Het financierskapitaal IV

IV. De internationale financiële sector en de concurrentie van de naties

1.

“Convertibele valuta’s” – een compleet politiek-economisch programma: de staten internationaliseren de monetaire en wettelijke fundamenten van de financiële sector om met zijn grensoverschrijdende groeiprestaties hun eigen financiële macht te bevorderen.

Voor zijn onstilbare behoefte aan vruchtbare economische bronnen van macht gebruikt de staat de potentie van het privé-eigendom in zijn financieel-kapitalistische hoedanigheid: hij verleent aan het bankwezen de licentie om krediettekens als betaalmiddel te gebruiken en schulden als geldkapitaal te laten fungeren; aan de centrale bank geeft hij de opdracht wettige betaalmiddelen te scheppen en zich daarmee in het liquiditeitsmanagement van de banken te mengen; daardoor wordt hun geld- en kredietschepping bekrachtigd als geldige methode om de macht van het geld vrij beschikbaar te maken en effect te laten sorteren. Zo komt de groei van de “abstracte”, in geldvorm tastbare rijkdom van de natie aardig op gang; daar participeert de overheid aan en krijgt bovendien de vrijheid om haar huishouding met schulden te financieren; althans zolang en zo uitgebreid als het onder haar soevereine controle in het leven geroepen geldkapitaal zich als zodanig waarmaakt. 1)

Aan de prestaties waarmee de staat het financieel-kapitalistische zakenleven vrijmaakt, kleeft echter een cruciaal nadeel: ze beperken het tot het grondgebied van de soevereine wetgever – buiten de nationale grenzen gelden noch de ingewikkelde eigendomsgaranties die de financiële branche nodig heeft en waar ze van profiteert, noch de betaalmiddelen die de kredietinstellingen krachtens machtiging van staatswege aanwenden en vermeerderen. Deze beperking is onverenigbaar met het zakelijke belang dat de staat van de nodige wettelijke voorwaarden en middelen voorziet, alsook met het baatzuchtige doel dat hijzelf zodoende nastreeft. Kapitaal heeft groei nodig; dat zijn fundamentele groeivoorwaarde, de wetgevingsmacht van de staat, zijn groei beperkt, is een onhoudbare tegenstrijdigheid. Vandaar dat de staten aandringen op verruiming van de fundamenten van hun macht, nationaal en buiten de grenzen van hun grondgebied; de rijkdom waar ze greep op hebben, dient te groeien en buitenlandse bronnen van rijkdom beschikbaar te maken. Daarvoor instrumentaliseren ze de eigenbaat en de potentie van de financiële branche en doen er alles aan om de grenzen wereldwijd doorlaatbaar te maken voor haar zakelijke activiteiten.

De essentiële, onontbeerlijke, maar beperkende zakelijke voorwaarde: het per wet tot algemeen equivalent en bindend betaalmiddel benoemde nationale waardeteken wordt van zijn slechts lokale gelding bevrijd door de overeenkomst tussen de overheden dat hun valuta’s onderling ruilbaar: convertibel zijn. Daarmee zijn de buitenlandse geldsoorten toegelaten als middel voor de verwerving van het eigen geld; omgekeerd heeft het eigen geld toegang tot buitenlandse betaalmiddelen. Zo staan de staten elkaar principieel toe dat hun respectievelijke nationale krediettekens allemaal hetzelfde representeren, namelijk abstracte rijkdom: kwantitatief gemeten particuliere macht over alles wat koopbaar is, over alle soorten waren. Weliswaar enkel indirect, door omwisseling in vreemde valuta’s, maar in principe mogen de nationale krediettekens over alle nationale grenzen heen fungeren als slagvaardig middel voor de zakelijke gebruikmaking van buitenlandse markten en ressources. Opdat de geldinstellingen, die al binnen de naties de geldhandel uitvoeren, het wisselen van de nationale valuta’s tot hun zaak maken, is echter meer nodig dan de formele overeenstemming tussen de overheden inzake convertibiliteit van hun valuta’s. De staat die – zoals boven al gezegd – binnen zijn landsgrenzen de geldschepping van de kredietbranche onder het toezicht en de controle van zijn centrale bank plaatst, deze ertoe machtigt zich met haar wettige betaalmiddelen in het liquiditeitsmanagement van de banken te mengen en zo de door hen gecreëerde geldmiddelen als deugdelijke representanten van de abstracte rijkdom van zijn samenleving waarmerkt, handelt op analoge wijze ten opzichte van het geld uit andere naties: zijn centrale bank bevestigt de geldkwaliteit van vreemde valuta’s en de bruikbaarheid van het eigen betaalmiddel als grensoverschrijdend geldige waardedrager door ook hierbij als liquiditeitsreserve te fungeren voor de beroepsmatige geldhandel, het wisselen van eigen in vreemde en van vreemde in eigen valuta. Ze accepteert de betaalmiddelen die in andere naties circuleren als geldige waarde, schept daarvoor eigen geld en betaalt het uit, en bewijst dus in de praktijk de gelijksoortigheid van buitenlandse waardetekens met degene uit de eigen productie; deze neemt ze al naar behoefte ook weer terug, verstrekt daarvoor deviezen die ze uit haar opgehoopte voorraad neemt of anderszins bemachtigt, en bekrachtigt zo door haar bereidheid en haar vermogen tot teruggave van vreemd geld voor eigen geld de geldnatuur van hun producten ook buiten de nationale grenzen, waarbinnen de wetgever hun exclusieve gelding decreteert. 2)

De staten onderscheiden dus – enerzijds – wel degelijk tussen de waardetekens die hun centrale banken uitgeven en die krachtens de wet fungeren als het definitieve betaalmiddel van de natie waar de circulerende betalingsbeloftes van de banken zich op betrekken, en de waarde die de nationale geldsoorten uitdrukken, de kwantitatief gemeten macht van het eigendom: noch laten ze buitenlands geld binnen de eigen natie als algemeen equivalent gelden, noch eisen ze de rechtstreekse geldigheid van hun geld buiten hun grondgebied. Voor de gelijkstelling van de nationale geldsoorten door de valutaruil eisen en bieden ze als waarborg voor de van de soevereiniteit van de emittent onafhankelijke geldkwaliteit van het ruilartikel een omruilgarantie. Wordt die – of geldt die volgens vastgestelde regels als – geleverd, dan gebruiken de staten het bezit van buitenlands kredietgeld – anderzijds – als internationale liquiditeit en materiële garantie voor de internationale geldigheid van hun eigen valuta: als een rijkdom die naar buiten hetzelfde presteert wat zij binnen de natie met hun geldsoevereiniteit teweegbrengen. Voor het grensoverschrijdende zakenverkeer willen ze geen ander algemeen equivalent – meer – kennen en ze erkennen geen andere waardedrager als bindend dan de deviezen die ze in het leven roepen en door een voorraad aan vreemde deviezen als wereldwijd bruikbaar geld waarmerken: door een uit vreemde valuta’s bestaande, in enigerlei “liquide” vorm bij de centrale bank in reserve gehouden rijksschatkist. 3)

Zo stellen de staten ook voor het internationale zakendoen de vergelijking in werking die ze met hun soevereiniteit binnen de natie geldig maken: geldtekens die qua economische natuur krediet, dus het gehoopte kapitalistische succes van een nationale schuldeneconomie representeren, meten de waarde van elk eigendom en belichamen de abstracte rijkdom van de naties. De aan deze wettelijke vergelijking inherente economische non-vergelijking – die binnen de naties de relativiteit van het kredietgeld als maatstaf van de prijzen en als waardedrager tot gevolg heeft, namelijk de verandering van de daarin gematerialiseerde toegangsmacht al naar gelang van het nationale totaalsucces van een op schulden berustende kapitaalvermeerdering – doet zich internationaal zo gelden dat de door de ruil aan elkaar gelijkgestelde geldsommen niet werkelijk en al helemaal niet gelijk blijvend en betrouwbaar de gelijke hoeveelheid economische toegangsmacht representeren. Een deviezenvoorraad is internationaal aanwendbare solventie, als zodanig echter helemaal geen vaste grootheid; hij waarborgt weliswaar de geldkwaliteit van de geruilde valuta’s, maar garandeert niet de kwantitatieve gelijkwaardigheid van de geruilde sommen: die wordt volgens de regels van het telkens heersende wisselkoersregime bepaald en veranderd.

En dat is consequent: want moderne staten maken hun nationale geldsoorten niet convertibel om de gelijkwaardigheid van hun nationale equivalenten vast te leggen, maar om hun gelijksoortigheid bindend te constateren en daarmee voor de zekerheid te zorgen die de kapitalistische geldhandelaren en kredietscheppers nodig hebben als ze door het ruilen van nationale kredietgeldsoorten het internationale zakendoen op gang brengen. Daarom is het ook alleen maar consequent dat uit de gang van zaken steeds opnieuw blijkt hoe het gesteld is met de waardeverhouding van de geldtekens die de van staatswege gewilde kredietzaken van de naties representeren. Staten die de wisselkoers van hun valuta bepalen, rekenen erop dat de internationale geldhandel hun bepalingen gelijk geeft; belangrijke mogendheden van de wereldeconomie die de waardebepaling van hun geld in vreemde valuta aan de kapitalistische geldhandelaren overlaten, gaan er bij voorbaat van uit dat de kredietbranche aan hun betaalmiddelen de economisch juiste, namelijk voor de natie voordelige buitenwaarde toekent. In elk geval dient de zakenwereld uit economisch eigenbelang waar te maken wat de staten met de convertibiliteit van hun kredietgeld beogen, namelijk de geldnatuur van hun wettige betaalmiddelen door kapitalistisch succesvolle gebruikmaking te bevestigen en in vergelijking met het geld van andere naties gunstig te beoordelen. 4)

Met het besluit tot convertibiliteit van hun valuta’s gaan de staten dus onderling een vergaande vertrouwens- en verplichtingsverhouding aan: ze geven elkaar op hun nationale betaalmiddelen krediet in die zin dat ze deze niet als puur politieke betalingsbeloftes beschouwen, maar als door een rijksschatkist gegarandeerd echt geld: als werkelijke waardedrager erkennen. Daarmee machtigen en stellen ze de geldbezitters en kredietscheppers zowel in de eigen natie als in het buitenland in staat om met hun vermogens overal hetzelfde te ondernemen wat ze ook in hun stamland doen. Met de convertibiliteit van hun nationale geldsoorten verheffen de staten de privé-macht van het geld en haar kapitalistische uitvoering tot de rang van een rechtsgoed, waarvan ze de handhaving niet alleen de economische subjecten, maar elkaar verschuldigd zijn en garanderen – wat daaruit op economisch vlak volgt en welke verzorgingsprestaties een regering derhalve voor haar economische subjecten moet volbrengen, dat laten die hun politieke leiders weten; en met welke problemen uit het internationale zakendoen de hoeders van het algemeen belang te maken krijgen, dat zien ze dan wel. In elk geval leidt de bevrijding van de kredietbranche van de beperking door een slechts nationaal geld tot verwevenheid van de nationale economieën en internationalisering van het krediet, waaruit een complete economische agenda volgt: doordat ze hun valuta’s convertibel maken, definiëren de staten zich als garanten van een internationaal kredietwezen, als deelhebbers aan het internationaal actieve financierskapitaal en als concurrenten om de kwaliteit en de waarde van hun nationaal krediet. 5)

Aanvulling

De verhouding van wederzijdse erkenning en verplichting tussen de soevereine geldscheppers waar het huidige internationale zakenleven op berust, is een extra-ordinaire imperialistische verworvenheid. Tot medio vorige eeuw hebben de kapitalistische naties elkaar rekeningen voorgelegd en betaling in een solide geldwaar geëist: in een met materiële inspanning geproduceerde, in ruil tegen materiële prestaties verworven materie – goud of zilver – die alle handeldrijvende naties uit gewoonte als werkelijk, wereldwijd bindend algemeen equivalent hebben erkend. Van staatswege gedefinieerde en gegarandeerde geldtekens circuleerden – ideëel zelfs binnen de naties – als pure vertegenwoordigers van een dergelijke stoffelijke schat; in het internationale zakenverkeer behaalde tegoeden waren aanspraken op becijferde gedeeltes van edelmetaal. De economische vertrouwensbasis tussen de naties was ten opzichte van het geld beperkt tot de consensus over de materiële gestalte van de fundamentele irrationaliteit van het economische systeem dat ze met z’n allen in praktijk brachten: de beschikkingsmacht die de overheden aan het eigendom toekennen, dus de elementaire maatschappelijke verhouding tussen hun burgers die ze decreteren, plaatsen ze in een van overheidswege gedefinieerd “medium” dat deze particuliere macht in kwantitatieve porties representeert; en tot materie waarin de macht van het eigendom als het ware van nature aanwezig zou zijn, waar ze met al hun soevereiniteit dus helemaal niet omheen zouden kunnen, verklaarden ze goud of ook zilver, de traditionele algemene ruilmiddelen van hun samenlevingen. De gezamenlijke knieval van de overheden voor de door Marx als “fetisj” bespotte edelmetaal-geldwaar kweekte tussen hen het vertrouwen dat ze niet wilden stellen in de waardetekens die de respectievelijke andere soevereinen in hun naties als betaalmiddel voorschreven.

Dit insisteren op een quasi natuurlijke geldwaar als onmisbaar medium voor de internationale geldhandel beperkt de groei ervan op uiterst contraproductieve wijze. Want daarmee zijn de noodzakelijke betalingen via het krediet, dat de kooplieden van de verschillende naties elkaar toestaan, op de een of andere manier wettelijk gekoppeld aan de hoeveelheid edelmetaal die de internationale handel uiteindelijk heeft afgeworpen en de kredietbranche inclusief centrale bank in haar kluizen heeft stilgelegd. En dit heeft tot gevolg dat de maatstaf van de internationale kredietschepping niet, zoals het in financieel-kapitalistisch opzicht betaamt, de speculatie op toekomstige opbrengsten is, maar de wettelijk gedefinieerde verhouding tot de omvang van de gerealiseerde en als schat bewaarde overschotten uit het internationale zakendoen. Voor de uitbreiding van de speelruimte voor internationale kredietzaken – in eerste instantie nog niet voor het opheffen van de kapitalistisch contraproductieve beperking ervan – hebben na het einde van de tweede wereldoorlog de VS gezorgd. Als overwinnende mogendheid in het bezit van de goudvoorraden van vrijwel de gehele toenmalige kapitalistische statenwereld, verklaarden ze hun nationaal kredietgeld tot volledig geldige vervanging voor edelmetaal, dus tot internationaal betaal- en waardebewaarmiddel en richtten met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een systeem van gecontroleerde kredietfinanciering van het grensoverschrijdende zakenverkeer op, waarin ook al de nationale valuta’s van de andere deelnemende naties – echter slechts in beperkte omvang en in een vaste waardeverhouding tot de dollar, in zoverre als zijn plaatsvervanger en indirecte aanwijzing op Amerika’s goudschat – als bron voor financiële middelen fungeerden. De basis van de internationale solventie van de kapitalistische naties was zo echter nog steeds begrensd door de sommen van de door hen verdiende resp. geïnvesteerde dollars, de groei van hun grensoverschrijdende zaken beperkt door de samenhang van de internationale liquiditeit van de naties met een afvloeiing van geld uit Amerika. Het tekort op de betalingsbalansen van de VS kon daarom voor hun zakenpartners enerzijds niet groot genoeg zijn, maar het moest anderzijds zo klein blijven dat de zaken- en de statenwereld verder zaken konden doen met de schijn van inwisselbaarheid van elke verdiende dollar in goud.

Na een kwart eeuw is deze fictie dan toch onhoudbaar: niet in de laatste plaats ter financiering van haar Vietnamoorlog gebruikt de VS-regering haar kredietgeld zonder rekening te houden met tekorten op de begroting, de betalingsbalans en met de “goudstandaard”; na enige strijd vooral tussen de leidende mogendheid Amerika en haar West-Europese concurrenten wordt de schijn van inwisselbaarheid van alle wereldwijd circulerende dollars in goud en de koppeling van alle concurrerende valuta’s in vaste proporties aan deze “goud-dollar” opgegeven; uiteindelijk wordt het internationale zakenleven definitief bevrijd van de relatie met goud als het eigenlijke wereldgeld en met een goudschat als middel voor multilaterale betalingen en overdrachten van rijkdom. Het goud wordt “gedemonetiseerd”, dus verlost uit zijn functie als geldwaar waarvan de gewichtseenheden de waarde van alle geldsoorten uitdrukken; het wordt gedegradeerd tot waardeobject waarvan de waarde, nu op haar beurt in nationaal kredietgeld gemeten, plotseling “explodeert” en voortaan extreme speculatieve koersbewegingen maakt. De oorspronkelijk afgesproken directe of indirecte goud-convertibiliteit van de valuta’s wordt overgebracht naar het huidige systeem van onderlinge ruilbaarheid. Het voorstadium daarvan was echter de imperialistische noodtoestand dat een kapitalistische wereldmacht de edelmetaal-vertrouwensbasis voor het geldverkeer tussen de staten nagenoeg monopoliseert en de goud-convertibiliteit van haar kredietgeld decreteert. Daarmee wordt voor het eerst een nationaal kredietgeld als wereldgeld geïnstitueerd; en dat zo effectief dat na het in twijfel trekken en de opzegging van de goudpariteit van de VS-dollar niet de primitieve goudstandaard wordt geherintroduceerd, maar de kredietgeldsoorten van alle naties krijgen de status van algemeen equivalent toegekend. Zo hebben de VS met hun wereldmacht en hun betalingsbalanstekorten de kapitalistische wereld de test bespaard of de soevereine overheden het ooit ook zelf uit eigenbelang voor elkaar hadden gekregen hun onderling wantrouwen in hun nationale geldcreaties terzijde te schuiven en hun nationale krediettekens als gelijksoortige waardedragers te erkennen.

Tegenwoordig is het in elk geval zo dat nationale waardetekens, die het toekomstige economische succes van een met krediet gefinancierde kapitaalvermeerdering markeren en becijferen, elkaar als definitieve gedaante van de abstracte rijkdom erkennen en tegelijk relativeren en geen geldwaar meer als absoluut ijkpunt fungeert. En dat is in zoverre in kapitalistisch opzicht functioneel als het ook internationaal niet aankomt op het geld als vaste waardehoeveelheid en al helemaal niet als stilgelegde schat, 6) maar op krediet: op een voorschot dat zijn eigen groei bewerkstelligt en daarop anticipeert. Om deze verhouding, de productiekracht van schulden, stoffelijk te representeren en in de praktijk effect te laten sorteren, zijn tekens op papier of, nog effectiever, elektronische overschrijvingen in elk geval beter geschikt dan zware metalen die eerst geld kosten en vervolgens alleen maar ergens opgestapeld liggen. 7) Het laatstgenoemde wordt echter zelfs nog in de eenentwintigste eeuw door sommige experts als het betere, want een veel hogere graad van betrouwbaarheid en waardestabiliteit waarborgende alternatief beschouwd – namelijk in tijden waarin een grote financiële crisis aanzienlijke delen van de kredietsector verwoest en belangrijke valuta’s dreigt te ontwaarden: dan willen ze de abstracte rijkdom liever kunnen vastpakken dan erop te vertrouwen dat hij in het proces van zijn vermeerdering zijn adequate bestaanswijze heeft; de afrekening die tijdens de crisis gebeurt en de waarde, die door de kapitalistische kunst wordt afgeleid uit toekomstige opbrengsten, behoorlijk decimeert, vatten ze op als weerlegging van het functionalisme dat de kredietbranche zo excessief in praktijk brengt. Maar daadwerkelijk wordt de markteconomische rijkdom door zijn crisis geenszins teruggeworpen op zijn “ware” of “harde kern”. Veeleer velt de kredietbranche dan een uiterst kritisch oordeel over de onbruikbaarheid van het bedrijfsleven voor haar voortdurende groei. En daarmee doelt ze op het nieuwe begin van een “gesaneerd” zakenleven – middels krediet. Goud, zilver en andere “moneten” zijn niet de waarheid van de moderne wereld-markteconomie, integendeel: ze zou volkomen geruïneerd zijn als men het functioneren van de abstracte rijkdom weer zou koppelen aan de beschikbare hoeveelheid van deze of gene geldwaar. Wat een van deze beperking volstrekt bevrijde kredietbranche op wereldschaal teweegbrengt en aanricht: daarover gaan de volgende subhoofdstukken.

2.

De valutaruil en de vaststelling van wisselkoersen: van de dienst aan de wereldhandel tot modificatie van de internationale concurrentieresultaten en tot definitie van nationale concurrentievoorwaarden.

De handelsbalans: van de afrekening over de transfer van rijkdom tussen de naties tot de concurrentie van de overheden om het kapitalistische prestatievermogen van hun landen.

a)

De ondernemingen die zich belemmerd voelen door de grenzen van de nationale markt en overal ter wereld willen kopen en verkopen, krijgen met de internationale overeenkomsten inzake grensoverschrijdende handel een zakelijke behoefte waar de bankenbranche prompt op inspringt: ze ruilt de nationale geldsoorten. Voor de im- en exportkooplieden overwint ze de complicatie dat hun kapitaalkringloop pas met het wisselen van de nationale geldsoorten begint resp. eindigt en laat zich daarvoor betalen: met een goed gecalculeerde differentie tussen de koop- en verkoopprijs voor buitenlandse betaalmiddelen participeren de geldhandelaren aan de opbrengsten die de importeurs en exporteurs behalen door het kopen en vermarkten van vreemde waren in het eigen land en van inheemse waren in het buitenland. Hun dienst aan de kapitaalkringloop van ex- en importerende ondernemingen verbinden de banken met hun gewone manier van geldvoorziening van de nationale economie, de voorfinanciering van in- en verkoop. Ze breiden hun repertoire van commerciële kredietverstrekkingen met aanbiedingen uit waarmee ze hun klanten specifieke moeilijkheden en risico’s van de buitenlandse handel uit handen nemen, bijvoorbeeld doordat ze tegenover buitenlandse zakenpartners volgens de in het buitenland geldende regels voor de kredietwaardigheid van hun klanten instaan, en omgekeerd de rechten van hun binnenlandse klanten tegenover buitenlandse zakenpartners behartigen. De vorderingen en verplichtingen die ze overnemen, wikkelen de geldinstellingen met hun binnen- en buitenlandse partners op de gewone wijze af: ook internationaal vervangen ze de betaling door de verrekening van betalingsbeloftes, waarop ze elkaar krediet verlenen dat ze rechtvaardigen door de liquiditeit in de respectievelijk geëiste valuta. Op deze manier transfereren de banken voortdurend rijkdom in zijn markteconomisch definitief geldige vorm, als convertibele geldsoorten, tussen de naties. Hun desbetreffende transacties vormen in hun geheel vraag- en aanbodverhoudingen tussen de verschillende valuta’s, waarin de toevloed en afvloeiing van rijkdom in geldvorm uit een natie naar de andere zich uitdrukt. Daarbij ageren de geldhandelaren al niet meer slechts als dienstverleners voor de ex- en importeurs van waren, maar als grondleggers van een eigen zakensfeer: ze maken van nationale kredietgeldsoorten handelswaar; en met hun professionele pogingen om goedkoop te kopen en duur te verkopen, stellen ze de markteconomische factoren vast voor de prijsbepalingen in hun markt, d.w.z. de kwantitatieve verhouding waarin de aangeboden en gevraagde valuta’s met hun verschillend gedefinieerde eenheden aan elkaar gelijk dienen te zijn. Voor zover een staat deze zaak toelaat en zijn centrale bank een vaste wisselkoers laat garanderen, bevestigen de geldhandelaren met hun concurrentie deze officiële richtlijn of zetten ze daardoor onder druk dat ze de centrale bank bij een overaanbod van haar geld deviezen afnemen, bij een overaanbod van vreemde valuta’s eigen geld tegen een zakelijk niet meer gerechtvaardigde lage prijs afkopen, tot de soevereine geldhoeders bereid zijn om correcties aan te brengen. In een systeem van vrije wisselkoersen stellen de banken met hun de valutagrenzen overschrijdende geldbewegingen de prijzen voor hun waren: de waarde van de valuta’s tegenover andere valuta’s, voortdurend opnieuw vast.

Deze prestatie van de concurrentie van de geldhandelaren op de valutamarkt weerspiegelt enerzijds enkel de overschotten resp. deficits die de ex- en importondernemingen in de internationale handel behalen. Wat dat betreft representeren de wisselkoersen de sterkte resp. zwakte van het geheel van ondernemingen van een natie in de concurrentie om geldopbrengsten op de wereldmarkt. Daarmee voegt de valutaruil echter anderzijds aan de transfer van rijkdom in geldvorm uit een natie naar de andere al een belangrijk effect toe: de voortdurend gecorrigeerde vergelijkende waardebepaling van de eenheden van het geld dat de rijkdom van een gehele natie becijfert en geldig uitdrukt, sterkt resp. vermindert de financiële kracht van de geldbezitters van het ene land in vergelijking met die van het andere land. Dit doet zich direct gelden als modificatie van de internationale prijsvergelijking, met tegenovergestelde gevolgen voor importeurs en exporteurs. De exportondernemingen worden permanent geïnformeerd wat hun opbrengst in vreemde valuta na het wisselen naar de eigen valuta in verhouding tot het gedane voorschot daadwerkelijk waard is: tendentieel minder als de buitenwaarde van het inheemse geld stijgt; en vice versa. De importondernemingen krijgen eveneens permanent te weten hoeveel ze moeten voorschieten in inheemse valuta om buitenlandse waren te kopen – minder bij gunstige wisselkoersen en omgekeerd. Zo vergelijkt de geldhandelbranche het geheel van de buitenlandse handel van de naties en beïnvloedt met de uitkomsten ervan de bedrijfseconomische calculaties van de im- en exporteurs – en doet hen tegelijk een aanbod ter verzachting van de negatieve gevolgen van het totaalresultaat voor het individuele bedrijfsresultaat. De branche neemt, tegen betaling, de door haar gecreëerde zakenrisico’s tengevolge van veranderde wisselkoersen voor haar rekening, doordat ze voor toekomstige betalingen een actueel afgesproken omruilkoers aanbiedt: ze wikkelt het betalingsverkeer van de buitenlandse handel in de vorm van termijncontracten af. 8]

Al deze verzekeringsaanbiedingen voorkomen natuurlijk niet dat aanhoudende nationale concurrentiesuccessen op de wereldmarkt, die door de banken worden verwerkt tot permanente verschuivingen bij de wisselkoersen, de concurrentievoorwaarden tussen de naties modificeren; namelijk in die zin dat de toegang tot de waren van de overige wereld voor de bedrijven uit concurrentiekrachtige landen goedkoper, voor de bedrijven uit concurrentiezwakke landen duurder wordt. Deskundigen die belang hechten aan een functionerende wereld-markteconomie leiden daaruit graag een automatisch compensatie-mechanisme af: exporteurs uit zwakke landen zouden met hun zonder hun toedoen goedkoper geworden waren marktaandelen kunnen veroveren; duurdere importen zouden de omvang ervan verminderen en binnenlandse aanbieders in staat stellen meer af te zetten; en vice versa; zo zouden de concurrentieverhoudingen vanzelf weer in evenwicht komen. In de realiteit is van een dergelijke “zelfregulering door de markt” echter weinig te merken; en dat is zeer logisch. Want als de relatieve onrendabiliteit van een nationale warenproductie als geheel haar uitdrukking vindt in de lage waardering van haar valuta, dan maakt dit resultaat zijn oorzaak niet ongedaan, heft de concurrentiezwakte niet op en al helemaal niet de redenen daarvoor, maar legt veeleer extra druk op de balansen van alle bedrijven die aangewezen zijn op leveringen uit het buitenland; hooguit dat een waardevermindering de bovengemiddeld rendabele bedrijven de gelegenheid biedt om wereldwijd succesvoller zaken te doen – zoals omgekeerd de waardevermeerdering van een valuta op grond van algemene concurrentie-successen van een natie hooguit voor benedengemiddeld rendabele producenten de dwang met zich meebrengt om het rendabiliteitsniveau van de op de wereldmarkt succesvolle ondernemingen te evenaren. De nationale bankenbranche heeft er in elk geval direct baat bij wanneer de eenheid van het door haar geschapen kredietgeld, waardoor de economische toegangsmacht wordt belichaamd, relatief stijgt, zonder dat zij, de branche, daarvoor zelf iets bijzonders had moeten presteren.

b)

De kapitalistische ondernemingen van de natie dienen overal ter wereld goedkoop in te kopen, vooral gebruiksgoederen die voor de economische kringloop nodig, maar in het land niet te krijgen zijn; en ze dienen met superieure concurrentiemacht buitenlandse markten te veroveren, zo de binnenlandse groei te verhogen en door de toevloed van abstracte rijkdom uit het buitenland de hoeveelheid beschikbaar geldkapitaal, daardoor de in het land geaccumuleerde macht om krediet te scheppen en daarmee ook de financiële kracht van de staatsmacht te vermeerderen: dat maakt deel uit van de economische staatsraison. Opdat de financiële branche de daarvoor nodige en nuttige prestaties levert, creëren de staten de voorwaarden voor haar zaak en zakelijk succes. Ze maken onderling afspraken inzake grensoverschrijdende rechtsbescherming voor commerciële activiteiten, vaardigen regels uit voor het betalingsverkeer tussen de verschillende nationale betalingssystemen, bieden verzekeringen of staan borg voor de correcte betaling van exporten, verlenen aan buitenlandse financiële ondernemingen licenties om zaken te doen in het eigen land etc. Bovendien begeleiden hun centrale banken de zaken van de valutahandelaren conform de richtlijnen van de respectievelijke nationale wisselkoersregimes.

Deze regelingen stellen de bankenbranche in staat tot haar valutahandel, en tegelijk baren ze de staat zorgen en noodzaken hem in te grijpen. Zo concluderen de hoeders van het geld uit de concurrentie van de geldhandelaren, die van de grensoverschrijdende betalingen voor ex- en importeurs de markteconomische basisfactor in de ruilverhouding tussen de valuta’s maken, ten eerste de noodzaak om in het belang van berekenbare prijsverhoudingen “erratische koersbewegingen” wat “gladder” te laten verlopen, dus voor de graad van betrouwbaarheid te zorgen die “de markten” nodig hebben, maar geenszins vanzelf voortbrengen. Daarbij moeten ze echter goed onderscheiden: “fundamentele”, economisch welgefundeerde verschuivingen in de buitenwaarde van hun valuta mogen ze niet ongedaan willen maken, daarop moeten ze zo nodig met besluiten tot re- resp. devaluatie reageren. 9)  Zulke verschuivingen worden dan geregistreerd als de verantwoordelijken aan de toevloed en afvloeiing van geld en aan de navenante druk op de wisselkoersen de gevolgen aflezen van het slagen resp. falen van hun nationale economie op de wereldmarkt, hetgeen natuurlijk moeilijk te beoordelen valt. Als een negatief oordeel onvermijdelijk is, dan trekken de verantwoordelijke politici een kritische conclusie uit de gemiddelde concurrentiebestendigheid van de nationale warenproductie, uit de kracht resp. zwakte van zowel hun exportindustrie alsook van alle andere binnenlandse ondernemingen die op de binnenmarkt marktaandelen winnen of kwijtraken aan buitenlandse exporteurs. Ze onderkennen de handelsbalans en de wisselkoersbeweging, die de geldhandelbranche aan hen voorlegt, als afrekening over de stand van hun nationale economie als geheel in de concurrentie om het geld dat er te verdienen valt in de wereldhandel, en zien deze afrekening als uitdaging om zich actief te bemoeien met de concurrentiestrijd van de nationale ondernemingen en als hoofdrolspeler van het globale economische gebeuren te ageren. De staatsmacht van een succesvolle natie ageert vanzelfsprekend evenzo als politieke totaal-ondernemer van haar vestigingsplaats, als verantwoordelijke instantie die het antwoord te vinden heeft op de nationale balans van de particuliere buitenlandse handel. Voor de beheerders van succesvolle vestigingsplaatsen luidt het gebod successen veilig te stellen en uit te bouwen; een programma voor welks realisering de grotere hoeveelheid geldkapitaal van de natie en dus de relatief grotere toegangsmacht daarvan en daarmee ook de grotere potentie van de staatshuishouding de middelen biedt. De anderen staan voor de opgave om de tendentiële totale nederlaag van hun natie in de concurrentiestrijd tussen de kapitaalvestigingsplaatsen terug te draaien: met afnemende middelen. Want met de financiële kracht van de staatsmacht is het, precies volgens de logica van de markteconomische concurrentie, hoe slechter gesteld hoe dringender ze een trendbreuk nodig heeft.

Door chronische tekorten en verliezen van de verliezers van de concurrentie is echter ook het succes van de notoire winnaars niet veilig te stellen. Hun superieure concurrentiemacht, door de geldhandel beloond met een groeiende hoeveelheid en potentie van hun kredietgeld, ondermijnt de solventie van de mindere partner en maakt zo de voorwaarde voor hun exportsuccessen kapot. Men begrijpt waarom de ideologen van de globale markteconomie op het ideaal van een evenwichtige buitenlandse handel komen en zo graag in een automatische zelfregulering van de markten geloven. Daadwerkelijk overweegt natuurlijk geen economische beleidsmaker serieus een concurrentievoordeel prijs te geven en een concurrentienadeel te compenseren; op zoiets rekent ook geen collega in een slechter gesteld land. In plaats daarvan groeit met de ongelijke resultaten in succesvolle landen het vermogen, in minder succesvolle landen de behoefte, dus in alle landen het belang van zowel zakenlieden als van politici om grensoverschrijdend, dus met vreemd geld resp. met de toegang tot vreemde ressources al die vindingrijke methoden van financieel-economische geldvermeerdering in de praktijk te brengen, waarmee de kredietbranche al in het nationale kader zich zelf verrijkt en de staatsmacht toegang tot abstracte rijkdom verschaft.

3.

Kapitalistisch eigendom als internationale handelswaar: kapitaalexport en -import en de globale financiële markt. 10)

De concurrentie tussen de staten om de kredietwaardigheid van hun natie en hun geld; de scheiding van de nationale kredietgeldsoorten: tussen “reservevaluta’s” en tweederangs geld.

a)

De financiële branche, voorzien van de licentie om valuta’s te ruilen en de grensoverschrijdende handel te financieren, eist vreemde landen als adressen en buitenlandse kredietgeldsoorten als middel voor al haar zakelijke activiteiten. Ze bemiddelt en financiert zowel de warenhandel als de ex- en import van kapitaalgoederen; ze leent en geeft geldkapitaal te leen over de landsgrenzen heen en in alle daarvoor vrijgegeven valuta’s. Zo verschaft deze branche binnenlandse kapitalisten toegang tot arbeidskrachten, uitbuitingsvoorwaarden en ressources buiten de landsgrenzen en überhaupt alle geldbezitters, vooral zichzelf, toegang tot alle mogelijke investeringsgelegenheden overal ter wereld. Tegelijk verschaft ze zich en haar klanten geldkapitaal uit andere landen, dus extra kapitalistische productiekracht, en overstijgt daarbij zo nodig de grenzen van haar eigen vermogen en bereidheid tot kredietschepping. Gedreven door hun eigen groeibehoeftes en de belangen van hun geld bezittende klanten creëren de banken uiteindelijk een internationale kapitaalmarkt. Ze maken zich met hun zaken los van de beperking tot hun stamland en van de koppeling aan het kredietgeld ervan; ze trekken de macht om krediet te scheppen en geldmiddelen toe te wijzen, die op nationale schaal in hun handen geconcentreerd is, op wereldschaal naar zich toe; ze maken dus de potenties van de globale geldvermogens voor zich beschikbaar en verdelen deze volgens hun belang en naar eigen speculatief goeddunken wereldwijd over de nationale investeringssferen. Ze ageren als instantie die elke geldbehoefte, zowel de eigen als die van de overige zakenwereld en bovendien die van de staten, het overwegen waard acht, onderzoekt, de kredietwaardigheid van de schuldenaar beoordeelt, hele landen ten opzichte van hun bewezen of in de toekomst te verwachten prestatievermogen als broeinesten van kapitalistische accumulatie vergelijkt en dienovereenkomstig de in het krediet bestaande macht om te groeien toebedeelt.

De ruilhandel met de verschillende nationale kredietgeldsoorten krijgt daardoor niet alleen enorm veel nieuwe stof, maar ook een nieuwe politiek-economische inhoud, en de beoordeling van het verhandelde geld geschiedt volgens nieuwe criteria. Bij de kapitaalexport vloeit het geld niet gewoonweg af naar een buitenlands grondgebied, maar het fungeert als voorschot om door in het buitenland behaalde winsten het eigendom van de exporteur te vermeerderen, dus zijn economische potentie te verhogen. Toevloed van geld door kapitaalimport betekent niet simpelweg verrijking ten koste van het buitenland, maar tegelijk verplichting tot dienst aan buitenlands kapitalistisch eigendom. De desbetreffende transacties met hun uitwerkingen op de wisselkoersen weerspiegelen in zo verre niet de concurrentiebestendigheid van het geheel van de warenproducenten van een natie in verhouding tot die van de kapitalisten van andere naties, maar, aan de ene kant, de verhouding tussen het vermogen en het belang van de zakenwereld van een natie om overal ter wereld krediet voor investeringen in de kapitaalaccumulatie te genereren en, aan de andere kant, de verwachtingen inzake kapitaalaccumulatie die zich van de zijde van kapitaalkrachtige investeerders op deze natie richten. Met de voortgang bij het creëren van een globale financiële markt veroorloven de banken zich de vrijheid om helemaal zelf, volgens hun eigen belangen en calculaties, te beslissen in welke valuta ze fictief kapitaal produceren en verhandelen. De ruilverhoudingen tussen de valuta’s resulteren dus uit het oordeel dat deze financiële hoofdrolspelers vellen over de relatieve bruikbaarheid ervan als international financieel-kapitalistisch middel. De doorslag daarbij geven vooral de hoeveelheid krediet die in een natie gegenereerd wordt en investeringsgelegenheden vindt, dus de bijdrage van de nationale tot de globale markt voor fictief kapitaal, alsook het percentage van de kapitaalaccumulatie dat door de ondernemingen van een natie tot stand wordt gebracht. Uit het gebruik, de vermeerdering en de beoordeling van nationale geldsoorten blijkt dus de status van de economie van de natie en van haar staatsmacht als schepper en verbruiker van krediet, als emittent en als financier van fictief kapitaal op de internationale markt voor geldbeleggingen. In de op zulke basis getroffen beslissingen van de kredietbranche over haar algemeen equivalent zijn de uitwerkingen van de globale warenhandel op de vergelijkende waardering van de valuta’s nog voorhanden, echter gedegradeerd tot gezichtspunten van de speculatie op het kapitalistische prestatievermogen van de concurrerende wereldmarktdeelnemers. De wisselkoersen resp. de tendensen van hun verandering die daaruit resulteren, spelen op hun beurt een belangrijke, soms beslissende rol voor het financieel-kapitalistische “waardescheppingsproces”, namelijk voor het management van internationaal samengestelde waardepapier-portefeuilles; de zodoende gecreëerde zaken- en vermogensrisico’s vormen vervolgens de basis voor een verdere afdeling van termijnzaken.

Uit het selectieve gebruik van de uiteenlopende nationale kredietgeldsoorten door de financiële branche volgen verschillen tussen de valuta’s die niet alleen hun waardering betreffen, maar een nieuwe politiek-economische kwaliteit in het spel brengen. Geldsoorten die op de internationale financiële markt als algemeen equivalent dienen, representeren in zoverre niet alleen het krediet van de natie waar ze als wettig betaalmiddel gelden; ze fungeren als tekens voor de globale krediethandel; de kredietbranche van de hele wereld is bezig om het zo gedenomineerde krediet als geldkapitaal effect te laten sorteren; door de successen van het geldkapitaal worden deze tekens bevestigd als betrouwbare representanten van de kapitalistische rijkdom van de wereld. De geldhandelaren beschouwen dergelijke kredietgeldsoorten als geld an sich: als waardetekens die onafhankelijk van besluiten en vaststellingen van overheidswege inlossen wat de staten met de convertibiliteit van hun valuta’s beloven, namelijk de waarde te zijn die ze beweren te zijn. Dienovereenkomstig ondergaan de andere convertibele geldsoorten een kwalitatieve devaluatie: ze zijn alleen nog plaatsvervangers voor de als werkelijk wereldgeld gebruikte valuta’s. In hun stamland handhaven ze zich weliswaar als enig wettig betaalmiddel, en ook voor de uitbuiting ter plaatse zijn ze goed bruikbaar; wellicht boeken ze af en toe zelfs in verhouding tot de grote wereldvaluta’s een koersstijging. Maar voor het financiële kapitaal en zijn zakelijke belangen representeren ze niettemin meer een geldvordering dan het inlossen ervan. In de ruiltransacties van de banken fungeren ze als enkel lokaal bruikbaar stof, de geprefereerde kredietgeldsoorten daarentegen als vergelijkingsmaatstaf voor de overige valuta’s, hetgeen de omrekening van de geldeenheden en het vergelijk van de vele bilaterale wisselkoersen enorm vergemakkelijkt. 11) Bovendien wordt het liquiditeitsmanagement van internationaal agerende banken zeer overzichtelijk; dat kan zijn voorraad aan liquide middelen beperken tot de weinige als wereldgeld erkende valuta’s.

Zo sorteert de kredietbranche op basis van haar zakelijke belangen de naties: volgens hun kwaliteit als bron van krediet, als beleggingssfeer en als geldschepper.

b)

De internationale handel van de ondernemingen mag niet lijden onder de gevolgen van de handelsbalans; hun groei mag niet begrensd worden door hetgeen de buitenlandse handel oplevert, de beperkte solventie van het eigen land en die van andere landen: ook dat maakt tegenwoordig deel uit van de algemeen geldige staatsraison. De nationale markteconomie moet op de wereldmarkt actief zijn en blijven, zelfs als het verdiende geld amper toereikt om importen te betalen en voor meer concurrentiebestendige exportzaken de middelen ontbreken. Buitenlandse ressources en markten moeten zich laten gebruiken, zelfs als de daar ter plaatse gefabriceerde waren nauwelijks concurrentiebestendig zijn en de solventie van de vreemde natie uiterst beperkt is. Van de grensoverschrijdende krediethandel van de bankenwereld verwachten de staten de vervulling van deze wensen en nog verdere voordelen: met de import van kapitaal groeit niet alleen de solventie van het land, ook het vermogen om de kapitalistische groei te bevorderen en succesvol te concurreren neemt toe; staatsschulden krijgen erkenning als geldkapitaal wanneer ze internationaal worden verhandeld; de vraag naar inheemse valuta stijgt en verzekert het nationale kredietgeld van zijn wisselkoers. Met de export van kapitaal nemen nationale concerns deel aan de kapitaalgroei in het buitenland; ze accumuleren aanspraken op buitenlandse rijkdom, in het geval van het aankopen van staatspapieren zelfs rechtstreekse aanspraken tegenover de soevereine macht die over de rijkdom van haar samenleving wettelijk beschikt; met haar gebruik voor investeringen in het buitenland krijgt de nationale valuta internationale erkenning als waardedrager. Het voordeel van de een is niet dat van de ander, maar het ene voordeel sluit het andere zeker niet uit: de voordelen hebben de overhand als buitenlandse geldbezitters hun vermogens in de kapitaalvoorschotten van de bedrijven van een land, in de schulden van zijn regering en in het daar geldende nationale geld steken en de hele wereld tegelijkertijd verzot is op krediet uit de financiële sector van de bewuste natie en op haar kredietgeld als universeel aanwendbaar zakelijk middel.

Opdat de financiële branche deze dienst voor de staten verricht, zijn er een heleboel licenties, toelatingsprocedures en controles nodig; ook overeenkomsten tussen de staten die voor wederkerigheid zorgen of meteen voor multilaterale of universele geldigheid van de verleende vrijheden. Bijzonder veel werk hebben de gestaalde kapitalistische overheden bij de omgang met staten waarvan het rechtssysteem volgens de veeleisende maatstaven van een moderne financiële industrie te wensen over laat, of die economische of monetaire redenen hebben om het grensoverschrijdende geldverkeer restrictief te regelen of bepaalde zakelijke activiteiten helemaal of voor “gebiedsvreemde” geïnteresseerden te verbieden: die moet men overtuigen van de goede financieel-economische zeden, bijvoorbeeld door investeringsbeschermings-overeenkomsten en door nadrukkelijk juridisch advies. Maar ook tussen even progressieve regeringen valt er niet zelden iets te regelen; zo moet men optreden tegen de discriminatie van eigen kooplieden, twisten over het principe van meestbegunstiging en in elk geval vaststellen welke fiscus belasting mag heffen op de opbrengsten uit een grensoverschrijdend belegd geldkapitaal. 12)

Deze uitgebreide behoefte aan regelgeving vloeit voort uit de uiterst fundamentele verplichtingsverhouding die de staten onderling aangaan wanner ze, getrouw aan het principe van de convertibiliteit van hun kredietgeldsoorten, aan het kapitaal de concessie verlenen tot schulden maken, vermarkting van zijn financiële producten en oprichting van vestigingen. Als ze zodoende voor de privé-macht van het eigendom, die ze met hun lokaal beperkte rechtsmacht garanderen, de hele wereld exploitabel maken en hun eigen nationale economie openen voor de vermeerderingsbelangen van het kapitalistische eigendom uit het buitenland, dan leggen ze zich wederzijds vast om de beslissings- en handelingsvrijheid van het kapitaal in zijn mobile vorm, die van het krediet, tot richtlijn van hun economische staatsraison te maken. Met het recht op vrijwel onbeperkte activiteiten dat ze de particuliere rijkdom toestaan en verschaffen, verplichten ze zich en hun gelijken om dit recht te respecteren als een volkenrechtelijk grondbeginsel dat ze met elkaar verbindt.

Bij de kapitaalexport betekent dat: de ene staat gebruikt de rechtsmacht van de andere overheid voor de vrije activiteit van een kapitaal dat in het buitenland winst behaalt en in zo verre ook buitenlandse groei bevordert, maar tegelijk en vooral hem moet voordeel opleveren, namelijk de rijkdom van het stamland vermeerderen. Hierbij buit dus niet slechts een privé ondernemer buitenlandse ressources uit, maar een natie vergroot haar buitenlands vermogen. In het andere geval, bij de import van kapitaal, neemt een staat in zijn nationale economie een stukje kapitalistisch rijkdom op dat onder een vreemde overheid tot stand is gekomen en ook nog onder haar economisch beschikkingsrecht valt; hierbij wordt niet alleen een particuliere onderneming gelicenseerd, maar een buitenlandse staatsmacht wordt bediend. Dat de staten dit soort van economische verwevenheid op een manier serieus nemen die verder gaat dan rendementsafwegingen blijkt zowel uit restricties als uit politieke doelstellingen bij de transfer van kapitaal. Het verstrekken van krediet naar een ander land gaat gepaard met invloed, hoe veel of hoe weinig dan ook, en veronderstelt dat het uitoefenen van invloed ook wordt toegestaan; grensoverschrijdende eigendomsbetrekkingen raken dus de nationale soevereiniteit. Vandaar dat de staten de import van kapitaal principieel aan politieke voorwaarden binden, afhankelijk maken van strategische gezichtspunten en buitenlandse investeringen, überhaupt of zulke uit bepaalde landen, in veiligheidsrelevante “sensibele” bedrijven of branches verbieden. 13) Hier wordt bijzonder duidelijk dat de staten hun soevereiniteit over hun economische basis relativeren ten opzichte van het recht van een andere overheid, wanneer ze zich geldvermogen uit haar grondgebied ten nutte maken.

Juist dat doen ze natuurlijk normaliter voortdurend heel professioneel, ook niet slechts selectief en bilateraal, maar beurtelings en überhaupt principieel wanneer ze de financiële branche toestaan een globale financiële markt op te richten en uit te bouwen en aan haar, conform hun principebesluiten en -overeenkomsten, de daarvoor noodzakelijke rechtsbescherming verlenen. Daarmee verplichten ze zich wederzijds de privé-macht van het eigendom als onaantastbaar te erkennen. De grensoverschrijdende zakelijke betrekkingen die de financiële ondernemingen onderling en wereldwijd met hun klanten onderhouden, maken de staten tot een aangelegenheid van hun soevereine macht en verklaren de particuliere financiële berekeningen en activiteiten zo verbindend dat geen soeverein ze ignoreren kan of simpelweg per wet buiten werking stellen. Zo krijgen “de markten” de positie van quasi supranationale instantie, uit welks activiteiten de politieke machthebbers opmaken wat hun land deugt als vestigingsplaats van kapitaal.

Daarmee staat ook al vast aan welke essentiële eisen hun economisch beleid moet voldoen: om hun respectievelijke natie in de concurrentiestrijd om de rijkdom van de wereld naar successen te leiden, moeten ze allereerst en vooral de kredietwaardigheid van hun natie bewijzen – kredietwaardigheid in de dubbele betekenis dat de natie het krediet van de wereld verdient omdat ze elke geïnvesteerde som verandert in accumulerend geldkapitaal, en dat haar kredietgeld betrouwbaar als kapitalistisch zakelijk middel deugt. Dus het economisch beleid wordt geconfronteerd met behoorlijk tegenstrijdige aanspraken. Enerzijds moeten de staten met de accumulatievoorwaarden die ze het kapitaal bieden hun gelijken overvleugelen, hetgeen kosten en minder opbrengst betekent. Anderzijds moeten ze de financiële markten ervan overtuigen dat het fictieve kapitaal uit hun natie de beste kapitalistische handelswaar is, en dienovereenkomstig indruk maken met een stabiel kredietgeld; alle negatieve gevolgen voor de waarde van het nationale betaalmiddel, die voortkomen uit het royale begrotingsbeleid ter bevordering van de economische groei, moeten ze voorkomen of terugdraaien, dus bij het schulden maken sparen, bij het bevorderen van de nationale kredietschepping de inflatie onder controle houden en daarbij beter zijn dan de anderen. Want elke zwakte bij de economische groei, de momentele als de toekomstige, alsook bij de gevolgen van het schulden maken van ondernemingen en overheid voor de soliditeit van het nationaalkrediet en de stabiliteit van het nationale kredietgeld, bij de reeds opgetreden als de speculatief geanticipeerde, wordt door de financiële branche geregistreerd en vergelijkend beoordeeld: door de vaststelling van de wisselkoers en van het rentetarief waarvoor de economie en de fiscus van een land zich krediet kunnen verschaffen. Elke relatieve tekortkoming heeft beperkingen van de toch al ontoereikende “groeikrachten” tot gevolg, zoals andersom uit overwicht een verdere relatieve groei van economische macht resulteert. Zo manifesteert zich in de praktijk de onderschikking van de geld- en kredietsoevereiniteit van de overheden aan de succescriteria van het financierskapitaal: de staten zijn niet meer autonoom bij het opstellen van hun begroting, noch bij het gebruik, noch bij het verschaffen van hun middelen.

De economische beleidsmakers trekken daaruit heel soeverein consequenties voor de doeltreffende aanwending van hun machtsmonopolie. Ze nemen er geen genoegen mee om de groei te stimuleren en de exportindustrie te sterken: het behouden waard zijn alleen die branches en ondernemingen die qua rendabiliteit elke internationale vergelijking doorstaan. Bevorderd worden bij voorkeur nationale “champions” waarvan de grootte en het rendement wereldsucces garanderen; ondernemingen en hele branches die daarvoor ongeschikt zijn worden geofferd. De centrale banken beginnen aan de moeilijke taak om met goede rentetarieven krediet uit de hele wereld te attraheren en de vraag naar de eigen valuta te stimuleren, tegelijkertijd met lage rentetarieven de economische groei aan te drijven, zonder een “overhitting van de conjunctuur” en een “bubble vorming” te veroorzaken; dat alles met het oog op de concurrenten die hetzelfde doen. Vandaar dat aanvullend daarop een monetair beleid noodzakelijk is dat door aan- en verkoop van nationaal geld op de deviezenmarkten vraag en aanbod beïnvloedt, dus de markten in die zin corrigeert dat het nationale geld internationaal gebruikt wordt en zijn buitenwaarde tevens stabiel blijft. Ten slotte verscherpt de concurrentie tussen de staten om de rijkdom van de wereld ook nog de eisen aan de factor arbeid, dus aan een nationale loonpolitiek die de verhouding tussen prestatie en prijs van de arbeid voortdurend verbetert. De sociale politiek staat voor de taak om de bruikbaarheid van het volk voor de internationale concurrentie te waarborgen, zonder begrotingsmiddelen onproductief, namelijk alleen maar voor het levensonderhoud van arme bevolkingsdelen te verspillen. In de kapitalistisch ontwikkelde naties blijkt het verzorgingstelsel steeds opnieuw al gauw onhoudbaar te zijn, en het stelsel voor de opleiding van het volk voor de eisen van de wereldmarkt ontoereikend en verkeerd. De burgerlijke overlevingsstrijd wordt derhalve permanent met nieuwe omstandigheden geconfronteerd.

Ook het buitenlands beleid krijgt er sommige taken bij. Zo moeten de staten, juist omdat ze de financiële branche zo grote vrijheden toestaan en zo veel economische macht verlenen, zelfs over hun eigen begroting, des te meer op de soliditeit van het globale financiële zakendoen letten en erop toezien dat de nationale rechtssystemen en controle-instanties het noodzakelijke presteren. Tegelijk weten de verantwoordelijke politici dat de betrokken ondernemingen de dwang om solide zaken te doen als dure vrijheidsberoving beschouwen en hun vestigingsbeslissingen ook afhankelijk maken van de voor hen geldende nationale voorschriften; daarom strijden de regeringen zowel voor alsook tegen algemeen geldende zakelijke voorwaarden voor de kredietsector. De regeringen van landen waar de krediethandel nog onderontwikkeld is, beschermen de kapitaalaccumulatie in hun land en hun eigen solventie bovendien door deviezenrestricties en controles van het kapitaalverkeer, of ook daardoor dat ze de bankensector van staatswege beheren of de overname ervan door potente buitenlandse instellingen bemoeilijken, wellicht verbieden; de machthebbers uit de stamlanden van de globale financiële handel moeten de vrijheid ervan verdedigen en tegen de vrijheden optreden die hun collega’s zich permitteren. Hun landen moeten echter in staat blijven om zaken te doen; vandaar dat een grote exportnatie haar partners die onder een tekort aan deviezen lijden eventueel bijstaat met valutakrediet opdat ze verder als afzetmarkten kunnen functioneren – natuurlijk niet algemeen en überhaupt maar voor haar exporteurs, wat onvermijdelijk tot conflicten leidt met de liberale usances van de wereldmarkten, dus met concurrerende handelsmogendheden. De zorg voor het duurzame succes van hun internationaal actieve financiële en andere concerns noopt de regeringen van kapitaalkrachtige landen bovendien – en de belangen van de overheden van zwakkere landen bieden voldoende gelegenheden en aanknopingspunten – om zich met kredieten voor buitenlandse regeringen te bemoeien met hun begroting in het algemeen en met hun groeistimulering in het bijzonder. Daarmee wordt een volstrekt nieuwe bilaterale verhouding in het leven geroepen: staten worden elkaars schuldeisers en schuldenaars. Niets slechts als hoeder van het privé-eigendom van zijn geldbezitters en financiële ondernemingen en van de principiële vrijheid van het kapitaal, maar met eigen staatsvermogen is de krediet gevende soeverein in de buitenlandse natie als belanghebbende macht aanwezig. Behalve over zijn politieke belangstelling voor het buitenland als bron van rijkdom en zijn politieke instrumenten ter beïnvloeding van de vreemde macht beschikt hij met het recht op schulddelging ten laste van de vreemde staatsmacht over een bron van financiële zelfverrijking; een recht waar zijn bevoegdheid op berust om erop toe te zien dat en hoe deze andere macht de verschuldigde rijkdom in haar land genereert. De schuldenaarstaat krijgt naast de navenante overbelasting van zijn materiële en menselijke ressources in elk geval de zekerheid dat zijn schuldeiser, ten minste in principe, belang hecht aan een enigszins functionerende waardeschepping in zijn land, en bovendien heeft hij de vrijheid om verdere of alternatieve geldgevers te zoeken. 14) Enzovoort.

Als geldmiddel voor dergelijke en überhaupt alle financiële betrekkingen tussen de overheden dienen principieel de valuta’s die de kredietbranche op haar wereldmarkt inzet als algemeen equivalent. De centrale banken gebruiken deze geldsoorten van ambtswege als reservevaluta’s. 15) Uitsluitend het bezit daarvan is de basis van de liquiditeit van de staten wier wettig betaalmiddel deze kwaliteit nooit heeft bereikt; zowel hun reserves als hun schulden luiden in laatste instantie in dergelijke deviezen. Het vermogen van zwakkere landen om zaken te doen berust dus op het verkrijgen van financiële middelen die grote economische mogendheden in de globale geldcirculatie pompen. De emittenten van zulke valuta’s hebben de vrijheid om hun internationale solventie al naar behoefte zelf te kunnen scheppen. Deze vrijheid wordt enkel beperkt door het feit dat er meerdere soorten van dit geld zijn: elke soort is in principe vervangbaar door een andere; ook hun scheppers concurreren derhalve om het interesse van de financiële wereld. Van de relatieve vrijheid om wereldwijd erkend geld te scheppen, wordt er echter ruimschoots gebruik gemaakt, door de officiële emittenten en al helemaal door de beroepsmatige geldscheppers overal ter wereld. Ook dankzij de onbeperkte beschikbaarheid van zo goede zakelijke middelen zijn hun zaken zo enorm gegroeid – en hebben de grenzen van hun groei tegelijk mede geproduceerd.

4.

De groei van de globale speculatie en haar zelfgeproduceerde grenzen: staatsbankroeten en financiële crises.

De maatregelen van de statenwereld voor het functioneren van het globale financiële systeem; de sortering van de naties volgens financieel-kapitalistische criteria; de crisispolitiek van de economische mogendheden.

a)

Met de financiering van de grensoverschrijdende handel, de ex- en import van kapitaal, het oprichten van een globale financiële markt en de bijbehorende deviezenhandel creëren de banken voor zich en hun klanten massaal nieuwe bronnen van inkomsten. De speculatieve onzekerheid, die inherent is aan hun zaken, stelt noch internationaal, noch op nationaal niveau een grens aan hun groei, integendeel: “risico’s” zijn de stof van de financieel-kapitalistische accumulatie; en het principieel riskante karakter ervan is de stof voor verzekeringszaken en een reusachtige sector van daaruit afgeleide puur financiële zaken. 16) Daarbij zijn alle factoren relevant die in het financieel-kapitalistische “waardescheppingsproces” een rol spelen: zowel de nationale verschillen tussen groeipercentages, rentetarieven, staatsschuldquota, inflatiecijfers, wisselkoersen etc. als hun vermoedelijke veranderingen animeren de speculatie en verrijken de derivatenmarkt. Zodoende creëert de financiële sector een aanzienlijk zakenvolume dat veel bijdraagt aan zijn macht om het economische leven in de kapitalistische naties te bepalen; in positieve als in negatieve zin. Met de voltooiing van een globale financiële markt potentieert de kredietbranche haar middelen om “reëel-economische” zaken te financieren en de concurrentie van de naties om aandelen aan de wereldhandel, om investeringen en toegang tot de bronnen van rijkdom overal ter wereld op te voeren. En ze maakt het verloop en de resultaten van deze “reëel-economische” zaken tot onderwerp van een vergelijkende speculatieve beoordeling. Die beslist uiteindelijk hoeveel krediet in resp. uit nationale investeringssferen stroomt, en ook wat de kapitalistische rijkdom van de naties, in toonaangevende valuta gemeten, werkelijk waard is; van deze beoordeling hangt af welke positie een staat in de concurrentie om financiële macht daadwerkelijk inneemt. 17) Zo stuwt de financiële industrie de kapitaalaccumulatie op wereldschaal voort en bewerkstelligt tevens voortdurend verschuivingen binnen de hiërarchie van de nationale vestigingsplaatsen – althans tussen de lagere posities – , zorgt voor promotie of degradatie in de wereldwijde concurrentie. Terloops brengt ze ook steeds weer hele staten in verlegenheid, namelijk wanneer het krediet dat ze aan deze staten verstrekt hun gebrek aan concurrentiebestendig kapitaal en aan deviezen helemaal niet opheft, maar door vorderingen inzake schuldenaflossing alleen maar vergroot en de overheid dwingt om alle goederen van haar land te verpanden of hoe dan ook te vermarkten.

De macht warmee de financiële branche de naties voor haar groei instrumentaliseert, bestaat in de vorm van valuta’s die op de grote economische mogendheden funderen. De garantie van deze mogendheden dat hun kredietgeld universele economische toegangsmacht representeert, is de voorwaarde daarvoor dat de private branche in staat is grenzeloos krediet te scheppen en aan te wenden, in het creëren en vermarkten van haar veelvuldige productieve en derivatieve financiële instrumenten kan steken, en daarbij de zekerheid heeft dat de opbrengsten die ze boekt geldige en houdbare abstracte rijkdom becijferen en alles presteren wat geld in de kapitalistische wereld nu eenmaal presteert. Omgekeerd zijn de financiële instellingen met hun uitgebreide zaken het zichtbare bewijs dat de nationale waardetekens die ze gebruiken functionerende economische toegangsmiddelen zijn. Het feit dat de speculantengemeente daarmee haar zaken doet en haar winsten daarin veilig acht, bevestigt deze tekens definitief als werkelijk wereldgeld – de laatste consequentie van het principe van de convertibiliteit.

Met hun globale zaken produceren de financiële instellingen een groei die uit op elkaar opbouwende “risico’s” bestaat: uit als abstracte rijkdom geboekte en fungerende winstbeloftes, waarvan aanzienlijke delen elkaar bevestigen. Ze accumuleren zakencijfers die bij een normaal functionerende gang van zaken reële financiële macht voorstellen, universeel inzetbare en veelvuldig ingezette beschikkingsmacht in private als in overheidshanden, kapitaal in zijn puurste vorm. Dat vele van deze cijfers op posten genoteerd staan die elkaar min of meer egaliseren; dat sommige winsten direct resulteren uit de verliezen van andere marktdeelnemers; dat talrijke speculaties mislukken: dat alles hoort bij de normaliteit van deze sfeer. Bij de logica van de accumulatie van fictief kapitaal hoort echter ook dat het mislukken van zaken niet alleen de getroffen zakenmens van zijn winst berooft en de oninbaarheid van winstbeloftes niet alleen de eigenaar ervan schaadt, maar dat zo vermogenstitels geannuleerd worden die de basis vormen van andere vermogentitels of deze garanderen. Mislukkingen wekken twijfels aan de “waarde-inhoud” van een onbepaalde hoeveelheid financieel-kapitalistische vermogenswaarden. Hun accumulatie kan dus altijd omslaan in een kettingreactie van opzeggingen van kredieten en in een voortschrijdende vernietiging van fictief kapitaal: de beroemd-beruchte “ontwaarding-spiraal” waarvan de “draaiing” behoorlijk wordt versneld door de derivatieve speculatie op de te verwachten effecten, of eventueel zelfs überhaupt in gang wordt gezet. Daaruit blijkt dat de kredietbranche met haar accumulatie een overaccumulatie van geldkapitaal gefabriceerd heeft. 18) En zoals ze met haar groei alle naties tot beleggingssferen en speculatieobjecten maakt en als concurrenten om het aantrekkelijkste vestigingsklimaat voortdurend opnieuw rangschikt, zo raakt haar crisis ook alle naties en hun concurrentie.

Daarbij ageren de financiële instellingen in het geval van crisis net zo onderscheidend als bij de accumulatie van kredieten en fictief kapitaal. Ze organiseren de ontwaarding als speculatieve hardheidstest van het krediet van de naties; en deze tests betreffen regelmatig allereerst en vooral de kandidaten wier schulden bij de speculatiebranche de meest “gegronde” twijfels wekken: hetzij omdat zo “fundamentele” gegevens als het inflatiepercentage of de groei van de staatsschulden in verhouding tot de economische groei er relatief slecht uitzien en de banken met verhoogde rentetarieven toch al hun kritisch oordeel hebben geveld; hetzij dat de professionele speculanten hun eigen gewaagde speculaties op toekomstige groei in de natie in kwestie op een gegeven ogenblik als te overdreven beschouwen; hetzij waarom dan ook. Haar eigen overaccumulatie lost de kredietbranche op doordat ze, om belegde vermogens in veiligheid te brengen en ten minste nog gedeeltelijk te redden, krediet en kapitaal terugtrekt uit landen die ze zelf als beleggingssferen gebruikt en op die ze gespeculeerd heeft. Tegelijkertijd zijn er altijd potente spelers die de ontwaarding van de rijkdom van hele naties bespoedigen doordat ze met alle beschikbare financiële instrumenten inzetten op stijgende rentes, dalende waardepapierkoersen en het verval van de valuta en daaraan verdienen, vooral aan centrale banken die proberen door aankoop van hun valuta en nationale obligaties het waardeverval van hun krediet en hun krediettekens tegen te gaan. Ook hetgeen investeerders en schuldeisers inboeten, verwerken de vaklui uit de derivaten-afdeling, als ze maar vooruitziend en snel genoeg ageren, tot bronnen van winsten die het ingezette geldkapitaal mooie rendementen opleveren. Hun opdrachtgevers verdienen aan de neergang totdat het staatsbankroet dat ze mede veroorzaken een feit is; vandaar dat ze niet schromen om complete lokale zakensferen te ruïneren. In het globaal-economisch gunstige geval gaat in de periferie van het grote wereldwijde zakendoen zo veel fictief kapitaal en speculatief geldvermogen in rook op, worden er uit de financiële markt zo veel betwijfelde en daarmee overtollig geworden financiële producten verwijderd, dat de kredietscheppers en handelaren in waardepapier weer vertrouwen krijgen in de groei van hun zaken, elkaar weer krediet geven, de kringloop van ontwaarding stoppen en opnieuw beginnen met hun (over)accumulatie. Als ze zodoende erin slagen de financiële crisis te beperken tot de door hen in het vizier genomen bankroet-kandidaten – die daarvoor geenszins het meeste moeten hebben bijgedragen aan de precair geworden overmaat aan fictief kapitaal, dus aan de “gebarsten zeepbel” – dan geldt de crash als een slechts regionaal incident; wat de gemeente van speculanten als aanwijzingen heeft beschouwd voor haar niet te sussen wantrouwen, geldt als weer eens gelukkig uit de weg geruimde reden voor de crisis, die daarnaar dan ook graag wordt genoemd.

De enorme prestaties van een wereldwijd actieve financiële industrie inzake accumulatie zijn echter ook voor andere vormen van crisis verantwoordelijk. Het wantrouwen van de kredietscheppers kan zich ook op producten richten die in de grote kapitalistische naties gecreëerd en verhandeld worden en daar in aanzienlijke mate bijdragen aan de nationale rijkdom. De kritische hardheidstest betreft dan meestal een branche of sector waar de speculanten een bijzondere boom hebben teweeggebracht; en als de waardevernietiging beperkt blijft, dan heeft de wereld een “vastgoedzeepbel” ofstgoedzeepbelevernietiging beperkt blijft, dan heeft de wereld ben teweegebracht; twoordelijk. Het wantrouwen van de kredietsc een “financiële crash in de IT-sector” doorstaan. De kredietbranche slaagt er echter ook in om een voortschrijdende ineenstorting van het in de grote financiële centra genoteerde geldkapitaal te bewerkstelligen, grootbanken te ruïneren, de kapitaalaccumulatie wereldwijd totaal te ontwrichten en zelfs de tegoeden en de solventie van de economie in de grootste naties te bedreigen. 19) Ook hierbij zijn er altijd, vooral achteraf, schuldigen aan te wijzen wier wangedrag het bewijs levert dat een crisis helemaal niet nodig was geweest als alle spelers terughoudend hadden geageerd – alleen jammer dat zelfs de meest verkeerde uitleg niet garandeert dat het met de crises van de grote geldzaken ooit ook afgelopen zou kunnen zijn. Daadwerkelijk bewijst de bankenwereld het tegendeel: de rijkdom die ze creëert en wereldwijd zo effectief vermeerdert, berust op de permanente voortgang van haar zaken en komt dus in een crisis terecht als het krediet ergens op een belangrijke plek wordt opgezegd.

Opdat het globale kapitalisme ondanks alle negatieve gevolgen van zijn winstbejag, dus ondanks enkele staatsbankroeten en na een, hetzij regionaal of sectoraal beperkte, hetzij wereldwijde crisis, zonder alternatief doorgaat, rekent de kredietbranche op de politieke macht: daarop dat de staten met hun soevereiniteit over geld en krediet bankroete naties overeind houden en in het geval van een algemene crash het systeem redden. En ongetwijfeld wedt de branche op het juiste paard. Want wat de banken aanrichten, raakt kennelijk niet alleen het private eigendom. Daarmee brengen ze de financiële macht van de staten in gevaar en nopen de overheden tot het nadrukkelijke bewijs dat het gehele systeem van het geld en de vrije wereldmarkt in laatste instantie op hun macht berust.

b)

De staten concurreren onderling om de belangstelling van het financierskapitaal voor hun nationale economie, voor hun schulden als materiaal voor de financiële markten, voor hun geld als wereldwijd aangewend financieel middel: dit is de belangrijkste richtlijn voor hun economisch beleid. De groei die zo ontstaat, komt tijdens bepaalde fases – in tijden van economische opbloei – vele naties ten goede. Hij scheidt – tegelijkertijd en al helemaal tijdens kritieke fases – de statenwereld in winnaars en verliezer; laatstgenoemde komen met de middelen van de internationale krediethandel in steeds grotere tekorten en schulden terecht, soms in een staatsbankroet. En steeds weer slaat de groei om in een om zich heen grijpende kredietopzegging en algemene vernietiging van rijkdom. Economische beleidsmakers nemen de onvermijdelijke gevolgen van de internationale financieel-kapitalistische groei als gevaren waar die ze moeten voorkomen en, in het geval van tegenspoed, afzwakken en onder de knie krijgen.

Met de solventieproblemen, en al helemaal met de ruïnering van een zwakke concurrent wordt de handel van succesvolle naties, dus het buitenlandse vermogen van kapitaal exporterende naties door verliezen bedreigd. Vandaar dat de solventie van de verliezers van de internationale concurrentie, dus de redding of het herstel van hun kredietwaardigheid, het ruïneuze oordeel van de financiële markten ten spijt, in het belang is van de winnaar-staten; vooral van degene die het meest profiteren en waarvan de valuta voor de globale speculatie als waardedrager fungeert. Voornamelijk die, maar ook alle andere overheden wier landen tot hun nadeel of voordeel “in de wereldmarkt geïntegreerd zijn”, zien zich uitgedaagd om het behoud en het functioneren van de globale kredieteconomie tegen de inherente gevolgen ervan te verdedigen en te garanderen.

Wat dat betreft heeft de statenwereld haar maatregelen genomen. De staten die de grootste hoeveelheden buitenlandse kredieten en buitenlandse vermogens te behoeden hebben, zijn normaliter toch al met staatskredieten geïnvolveerd in de economische politiek van de schuldenaar-landen. Ze laten de nationale tekorten niet over aan de daarvoor verantwoordelijke regeringen, maar zijn veeleer bereid financiële hulp te ruilen tegen toegangsrechten op de nationale rijkdom daar ter plaatse. Zo ontstaan tussen de leidende economische mogendheden en de vele landen die permanent op de wereldmarkt het nakijken hebben verschillend gekenmerkte clientèle verhoudingen, die zelfs het alimenteren van buitenlandse staten kunnen behelzen. Voor het geenszins slechts als uitzondering ingecalculeerde geval dat zulke, maar ook belangrijkere naties hun schuldendienst tegenover meerdere staten niet nakomen, ontmoeten de financiële grootmachten elkaar in de “Club van Parijs” en beslissen over (gedeeltelijke) kwijtscheldingen en herschikkingen van schulden; vooral onder het aspect dat geen schuldeiser-staat bij de kwijtschelding van schulden bevoorrecht wordt of van zijn eigen krediethulp aan de schuldenaar profiteert. Want dat is onder de voorwaarden van de gevestigde globale kredieteconomie de blijvende tegenstrijdigheid van een financiële begeleiding van concurrentiezwakke landen door buitenlandse machten: de hulp voor het behoud of herstel van de kredietwaardigheid van een natie betreft haar potentie om verder zaken te doen in het algemeen, garandeert dus met haar bruikbaarheid voor de internationale zakenwereld geenszins het voordeel van het “geverland” – wat logischerwijs ertoe leidt dat de schuldeisers daarover twisten.

Een heel algemene voorzorg tegen de altijd ergens bedreigde solventie van de naties is daarnaast quasi wereldomspannend in het kader van de VN geïnstitutionaliseerd: voor landen met betalingsbalansproblemen springt volgens vastgestelde regels het Internationaal Monetair Fonds als kredietgever in. De middelen neemt het uit een voorraad in die alle deelnemers volgens een formule, die hun economische sterkte weerspiegelt, eigen geld storten. Toegang tot betaalmiddelen voor zijn buitenlandse verplichtingen heeft elk lid afhankelijk van zijn quotum en de omvang van toebedeelde “bijzondere trekkingsrechten”, special drawing rights (SDR). Dat die juist voor concurrentiezwakke landen geen vetpot zijn, is inherent aan deze “rechten”; ze zijn immers niet bedoeld om particuliere kredieten te vervangen door financiële middelen van de “statengemeenschap”, maar als overbrugging in fases van illiquiditeit teneinde de kredietwaardigheid zo gauw mogelijk te herstellen. De vooruitgangen van de wereldeconomie eisen echter al sinds lang een ruime interpretatie van deze oprichtingsopdracht. Voor een aantal nationale noodsituaties, die zwaarwegender zijn dan kortdurige betalingsbalansproblemen, verstrekt het Fonds kredieten die veel hoger zijn dan de met het lidmaatschap en de storting van het nationale quotum gekregen “trekkingsrechten” en ook de regulair toebedeelde “bijzondere trekkingsrechten” ver overstijgen; daarvoor mag het Fonds naar behoefte schulden maken bij zijn solvente leden. Wat oorspronkelijk ontworpen was als professionele hulp bij het spoedige oplossen van problemen omtrent buitenlandse staatsschulden, is uitgegroeid tot een soort van supranationaal regime over het economische beleid en de buitenland- en schuldenpolitiek van talrijke IMF-leden, met name uit de categorie “ontwikkelingslanden”. Het doel daarbij is echter nog steeds het herstel van de kredietwaardigheid van de natie in kwestie, dus haar bruikbaarheid voor de zakenwereld en daarmee voor de groeibelangen van alle potente economische mogendheden. Kredieten die daarnaast een versterking van de nationale productiekracht beogen, maar door de kredietbranche als niet lonend worden beoordeeld, zijn van de “zusterorganisatie” van het IMF, de Wereldbank te krijgen; eveneens conform het professionele goeddunken van neutrale experts. Het resultaat is de stevige integratie van alle naties in het globale zakenleven; voor eigen rekening en absoluut rücksichtslos tegenover de grenzen van het kapitalistische prestatievermogen van de landen; allemaal zijn ze verstrikt in een genadeloze concurrentie om exploitatie in de actieve en passieve betekenis en dienovereenkomstig ingedeeld in een hiërarchie volgens de economische criteria van de kredietbranche.

Aanvulling

De plaats in de hiërarchie van de nationale kapitaalvestigingsplaatsen en kredietgeldscheppers die de naties, opklimmend of dalend, innemen, definieert waartoe ze economisch in staat zijn, de aard en omvang van hun onderlinge betrekkingen en wat de overheden van hun volk vergen om zich tegen elkaar te handhaven. Als gevolg van hun concurrentie-inspanningen belanden de naties in verschillende politiek-economische categorieën, waarvan de benaming ideologisch is, maar waarvan de inhoud hun geheel bestaan bepaalt.

De leden van een beperkte elite, met de VS aan het hoofd en Japan en de leidende mogendheden van de EU als belangrijkste concurrenten, fungeren onder de naam industrielanden. De voorstelling van een bijzondere concentratie van technologisch moderne productiebedrijven als basis van hun kapitalistisch succesverhaal karakteriseert deze landen echter slechts ontoereikend. Deze landen blinken veeleer uit door hun overtuigende kredietwaardigheid in de dubbele betekenis: namelijk dat uit de omvang, het percentage en de betrouwbaarheid van de kapitaalaccumulatie op hun grondgebied hun uitstekend investeringsklimaat blijkt en dat de financiële wereld hun schulden als geldkapitaal gebruikt en hun kredietgeld als valuta waardeert, waarin haar speculatiewinsten veilig zijn. Enigszins obsoleet is thans de categorie ontwikkelingsland, waarmee de ontevredenheid van de meeste staten met hun successen op de wereldmarkt, vooral van degene die in de naoorlogstijd nieuw opgericht werden, vertaald werd naar het hoopgevende perspectief dat ook zij nog zouden vooruitkomen. Sommige van deze landen fungeren inmiddels als drempellanden, waar in feite mee bedoeld is dat de industrielanden ze op deelgebieden van de internationale warenhandel als concurrenten wel degelijk serieus moeten nemen. Ze heten ook “emerging markets” omdat ze enerzijds door het financiële kapitaal gewaardeerd worden als “markten” voor omvangrijke, veelbelovende en zeer wel op duurzaamheid berekende geldbeleggingen; maar anderzijds zijn ze “aan het opkomen” omdat ze het nog niet zo ver geschopt hebben om met hun schulden en hun nationaal geld een belangrijke rol in de globale financiële sector te spelen en als bron en handelsplaats voor het fictieve kapitaal te fungeren. 21) Andere ontwikkelingslanden horen in de rubriek grondstoflanden; dat kenmerkt hun perifere rol in het globale kapitalistische vermeerderingsproces: niet als bron van rijkdom maar van een stoffelijk productiemiddel. De werkelijke kapitalistische betekenis van zulke landen ligt in de belangstelling die ze bij de speculanten wekken die actief zijn op de grondstofbeurzen van industrie- en drempellanden. Oliestaten daarentegen kenmerken zich niet alleen door de belangrijkheid van hun bijzonder natuurproduct voor de kapitalistische wereldeconomie en de aanzienlijke delen van de elders geaccumuleerde rijkdom die ze incasseren; de olielanden met de relatief grootste verdiensten en voorraden aan “petro-dollars” proberen inmiddels naar de categorie van drempellanden op te klimmen of met hun beschikbare financiële middelen centra te stichten resp. te worden voor kredietschepping, waardepapierhandel en de financiering van de globale gang van zaken. Daarnaast zijn er talrijke staten die in financieel-economisch opzicht bij de “failing” of de reeds “failed states” horen, daar ze bij gebrek aan ordentelijke binnenlandse verhoudingen voor generlei soort van speculatieve geldbelegging deugen. Voor zover daar tenminste een als handelingbekwaam erkende regering in functie is, financiert die haar optreden op het wereldtoneel met geld van het IMF of van de Wereldbank, daarnaast met allerlei dotaties van de grote economische mogendheden die iets over hebben voor het bestaan van een politiek adres daar ter plaatse en deze kosten boeken als kredietverstrekking aan buitenlandse overheden. Enzovoort. Natuurlijk is elke staat een bijzonder geval. Maar allemaal zijn ze bijzondere gevallen in een wereld waarin de concurrentie tussen de naties om krediet en financiële macht van de staten heerst.

*

Met hun concurrentiestrijd om betere posities in de hiërarchie van de kapitalistische machten bewerkstelligen de staten in elk geval één ding: door de kapitaalaccumulatie in de succesvolle branches van hun land, door het vermarkten van hun schulden als fictief kapitaal alsook door de emissie van krediet door de zakenbanken met medewerking van de centrale banken groeit de globale krediethandel – en wel zodanig dat periodiek grote delen van het geaccumuleerde kapitaal min of meer in rook opgaan. Dergelijke financiële crises treden tamelijk regelmatig op, worden door de toonaangevende economische mogendheden echter elke keer, afhankelijk van aanleiding en omvang, als bijzonder probleem waargenomen, gedefinieerd en behandeld. In het zwaarste geval, namelijk de bedreiging van de gehele wereldwijde krediethandel, zetten de staten – noodgedwongen – meteen het grofste geschut in en vervangen de ontwaarde vermogens van de financiële wereld en de betaalmiddelen, die de banken elkaar niet meer afnemen, door hun machtswoord: door garanties van staatswege en de beschikbaarstelling van liquiditeit door hun centrale banken – een opmerkelijke verduidelijking over de “fetisj” van de burgerlijke wereld: dat het namelijk voor de privé-macht van het geld in laatste instantie op hun geweldsmonopolie aankomt en op niets anders. Deze openbaring doen ze echter reeds op systeemconforme wijze: door hun machtsinzet als staatsschuld te boeken. Ze machtigen de door staatsbesluit geredde bankenwereld tot aanwending van haar vergelijkingsmaatstaf of deze schulden. Het prestatievermogen van hun soevereine garanties en van de per decreet in omloop gebrachte betaalmiddelen maken ze afhankelijk van de kritische beoordeling door de financiële branche, dus van hun bevestiging in de praktijk als bruikbare zakelijke middelen. Op basis daarvan – en, zoals altijd, met het oog op de belangstelling van het financierskapitaal voor hun schulden en hun vestigingsplaats – concurreren de staten om de verdeling van de schades die de financiële crisis aan de kapitalistische rijkdom van hun natie aanricht, en van de lasten die voor hen daaruit ontstaan dat hun interventie tegen de voortschrijdende ontwaarding van private vermogens en de beschikbaarstelling van betaalmiddelen conform de financieel-economische regels betalingsplichten met zich meebrengen, voor die zij moeten instaan. 22)

Het resultaat van de crisisoplossing is het begin van een nieuwe cyclus van kapitalistische (over)accumulatie; onder nieuwe zakelijke voorwaarden. Soms worden de regels van de internationale concurrentie veranderd; in elk geval worden de nationale concurrentiemiddelen hervormd: verscherpte rendabiliteitcriteria zorgen voor een nieuwe sortering van de economische takken en ondernemingen en voor een strenge sortering van de beschikbare arbeidskracht. De crisis zelf, haar gevolgen en de nationale successen en mislukkingen bij haar oplossing hebben consequenties voor de posities van de landen in de globale hiërarchie, die de regeringen toch al voortdurend trachten te verbeteren. Het gevestigde systeem van de concurrentie om de macht van het geld heeft evenwel – tot nu toe – noch door crises, noch door verschuivingen in de hiërarchie fundamenteel schade ondervonden; dit echter om een reden waarvan de houdbaarheid geenszins zeker is: de positie van de leidende mogendheden die over de als wereldgeld erkende valuta’s beschikken, werd – nog – niet zo zeer in twijfel getrokken dat ze zich genoodzaakt zagen om cruciale zakelijke voorwaarden af te schaffen. Een garantie voor het behoud van de leidende positie is er echter niet. En het systeem behelst ook geen verzekering daartegen dat de notoire ontevredenheid van zijn belangrijkste leden niet toch ooit fundamenteel wordt. Hun crisispolitiek komt al soms neer op een opzegging van bepaalde principes van het heersende concurrentieregime. Dit regime is weliswaar opmerkelijk stabiel; maar het is opgericht door wereldmachten die hun nationaal voordeel ervan verwachten, en zo houdbaar als hun calculatie dat dit de beste manier is om te profiteren van de statenwereld ten bate van hun wereldbetekenis.

5.

Het wereldwijde regime van het financierskapitaal: product en productiekracht van de wereldmacht VS

De concurrentiestrijd tussen de naties om kapitalistische rijkdom conform de regels, noodzakelijkheden, groeivoorwaarden, kortom: volgens de belangen van het financierskapitaal heet wereldorde. Daarmee wordt uitgedrukt dat vrijwel alle staatsmachten van de moderne wereld hun politiek afstemmen op deze concurrentiestrijd, dat dus het leven en overleven van de mensheid daar ondergeschikt aan is – en dat dat dik in orde is.

De inrichting van de wereld is gebaseerd op geweld. Niet slechts op het geweldsmonopolie dat de staten binnen de natie inzetten als ze hun volk de privé-macht van het geld als het enige bestaansmiddel voorschrijven; dat is sowieso vanzelfsprekend. De staten ageren ook onderling als hoeders van het door hen gecreëerde recht, als soevereine machten die met de toelating van een grensoverschrijdend zakenverkeer en de oprichting van een internationale financiële markt elkaar erop vastleggen hun nationaal materialisme in de concurrentie om krediet te verwezenlijken. Tenslotte vergen ze van elkaar hun soevereine controle over de voorwaarden, de succescriteria en de uiteindelijk beslissende middelen voor hun economisch bestaan te relativeren: een beperking van de vrije wil van machthebbers, wat weliswaar op grond van economische nutcalculaties geschiedt, waarvan de basis en zekerheid echter de militante macht is waarmee de staten elkaar kunnen dwingen tot het nakomen van aangegane verplichtingen en het respecteren van gekregen rechten. Dit niet in die zin dat multilaterale zaken alleen zo betrouwbaar zouden zijn als de machtsmiddelen die de betrokken overheden tegen elkaar in stelling brengen: de kapitalistische wereldmarkt in het algemeen veronderstelt de erkenning van multilaterale rechtsverhoudingen – het principe van “na te komen verdragen” – door de vele met elkaar verkerende soevereinen. En het vast geïnstitutionaliseerde regime van het krediet in het bijzonder berust op het feit dat een wereldwijd gerespecteerde macht voor algemeen respect voor een internationale rechtsorde zorgt die – onder andere en niet op de laatste plaats – de principes van de politieke economie van het financierskapitaal behelst. Waar deze ordemacht thuis is, blijkt duidelijk uit het viertal “vrij aanwendbare” wereldvaluta’s: als garant van het heersende globale reglement fungeert de militaire “supermacht” VS met het strategische bondgenootschap dat ze samen met de leidende Europese mogendheden en de kapitalistische macht uit Oost-Azië heeft opgericht.

Deze alliantie is het resultaat van twee wereldoorlogen – van een hete en van een “koude” ; die hebben de globale machtsverhouding tot stand gebracht die voor het verbindende karakter van het huidige volkerenrecht zorgt, aan de daarin gecodificeerde supranationale instellingen de macht toekent en zo het heersende kapitalistische reglement in de statenwereld garandeert. Want er waren wel degelijk alternatieven. Het ene alternatief heeft tot twee decennia geleden in een deel van de wereld “reëel geëxisteerd”: in de gedaante van een socialistisch blok onder het regime van een tweede “supermacht”, die de verhouding tussen volk en staat volgens andere rechtsbeginselen dan die van de kapitalistische concurrentie heeft georganiseerd, namelijk volgens de principes van volksvriendelijke planning en leiding van industrie en handel, en internationale betrekkingen naar het voorbeeld van partijpolitieke gehoorzaamheid met haar clientèle is aangegaan en algemeen heeft nagestreefd. Ook in dit “blok” was er een grensoverschrijdende warenhandel; die was echter niet werkelijk op winst gericht, maar op de – enigszins tegenstrijdige – maximes van “internationale arbeidsdeling”, en heeft de “internationale solidariteit met onderdrukte volkeren” in de praktijk gebracht. 23) Het andere, veel minder afwijkende alternatief hebben de leidende mogendheden van de huidige wereldeconomie decennialang zelf in de praktijk gebracht. Ze hebben koloniale rijken veroverd, dus landen min of meer ver buiten hun traditioneel grondgebied aan hun heerschappij onderworpen en daar accumulatievoorwaarden voor hun respectievelijke nationale kapitalistenklasse gecreëerd. De soevereiniteit over landen en mensen buiten de eigen landsgrenzen was de vanzelfsprekende voorwaarde om kapitalistisch eigendom van de naties daar ter plaatse royaal te investeren en effect te laten sorteren. Het gevolg was de opdeling van de wereld in meerdere landen-conglomeraten – met een tussen soeverein centrum en afhankelijke periferie discriminerend rechtssysteem – die economisch helemaal uitgericht waren op hun respectievelijke metropolen. Zowel tussen de koloniale rijken alsook tussen die en de andere kapitalistische landen bestonden natuurlijk volkerenrechtelijke betrekkingen op basis van wederzijdse erkenning; en op basis daarvan waren er buitenlandse handel en het daarvoor noodzakelijke kredietverkeer, evenals obligatiehandel, bedrijfsovernames en investeringen. Er kon echter geen sprake zijn van een wettelijk gevestigd regime over een uitsluitend uit soevereine staten samengestelde wereld; en dus bestond er ook niet wat de moderne statenconcurrentie kenmerkt: de vrije aanwending van nationale rijkdom in soevereine buitenlandse naties en de concurrentie tussen soevereine staten om de nationale toe-eigening van internationaal geschapen krediet onder regie van supranationale instellingen.

Dus ook zo kan de statenwereld “geordend” zijn. En het is zeker niet zo dat de rechtsorde van de vrije concurrentie tussen soevereine staten en de economie van het vrije kapitaalverkeer “zich” tegen de genoemde alternatieven hebben doorgezet. Voor de opheffing van het kolonialisme waren niets minder nodig dan de Tweede Wereldoorlog en vervolgens vrijwel wereldwijd de hevigste koloniale en bevrijdingsoorlogen: de overwinning van de geallieerden in de wereldoorlog verijdelde de pogingen van de Japanse militaire macht en van het nationaalsocialistische Duitsland om door veroveringen een nieuwe opdeling van de wereld onder hun regime af te dwingen; maar ook de Europese democratische koloniale machten waren geruïneerd. Ze konden met hun resterende macht hun imperia niet meer restaureren; niet alleen vanwege de opstanden in hun bezittingen, maar vooral om twee wereldpolitieke redenen: de ene wereldoorlog-bondgenoot heeft conform zijn socialistisch alternatief de antikoloniale emancipatiepogingen en bevrijdingsbewegingen economisch, militair en moreel ondersteund. De andere, de onder de kapitalistische naties superieure zegevierende mogendheid Amerika, heeft een andere weg gekozen om de kapitalistische exploitatieverhoudingen in de verwoeste wereld te vernieuwen: Amerika heeft de verslagen vijanden, de kapitalistische geallieerden en de meerderheid van de nieuwe soevereine staten in een internationaal rechtssysteem geïntegreerd, waarvan de economische inhoud, namelijk een concurrentiesysteem van vrije waren- en geldmarkten, in Bretton Woods werd besloten en vervolgens efficiënt geïnstitutionaliseerd; op kapitalistische wijze kon men de aanvankelijk aan goud gekoppelde VS-dollars verdienen. Het verplichten van de statenwereld op dit politiek-economische regime is Washington ook niet door overtuigende propaganda gelukt, maar wederom door een wereldoorlogsstrategie: de hevigheid van de militaire confrontatie met de Sovjet-Unie – de voorbereiding van een globale atoomoorlog die de beschermings-behoefte van alle andere kapitalistische mogendheden wekte, maar van hun militair vermogen veel te veel eiste – zorgde voor onverbrekelijke trouw aan het bondgenootschap, als onder reële oorlogsomstandigheden. Gevoerd werd deze “koude oorlog” door talrijke “proxy wars”, plaatsvervangende oorlogen aan fronten van de “derde wereld” alsook in de vorm van een “wapenwedloop” op het gebied van zo prachtige strategieën als “first en second strike capability”, “wederzijdse definitieve vernietiging” door “overkill”, dus met de optie op meervoudige vernietiging van de mensheid, “militarisering van de ruimte” etc. Op deze manier werd de “vrijheid verdedigd” waarvan het financierskapitaal zo uitgebreid gebruik weet te maken. De Sovjetische vijand, die voor het behoud van de door de VS gesmede militaire alliantie zo nuttig was, kon deze confrontatie uiteindelijk niet meer volhouden en heeft gecapituleerd – een opmerkelijk prestatiebewijs niet alleen van de onverbiddelijke wereldoorlogsstrategie van het Westen, maar ook van het markteconomische systeem dat voor deze strategie de middelen beschikbaar heeft gesteld.

De behoefte van de toonaangevende staten aan militair geweld en de verdere ontwikkeling ervan heeft zich sindsdien verschoven, weg van de scenario’s van nucleaire oorlogsvoering; minder geworden is de behoefte echter niet. Dit feit en de diverse oorlogen van de leidenden mogendheden getuigen van de voortdurende absolute noodzaak van bewapening en oorlogsbereidheid voor de wereldvrede, waarop de geglobaliseerde markteconomie is aangewezen; een vrede waarvan de werkelijke inhoud bestaat uit de universele vrijheid van het zakendoen en de concurrentie tussen staten om de opbrengsten ervan. Daaruit blijkt hoe het daarvoor nodige geweld tegenwoordig eruitziet en actief wordt. Namelijk niet – of hooguit heel marginaal, bijvoorbeeld om de oplevende piraterij te bestrijden – als politie die grensoverschrijdend optreedt om eigendomsaanspraken kracht bij te zetten. Ook niet – of slechts bij uitzondering ter ondersteuning van bruikbaar geachte afscheidingsbewegingen – als leger om landen en bronnen van rijkdom te occuperen. Het geweld dat de moderne wereldvrede waarborgt, ageert als toezicht over de internationale, eventueel ook over de nationale aanwending van geweld overal ter wereld. De inzet van geweld, zowel de dreigende als de werkelijke, laat zich leiden door globaal-strategische gezichtspunten: de noodzakelijkheden van een hardhandige controle over de machtsverhoudingen tussen de staten en over de machtsverschuivingen. Een dergelijke controle uitoefenen willen in principe alle grote staten; voorbeeldig en de maatstaf bepalend gerealiseerd wordt deze aanspraak door de VS. Als enige natie die sinds het einde van de Sovjet-Unie ertoe in staat is, betrekken ze alle desbetreffende aspiraties in de statenwereld op zich en hun controlemacht; elke aanwending van militair geweld door anderen definiëren ze als een op hen gerichte uitdaging en behouden zich de mogelijkheid voor in te grijpen. Daarbij organiseren ze hun alomtegenwoordige toezicht en hun eventueel ingrijpen zo dat ze zo veel mogelijk andere staten, en vooral het kleine aantal machten dat de ambitie heeft zelf naar eigen goeddunken te oordelen over de gewelddadige rechtsaanspraken van staten tegenover elkaar, als deelhebbers bij hun controleregime betrekken: hetzij in de vorm van vaste allianties – waarvan de vastheid echter zeer afhankelijk is van de dreiging door de gemeenschappelijk geïdentificeerde vijand – hetzij als ad hoc gesmede “coalitie van de gewilligen”; hetzij, tenslotte, door het aanbod aan minder bevriende machten om samen met de wereldmacht aan de controle over de internationale krachtsverhoudingen veel effectiever mede te werken dan ze op eigen houtje zouden kunnen. Want dat is de basis en het reglement van de voortdurend aan de staten overhandigde uitnodiging voor een strategische coöperatie: dat ook de grootste concurrenten bij hun pogingen om op buitenlandse machtsverhoudingen bepalend en vormend invloed te nemen, effectief te dreigen en betrouwbare veiligheidsgaranties te bieden, veel minder kunnen uitrichten dan de Verenigde Staten, dus zonder de VS weinig en tegen de VS geen kans maken.

Daarmee staat ook het niveau vast waar de VS hun bewapening en oorlogsbereidheid op afstemmen – dus de noodzakelijke kwantiteit en kwaliteit van geweld in de heersende wereldvredeorde. Als mogendheid die deze vrede garandeert, moeten de VS in elke wereldregio met een militaire macht aanwezig zijn die superieur is aan elke denkbare tegenstander daar ter plaatse en bovendien elke derde macht effectief tegenhoudt om zich met Amerika’s aangelegenheden te bemoeien, Aanleidingen tot ingrijpen produceren de concurrerende staten onafgebroken: de wereldmacht onderzoekt deze voorvallen, behoudt zich een beoordeling voor, definieert sommige grotere geweldzaak onder afweging van de strategische betekenis ervan als agressie waarop ze met “Shock and Awe” afschrikwekkend moet reageren; zo blijven de geloofwaardigheid van haar oorlogsbereidheid en de overtuigingskracht van haar leger steeds vers in het geheugen. Deze noodzaak van alomtegenwoordigheid als superieure wereldvredemacht brengt voor de VS onvermijdelijk met zich mee dat ze hun potentiële rivalen op het gebied van oorlogskunst en wapentechnologie minstens een kwalitatief beslissende stap vooruit moeten zijn; dat stimuleert de desbetreffende technische vooruitgang permanent en op extreemste wijze. Voor de poging van de wereldmacht om overal ter wereld bondgenoten te winnen, is het ontwikkelingsniveau van de bewapeningsindustrie dan ook een cruciale hefboom: om als soevereine machthebber überhaupt waarneembaar, onder zijns gelijken respectabel en voor de wereldmacht van belang te zijn, heeft een staat in de eenentwintigste eeuw dermate hoogontwikkelde wapens nodig dat slechts weinige naties in staat zijn die te produceren; op dit gebied zijn de Noord-Amerikanen ongeëvenaard. Deze wapens wil de statenwereld zich dus verschaffen, en het merendeel van de staten is bereid om daarvoor niet alleen met geld te betalen, maar ook met vrijwillige integratie in het Amerikaanse toezichtregime.

Dit regime waarborgt de internationale rechtsbeginselen en de autoriteit van de supranationale instellingen, dus de gelding van het reglement dat bepaalt hoe de staten onderling concurreren – meestal min of meer vreedzaam; met militaire middelen alleen bij uitzondering: als de wereldmacht hen de volkerenrechtelijke licentie daarvoor verschaft of tot ze met superieure machtsmiddelen, met een “coalitie van de gewilligen” en een volkerenrechtelijk mandaat daartegen optreedt. Dit reglement behelst, deels impliciet, de canon van rechten en plichten waarop de wederzijdse politiek-economische eisen van de staten in hun concurrentie om krediet berusten, fungeert dus effectief als betrouwbare rechtsbasis voor het globale zakendoen van de kredietbranche. Zodoende en in die zin leeft het geglobaliseerde kapitalisme van de militaire macht van de VS. Daarvoor levert dit economische systeem zijn garantiemacht de financiële middelen op voor de uitbouw van een dergelijk indrukwekkend machtsapparaat: een abstracte rijkdom die de VS in staat stelt om permanent en steeds perfecter wapentuig te ontwikkelen, in grote hoeveelheden aan te schaffen en doelmatig in te zetten. Deze heel specifieke productiekracht van de globale markteconomie is erop gebaseerd dat niet alleen de wapenproductie – en inmiddels ook de beschikbaarstelling van gewapend personeel – voor kapitalistische producenten en werkgevers een lucratieve zaak is. De schulden waar de staat zijn machtsapparaat en de leveranciers ervan mee betaalt, zijn volgens de regels van dit systeem serieuze rijkdom, namelijk fictief, wereldwijd verhandelbaar geldkapitaal. De financiële branche maakt de overheidsuitgaven voor vernietiging, verspilling in haar wreedste vorm, tot bron van vermogenstitels die geldbezitters uit de hele wereld als geldbeleggingen dienen en bijdragen aan de groei van zaken; voor hun kapitalistische productiviteit staat de geldbranche met haar globale financiële markt in, en ze laat daarvoor alle naties instaan die het kredietgeld van de “supermacht” als internationaal financieel middel en reservevaluta gebruiken. Het systeem organiseert niet alleen de verrijking van de leidende mogendheden; het maakt de kosten van de wereldheerschappij zelf tot een financieel-kapitalistische bron van rijkdom en laat voor de vruchtbaarheid ervan de hele statenwereld met haar markteconomische eigenbaat garant staan. Zo stelt het de hoofdprofiteurs in staat tot accumulatie van de oorlogswapens waar de oprichting en handhaving van de op de wereldmacht toegesneden wereldorde op berust. Dat dit systeem zijnerzijds is aangewezen op de wereldordemacht van de VS; dat de privé-economische regie over de verdeling, aanwending en vermeerdering van de kapitalistische rijkdom van de wereld niet gebaseerd is op een onherroepelijke vrijwillige consensus van de betrokken mogendheden, maar op de alternatiefloze gelding van het door de VS geïntroduceerde reglement en op het feit dat de staten hun materialisme volgens deze richtlijn definiëren en in de praktijk brengen: daarvan zijn de geld- en krediethandelaren trouwens ook zonder theoretische kennis op de hoogte. Helemaal vanzelf passen ze de reflectie op de machtsverhoudingen in de statenwereld in hun speculatie in. En zolang ze nog op Amerika’s afschrikkingsmacht vertrouwen, zoeken ze hun toevlucht bij de dollar zodra er enigerlei strategische fronten opdoemen en ergens onzekerheden dreigen.

*

De VS hebben over de statenwereld een regime gevestigd dat de eigenbaat van de staten niet negeert, maar ter realisering op de concurrentie verplicht; een vrije concurrentie waarvan Amerika de inhoud en de succesvoorwaarden bepaalt. De “supermacht” doet alle staten en voornamelijk haar machtigste rivalen het aanbod om mee te werken aan haar controleregime over de globale machtsverhoudingen – uitsluitend onder haar aegide, dit echter, al naar gelang van de constructieve bijdrage, wel degelijk met eigen belangen en doelstellingen. Het onder dit regime opgerichte systeem van economische concurrentie om financiële macht biedt bovendien elke natie een succeskans, staat zelfs toe dat de sterksten een strijd voeren om de top van de economische hiërarchie, dus concurreren om de VS als economische macht te evenaren – de Europeanen doen al sinds lang pogingen in die richting; de VR China geldt inmiddels als kandidaat met de beste vooruitzichten. Het systeem beloont het concurrentiesucces – dus vooral hetgene van de leidende mogendheid, die de voorwaarden bepaalt. Dit is het geheim van het succes van het moderne Amerikaanse imperialisme.

Bij dit systeem hoort echter ook dat het de leidende mogendheid haar superieur succes geenszins automatisch garandeert; dat weten haar leiders zelf als geen ander. Ze strijden in elk geval, nog vanuit een positie van ongeëvenaarde sterkte, voor hun economische toppositie en voor hun monopolie op de zeggenschap over de machtsverhoudingen in de statenwereld.

*

1)

Hoe de moderne staat op zijn grondgebied gebruik maakt van de macht van het financierskapitaal en daarvoor de kapitalistische logica en baatzuchtige noodzakelijkheden van deze branche tot hun recht laat komen, wat daaruit volgt en hoe een moderne overheid met de consequenties omgaat, dat is uitgelegd in het vorige hoofdstuk van dit opstel: Het financierskapitaal III. De “systemische”betekenis van de financiële sector en het openbare gezag.

2)

Op welke manier een centrale bank zich deviezen verschaft – hoofdzakelijk uit de gang van zaken van de nationale geldhandelaren alsook in het kredietverkeer met andere centrale banken en met supranationale instellingen – ; de regels waarnaar ze deviezen ophoopt en afstaat; de omvang van haar deviezenzaken in verhouding tot die van de zakenbanken; de wijze waarop ze haar deviezentegoeden bewaart en beheert – ze stapelt immers normaliter geen bundels bankbiljetten op – ; de doelen van de geld- en valutapolitiek die ze in haar dagelijks zakendoen nastreeft; ook de omstandigheid dat het met de internationale solventie van een nationale zakenwereld en vooral van de verantwoordelijke centrale bank slecht gesteld is, wanneer de geldhoeders van een land daadwerkelijk hun internationale liquiditeit moeten bewijzen: dat alles doet niet ter zake voor de materieel onderbouwde convertibiliteit van nationale kredietgeldsoorten die hier ter sprake komt. Waar het om gaat, dat is de normaliter als vanzelfsprekend veronderstelde basis voor het feit dat de banken met hun macht om kredietgeld te scheppen een globaal zakenleven institutionaliseren. Daarvoor is het nodig dat de staten de convertibiliteit van het door hen als nationaal betaalmiddel toegelaten kredietgeld niet alleen formeel besluiten, maar principieel – en daadwerkelijk volgens door hen vastgestelde regels – ook materieel waarborgen.

3)

Het goud heeft afgedaan als internationaal equivalent; als “liquiditeitssubstitutie” in het bezit van een centrale bank versterkt het haar vermogen om voor de geldkwaliteit van haar waardeteken in te staan: “Goud is een essentieel bestanddeel van de nationale valutareserve. Het dient de geloofwaardigheid van de valutabescherming naar buiten en binnen en vervult daarmee een vertrouwenwekkende en stabiliteit waarborgende functie.” (Deutsche Bundesbank, Die Deutsche Bundesbank, Aufgabenfelder, Rechtlicher Rahmen, Geschichte, Frankfurt am Main 2006, S. 181) Meer daarover in de “aanvulling”. 

4)

Dat dit effect allerminst zeker is, de geldmarkten met de vaststelling van de ruilwaarde van een convertibele valuta de scheppers ervan kunnen teleurstellen, wellicht de economische bruikbaarheid van een valuta überhaupt in twijfel kunnen trekken, hoort altijd bij de internationalisering van het kapitalistische zakelijke middel van de verschillende naties. Dan moet de verantwoordelijke centrale bank haar omruilgarantie voor het eigen geld misschien daadwerkelijk inlossen, haar deviezenvoorraad wordt gedecimeerd, haar vermogen om deviezen te verschaffen aanzienlijk verminderd: een aanwijzing voor het feit dat de zakenwereld haar betaalmiddel al niet meer erkend als convertibel geld, maar als puur kredietteken beschouwt en de nationale kredietzaken die het representeert als twijfelachtig beoordeelt. Om de convertibiliteit van een dergelijk geld te redden, moeten dan de staten met het betere geld inspringen – daarover later meer.

5)

Het meest recente en misschien indrukwekkendste historische voorbeeld daarvoor is de contra-revolutionaire omwenteling van de Sovjet-economie: als een puur technische modernisering van hun economie werd de radicale hervormers van het “reëel-socialistische systeem van planning en leiding” het convertibel maken en vrijgeven van hun nationaal geld voor moderne grensoverschrijdende bancaire zaken door inheemse experts en buitenlandse adviseurs aangeraden; onder dit opschrift werd de nodig geachte stap naar internationalisering van de valuta gezet. Daadwerkelijk begon daarmee de vernietiging van de immanente plannings-hefboom, het socialistische geld, en de ruïnering van elke economische planning; de onderwerping van de Comecon-landen (Raad voor wederzijdse economische hulp) aan de heerschappij van het financierskapitaal in de gedaante van inheemse “oligarchen”, westerse banken en concerns was onomkeerbaar.

6)

Zelfs de centrale banken – althans degene die ervan overtuigd zijn dat ze zich geen zorgen hoeven te maken over hun liquiditeit – beheren hun deviezenvoorraad zo lucratief mogelijk; (details in Die Deutsche Bundesbank, S. 180)

7)

Dat wist – natuurlijk – Marx al; na te lezen bijvoorbeeld in Das Kapitaal II, S. 347

8)

De banken bieden hun bedrijfsklanten verschillende alternatieven aan. Een valutatermijncontract geeft de klant het recht om een bedrag in vreemde valuta, dat hij op een tijdstip in de toekomst verwacht of moet betalen, voor de actuele of een actueel vastgestelde wisselkoers te verkopen of te kopen; de bank draagt het risico van een verslechterde of verbeterde valuta-verhouding en incasseert een bij het risico passende premie. Bij de termijnaffaire modificeert de bank de actuele omruilverhouding – de “contante koers” –  door de differentie tussen de interbankenrentes die voor het bedrag in inheemse valuta en de rentes die voor het navenante bedrag in vreemde valuta tot de vervaldatum te berekenen zijn; met het effect dat en hogere rentestand, gebruikelijk bij slechtere, tendentieel ontwaarde valuta, de koop van het vreemde geld op een later tijdstip voor de klant om het renteverschil goedkoper, zijn verkoop op termijn navenant duurder maakt. Enzovoort.

Voor de banken zijn dergelijke verzekeringszaken de lucratieve, als zodanig echter oninteressante basis voor een aanzienlijk aantal speculatieve zaken van “afgeleide” aard, die onder punt 4 van dit hoofdstuk worden behandeld.

9)

Voor de nodige ingrepen, de “stabiliserende” alsook voor de noodzakelijk geachte correcties aan de wisselkoersen, hebben de staten onder het regime van het IMF een repertoire aan instrumenten ontwikkeld. Het belangrijkst zijn de verschillende wisselkoersregimes die afgestemd zijn op uiteenlopende probleemsituaties en richtsnoeren voor het economisch beleid: staten die probleemloos hun internationale solventie kunnen bewijzen en waarvan de nationale industrie goed bezig is in de concurrentie om het geld van de wereld, laten de waardebepaling van hun kredietgeldsoorten over aan de concurrentie tussen de geldhandelaren en eisen dat ook van hun zwakkere partners; deze prefereren een reglement met van staatswege vastgestelde valutapariteiten en met voorschriften die bijvoorbeeld de nationale bankenwereld verplichten om de ontvangen deviezen af te leveren bij een overheidsinstantie, te toegang tot deviezen algemeen of afhankelijk van het gebruiksdoel beperken, duurder of goedkoper maken etc. (Enkele voorbeelden: zwevende wisselkoersen: vraag en aanbod bepalen de wisselkoers; beheerst zwevende wisselkoers of managed floating: de monetaire autoriteiten interveniëren door aan- en verkoop van eigen valuta; vaste wisselkoersen: de munt is als het ware gebonden aan een andere munt of aan een mandje van andere munten; veelvuldige wisselkoersen: de wisselkoers is afhankelijk van de aard van de internationale transactie; vaste wisselkoersen met volledig gereglementeerd handels- en betalingssysteem: de overheid legt de wisselkoers vast, los van de marktprijzen; etc.)  

10)

Daaronder verstaat de markteconomische deskundigheid – in dit geval H. E. Büschgen, Das kleine Bank-Lexikon, Düsseldorf 2006 – “het (mentale) samentreffen van de markten waar geld, kapitaal, krediet, waardepapieren, deviezen etc. worden aangeboden en gevraagd”. Ongeveer zo ongedifferentieerd wordt de uitdrukking ook in het volgende gebruikt. De differentiëringen die op deze intellectuele basis door de experts worden aangeboden, laten zich leiden door de criteria die voor de desbetreffende zaken blijkbaar van belang zijn, zoals “termijn- resp. looptijdstructuren, organisatiegraad, marktdeelnemers, marktobjecten alsook – bij afgrenzing van de internationale markten – valuta’s en regio’s.” (S. 367) Voor de politiek-economische definitie van deze sferen vinden wij andere verschillen belangrijk, namelijk die tussen leenkapitaal, fictief kapitaal en derivaten (hoofdstuk II van dit opstel) – in hoeverre en waarvoor belangrijk, dat blijkt hopelijk uit de argumentatie. Als er daarbij soms sprake is van “kapitaalmarkt” of “internationale krediethandel” dan wordt daarmee niet de (in de economische wetenschap gebruikelijke) afgrenzing tussen deelmarkten voorgesteld, maar bij het noemen van het onderwerp wordt aan verschillende aspecten van de heersende schuldeneconomie – nog zo’n ongedifferentieerde benaming – herinnerd.

11)

De omruil van de meeste valuta’s bewerkstelligt de geldhandelbranche via de ruil tegen het kredietgeld van een van de grote financiële mogendheden en vervolgens de aankoop van de benodigde geldsoort met dergelijke deviezen. Deze hebben dus terecht de wetenschappelijke naam “vehikelvaluta”. Dat er daarvan meerdere zijn die zich onderling meten en tegenover elkaar hun eigen koersbewegingen uitvoeren, maakt de valutaruil weer iets gecompliceerder, maar vooral voor de hogere niveaus van het speculeren (punt 4) dan ook weer interessant.

12)

In het volgende worden de verschillende vormen van transfer van kapitaal uit een land naar het andere – via kredietverstrekking, bedrijfsoprichting, portefeuille-belegging… –  over één kam geschoren, omdat het er alleen op aankomt dat een kapitalistisch vermogen aan de ene kant van de grens als voorschot voor een kapitalistisch vermeerderingsproces, aan de andere kant als rechtstitel op opbrengsten fungeert: een verdubbeling die immers niet enkel een kredietbetrekking tussen particuliere eigenaars creëert, maar ook een verplichtingsverhouding tussen staten. In welke branche en met welk succes dit vermogen in het ene land wordt aangewend en of het in zijn stamland als bestanddeel van een bedrijfsbalans, als vordering, als tot handelswaar gemaakt fictief kapitaal of nog heel anders bestaat, dat is voor de eigenaars ongetwijfeld van belang en wordt door de staat op de handelsbalans onder verschillende rubrieken genoteerd. Voor de hier uit te leggen verhouding tussen het recht, dat de staat toekent aan het aan zijn soevereiniteit onderworpen privé-eigendom, en de eerbieding van dit recht hetgeen hij van andere staten eist wanneer hij aan het kapitaal, aan het binnenlandse alsook aan het buitenlandse, de licentie verleent om grensoverschrijdend zaken te doen, is dat echter onbelangrijk: het gaat om het algemene begrip van deze eigenaardige rechtstoestand, die trouwens quasi grondwettig gecodificeerd is in de oprichtingsovereenkomsten van het “Bretton Woods”-systeem. Sindsdien werd deze rechtstoestand in die zin uitgebouwd dat een kapitalistisch vermogen, ongeacht zijn afkomst, in elk land volgens de daar geldende rechtsorde vrij mag ageren – en dat elk nationaal recht het kapitaal dezelfde handelingsvrijheid moet toestaan als in de kapitalistisch succesvolste landen.

13)

In hun formele overeenkomsten over de grenzenloze bewegingsvrijheid van het kapitaal staan de overheden elkaar deze voorbehouden dan ook toe. Een voorbeeld: artikel 3 uit OECD Code of Liberalisation of Capital Movements: “The provisions of this Code shall not prevent a Member from taking action which is considers necessary for: i) the maintenance of public order or the protection of public health, morals and safety; ii) the protection of its essential security interests; iii) the fulfilment of its obligations relating to international peace and security.”

14)

De clientèle verhoudingen die uit dergelijke multilaterale financiële betrekkingen voortkomen, worden bijwijlen als terugkeer van koloniale verhoudingen bekritiseerd. Daadwerkelijk hebben de koloniale mogendheden vreemde landen aan hun heerschappij onderworpen en op basis daarvan investeringen toegestaan en ook zelf gedaan om hun bezittingen als bron van rijkdom bruikbaar te maken. De tegenwoordig gebruikelijke manier om vreemde landen uit te buiten, namelijk via resp. op basis van kredietverstrekking van overheidswege en schulddelging, laat de politieke soevereiniteit en daarmee alle pogingen om het land uit te bouwen tot bron van rijkdom aan de schuldenaar over; de vreemde soeverein met zijn machtsmonopolie moet instaan voor de dienst van zijn land aan het recht van de eigenaar op verrijking. Dit is de grote historische vooruitgang uit de vorige eeuw; meer daarover onder punt 5.

15)

Het IMF – een thema onder punt 4 – kent de op de wereldmarkt bij voorkeur gebruikte kredietgeldsoorten als “vrij aanwendbare valuta’s (art. XXX uit het IMF-verdrag). Als dergelijke soorten gelden tegenwoordig de VS-dollar, de euro, de Japanse yen en het Britse pond.

16)

Voor verduidelijken over de principes van deze zakensfeer waar de financiële branche speculeert op de door haar gecreëerde kansen en risico’s als zodanig zie: De speculatie op de speculatie: de handel met derivaten in Het financierskapitaal II. De ontplooiing van de kredietmacht van het financierskapitaal: de accumulatie van het “fictieve” kapitaal.

17)

Politici wier financieel-politieke calculaties mislukken, klagen gewoonlijk over “speculatieve vertekeningen” van eigenlijk prachtige “fundamentele gegevens”. Hun succesvolle collega’s kunnen hen daarin nooit gelijk geven.

18)

Uitgerekend de experts van het systeem die de financiële branche tot modernste industrietak verklaren en over de producten ervan normaliter generlei twijfel koesteren, interpreteren de crisis zo dat daaruit retrospectief de eigenlijk vanaf het begin vaststaande nietigheid van kunstmatig opgeblazen zaken zou blijken. “Financiële zeepbellen” luidt het trefwoord waarin deze duiding wordt samengevat. Ze fingeren daarmee een verschil tussen houdbare kredietzaken die eigenlijk nooit kunnen “barsten” en een onhoudbare afdeling waarvan de groei niets dan een misgreep is, een afwijking van het solide bankwezen en zijn au fond solide markteconomische logica. Het verschil is in de praktijk van de bancaire zaken weliswaar nergens waar te nemen en theoretisch net zomin te ontdekken, maar in ideologisch opzicht is er niets mis met de onderscheiding tussen goede en slechte bancaire zaken: ze getuigt van de absolute wil om de bezorgdheid over het welslagen van alle markteconomische zaken tot richtlijn voor het nadenken daarover te maken, zelfs als dat niets bruikbaars oplevert voor de gang van zaken.

Daadwerkelijk zijn dezelfde soort van “waardeschepping”, die de financiële branche bijdraagt aan de groei van het kapitaal, en dezelfde “logica”, volgens welke deze branche de rijkdom creëert en accumuleert, ook bevoegd om de beweging om te keren en de aangezwollen macht van het krediet te reduceren. In elk stukje accumulatie van reële financiële macht op basis van schulden is ook al de overaccumulatie aanwezig, namelijk de reden dat de onderbreking van de kringloop van verrijking een kringloop van vernietiging van markteconomische rijkdom in gang zet, waarbij zich altijd alleen maar de vraag opdringt waar de onderbreking begint, of ze een regionaal fenomeen blijft en of ze zich laat beperken tot bepaalde branches en categorieën van geldbeleggingen, wanneer ze te stoppen is en of ze “ontaardt” in een algemene financiële crisis. Meer daarover in aanvulling 3: over de kapitalistische crisis in het algemeen en in het bijzonder, hoofdstuk II van Het financierskapitaal II.

19)

Dit was het geval bij een onderafdeling van de derivatenmarkt drieënhalf jaar geleden. Toelichtingen over deze gebeurtenis in: Gegenstandpunkt 3 – 07; 4 – 07; 3 – 08; 3 – 09; 1 – 10; en 3 – 10

20)

Deze “rechten”, gedefinieerd als “valutamandje”, bestaande uit de – tegenwoordig vier (zie voetnoot 15) – “vrij aanwendbare”  geldsoorten, worden aan alle leden in een vastgestelde omvang en in overeenstemming met hun quotum toegekend; ze kunnen bij andere centrale banken worden omgewisseld tegen liquide middelen.

Deze “SDR’s” werden oorspronkelijk ingesteld om de liquiditeit, dus de valutareserves van de kapitalistische naties regelconform te vergroten; die waren uiterst beperkt omdat te weinig wereldgeld in de vorm van goud gedekte dollars in de wereld stroomden. Met de toenemende tekorten en kapitaalexporten van de wereldmacht en de opheffing van de goudstandaard en de vaste valutapariteiten tussen VS-dollar en andere nationale geldsoorten was dit probleem gauw en grondig opgelost. De Deutsche Bundesbank (S. 15) kritisch terugkijkend: “De bezorgdheid dat toekomstig via de betalingsbalanstekorten van de VS niet meer voldoende dollars geproduceerd werden om de overige landen in toereikende mate van valutareserves te voorzien, leidde in 1969 tot het creëren van het systeem van “bijzondere trekkingsrechten” (BTR). Deze moesten als nieuwsoortig reservemedium het verwachte “dollar-gat” dichten en de globale behoefte aan valutareserves dekken. Tegelijkertijd werd met het creëren van de BRT’s het goud en de belangrijkste reserve- en sleutelvaluta dollar als centraal oriëntatiepunt (Numéraire) in het IMF door de BRT’s afgelost. Daartegenover leidde de daadwerkelijke ontwikkeling eind jaren zestig / begin jaren zeventig niet tot een dollar-gat, maar tot een overaanbod aan dollarreserves. Omdat de dollarvoorraden van de centrale banken buiten de VS gaandeweg uitgroeiden boven de goudvoorraden van de VS en daarmee de convertibiliteit van de dollar in goud, een dragende zuil van het pariteiten-systeem, niet langer gewaarborgd leek, ontstond een vertrouwenscrisis. Het creëren van het BTR-systeem beruste uiteindelijk op een verkeerde beoordeling.” Dit oordeel blijkt inmiddels echter zelfs een verkeerde beoordeling te zijn. Ten aanzien van de groeiende betalingsnoden van IMF-leden op grond van de financiële crisis zijn de “bijzondere trekkingsrechten” als middel ter verhoging van de internationale liquiditeit van de centrale banken met hun erg onder druk staande balansen herontdekt worden; hun circulatie is vertienvoudigd. (IMF, Factsheet Special Drawing Rights, December 9, 2010)

21)

De Volksrepubliek China steekt er bovenuit. Zij is volgens het oordeel van de experts en vooral van haar westerse “zakenpartners” daadwerkelijk op de sprong om met haar opgehoopte deviezenvoorraad als emittent van een als wereldgeld gerespecteerde valuta te fungeren. Wat dat betreft gaat de regerende partij echter voorzichtig te werk. Blijkbaar is ze op de hoogte van het grote politiek-economische verschil tussen de nationale solventie op basis van en met de middelen van een grote en verder groeiende staats-schatkist en de beschikking over een kredietgeld dat door de financiële branche alomvattend als algemeen equivalent en zakelijk middel wordt gebruikt. In elk geval weet de partij dat deze branche, als ze met het Chinese geld vrij zou mogen opereren, genadeloos op de opwaardering ervan zou speculeren en daarmee een belangrijke voorwaarde voor het exportsucces van deze natie, dus voor haar verrijking door het geld van de leidende mogendheden van het globale kapitalisme, zou ondermijnen zonder de renminbi op te waarderen tot algemeen aangewend wereldgeld. Daarvoor is inderdaad veel meer nodig dan heel veel warenexport – namelijk minstens een globale kapitaalexport in deze valuta en haar succes op de kapitaalmarkten als waarde-eenheid voor portefeuilles uit fictief kapitaal en derivaten alsook als betaalmiddel voor de gedane zaken. De regering doet pogingen in deze richting; ze heeft haar valuta weliswaar nog niet vrij convertibel gemaakt, maar dringt reeds aan op opname van de renminbi in het valutamandje dat de “bijzondere trekkingsrechten” van het IMF definieert. Tot op heden wijst het IMF dit nog af: de “Chinese renminbi” voldoet nog niet aan de criteria van het Fonds voor “a freely usuable currency” (IMF, Review of the Method of Valuation of the SDR, 2010).

22)

De crisis-concurrentie tussen de grote economische mogendheden kenmerkt zich ook tegenwoordig, tijdens de eerste grote financiële crisis in de eenentwintigste eeuw, daardoor dat de progressiefste politici teruggrijpen op vanouds bekende recepten voor het eenzijdige geld verdienen op de wereldmarkt, namelijk door een protectionistische handels- en een daarop toegesneden geldpolitiek. Ook essentiële bestanddelen van het globale kredietsysteem, vooral de nog altijd dominerende rol van de VS-dollar, maar ook de vrije wisselkoersen tussen de grote wereldvaluta’s zijn aan kritiek onderhevig. Dat daarnaast binnen de naties alles mogelijke wordt ondernomen om het verlies aan kapitalistische potentie in het land te compenseren door het volk goedkoper te maken, en wel de nog gebruikte alsook de markteconomisch onbruikbare delen ervan, spreekt vanzelf: verpaupering van de massa is voor de staatsmacht weliswaar de zwakste, maar toch de enige uitsluitend met de middelen van de politieke verantwoordelijkheid te producerende binnenlandse productiekracht voor de internationale concurrentiestrijd; (meer daarover in de artikelen die in voetnoot 19 worden genoemd; wordt vervolgd).

23)

Over de politieke economie van het reële socialisme staat het belangrijke in de boeken van Resultate Verlag naar aanleiding van het einde van de DDR: Peter Decker / Karl Held, DDR kaputt – Deutschland ganz. Eine Abrechung mit dem “Realen Sozialismus” und dem Imperialismus deutscher Nation, München 1989, en: Der Anschluss. Eine Abrechnung mit der neuen Nation und ihrem Nationalismus, 1990 – alsook in de bundel: Karl Held (Hrsg.) Das Lebenswerk des Michail Gorbatschow. Von de Reform des “realen Sozialismus” zur Zerstörung der Sowjetunion, Gegenstandpunkt Verlag, München 1992.

© Gegenstandpunkt Verlag, München 2011