Honger en armoede in de Derde Wereld

Waarom zijn de mensen in de ontwikkelingslanden zo arm?

 

1.

De mensen in de ontwikkelingslanden zijn arm omdat ze buitengesloten zijn van de rijkdom die ten eerste überhaupt en ten tweede ook in die landen bestaat. De tijden zijn voorbij waarin mensen moesten hongeren en overlijden omdat wegens misoogsten, gebrekkige beheersing van de natuur, onvoldoende geneeskundige kennis de middelen ter vervulling van de dringendste behoeftes ontbraken. Tegenwoordig hongert men voor de deuren van volle magazijnen. Elke televisiereportage laat zien dat wel degelijk rijkdom voorhanden is: alleen al het equipment, de heenreis van de tv-ploegen die over de honger berichten en de satellieten voor het uitzenden van de beelden in de metropolen kosten meer dan het zou kosten de hongerenden eten te geven. Zelfs de VN-voedsel- en landbouworganisatie (FAO) vermeldt dat er op de wereld voldoende levensmiddelen zijn om alle mensen te voeden; en vanzelfsprekend zou men zo nodig nog veel meer ervan kunnen produceren. Er wordt dus alleen maar gehongerd omdat er geen geld is om de voorhanden levensmiddelen te kopen; hetzelfde geldt voor de minder levensbedreigende vormen van armoede: het gebrek aan fatsoenlijk onderdak, geneeskundige verzorging, opleiding en andere consumptiegoederen. Debet aan de versperde toegang tot de rijkdom is het privé-eigendom. Deze rechtsinstelling van het kapitalisme vigeert tegenwoordig in elke uithoek van de aarde. Elk stuk natuurlijke en geproduceerde rijkdom is in iemands bezit. Overal is er een staatsmacht die sommige burgers het recht verleent over de materiële rijkdom naar goeddunken te beschikken en alle andere burgers, die deze rijkdommen ook nodig hebben, de toegang ertoe verbiedt. Als er in Afrika altijd weer voedselvoorraden worden geplunderd, blijkt daaruit niet alleen dat er iets te halen valt, maar dat de hongerenden niet mogen nemen waar ze behoefte aan hebben.

2.

De aan het privé-eigendom inherente buitensluiting van de rijkdom heeft zo’n ernstige uitwerking doordat de armen behalve van de geproduceerde consumptiemiddelen tevens gescheiden zijn van de bronnen van rijkdom zelf, van de productiemiddelen en dus van de arbeidsinstrumenten waarmee ze zouden kunnen produceren wat ze behoeven. Zowel de grond als de geproduceerde middelen ter productie – werkplaatsen, machines, grondstoffen – zijn allemaal in het bezit van anderen, de zogenoemde rijken. De scheiding van de mensen van hun productiemiddelen neemt in uiteenlopende landen van het zuiden uiteenlopende vormen aan, het resultaat is altijd hetzelfde: nomaden kunnen niet doorgaan met hun levenswijze, het noodzakelijke wisselen van wei van hun kuddes, wanneer grondbezitters hekken plaatsen en staten grenzen trekken. Elders worden kleine boeren van de enigszins vruchtbare bodem verdrongen ten gunste van grootschalig mijnwezen, stuwdammen of plantages die voor de wereldmarkt produceren. Op dorre velden, die hun staat hen gunt omdat geen economisch potent belang daarin geïnteresseerd is, vechten ze zonder de nodige techniek, dikwijls zonder geschikt gereedschap om hun dagelijks brood. Op andere plaatsen maken de traditionele kleine ambachtslieden, wevers, kleermakers, leer- en metaalbewerkers, hoe goedkoop ze ook werken, geen kans tegen de industrieproducten van de wereldconcerns. Ze hebben immers geen toegang tot de productiemiddelen die thans onmisbaar zijn om mee te doen aan de concurrentie om koopkracht. Dergelijke mensen zijn zonder middelen en hulpeloos. Ze kunnen het broodnodige werk niet verrichten en zich de middelen voor hun levensonderhoud niet verschaffen. Daaruit blijkt al dat dit alles met vlijt en luiheid niets te maken heeft: miljoenen mensen in de derde wereld vechten verbeten en met weinig succes om een fatsoenlijk bestaan. En de velen die vluchten – het bekende vluchtelingenprobleem – en op zoek naar overlevingskansen in de slums van de grote steden van het noorden terechtkomen, getuigen al helemaal niet van luiheid. Ze begeven zich in levensgevaar om werk te vinden en worden, als ze geluk hebben, meedogenloos uitgebuit, en als ze pech hebben teruggestuurd. Anderen berusten kennelijk in het opgelegde nietsdoen – natuurlijk niet omdat honger lijden zo prettig is, maar omdat de scheiding van de productiemiddelen maakt dat elke inspanning al bij voorbaat gedoemd is te mislukken. Deze mensen worden dan door de morele volksopvoeders op de korrel genomen; hun passiviteit, indolentie, ja verwaarlozing die uit economische hulpeloosheid en niet te overwinnen ellende resulteren, worden uitgelegd als de – zelf veroorzaakte – oorzaak van de ellende. Tegen zo’n cynisme kan wellicht een zelfreflectie helpen: niemand zal vermoedelijk zo lui zijn en liever (ver)hongeren dan moeite te doen om aan de noodzakelijke middelen te komen – mits er een reële kans bestaat voor zijn levensonderhoud te kunnen werken.

3.

De staten van de derde wereld zijn allesbehalve de dupe van de nood van grote delen van hun volk; wat dat betreft zijn ze geen lijdzame slachtoffers. Als ze hun volkeren aan de heerschappij van het eigendom onderwerpen, verwerkelijken ze geen soort dwang die voortkomt uit het kolonialisme, maar willens en wetens hun hedendaagse moderne raison: ze bouwen voor de vooruitgang van hun macht en hun rijkdom op de productiviteit van de armoede; ze maken hun burgers doelbewust onzelfstandig en verplichten hen zich aan de eigenaren van de productiemiddelen aan te bieden als instrumenten van hun winsten. Geld verdienen door loonarbeid moet het enige toegestane bestaansmiddel van het volk zijn, opdat het zo niet enkel in zijn eigen levensonderhoud voorziet, maar de eigenaar van de productiemiddelen een winst verschaft waarvan ook de staat zijn aandeel krijgt. Of en in welke mate dit levensonderhoud tot stand komt, is echter een andere kwestie. Dit hangt niet af van de wens van de staat naar zo veel mogelijk “werkgelegenheid”, laat staan van de behoefte van werkzoekenden om geld te verdienen. Of ze daarvoor de gelegenheid krijgen, beslissen uitsluitend de calculaties van degenen die de productiemiddelen bezitten: ze laten arme mensen voor zich werken, het passende aantal voor een passend loon, voor zover hun rijkdom daardoor groeit. Dit is het verschil tussen de armste subsistentie-boer en de moderne loonarbeider: de boer gebruikt zijn bodem en zijn primitief gereedschap in zijn eigen belang; de loonarbeider wordt in andermans belang gebruikt. Noch door vlijt, noch door de bereidheid voor zeer weinig geld te willen werken, kunnen de van de productiemiddelen gescheidenen “afdwingen” dat ze gebruikt worden. Dit hangt volledig af van de zaken van de eigenaren die van land tot land verschillen, maar in het geheel van dien aard zijn dat altijd slechts een fractie van de werkzoekenden een baan vindt.

4.

De ware “werkgevers” zijn tegenwoordig sowieso de globaal disponerende concerns. Ze vergelijken wereldwijd de rendementen die ze uit hun kapitaalinvestering kunnen verwachten, investeren hun geld zonder vooroordeel overal onder het aspect van de grootste opbrengst – en sorteren zodoende de wereld.

In landen van de zogenaamde vierde wereld, Somalië, Ethiopië en andere, ontdekt het internationale winstbelang vrijwel niets bruikbaars. In deze landen bestaat nagenoeg geen economisch leven, geen productie van het noodzakelijke en nauwelijks een overleven. Uit een wereld waar alles te koop is maar ook moet worden gekocht, worden vanzelfsprekend zelfs deze landen niet ontslaan. Een paar dollars komen daar in elk geval tot stand, ook daarheen kan men nog verkopen; en als voorwaarde van de mogelijkheid van toekomstige zaken moeten de grond en wat er daarnaast nog is natuurlijk privé-eigendom zijn en blijven.

In landen die ten onrechte ontwikkelingslanden heten, richt zich het zakenbelang meestal op specifieke natuurvoordelen: er wordt kapitaal geïnvesteerd in de productie van zuidvruchten voor de wereldmarkt, zogenoemde cash crops (geldgewassen!), in de exploitatie van bodemschatten of in het verzilveren van landschappelijke schoonheid door de toerisme-industrie. In deze gevallen wekt niet de nationale arbeidskracht het interesse van  internationale kapitalisten, maar bijzondere natuuromstandigheden. Afgezien van de weinigen die in de mijnbouw, plantage-economie en voor de bediening van toeristen gebruikt worden, kan het globale zakendoen niets aanvangen met de lokale bevolking: ze vormt samen met de bevolking in de eerstgenoemde landen de absolute overbevolking van het wereldkapitalisme. De lokale regeringen krijgen van hun machtige partners in het noorden de taak toegewezen hun nood lijdende massa’s op te sluiten in de nationale krottenwijken, dwz. te verhinderen dat ze naar het noorden emigreren en daar de sociale diensten lastigvallen.

In de zogenaamde drempellanden ontdekken de internationale concerns wel degelijk delen van het volk als goedkope arbeidskrachten die ze naast of ook in plaats van die in de metropolen uitbuiten. Ze verplaatsen delen van hun productie naar laagloonlanden, exporteren werktempo en productiviteit die ze in het stamland uit hun personeel halen, maar betalen slechts de ter plaatse gebruikelijke hongerlonen. De “arme” ontwikkelingslanden helpen mee. Ze bestrijden de armoede van de staat doordat ze hun mensen omvormen tot uiterst goedkope aanbieding voor het internationale kapitaal, elk verzet tegen de ellendige werkomstandigheden onderdrukken en met deze dienstverlening dingen naar investeringen van het buitenlandse kapitaal op hun territorium. Als in zulke landen soms alternatieve regeringen aan de macht komen die nationale vooruitgang anders opvatten en voor hun bevolking een andere rol beogen dan die van goedkope aanbiedingen voor het internationale kapitaal, dan stelt de coalitie van de vrije wereldmachten alles in het werk om dergelijke “sociale experimenten” te laten falen – desnoods via militaire interventies. Ondanks de door buitenlands en binnenlands geweld extreem laag gehouden lonen vindt ook in de drempellanden slechts een minderheid regelmatig en geregeld betaald werk. De meerderheid vormt het kapitalistische reserveleger dat alleen in uitzonderlijke groeifases het geluk heeft af en toe een baan te vinden. Of het maakt meteen deel uit van de absolute overbevolking.

Dat alles is in de geprezen industrielanden in principe niet anders. Ook daar zit een deel van de arbeiders permanent zonder werk en is niet slechts bedreigd door achteruitgang en ellende, maar getroffen. Ook in de hoogloonlanden is de armoede de basis en productiekracht van de economie. Daartoe bekent zich deze maatschappij onverholen wanneer politici, economische leiders en meningsvormers over veel te hoge lonen klagen en alle euvels – van economische crisis over tekorten in de staatshuishouding tot onbetaalbare sociale lasten en werkloosheid – wijten aan het hoge loon en door zijn verlaging willen overwinnen. De deskundigen hebben er geen probleem mee om onomwonden toe te geven dat de rijkdom van de maatschappij op de armoede van de werkenden berust; integendeel: ze bejammeren dat er nog altijd te weinig armoede heerst.

De meerderheid van de mensen heeft wereldwijd de pech door de macht van de maatschappelijke verhoudingen op een proletarisch bestaan aangewezen te zijn, maar als proletariërs niet te worden gebruikt. Over de kwestie: overleven of niet-overleven van de miljarden bezitloze mensen beslist het kapitaal met zijn vraag naar arbeid. Het definieert welke mensen een bestaansrecht hebben omdat ze voor zijn winst nodig zijn, en welke mensen volgens alle geldende maatstaven onnut, overtollig en een pure last zijn.

5.

De arbeiders in de centra van het wereldwijde kapitalisme worden openlijk verzocht in hun eigen armoede en de armoede in de derde wereld niet het gemeenschappelijke kenmerk te zien – de onderwerping van het levensonderhoud aan de rendementscalculaties van het kapitaal – maar in plaats daarvan te vragen waarom in schril contrast met “onze” behoorlijke  welvaart in de derde wereld zo’n schandalige overmaat aan armoede heerst. Dit soort vraagstelling is ook populair bij solidariteitsbewegingen, antiglobalisten en de christelijke kerken met hun collectes ten bate van derde wereld projecten. En het verschil op het gebied van gezondheid, levensverwachting en levensstandaard is inderdaad reusachtig: de mensen in de derde wereld verhongeren, de mensen in de eerste wereld kijken toe op de kleurentelevisie – en zijn blij dat het hen goed gaat, ten minste relatief. Sommige loonarbeiders van het noorden kunnen zich zelfs reizen veroorloven naar de regio’s van de pittoreske armoede en zich daar met hun vakantiegeld als heren gedragen. Maar dit verandert niets aan hun economische positie – en die hebben ze gemeen met de paupers door wie ze zich op vakantie laten bedienen. Hun verschil ontstaat op basis van hun gelijkheid: beiden kunnen slechts leven als ze voor het kapitaal leven. Vandaar dat de enen een loon verdienen waarmee ze met vallen en opstaan rondkomen, en de anderen verhongeren.

Wie echter de overmaat aan armoede in de derde wereld als het eigenlijke schandaal beschouwt, komt in een heel ander vaarwater terecht. Hij vergelijkt de situaties van de slachtoffers van het kapitaal en vindt de afwijking tussen noord en zuid onrechtvaardig: de loonarbeider uit de eerste wereld lijkt rijk omdat hij vergeleken wordt met de hongerlijder uit de derde wereld; omgekeerd lijkt de hongerlijder arm enkel door het vergelijk. Het protest dat van het vergelijk leeft en evenwicht eist, valt zeer bescheiden uit: het beschouwt de levensstandaard van goedkope loonarbeiders als een echte, wellicht overbodige luxe – en wenst voor de armen in het zuiden, met wie het solidair is, niet meer dan de troosteloze “subsistentie” die door de intrede van de wereldeconomie in hun landen vernield werd. Het vergelijk tussen de armoede hier en daar hanteert uitdrukkelijk of impliciet de maatstaf van leven en overleven kunnen – en dit in een wereld van rijkdom waar alles voldoende en meer dan voldoende voorhanden kon zijn.

Wie dus niet de opgelegde levenssituaties van loonarbeiders overal, maar de afwijking tussen hun levenssituaties aan de kaak stelt en de mate van ellende in de derde wereld als de te verklarende kwestie beschouwt, die onderscheidt een normaal, functionerend kapitalisme van een deficiënt, niet functionerend, abnormaal kapitalisme in het zuiden en vraagt waarom de ontwikkelingslanden ontberen wat het noorden heeft. Maar hoezo abnormaal? Er staat nergens geschreven dat het kapitaal de mensen – althans de meeste – die het aan zijn orde onderwerpt ook voor zijn geldvermeerdering moet aanwenden. Op globale schaal is dat toch al de uitzondering. Het zuiden ontbeert niets voor de wereldeconomische rol die het vervult in het wereldkapitalisme. Want er was alleen maar beloofd dat het eigendom eerst alle productie- en bestaansvoorwaarden monopoliseert en dan kijkt wat deze voorwaarden voor zijn vermeerdering deugen.

Als in de ontwikkelingslanden een deficiënt kapitalisme als oorzaak van de buitengewoon grote ellende wordt beschouwd – treft het kapitalisme geen blaam. Door het vergelijken wordt de algemene oorzaak van de armoede ontkend en een behoorlijk goede mening over de uitbuitingsorde geconstrueerd: wie namelijk meent dat het zuiden iets nodig heeft opdat daar zo redelijke omstandigheden heersen als in het noorden, die weet ook al wat er ontbreekt: kapitaal, dit onontbeerlijke levensmiddel van de mensen. De ellende wordt dan niet veroorzaakt door de heerschappij van het kapitaal, maar door een gebrek aan kapitaal. En wie zich bovendien bezighoudt met de verkeerde vraag waarom het kapitaal zich niet gelijkmatig over de aarde verdeelt, waarom het niet ook het zuiden verblijdt dat er zo dringend op aangewezen is, raakt verzeild in een oeverloze discussie. Bij het opnoemen van historische extra omstandigheden die een “gezonde” ontwikkeling van het kapitalisme in het zuiden vermeend belemmeren, valt moeilijk te beslissen welke omstandigheid de cruciale is: kolonialisme, geldwaarde, slechte regering, corruptie, protectionisme, de behaalde concurrentievoorsprong van het noorden? Maar wat heeft dat alles te maken met de oorzaak van de armoede?

Overigens laat het vergelijk zich ook omdraaien. De Nederlandse loonarbeiders wordt door hun bazen verteld dat ze te duur zijn voor de winst, en dat hun werk in Tsjechië, Portugal en al helemaal in Zuid-Oost-Azië veel goedkoper gedaan wordt. Andere volkeren werken langer en voor minder loon – en dat gaat ook! Daar trekt het kapitaal heen; de werkloosheid hebben de arbeiders zichzelf toe te schrijven als ze te onflexibel zijn om hun levenspeil geleidelijk te hervormen tot die van de derde wereld. Inmiddels heeft het loonniveau in het noorden zich verkeerd ontwikkeld en moet gecorrigeerd worden, en de armoede in de derde wereld is een voorbeeld!

In feite is het altijd hetzelfde: de eigendomsorde van het kapitalisme bewerkstelligt dat de mensen niet in staat zijn hun leven zelf in de hand te nemen; ze dwingt allen zich beschikbaar te stellen voor het kapitaal. Terwijl de vrienden van de sociale rechtvaardigheid de levensomstandigheden onder het kapitaal hier en daar vergelijken, vergelijkt het kapitaal de prestatie en goedkoopheid van de volkeren in de praktijk – dwz. het speelt ze tegen elkaar uit. Als dan de mensen definitief en omvattend door deze orde gechanteerd zijn en niemand meer leven kan als hij niet voor het kapitaal leeft, dan kan men de zaak omdraaien: wie leven wil, heeft het kapitaal nodig.

Literatuurverwijzing: vertaling van een uittreksel uit Gegenstandpunkt 4-03