ARBEID en RIJKDOM IV

IV.

Om hun concurrentiemiddel, de arbeid, effectiever te maken, zetten de werkgevers niet alleen hun eigen opbrengsten in, maar ook schulden. Met geleend geld en geaccepteerde betalingsbeloftes verschaffen ze zich de vrijheid om de grenzen van hun vermogens en behaalde winsten te overschrijden en hun productie ononderbroken voort te zetten, uit te breiden en haar rentabiliteit te verhogen. Tot aparte branche verzelfstandigd, stelt het krediet de ondernemers in staat voor hun concurrentie om marktaandelen enorme investeringen te doen en alle barrières waarop ze daarbij stoten te negeren. De toegang tot krediet is bijgevolg de onmisbare voorwaarde voor het zakendoen, de winst derhalve het middel om aan vreemd eigendom te komen en kredietwaardigheid het cruciale criterium, dus de doelstelling van “het bedrijfsleven”.

 De geldbezitters die hun eigendom in andermans zaken steken, hebben aanspraak op een aandeel van de bedrijfswinst: op een vooraf vastgesteld percentage – niet van de werkelijk behaalde winst, maar van de uitgeleende geldsom. Door de zaken van hun schuldenaars te bevorderen, maken de schuldeisers deze tot middel voor de vermeerdering van hun eigen geld. Dit is de uitgangsbasis van een zelfstandige kapitalistische branche die beroepshalve geld te leen geeft en daarbij ten opzichte van haar aanspraken op de winst van de schuldenaars opmerkelijk vrij calculeert met het uitgeleende geld: hun vorderingen op hun gecrediteerde ondernemers noteren de financierskapitalisten als beschikbaar rentedragend vermogen, de beloofde betaling als aanwendbaar eigendom. Op deze wijze “scheppen” ze het krediet waarmee ze de ondernemers in staat stellen zaken te doen – die nu echter per se aan deze speculatieve anticipatie moeten beantwoorden: ze hebben de geanticipeerde opbrengst te behalen en zodoende de gelijkstelling van winstverwachting en kapitalistisch vermogen, waarop de enorme prestatie van de kredietbranche berust, waar te maken.

 De arbeid die het werkelijke eigendom produceert, moet bijgevolg aan zakelijke eisen voldoen die de tegenstrijdige opgave door voldoende productiviteit de rentabiliteit van de onderneming te waarborgen nog overtreffen: zijn opbrengsten moeten de onderneming haar kredietwaardigheid, de kredietgever de aflossing van diens geldscheppende speculatie garanderen. De prestatie die daarmee van de arbeid verlangd wordt, is echter in strijd met de uiterst beperkte koopkracht in de samenleving, het resultaat van het feit dat de arbeid conform de geëiste prestatie betaald wordt. De pretentie van de kapitalisten steeds meer krediet in rendabel ingezet kapitaal te veranderen, faalt periodiek vanwege de onmogelijkheid de daarvoor nodige winsten te realiseren. Via de verscherpte concurrentie tussen de aanbieders van waren alsook tussen industriële ondernemers en kredietgevers voltrekt zich dan een ontwaarding van het met krediet gefinancierde kapitaalvoorschot van de gehele kapitalistenklasse; geaccumuleerd eigendom kan vooreerst niet meer winstgevend geïnvesteerd worden. Voor deze schade draait, systeemconform, de andere klasse op: het laatste doeltreffende gebruik van de “factor arbeid” is zijn stillegging. Zo komt steeds opnieuw het bekende crisisscenario tot stand waarin immens veel overtollig geldvermogen direct naast een reusachtig overschot aan loonafhankelijke wereldbevolking bestaat.

1.

 Zoals iedereen weet vindt het zakenleven niet enkel op markten plaats waar ondernemende werkgevers de waren die ze lieten produceren te gelde maken. De meest indrukwekkende afdelingen van de kapitalistische business bevinden zich op de beursvloer waar brokers voor de ogen van het televisiepubliek diagrammen produceren of via de legendarische computers binnen seconden multimiljarden de wereld rondsturen. Het snelste geld en de grootste vermogens worden in elk geval in sferen gemaakt waar de geldbezitters oftewel hun agenten helemaal onder elkaar zijn, en met papieren waarop niets dan uiterst speculatieve succesbeloftes genoteerd staan.

Dat alles staat, hoewel ver verwijderd van elke eenvoudige warenproductie en -circulatie, niet helemaal los van de sectoren van de economie die in contrast daarmee “reële economie” heten. Als een bank vanwege mislukte speculaties failliet gaat of omgekeerd een aandelenkoers naar onverwachte hoogten klimt, dan verwacht iedereen materiële gevolgen voor industrie en handel, zelfs als volstrekt onduidelijk is welke. Aan de andere kant kan “volledige werkgelegenheid”, waarmee men tegenwoordig een laag werkloosheidspercentage bedoelt, een hele nationale beursindex doen kelderen omdat bijvoorbeeld wegens de volledige werkgelegenheid hogere lonen, wegens de lonen meer inflatie, wegens de inflatie hogere rente en wegens de rente dalende aandelenkoersen worden gevreesd – hoe verkeerd deze vier “wegens” in feite ook zijn; een massaontslag daarentegen kan koersstijgingen teweegbrengen omdat een beursmakelaar daarin een signaal voor meer doortastendheid bij de winstmakerij ziet en tussen de maatregel en het succes ervan niet onderscheiden wil; enzovoort.

Dat de verzelfstandigde wereld van de speculatie op rentedragende schuldpapieren en dergelijke iets met de arbeidswereld te maken heeft, wordt dus algemeen aangenomen. Gemeengoed is ook het besef dat deze verhouding van merkwaardige aard is, ondoorzichtig en niet zelden gekenmerkt door een verrassend onvervalst cynisme. Minder bekend is waarschijnlijk in hoeverre het kapitalistische regime van het eigendom over de arbeid van de maatschappij door het krediet wordt voleindigd.

2.

Elke ondernemer stoot bij het zakendoen op zijn grenzen: bij de inzet van het beschikbare geld voor de concurrentiestrijd blijkt zijn vermogen telkens weer te klein. Dat het groeit, biedt geen uitkomst: want als het geïnvesteerd is, ligt het vooralsnog vast en staat niet ter beschikking voor een “flexibele reactie” op de concurrentiesituatie; het ontbreekt voor wellicht onvermijdelijke, namelijk door concurrenten gedicteerde rationaliseringen; en investeringen die een doorslaand succes beloven, kosten normaliter toch al meer dan het investeerbare gedeelte van de binnenkomende opbrengst. Het is dus niet enkel zo dat kapitalistische ondernemers altijd graag meer willen verdienen en daarvoor meer zouden “ondernemen”; hun eigendom is vanwege zijn beperkte, in vergelijking met de concurrenten zeer relatieve grootte ook nooit het optimale concurrentiemiddel dat het moet zijn.

Het krediet: de erkenning van toekomstige opbrengsten als tegenwoordige solventie door andere kapitalisten helpt deze grens te overwinnen. Door termijngebonden betalingsbeloftes tegen een kleine vergoeding als betaling te accepteren, stellen de in productie en handel actieve kooplieden elkaar “liquiditeit” ter beschikking die ze nog helemaal niet verdiend hebben, verschaffen zich dus een zekere onafhankelijkheid van de tijdrovende en moeizame verkoop. En ter financiering van investeringen staan, eveneens tegen een zekere gage, geldbezitters met kredietkapitaal paraat: het vertrouwen van anderen op toekomstige concurrentiesuccessen mobiliseert actueel inzetbare middelen voor de strijd om navenante successen. Zo verhoogt het krediet de potentie van kapitalistische werkgevers om rendabel te laten werken, doordat het hen bevrijdt uit de afhankelijkheid van reeds behaalde concurrentiesuccessen en verdiende winsten. En daar dit in het kader van de concurrentiestrijd geschiedt, kan geen onderneming de diensten van het krediet ontberen: het is in de zakenwereld alomtegenwoordig.

Daarmee groeien uiteraard ook de aanspraken op de winst die de met vreemd eigendom vlot gemaakte warenproducenten op de markt moeten behalen. Ook het uitstel van betaling moet immers vergoed, het geleende kapitaal vermeerderd worden: met de in de rentevoet vastgestelde proportie. De kapitalistische calculatie volgens welke niet de arbeid nieuw eigendom creëert, maar het kapitaal zich vermeerdert, wordt hier de inhoud van de zaak. Het principe dat de ondernemers de behaalde winst aan het totale kapitaalvoorschot meten, wordt tot aanspraak en bezegeld recht van de kredietgever op een vooraf vastgesteld groeipercentage van zijn uitgeleend geld, dat uit de winst moet worden betaald, onafhankelijk ervan in welke hoogte en in welk percentage en of er überhaupt winst werd gemaakt. Het succes dat de onderneming door uitstel van betaling resp. geleend geld wil veiligstellen, bevorderen en vergroten, wordt tot wettelijk gewaarborgde “objectieve noodzaak” voor de gecrediteerde zaken – en de strijd tussen kredietgever en kredietnemer over de hoogte van de rente tot permanente taak in het zakenleven.

Ook tussen schuldeiser en schuldenaar bestaat dus geen zinvolle complementaire verhouding wanneer ze hun respectievelijk eigendom combineren en zich van elkaar afhankelijk maken door het winstgevend aan te wenden. Het krediet voegt aan de concurrentie van de kapitalistische producenten een nieuwe concurrentieverhouding toe die niet alleen de deling van de winst betreft.

- De kredietnemer doet zaken met het hoofddoel door stipte aflossing van de schulden het succes van zijn onderneming te bewijzen, dus kredietwaardig te blijven om ook verder, wellicht makkelijker en onbeperkter, aan vreemd eigendom te komen als middel van zijn winst. De onderneming wordt tot instrument om met het geld van andere kapitalisten het eigen zakenvoordeel te bevorderen.

- De kredietgever daarentegen vermeerdert zijn eigendom middels het zakendoen van anderen. Van hun succes maakt hij zich afhankelijk en insisteert daarom rücksichtslos erop dat de opbrengst van de gecrediteerde zaken allereerst zijn aanspraken bevredigt. Hij eist dat de schuldenaar zijn zakelijke calculaties ondergeschikt maakt aan zijn rente- en aflossingsplichten en verlangt tevens zekerheden voor een duurzame winstgevende gang van zaken; anders blijft namelijk uiteindelijk slechts het resterende vermogen van de geruïneerde schuldenaar over om de schade te beperken.

Aan de kapitalistische zin en doelstelling van de warenproductie – daarin geïnvesteerd geld te vermeerderen – verandert daardoor een belangrijk detail: de vermeerdering van het eigendom is niet meer slechts het nagestreefde doel waarvoor de kapitalistische werkgever zijn productiefactoren hun best laat doen. In het krediet wordt praktisch vooruitgelopen op het succes van deze poging. En dit niet enkel ideëel in die zin dat uitsluitend succes belovende zaken gefinancierd worden, maar op de materiële wijze dat toekomstig te behalen winsten als reeds beschikbaar eigendom worden behandeld. Betalingsbeloftes worden tot betalingsmiddelen: de kredietnemer heeft middelen in handen die zijn onderneming eerst nog moet opleveren; de kredietgever beschikt over vorderingen die hij als groeiend geldvermogen bijboekt. Dat de arbeidskrachten op gecrediteerde arbeidsplaatsen winstgevend verkoopbare waren produceren en dat die ook verzilverd worden, zodat het ingezette kapitaal rendeert en de rentevorderingen van de schuldeiser beslist bevredigd worden: dat is als een vaststaand feit verondersteld, als vanzelfsprekende voorwaarde voor het eigenlijke zakendoen. Dat speelt zich af tussen kredietnemer en kredietgever en bestaat daarin dat beide zijden onderling de vermeerdering van hun geld teweegbrengen: de een door zijn geld aan iemand anders beschikbaar te stellen, de ander door andermans geld te gebruiken. De arbeid valt de eer te beurt datgene te realiseren wat de partners in kredietzaken reeds als voldongen feit met elkaar hebben afgesproken.

Met het krediet treedt dus niet alleen het geldkapitaal in zijn verzelfstandigde vorm op. Ook het productieve zakendoen maakt zich los van zijn eigen materiële kant. De aanspraak op winst die de geldkapitalisten met hun rentevorderingen tegen de warenproducerende ondernemers doen gelden, concurreert met het winstbelang van laatstgenoemde omdat beide zijden dezelfde belangstelling voor winst hebben. Beiden verwachten het waarmaken van het geanticipeerde zakensucces dat ze reeds als bestanddeel van hun kapitalistische vermogens hebben bijgeschreven. Als het zakelijke succes uitblijft dan confligeren juist die eigendomsrechten die het krediet heeft gecreëerd. 16)

De deal tussen kredietgever en kredietnemer creëert dus de middelen die de kapitalistische werkgevers in staat stellen met steeds grotere inspanningen te concurreren. De omvang ervan wordt niet beperkt door in het verleden geaccumuleerde winsten, maar is zo groot als de bereidheid van de geldkapitalisten om op toekomstige opbrengsten te vertrouwen. Het vermogen om in de concurrentie om warenmarkten prachtige kapitalistische prestaties te volbrengen, is daarom echter tegelijkertijd een dwingende aansporing daartoe. Want juist vanwege de scheiding tussen de beschikbaarstelling van benodigde geldmiddelen en het werkelijke zakensucces hangt de beschikbaar gestelde rijkdom zelf van voldoende opbrengsten af; en de concurrentie-inspanningen van de warenproducerende ondernemers moeten minstens zo veel opleveren dat aan de verplichtingen tegenover de financiële wereld kan worden voldaan.

Dat heeft gevolgen.

3.

De grenzen van de maatschappelijke koopkracht als geheel betreffen de enkele ondernemer niet. De grens waarmee hij zich in de praktijk moet uiteenzetten, is de relatieve omvang van zijn vermogen in vergelijking met de vermogens van zijn concurrenten. Natuurlijk, het geld dat hij “op de markt” verdient, moeten zijn klanten al hebben verdiend. En nadat het kapitalistische zakenleven het commando over de arbeid van de maatschappij gemonopoliseerd heeft, is het ook geen geheim waar en hoe dat gebeurt: rijkdom wordt geproduceerd om zich door de verkoop als abstracte grootheid: als in geldeenheden gekwantificeerde buitensluitende beschikkingsmacht in handen van eigenaars te realiseren; die betalen de noodzakelijke arbeid uit de verkoopopbrengst en verschaffen zo hun werknemers geldinkomsten; daarmee en met onderlinge betalingen veranderen ze geproduceerde waarde in verdiend geld. Bovendien zijn er velerlei functionele diensten die de ondernemers voldoende nuttig achten om delen van hun inkomsten, dus van de in de waarde van de waren zittende, door de verkoop gerealiseerde winst, daaraan te besteden, waardoor verdere geldinkomsten ontstaan; de staat eigent zich het zijne toe en creëert daarmee zowel ambtenaarssalarissen als een eigen vraag, waar de ondernemers weer aan kunnen verdienen; dat alles op basis van de gelijkheid van geproduceerde warenwaarde en verdiend geld. Want niets en niemand anders dan de door de kapitalistische producenten gecommandeerde arbeid brengt het eigendom tot stand dat in het geld zijn economisch effectieve vorm heeft. In zoverre draagt elke ondernemer bij aan het scheppen van koopkracht om die hij via de verkoop van zijn waren concurreert, en niemand anders dan hij en zijns gelijken creëert deze koopkracht. De dienst die hij zodoende voor al zijn collega’s verricht, laat hem echter net zo onverschillig als de algemene grens die daarmee aan de verkoop van waren in zijn geheel is gesteld.

In deze principiële verhouding tussen kapitalistische productie en maatschappelijke koopkracht grijpt de als zelfstandige branche bestaande geplogenheid van betalingsuitstel en kredietverstrekking hoogst effectief in. Voortdurend en in alle hoeken en gaten bevrijdt het krediet de warenverkopers uit de afhankelijkheid van het geld van de maatschappij, de koopkracht van de voorhanden behoeften – en doet deze afhankelijkheid daarom periodiek gelden als beperking van elk zakendoen.

a) De financierskapitalisten 17)  realiseren in de praktijk de kapitalistische waan dat het eigendom het vermogen zou hebben om vanuit zichzelf te groeien – zonder de “omweg” over stoffelijke gebruiksgoederen en materiële arbeid, die immers reeds binnen de kapitalistische warenproductie gedegradeerd zijn tot pure tussenstappen ter geldvermeerdering. Gesteund door de wettelijke aanspraak op rente over hun uitgeleend geld, negeren ze rücksichtslos het feit dat hun zaken afhankelijk zijn van de winst die hun schuldenaars daadwerkelijk behalen, en permitteren zich de vrijheid om de ontvangen betalingsbeloftes en schuldbrieven zelf als waardehoudende vermogensbestanddelen te beschouwen en te behandelen. Voor hen gaat het daarbij niet om pure vorderingen – tot terugbetaling plus rente – waarvoor het geld werd weggegeven, maar om een andere vorm van wel degelijk beschikbaar financieel vermogen met inherente groeikracht, altijd in geld te veranderen en daarom even goed als geld. En daarbij blijft het niet: daar de speculatie op het rendement van de gecrediteerde warenproductie zich geëmancipeerd heeft van het werkelijke succes ervan, kan de opbrengst van het krediet zelf tot voorwerp van kredietzaken worden die de ene partij extra geld, de andere partij nieuwe geldswaardige waardepapieren verschaffen… etc. In het geheel ontstaan zo velerlei vorderingen die binnen de kredietsector altijd realiseerbare geldswaarde hebben, hoewel ze uitsluitend aanspraken op elders werkelijk geproduceerde rijkdom representeren, dus niets anders dan openstaande vorderingen of – andersom – schulden zijn. Op basis van nog niet gemaakte winsten wordt zo niet (meer) voorhanden geld en de aanspraak op de vermeerdering ervan als beschikbare rijkdom behandeld.

Natuurlijk kan niet iedereen zo’n omzetting van beloofde betaling in reëel eigendom bewerkstelligen; daarvoor zijn er financierskapitalisten nodig die het geld van de samenleving in hun greep hebben en daarom voor de aflossing van de vorderingen, die ze als waardehoudend erkennen, altijd in de praktijk kunnen instaan. Dit soort kapitalisten brengt dan werkelijk het kunststuk tot stand zonder arbeid geld te “scheppen”, namelijk uitsluitend daardoor dat ze met de macht van hun geld geldvorderingen als verhandelbare vermogens erkennen. Deze blijven weliswaar au fond openstaande rekeningen die nog moeten worden vereffend en hebben betrekking op een rijkdom die door werkelijke arbeid moet worden geproduceerd – zelfs financiële makelaars zouden moeite hebben om van de cijfers te leven waarmee ze hun “rentefantasieën” en dergelijke noteren; ook in hun wereld is het privé-eigendom geen gegoochel met getallen, maar de exclusieve, maatschappelijk bindende vorm van de rijkdom die op navenante wijze geproduceerd wordt. Als geldige, door de toonaangevende, namelijk de geldkapitalisten erkende aanspraken op werkelijke rijkdom worden vorderingen en schulden echter tot geldswaardige papieren, die in principe niet te onderscheiden zijn van de beschikkingsmacht die een door warenhandel verdiend eigendom verleent. Uiteraard niet: het eigendom dat daar tot stand komt, heeft zijn eigenlijke bestemming, abstracte beschikkingsmacht over alle mogelijke goederen te verlenen, immers ook pas dan verwerkelijkt als het zich van zijn door arbeid teweeggebracht voorwerp, de waar, losmaakt. Het enige verschil bestaat daarin dat deze abstractie door de verkoop van waren werkelijk gebeurt, terwijl de “geldschepping” via het krediet deze abstractie als vanzelfsprekende zakelijke voorwaarde veronderstelt.

b) Dit verschil is ook in en voor de kredietbranche allesbehalve nietig. Niemand let nauwkeuriger op de soliditeit van de betalingsbeloftes, de betrouwbaarheid van in het vooruitzicht gestelde winsten, dan de geldbezitters die onderling dergelijke “producten” kopen en verkopen. Niemand weet in de praktijk beter dat en in hoeverre geldvorderingen en aflossingen twee verschillende dingen zijn, waartussen zelfs zoiets als uiteenlopende “zakelijke risico’s” kunnen optreden. Dit alles in aanmerking genomen, insisteren de financierskapitalisten echter met de gehele macht van hun geld op de fictie dat beide zijden identiek zijn – erkende betalingsbeloftes zo goed als betaald geld en elke geldsom een wettelijke aanspraak op de vermeerdering ervan. Onverbiddelijk gaan ze ervan uit dat hetgene waar ze op speculeren al voorhanden rijkdom is en alle gecrediteerde zaken niets anders moeten presteren dan deze al lang tot geld geworden en als geldkapitaal gebruikte aanspraak waar te maken. Ze gaan met hun geldvordering om als met een reeds behaald resultaat, waarvan de noodzakelijke voorwaarden vanzelfsprekend en helemaal vanzelf dienen aanwezig te zijn.

En dat is bepaald geen vergissing, maar een uiterst vergaande aanspraak die ze zo geldend maken. De nakoming ervan gaat echter gepaard met zekere tegenstrijdigheden.

c) Het krediet dat de financierskapitalisten creëren, schept echte solventie; voor de belangen van banken en in handen van ondernemers die, daarvan voorzien, investeringen doen, dus leveranciers en niet weggerationaliseerde arbeidskrachten betalen en zo hun concurrentie om marktaandelen intensiveren, zonder rekening te houden met het werkelijke terugstromen van het voorgeschoten geld. Op deze wijze voeren allen hun productie op – niet enkel, zoals altijd, zonder respect voor de grenzen van de koopkrachtige behoeftes die ze bedienen, maar met groot elan over deze grenzen heen. Want ze laten zich uitsluitend leiden door de marktaandelen die ze nog veroveren willen, en door de voorschotten en renteaanspraken van hun schuldeisers; en die zijn al vanwege hun inhoud, de bevrijding van de kapitaalinzet van de grenzen van de geproduceerde rijkdom, tamelijk mateloos. Daarom stoort het de door het krediet bevleugelde ondernemers ook helemaal niet dat ze met hun gepaste, grootschalige concurrentie-inspanningen de maatschappelijke koopkracht op een niet onbelangrijk gebied steeds meer beperken: ze bevorderen daadkrachtig de “arbeidsbesparende vooruitgang” en verlagen zodoende de inkomsten die ze hun werknemers laten verdienen. Zo voltooien ze de scheiding tussen productie en maatschappelijke behoefte waar hun zakendoen sowieso op berust: nadat ze alle behoeftes ondergeschikt hebben gemaakt aan het criterium van lonend te gebruiken koopkracht, emanciperen ze zich ook nog van het criterium van de voorhanden koopkracht.

d) De koopkrachtige behoeftes in de samenleving groeien namelijk geenszins daardoor dat het krediet telkens voor koopkracht zorgt als kredietwaardige zakenlieden die nodig hebben. De geldswaardige vorderingen die zich in de boeken van de banken ophopen, zijn er helemaal niet om van kapitalistische aanbieders waren te kopen. Het is zeker zo dat kredietmanagers, die door kredietzaken rijk worden, alleen al vanwege de geloofwaardigheid van de betalingsbeloftes die ze representeren aanzienlijk meer en duurdere consumptiegoederen nodig hebben dan de doorsnee burger; en met speculatiewinsten kan men uiteraard ook spectaculaire bankpaleizen financieren, maar daar gaat het niet om. De economische doelbestemming van de geldvorderingen die de kredietbranche beheert en vermeerdert, is niet het realiseren van de warenwaarde van de massaal rendabel geproduceerde goederen, maar het participeren aan de gerealiseerde waarde. De zichzelf vermeerderende schulden vergroten niet de koopkracht om die de kapitalistische warenproducenten concurreren, maar de aanspraken op hun winst nemen toe.

En dat niet slechts in de vrij eenvoudige vorm dat voor krediet rente moet worden betaald. De aandelenhandel bijvoorbeeld kent in plaats van de rente, het directe tribuut, de algemene verhouding tussen het lot van de onderneming en de aandelenwaarde, uitgedrukt in de dividenduitkering. Dit is de basis van kredietoperaties die de waardeontwikkeling van ondernemingsaandelen of zelfs van verschillend samengestelde aandelenportefeuilles tot voorwerp van winstbeloftes maken, die op hun beurt tot verhandelbare waardepapieren worden; ook op de gemiddelde nationale economische groei wordt op deze wijze gespeculeerd etc. Dat alles moeten de ondernemingen met hun werkelijk gerealiseerde en rendabel geïnvesteerde winsten waarmaken: ze moeten het speculatief geanticipeerde zakelijke succes behalen omdat de bewuste waardepapieren – van het aandeel tot de geniaalste derivaten – reeds als geld gebruikt eigendom zijn. Zo laten de financierskapitalisten de gehele gecrediteerde zakenwereld instaan voor de gelding van de fictie waar hun kredietzaken op berusten: namelijk dat schulden en rijkdom, geld en krediet, betalingsbeloftes en eigendom hetzelfde zouden zijn. Dat lijkt weliswaar op een bekentenis: op eigen kracht kunnen de handelaren in waardepapieren blijkbaar slechts voor de vermeerdering van hun papieren zorgen en niet werkelijk instaan voor de geldswaarde ervan. Maar juist daarom insisteren de financierskapitalisten zo onverbiddelijk op de functionaliteit van alle zaken voor de kwaliteit van hun geldvorderingen. Met hun eigendomstitels nemen zijzelf als het ware de rol van economische basis in en laten de productie van waren inclusief de realisering van hun waarde als bewijsmiddel fungeren voor de geldswaarde van hun schulden. Er worden “reële” zaken gedaan opdat de financierskapitalisten de succesgaranties krijgen die ze voor hun speculatief eigendom nodig achten.

e) Door de kredietbranche deze dienst te bewijzen, stoten de kapitalistische werkgevers dan toch op de “grenzen van de groei”, wat tot nu toe noch door toedoen van hun werknemers, noch door de natuur met haar “ressources” geschiedt. Met hun concurrentie-inspanningen moeten ze winsten in een percentage en massa behalen waarvan de maat wordt bepaald door de aanspraken van de kredietgevers en de kredietspiraal die van hen uitgaat. Deze maatstaf noodzaakt de werkgevers bij de uitbreiding van hun productie uitsluitend hun schulden als graadmeter te hanteren – waardoor ze onvermijdelijk op de absolute grens van de maatschappelijke koopkracht stoten (die ze steeds opnieuw met hun rationaliseringen beperken): vrijwel de gehele afzet stokt; de markten zijn overvol. Natuurlijk registreren de ondernemers, ieder voor zich, ook dit resultaat van hun concurrentie als dreigende nederlaag in de strijd om marktaandelen; ze hebben dus dringender dan anders krediet nodig; allereerst om aan de vereiste aflossing van schulden te voldoen. De heren financiers moeten echter constateren dat de concurrentieproblemen van hun schuldenaars periodiek epidemische vormen aannemen. Ze zien hun kredieten in toenemende mate “noodlijdend” worden; dat ze met de macht van hun financiën de aanspraak op toekomstige opbrengsten tot actueel aanwendbaar geldswaardig eigendom hebben “benoemd”, dreigt steeds vaker in hun nadeel te werken. Zo registreert de kredietbranche aan de hand van haar eigen noden dat niet slechts deze of gene ondernemer door de concurrentie in moeilijkheden werd gebracht, maar dat de winsten algemeen te wensen overlaten: ze garanderen niet langer de waarde van de aanspraken op rente en rendementsontwikkeling

De deskundigen van het financiële kapitaal zien daarin natuurlijk geen aanleiding om zich uit het zakenleven terug te trekken; veeleer vertalen ze de algemene precaire economische toestand naar vele kleine concurrentie-affaires. Hoe vaker ze met faillissements-kandidaten geconfronteerd worden des te nauwkeuriger moeten ze onderscheiden: tussen slechte schuldenaars die ze door kredietweigering ruïneren, zelfs als ze daarmee sommige eigen vorderingen moeten afschrijven – door het resterende vermogen beperken ze zo goed mogelijk hun schade – en de andere schuldenaars die volgens hun verwachting als crisiswinnaars zullen overleven en dus royaal van krediet worden voorzien. Zodoende verdiepen ze de crisis echter pas echt, ze krijgt een algemeen karakter: elke door kredietweigering geruïneerde zaak heeft elders insolventie tot gevolg; aan de andere kant ruïneren steeds verder geprolongeerde en verhoogde kredieten uiteindelijk de bank zelf, hetgeen al haar schuldeisers en schuldenaars mede dupeert.

Zo komt juist door de crisisachtig verscherpte concurrentie in de praktijk aan het licht dat warenproducenten en financierskapitalisten van elkaar afhankelijk zijn en als een klasse op de rijkdom teren, namelijk op waren, voor zover het betalende publiek die te gelde maakt, en wel tot meer geld dan hun productie heeft gekost. De gehele zakenwereld heeft dan weer eens meer in hun concurrentie geïnvesteerd dan in totaal kon renderen. Nu woedt de concurrentiestrijd om de verdeling van de gevolgen van de onvermijdelijke “sanering” van kapitaal en krediet.

4.

Met de arbeid heeft dat in eerste instantie slechts zo veel te maken dat er volstrekt geabstraheerd wordt van zijn noodzakelijke diensten voor het kapitalistische eigendom: nadat de warenproducerende kapitalisten arbeid wegrationaliseren en hun winsten afleiden uit de loonkosten die ze niet meer moeten betalen, gedraagt zich het kapitaal in de kredietsector regelrecht als zijn eigen bron. 18)

Deze fictie wordt door sommige arbeidersvrienden zo serieus genomen, dat ze de financierskapitalisten verwijten ondanks de enorme geldsommen die ze dagelijks transfereren elke bijdrage tot “werkgelegenheid” schuldig te blijven; ze zouden hun geld uitsluitend speculatief vermeerderen in plaats van met deze sommen “banen te scheppen”. Dergelijke bezwaren hebben iets pervers daar ze helemaal geen aandacht schenken aan het chanterende karakter van de “leefsituatie” waarin “werkgelegenheid”, dus, duidelijk gezegd: arbeid volgens kapitalistische aanspraken, tot noodzakelijke behoefte van de arbeiders wordt. Ze zitten bovendien goed fout omdat “werkgelegenheid” sowieso nooit een kapitalistische doelstelling is; ook rechtschapen warenproducenten die veel mensen in dienst hebben, gebruiken hun werknemers uitsluitend als middel om het doel te bereiken dat ze met alle speculanten delen, en waarvan de realisering zowel ontslagen omvat alsook arbeid in dermate verdichte vorm – en uitsluitend zulke – dat alleen iemand die werkelijk in nood zit om zo’n soort “werkgelegenheid” vraagt.

De aanklacht is bovendien ook nog onrechtvaardig. Want hoeveel werkgelegenheid de werkgevers ook mogen creëren – ze doen dat uitsluitend met de onuitputtelijke middelen van de branche die uit winstverwachtingen beschikbare financiën vervaardigt ter aanschaffing van de benodigde “productiefactoren”. Met leenkapitaal voeren de warenproducenten hun veeleisende concurrentiestrijd om de laagste loonstukkosten – hetgeen weliswaar enkel voor zo veel “werkzekerheid” zorgt als telkens nodig is, en dat ook slechts zolang de onderneming met haar kredietverplichtingen daardoor rendabel wordt, maar andere arbeidsplaatsen zijn van kapitalistische werkgevers sowieso niet te krijgen. De marktkansen die de ondernemers ontdekken, dus de gelegenheden die ze aangrijpen om hun principieel onverzadigbaar belang te realiseren, namelijk zo veel mogelijk gerationaliseerde en gecomprimeerde arbeid onder hun commando te laten verrichten – natuurlijk ten koste van de concurrenten, wat het totale aantal “werknemers” ook niet bepaald vergroot – dat alles hebben ze eveneens te danken aan de financiële industrie die hen de vrijheid verschaft om onafhankelijk van de marktbeweging te kunnen ageren, zodat ze de markt pas echt kunnen omvormen tot hun strijdtoneel.

De kredietbranche presteert zelfs nog meer: niet alleen dat ze de warenproducenten vrijblijvend middelen ter verhoging van hun winstproductie aanbiedt, die niemand kan weigeren die verder zaken wil doen; ze noopt hen ook steeds ruimer gebruik te maken van steeds goedkopere, dus productiever aangewende arbeid als voorwaarde voor hun kredietwaardigheid. Want deze branche interesseert zich weliswaar niet voor het verschil tussen de werkelijke rijkdom van de maatschappij en het particuliere eigendom, laat staan voor de samenhang tussen de eigendom producerende arbeid en het geld dat die kost en opbrengt; maar het geldkapitaal maakt zijn schuldenaars wel nadrukkelijk duidelijk dat zijn zelfgroeiend vermogen uit aanspraken bestaat die de overige ondernemingswereld per se moet bevredigen, als ze niet geruïneerd wil worden. De aanwending van loonarbeid, en wel in zijn meest renderende variant, winstgevend en tevens in voldoende hoeveelheid om de onderneming samen met een berg kredieten –  waardepapieren die op de ondernemingsontwikkeling speculeren, of ook op de groei van meerdere bedrijven, of op de waardeontwikkeling van een index voor de ontwikkeling van geselecteerde bedrijven – rendabel te maken, dat drukken de kredietmanagers op een uiterst effectieve manier door. Ze veronderstellen het namelijk simpelweg en laten elke onderneming die niet aan hun maatstaven voldoet aan kredietgebrek te gronde gaan.

In zoverre is de namens de arbeiders geformuleerde aanklacht dat de financierskapitalisten geen engagement voor de werkgelegenheid zouden tonen ten slotte ook nog behoorlijk bagatelliserend. Want in elk geval bevorderen de banken met hun kredieten vooral de tegenstrijdigheid dat steeds minder arbeid steeds meer kapitaal volgens steeds veeleisendere criteria rendabel moet maken. Ze steunen de concurrentiebelangen van de warenproducerende kapitalisten nagenoeg ongelimiteerd en eisen successen; en met de middelen ter verhoging van de productiviteit van de arbeid leveren ze ook de maatstaf voor het rendement dat behaald moet worden. Daarmee dicteren ze zowel de standaard waaraan de arbeid moet voldoen om zijn loon nog waard te zijn, alsook de omvang van de onvermijdelijke niet-aanwending van arbeiders. Want hun aanspraken zijn alleen al vanwege de zekerheid van hun speculaties dermate hoog dat steeds minder arbeid daaraan beantwoordt – in tweeërlei opzicht:

Voldoende rendabel kan arbeid slechts dan zijn als het loonbestanddeel van de geproduceerde warenwaarde richting nul tendeert – met alle sowieso bekende en in het vorige hoofdstuk genoemde gevolgen: voor het arbeidsgemak; voor de verhouding tussen de geproduceerde rijkdom en het loon oftewel het levensonderhoud van de arbeiders; bovendien voor de vele loonafhankelijken die voor anderen moeten werken om hun levensonderhoud te verdienen, maar daartoe geen gelegenheid krijgen  De prestaties van het krediet voegen daar nog een gevolg aan toe: het financiert niet enkel de “technologische vooruitgang” die voor de besparing van arbeidsplaatsen inclusief arbeiders zorgt, maar ook de intensieve aanwending van arbeid op de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen – tot weer eens blijkt dat deze als concurrentiemiddel vrijwel algemeen falen, omdat er in totaal veel te veel arbeid werd verricht in verhouding tot wat zich lonend laat verkopen. De instantie die dit besef in de praktijk teweegbrengt, is wederom de kredietbranche: ze treft haar beslissingen over de kredietwaardigheid van de concurrerende ondernemingen en dwingt hen tot “inkrimping van personeel” of tot faillissement – ze maakt dus duidelijke dat elke werkgelegenheid uitsluitend op haar speculatie berust en dat deze speculatie tijdens bepaalde fases mislukt. Het resultaat is de schoksgewijze verhoging van het werkloosheidspercentage waardoor de kapitalistisch bruikbare maatschappelijke koopkracht verder krimpt, met als gevolg dat nog meer van de tot dan toe verrichte arbeid overbodig blijkt te zijn; vandaar dat recessies” de bekende onaangename eigenschap hebben “zich te verdiepen”. De ooit onvermijdelijke economische opbloei vindt dan op basis van een “gesaneerd en afgeslankt” bedrijfsleven plaats en vanzelfsprekend op basis van de effectiefste productietechnieken, zodat de ondernemingen eindelijk weer groeien en kredietwaardige winsten maken, terwijl de hoge werkloosheid maar langzaam – of helemaal niet – daalt. Want dat minder arbeid nodig is om zo veel kapitaal rendabel te maken als überhaupt rendabel te maken valt: dit resultaat van de voorbije economische crisis blijft behouden.

Dus met de potenties van het kapitaal om zichzelf in de vorm van geanticipeerde zakensuccessen te vermeerderen en de kapitalistisch gecommandeerde arbeid voor de geloofwaardigheid van zijn zelfvermeerdering te instrumentaliseren, groeit het karakteristieke markteconomische “fenomeen” van een “reserveleger” dat uit arbeidskrachten bestaat die geen uitzicht op werk hebben. 19) Het periodiek “gesaneerde” overschot aan gecrediteerde zaken gaat gepaard met een overbevolking waarvan de overtolligheid uitsluitend voortkomt uit het feit dat veel mensen aan de maatstaf van toereikend rendement niet voldoen – zonder deze “hindernis” zouden de mensen een fatsoenlijk leven kunnen leiden; zelfs de productiemiddelen zijn er nog, stilgelegd tijdens de voorbije economische crisis.

Degenen die bij de groep overtolligen horen en alle anderen die beseffen dat ze vroeg of laat erbij zouden kunnen horen, worden dus opgezadeld met de bezorgdheid over werkgelegenheid; een uiterst afschuwelijke kopzorg omdat de mensen die ermee geconfronteerd zijn over geen doeltreffende middelen beschikken om daaraan iets te doen. En de aangelegenheid wordt helemaal hopeloos wanneer de voorstanders van de arbeiderszaak zich over deze situatie ontfermen; ze vertalen de door de kapitalisten gecreëerde, dus door hen vast en zeker niet af te schaffen noodzaak naar een eis en roepen om “werkgelegenheid”. De pijnlijke ervaring dat de kapitalistische uitbuiting van de productiviteit van de arbeid ook de massale stillegging van de arbeid impliceert, wordt niet als aanleiding genomen om deze gang van zaken wegens bewezen schadelijkheid voor een fatsoenlijk bestaan af te kraken, integendeel zelfs: de arbeidersvrienden eisen in het belang van de mensen de aanwending van arbeid – uitsluitend en uitgerekend omdat de kapitalisten, die niets liever willen, vanwege het economische effect uiterst strenge voorwaarden stellen voor het “werkgeven”.  Dat de arbeiders op hun beurt een aantaal voorwaarden zouden moeten stellen voor het profiteren van hun werk, daarvan is in de roep om arbeid niets te bespeuren, sterker nog: vanwege “het behoud van werkgelegenheid” zijn dergelijke eisen domweg obsoleet.

*

16)

Ongetwijfeld bevat deze verhouding enkele belangenconflicten die extremer zijn dan het antagonisme tussen concurrerende warenproducenten. Daarbij gaat het echter om tegenovergestelde, concurrerende belangen die om het gebruik van de winst strijden, het betreft dus een bijkomend antagonisme binnen de kapitalistenklasse. De gebruikmaking van de warenproductie voor de aflossing van het krediet, zijn succesvolle transformatie in kapitaal, heeft daarom niets te maken met de onderwerping van de arbeid aan de belangen van het eigendom. Tussen beide verhoudingen bestaat ook niet de analogie die niet alleen fascisten willen hebben ontdekt en als argument gebruiken voor een patriottisch eenheidsfront van alle “producerenden” tegen het alleen maar “graaiende kapitaal”. De zelfstandige kredietbranche belichaamt niets anders dan het productiedoel van alle “productieve” werkgevers; ze doet dit weliswaar zo drastisch dat ze zich ook tegen de gecrediteerde zaken kan keren, maar uitsluitend daarom stelt ze de productieve winstmakerij middelen ter beschikking die deze nog helemaal niet verdiend heeft.

Deze fundamentele overeenstemming van belangen tussen de twee soorten geldbezitters is trouwens de objectieve reden voor het feit dat het bij bestuurders van het bedrijfsleven en bankmanagers merendeels om dezelfde personen gaat, wat bij werkgevers en werknemers uiterst zelden het geval is.

17)

De diverse varianten van de krediethandel – van handelswissel tot ondernemingsaandeel en van aandelenspeculatie tot derivatenhandel – worden hier over één kam geschoren, want het gaat enkel om de principiële verhouding tussen de geldschepping binnen de kredietsector en de productie van eigendom door de warenproducenten.

18)

De ene kapitalist wil van de arbeid als bron van zijn rijkdom niets weten omdat automaten hem deze dienst goedkoper zouden bewijzen; de andere heeft geen hoge dunk van de arbeid omdat hij zijn geld zelf schept. Schulden en automaten zouden moeten samenwerken!

19)

Inmiddels al lang de kapitalistische normaliteit; de tijden van “volledige werkgelegenheid” en “Wirtschaftswunder”, waarin de kapitalistische groei meer arbeidskrachten absorbeerde dan overbodig maakte, waren een historische uitzondering onder (vooral) naoorlogse omstandigheden.

20)

Daarom past de roep om “werkgelegenheid”, zo onderdanig hij ook klinkt, in feite niet eens bij het systeem van loonarbeid, want juist omdat arbeid allereerst het belang en de aanspraak van de kapitalisten is – en daarom de bestaanvoorwaarde van alle anderen – zijn uitsluitend zij bevoegd om de criteria voor de aanwending van arbeid te definiëren. En de roep om een (wellicht zelfs wettelijk gewaarborgd) “recht op arbeid” is al helemaal in strijd met de inherente logica van het systeem – echter alleen met de logica; het systeem dat zich de tegenstrijdigheid gepermitteerd heeft dit recht van staatswege waar te maken door de kapitalisten daadwerkelijk de vrije beschikking over de maatschappelijke arbeid te ontrukken, maar zonder daarmee de eigendom producerende arbeid als maat van de maatschappelijke rijkdom werkelijk af te schaffen – dat systeem heeft zichzelf afgeschaft. Hier te lande, als eis in het belang van de loonarbeiders, drukt de wens naar een “recht op arbeid” alleen maar onderdanigheid en offerbereidheid uit; daarom was hij ook zo passend voor de fascisten die dergelijke arbeidersdeugden nog heel anders dan de kapitalisten wisten te gebruiken. In de mildere variant van gesmeek om werk waarin niet eens een greintje van het idee te bespeuren valt dat men vrije kapitalisten tot “werkgeven” zou kunnen of moeten verplichten, is het verlangen naar “werkgelegenheid” echter alle politici welkom: ze dicteren graag, additioneel tot de beslissingen van de kapitalisten, hun eigen condities.

© Gegenstandpunkt Verlag, München