Honger en armoede in de Derde Wereld
De VN-organisatie voor Voedsel en Landbouw (FAO) constateert met regelmaat dat het aantal hongerlijders in de wereld weer eens gestegen is. Volgens de FAO-schatting lijden tegenwoordig 850 miljoen mensen honger of zijn ondervoed, meer dan 800 miljoen in de Derde Wereld, 35 miljoen in de transformatielanden en 10 miljoen in de industrielanden. Ook het laatste rapport “The State of Food Insecurity in the World” (2005) trekt de conclusie dat de bestrijding van de honger een terugslag heeft gekregen. Wat is er misgegaan?
- Critici die handel en verkeer van de wereldeconomie in verband brengen met rechtvaardigheid als economische doelstelling hebben de globalisering en de World Trade Organisation (WTO) als onderdrukker en uitbuiter van de Derde Wereld ontdekt. Zij achten hen verantwoordelijk voor de armoede van de naties (presidenten en paupers in hetzelfde schuitje!). Tijdens WTO- en andere topconferenties mengen zij zich met demonstraties in het beraad van de wereldleiders en ze zijn niet zuinig met goede raadgevingen, namelijk hoe men een fair-trade-functioneren van de internationale handel zou kunnen bewerkstelligen; op hun wensenlijst staan schuldenkwijtschelding, afschaffing van invoerrechten, controle van kapitaalstromen etc., alles onder de leus: weg met de uitwassen van de mondiale markteconomie, “op weg naar een betere wereld!”
- Hun verontwaardiging uit naam van de hongerlijders demonstreert echter slechts een ding: de onuitroeibare en door geen walging gestoorde honger naar een geloofwaardig positief nut van de wereldeconomie: uitgerekend geweld en geld, kapitaal en krediet zouden - eigenlijk - wereldwijd het transport en de verdeling van allerlei goederen beogen.
- Mensen die aan de negentiende eeuw denken als zij loonarbeid en klassen horen en uitbuiting met seks en consumptie associëren, hebben nu eenmaal niets aan te merken op de normaliteit van het wereldwijd agerende kapitalisme. Zij willen eenvoudigweg niet weten welke ordinaire gevolgen het recht op eigendom en het geld teweegbrengen, zelfs de armzaligste valuta van een geruïneerd land. In plaats van verbeteringsvoorstellen, Live-Aid concerten of inzamelingsacties een korte uitleg:
1. Honger lijden moet de bevolking in de beruchte hongergebieden niet op grond van gebrek aan levensmiddelen of productietechniek, maar omdat zij hiervan is afgesneden door de van overheidswege gegarandeerde heerschappij van het privé-eigendom.
Niet vanwege een mislukte oogst, ongunstig klimaat, gebrekkige natuurkennis of tekort aan levensmiddelen moeten de mensen in de “ontwikkelingslanden” hongeren. Honger wordt daar geleden in winkelstraten, naast gevulde pakhuizen en kleurrijke markten. De meesten hebben simpelweg geen geld om in het genot van voedsel, laat staan van gezondheidszorg, onderdak en onderwijs te komen. De benodigde rijkdom is er kennelijk ruimschoots voorhanden, maar buiten hun bereik in handen van bezitters die hun bezittingen van prijskaartjes voorzien en alleen tegen geld kwijt willen. Deze uitsluiting wordt wereldwijd door de zegenrijke heerschappij van het privé-eigendom bewerkstelligd die elke staat, zelfs de “armste”, door zijn wetgeving, dus door geweld voor iedereen verplichtend verklaart - tot in de uithoeken van Afrika. Uit plunderingen blijkt ten eerste dat er levensmiddelen voorradig zijn, dat ten tweede het gezag ervoor zorgt dat de hongerlijders hierover niet mogen beschikken en dat zij ten derde dit verbod alleen gewelddadig kunnen negeren.
2. Door de heerschappij van het privé-eigendom worden de mensen niet slechts van de bestaande maatschappelijke rijkdom gescheiden, maar ook van de productiemiddelen, de bronnen van rijkdom.
Hun benarde situatie heeft uiteraard niets te maken met “fatalistische lethargie” of ontbrekende “productieprikkels”; zij hebben gewoon geen toegang tot de basis voor een bescheiden bestaan: de grenstrekkingen van staten en grondbezitters beperken de trekroutes van nomaden, vruchtbare landbouwgrond heeft een eigenaar en een hek, zodat alleen de slechtere grond voor het overleven overblijft. Elders worden zij door het staatsgezag verdreven omdat plantages, mijnen of stuwdammen voor investeerders goede zaken beloven. En ook als traditionele handwerkers die voor de markt produceren, moeten zij ondervinden dat zij de noodzakelijke productiemiddelen ontberen om met de geïmporteerde producten uit de industrielanden te kunnen concurreren. Het resultaat zijn verpauperde en hulpeloze massa’s zowel in de slums van de metropolen als in de jungledorpen. Wie durft begeeft zich in levensgevaar om werk te vinden. Als vluchtelingenprobleem bevolken zij de achterstandswijken van “het Noorden” en worden, als ze geluk hebben, meedogenloos uitgebuit of, als ze pech hebben, teruggestuurd. Hun ellende wordt door de heerschappij van het privé-eigendom geproduceerd en blijvend in stand gehouden.
3. Omdat zij over geen middelen beschikken, moeten de mensen zich als middel beschikbaar stellen.
Hoe dringend zij er ook op aangewezen zijn - het is helemaal niet afhankelijk van hun werkwilligheid of zij de kans krijgen in dienst te treden van een onderneming. Daarover beslist de winstcalculatie van de ondernemer; erbarmelijke arbeidsvoorwaarden en lonen zijn dus gewaarborgd. Bovendien heeft hij slechts een fractie van de massa nodig, de rest mag als overbevolking de uitgeputte landschappen en onbruikbare woestenijen bevolken of op vuilnishopen subsisteren. De winstberekeningen van de globaal actieve ondernemers bepalen tegenwoordig het lot van de samenlevingen; bijgevolg biedt de beste van alle mogelijke werelden plaats aan landen waar weliswaar geld en privé-eigendom gelden maar geen zakenleven tot stand komt en derhalve geen overleving (Somalië, Ethiopië, Nepal…), grondstoflanden waar meer bodemschatten dan arbeiders uitgebuit worden, drempellanden waar arbeidskrachten tegen hongerlonen sommige zaken rendabel maken enz. De massa’s hebben de pech dat zij wereldwijd door de heerschappij van het privé-eigendom tot het lot van loonarbeiders veroordeeld zijn, zonder dat er vraag naar hen bestaat. Hun overleven en overlijden wordt bepaald door ondernemers die al dan niet arbeidskrachten nodig hebben.
4. De armoede zowel hier als in de ontwikkelingslanden is het gevolg van hetzelfde principe.
In de industrielanden kan de mens zonder eigendom normaliter overleven door te werken voor andermans eigendom. De verschillen met de “verdoemden der aarde”, van voeding tot gezondheid, zijn onmiskenbaar. De één verhongert, de ander kan op de kleurentelevisie toekijken. Ondanks dit enorme verschil is hun economische situatie dezelfde: beiden kunnen slechts leven als het kapitaal hen bruikbaar en nuttig vindt. Daarom sterft de één de hongerdood terwijl de ander een loon verdient, dat voor een goed bestaan nooit voldoende is.*
* De verklaring van de armoede en ellende in de Derde Wereld zal diegenen teleurstellen die niet naar de reden van de armoede maar naar de reden van de excessieve armoede vragen, de overmaat aan armoede als schandalig bekritiseren en naar oorzaken zoeken voor de afwijking van de vermeende normaliteit. Zo’n vraagstelling is populair bij solidariteitsgroepen, antiglobalisten en kerkelijke bewegingen; een meewarig protest dat niet verklaart maar vergelijkt: de “welvaart” hier met de verschrikkelijke ellende daar.
- De verschillende levensstandaarden en sterftecijfers van de bevolkingen in de westerse industrielanden en de Derde Wereld komen op basis van hun gelijkheid tot stand: beiden kunnen slechts leven als zij voor het kapitaal leven. Dat de één loon verdient, waarvan hij min of meer kan rondkomen, en de ander verhongert, heeft dezelfde reden. In een vergelijking lijkt de loonarbeider uit de westerse industrielanden rijk omdat hij vergeleken wordt met de hongerlijder uit de Derde Wereld (hij mag zelfs op vakantie de armoedzaaiers bezichtigen en zichzelf rijk wanen).
- Wie meent dat de Derde Wereld iets nodig heeft opdat er net zo dragelijke toestanden heersen als in de westerse industrielanden, die weet uiteraard ook al wat: kapitaal - het in de kapitalistische wereld onmisbare levensmiddel van de wereldbevolking; wat belet deze weldoener de nood op drie continenten te lenigen? Attac en dergelijke antiglobalisten weten het antwoord. Vanuit de optiek van dit soort critici ontstaan armoede en ellende dus niet door de heerschappij van het kapitaal maar vanwege een gebrek aan kapitaal; deze logica geldt tegenwoordig als “links”.
- Wanneer een gebrekkig of ontbrekend kapitalisme als reden voor de extreem grote ellende in de ontwikkelingslanden wordt beschouwd, dan krijgt het kapitalisme een doelstelling toegedicht die het niet heeft: als het goed en “fair” zou functioneren, zou het de wereldbevolking van consumptiemiddelen moeten, willen en kunnen voorzien. Een verdraaid wereldbeeld: het kapitalisme als ontwikkelingshelper!
- Als de mensen definitief en alomvattend aan de orde van het privé-eigendom onderworpen zijn en niemand meer leven kan als hij niet voor het kapitaal leeft, dan komen wereldverbeteraars in actie die dit vervelende feit omgekeerd zien: verwijzend naar deze alternatiefloze afhankelijkheid, verklaren zij het kapitaal tot natuurconstante normaliteit, tot levensmiddel van de mensheid.