namen dankzij hun superieure kapitaalgrootte en productiviteit Griekse ondernemingen en hun marktaandelen over, verdrongen als handelsketens met hun supermarkten de kleine Griekse winkels en maakten het land tot hun afzetmarkt. Dat alles is echter iets anders dan een prospererende kapitaalvestigingsplaats, wellicht de belangrijke basis voor zaken van het Europese kapitaal met het Nabije Oosten, zoals de Griekse staat van zijn EU-lidmaatschap had verwacht. Gezien het uitblijvende zakensucces van de Griekse economie op de EU-binnenmarkt was het alleen maar logisch dat de regering zich de euro als nationaal kredietgeld ten nutte maakte. Dankzij de euro-sterkte kon de Griekse staat de bevordering van de economie en het creëren van werkgelegenheid via zijn staatshuishouding zelf in de hand nemen. Bovendien wist Griekenland door grootschalige wapenaankopen, vooral in Duitsland, ook zijn rol als betrouwbare NAVO-partner te benadrukken.

Aan het feit dat de Griekse boekhouding iets te creatief was, werd tegen de achtergrond van de politieke betrouwbaarheid en voorbeeldige economische groeipercentages helemaal geen aandacht geschonken. Ook het financiële kapitaal stoorde zich niet aan dit soort boekhoudkundige “trucs” en kocht gretig Griekse staatsobligaties die vanwege hun toprating bij de ECB konden worden gedeponeerd en daarom als goede geldinvestering werden beschouwd.

Als Griekenland nu zijn kredietwaardigheid dreigt te verliezen, dan heeft dat ook weinig te maken met de Griekse financiële manieren. Dat is veeleer het gevolg van het financiële crisismanagement van de VS en de EU-staten die hun financiële branche in de financiële crisis door immense extra staatsschulden hebben gered. In deze alzijdige uitbreiding van de staatsschulden en in de uiteenlopend grote disproportie van schuldenbergen en economische groei in de EU-staten hebben de net geredde banken en hun ratingbureaus ironischerwijze het volgende grote financiële risico ontdekt. En bij hun kritische herbeoordeling van de kredietwaardigheid van alle in de schulden zittende overheden ook binnen de euro-zone wordt nu eenmaal het land met de meest ongunstige schulden-groei-verhouding het eerste slachtoffer dat over de kling wordt gejaagd.

Dat zegt weinig over Griekenland, maar des te meer over de tegenstrijdige constructie van de Europese Monetaire Unie. De basis van de euro als gemeenschappelijk geld is het krediet van de gehele euro-zone; het schulden maken van de EU-staten valt echter onder hun nationale soevereiniteit. Ze bevorderen met hun staatsbegroting en staatsschulden hun respectievelijke eigen economie opdat die zich handhaaft op de gemeenschappelijke binnenmarkt.

Zodoende wordt het continent op nietsontziende wijze verdeeld in succesvolle en tegenvallende kapitaalvestigingsplaatsen. Want doordat elke EU-staat probeert om zijn natie zo winstgevend mogelijk in te richten, betwisten alle staten elkaar de opbrengsten uit de kapitaalaccumulatie in hun Unie waarmee ze moeten instaan voor hun schulden en het gemeenschappelijke geld. Door hun onderlinge concurrentie torpederen de staten in de Monetaire Unie de voorwaarden waarop hun gemeenschappelijk kredietgeld berust. Elke natie moet gelijkwaardig met alle andere en door een ongeveer gelijke verhouding tussen schulden en groei garant staan voor de stabiliteit van dit geld. Tegelijkertijd tracht elke natie met haar staatsschulden economische groei voor zich en tegen alle andere leden van de euro-zone te creëren – onderling concurrerend willen alle euro-staten hun eigen voordeel behalen. En uitgerekend dat moet de speculanten in banken en beurzen ervan overtuigen dat de gemeenschappelijke euro een zekere en stabiele valuta is waarin men graag investeert?

Zo wordt de verdediging tegen de anti-euro-speculatie zelf het onderwerp van een harde concurrentie om de kwestie wie daarvoor de kosten heeft te dragen. Daarvan is momenteel (niet alleen) Griekenland de dupe; pech voor Griekenland dat het zich net in een situatie bevindt waarin het als demonstratieobject kan dienen: alles waarvan de mensen in dit land tot nu toe hebben geleefd, moet opgeofferd worden om de staatsschulden de schijn van onbetwistbare stabiliteit te verschaffen en zo de gemeenschappelijke munt voor schade te behoeden.

Dat de euro zijn onbeperkte bruikbaarheid bewijst als een valuta waarin zo veel mogelijk accumulatie van het mondiale financiële kapitaal plaatsvindt, daarvoor is in de euro-staten geen offer te groot – natuurlijk het offer van degenen die toch al geen andere maatschappelijke taak hebben dan door hun werk het in euro luidende kapitaal te vermeerderen. De werknemers krijgen voorgerekend dat “hun euro” in hun handen altijd te veel is, dat hun lonen te hoog zijn en hun AOW-aanspraak te duur is, dat ze langer moeten werken en de buikriem moeten aanhalen omdat hun consumptie, dus de uitgaven voor hun dagelijks bestaan de stabiliteit van de euro zou bedreigen.

Wat de toonaangevende Europese leiders in hun landen, onder daadkrachtige medewerking van de vakbonden, succesvol hebben doorgedrukt, namelijk de onvoorwaardelijke offerbereidheid van hun eigen volk voor de kredietwaardigheid van de naties en de kapitalistische sterkte van hun geld, dat eisen ze nu van de Griekse regering: de radicale verarming van haar volk – en wel met exemplarische ruwheid opdat de andere twijfelgevallen uit de euro-zone, de kandidaat-bankroetiers Portugal, Ierland, Spanje, Italië onmiddellijk begrijpen dat ook zij geen andere keuze hebben dan het onvermijdelijke pan-Europese volksverarmingsprogramma ter redding van de euro als middel van het financiële kapitaal.

Een excurs over het thema: staatsbankroet in Het financierskapitaal III

Opmerkingen over het Griekse staatsbankroet

vrijdag, maart 19th, 2010

1. Het bankroet van Griekenland is, wat het land zelf betreft, de “straf” voor het feit dat het tot de EU inclusief Monetaire Unie is toegetreden en aan de daarmee verbonden eisen aan zijn nationale economie heeft voldaan.

2. Het bankroet van Griekenland is, wat zijn actuele reden en zijn imperialistische betekenis betreft, de eerste “straf” die de financiële branche uitdeelt aan de EU-staten voor de enorme kosten ter redding van de financiële sector en een eerste duidelijke aanwijzing dat de Monetaire Unie en haar geld gekenmerkt wordt door een onoplosbare tegenstrijdigheid.

3. Om het voortbestaan en het verdere functioneren van het euro-systeem te waarborgen, spreken de leidende mogendheden van de Unie de politieke en economische inhoud van de Griekse financiële crisis gedecideerd tegen: “de markten” moeten overtuigd worden dat het faillissement van Griekenland een geïsoleerde gebeurtenis is en door een betere begrotingspolitiek valt op te lossen. De Grieken staan voor de onmogelijke taak hun staat door de verarming van het volk weer kredietwaardig te maken.

*

De realisering van het complexe programma waarmee Griekenland elke anti-euro-speculatie dient af te weren, is net zo simpel als wreed: alles waarvan de mensen in dit land tot nu toe hebben geleefd, is op te offeren om de staatsschulden de schijn van onbetwiste houdbaarheid te geven en zo de gemeenschappelijke munt voor elke schade te behoeden.

Er zijn her en der sommige twijfels gerezen of de Griekse regering erin slaagt deze moeilijke opdracht te vervullen. Natuurlijk niet wat haar wil betreft: dat ze de EU-eisen uit eigenbelang moet nakomen, heeft de regering in Athene zonder meer ingezien. Maar men maakt zich zorgen over het volk. Dat heeft bij zijn rondkomen in de traditionele ellende niet simpelweg alle offers aanvaard, die zijn regering ook al voor haar bankroet en zonder uitdrukkelijk EU-bevel heeft opgelegd. Er bestaan naar verluidt sterke vakbonden die een algemene staking kunnen organiseren, waardoor het land gedurende enkele dagen plat ligt; er lijken zelfs, onvoorstelbaar!, communisten rond te waren. En vooral: veel volk protesteert onder linkse leiding tegen speculanten en EU-politici die het land chanteren.

Het is echter zo:

Ten eerste heeft dit land zich zelf “chanteerbaar” gemaakt. De staat heeft zich bediend van de speculatie op zijn euro-schulden ter financiering van zijn begroting; hij heeft gebouwd op de macht van de EU als middel voor nieuwe economische en politieke potenties. Met zijn nationalisme heeft Griekenland Europa als kans gegrepen voor nationale opbloei en zich zodoende afhankelijk gemaakt van degenen die het nu zo slecht behandelen.

Ten tweede is deze staat allerminst onderhevig aan “chantage”, daar zijn vertegenwoordigers juist daarin hun nieuwe nationale kans zien: in de dictaten van de EU die het Griekse krediet moeten redden; en in de financiële markten waarvan de hoofdrolspelers net demonstreren uit welk hout ze gesneden zijn: ze riskeren met hun speculaties eerder de ruïnering van hun eigen zakelijke basis dan af te zien van een zaak – omdat ze (terecht) ervan uitgaan dat de regeringen, waarmee ze hun speculatieve zaken doen, eerder de bestaansmiddelen van hun volk decimeren dan dat ze een bedreiging van de zakelijke basis van het financiële kapitaal toestaan.

Ten derde laat een moderne democratische staatsmacht zich weliswaar door alle belangen “chanteren” waaraan ze de status van een objectieve dwang toekent, die ze dus zelf in werking stelt – maar door haar volk laat ze zich zeker niet “chanteren”. Alleen daarom al niet omdat het volk heel iets anders beoogt dan zijn overheid het mes op de keel te zetten – laat staan met zo’n onverbiddelijkheid als de ware profiteurs van het ware staatsnationalisme. Dat geldt ook voor de protesterende Grieken. De economische basis van de eigen regering af te schaffen, zijn ze niet van plan, integendeel: ze protesteren voor hun natie die zich zo extreem afhankelijk heeft gemaakt van de EU en de euro-speculatie. Tussen de noodtoestand waarin het land zich bevindt en de diepe nood die de regerenden hun volk in het vooruitzicht stellen, plaatsen ze een groot gelijkheidsteken. Als Grieken moeten allen – AOW-ers, dagloners of regeringslieden – eensgezind optreden tegen de buitenlandse chanteurs. Een dergelijk volksprotest is niets anders dan een patriottisch statement. In het belang van het grote geheel accepteert men bereidwillig elk offer. De verantwoordelijken moeten hun volk alleen nog overtuigen van de noodzaak van verarming.

*

Het Nederlandse volk moet kennelijk nauwelijks overtuigd worden. De professionele meningvormers van het land hoeven alleen maar hun hetze tegen “mediterrane luiheid” rond te strooien – en het publiek kiest onmiddellijk partij. In feite voor de zaken van zijn chefs, economische leiders, speculanten, politici, EU-machthebbers. In zijn voorstelling tegen “de verwende Grieken” die niets beters verdienen dan radicale verarming. Met zo’n mengsel van hardvochtigheid en ignorantie kan een braaf volk blijkbaar beter uithouden hoe zijn chefs met hem omspringen, opdat het niet zo ver komt als in Griekenland.   

Een uitvoerige uitleg over het Griekse staatsbankroet in: Gegenstandpunkt 1-2010