ARBEID en RIJKDOM III

III.

Met de producten van de arbeid die ze laten verrichten, moeten de kapitalisten zich “op de markt” handhaven, dus de concurrentiestrijd om de koopkracht van de maatschappij tegen huns gelijken winnen. Hierdoor regelt zich de “voorziening” van de “consumptiemaatschappij”; omgekeerd bepaalt het markteconomische succes welke productie überhaupt maatschappelijk noodzakelijk was.

 De ondernemers maken de bron van hun rijkdom tot concurrentiemiddel doordat ze de productiviteit van de arbeid verhogen, om door verlaging van de loonstukkosten de productieprijs te reduceren en zo andere aanbieders te onderbieden en hun winsten op te strijken. De maatstaf voor de “technische vooruitgang”die ze zodoende in de arbeidswereld introduceren, is het rekenkundige vergelijk tussen “arbeid” en “kapitaal” als onderling uitwisselbare “kostenfactoren”: de inzet van kapitaal moet arbeidskosten besparen; hun dure verlaging stelt het concurrentiesucces veilig. In het kader van deze irrationele berekening, die niet-arbeid als bron van winst boekt, stuwt het kapitaal de productiviteit van de arbeid die het aanwendt naar nieuwe hoogte, maakt zijn werkelijke bron van rijkdom dus effectiever en verkleint die tegelijk; het behandelt zijn bron namelijk als een post waarop bezuinigd moet worden en vermindert zo de arbeidshoeveelheid die maatschappelijk noodzakelijk is en eigendom produceert; en het belast de arbeid aanzienlijk door deze te “vervangen” door toenemende investeringen: uitgerekend door minder arbeid moet meer kapitaal renderen.

 Voor deze tegenstrijdigheden van zijn eigen productiewijze laat het kapitaal de loonafhankelijke mensen opdraaien. Die nemen óf als werklozen zonder inkomen deel aan de vooruitgang van de arbeidsproductiviteit, óf ze creëren als aanhangsels van dure “arbeidsplaatsen” reusachtige winsten, doen steeds grotere kapitaalmassa’s circuleren en blijven daarbij met de som van hun loonstukkosten binnen de marges van de voor hun reproductie noodzakelijke arbeid.

1.

Bij alles wat ze met de arbeid en hun arbeiders uithalen, beroepen de kapitalistische werkgevers zich op de concurrentie en haar dwangmatigheden. Daarbij is een principiële huichelarij in het spel: als iedereen die aan een wedstrijd meedoet, delen ook de ondernemers de doelstelling waar het om gaat in hun “competitie” – per slot van rekening concurreren ze niet om de hoofdprijs voor lastenverlichting en verrijking van hun “medewerkers”, laat staan om het beste programma voor de planmatige vervulling van alle behoeftes. Wanneer ze ten bate van hun “concurrentievermogen” hun werknemers pijnigen, wordt hen in elk geval niets opgedrongen dat hen tegenstaat of in strijd is met hun eigen economisch belang. Wanneer ze omgekeerd aan hun eigen belang “onderworpen” zijn als aan een objectieve dwang waar ze op straffe van ondergang aan moeten voldoen, dan bewijst dat alleen maar dat geen enkel afwijkend gezichtspunt hun economische doelstellingen relativeert: naar de onvermijdelijke “dwangmatigheden van de concurrentie” verwijzend, beroepen ze zich op niets anders dan op de algemene en exclusieve geldigheid van hun belang in de markteconomie.

Misschien nog opmerkelijker dan hun verraderlijke huichelarij is echter de waarheid die de hoofdrolspelers van de concurrentie met hun generaal excuus bekennen: zodra ze doen wat ze krachtens hun eigendom kunnen, namelijk laten werken en hun vermogen vermeerderen, dan doen ze dat tegen elkaar. Waar zij over de productiviteit van de arbeid gebieden, worden de arbeidsproducten niet samengevoegd tot één grote hoop rijkdom, maar daar staan de respectievelijke zakensuccessen elkaar in de weg. De negatieve, buitensluitende macht van het eigendom richt zich niet enkel tegen degenen die geen eigendom hebben en daarom hun krachten tegen een kleine vergoeding ter beschikking moeten stellen. Het eigendom, als particuliere macht in staat zijn eigen vergroting te bewerkstelligen, richt zich, kapitalistisch toegepast, baatzuchtig op de cruciale economische groeivoorwaarde die alle andere warenproducenten eveneens nodig hebben.

Deze voorwaarde is het in de maatschappij voorhanden geld: de rijkdom in zijn maatschappelijk geldige abstracte en particuliere vorm. Die is in de privé-sfeer van de eigen onderneming namelijk niet te produceren; die is slechts met behulp van de daar vervaardigde waren “op de markt” te verdienen. Pas de geslaagde verkoop bepaalt of überhaupt en in welke mate de gehele warenproductie van nut was, namelijk via het verdiende geld bevorderlijk voor het eigendom. En daarbij staan de kapitalisten elkaar in de weg. Want voor deze laatste, belangrijkste stap van hun zakendoen willen en behoeven allen hetzelfde: de koopkracht van de maatschappij.

Dat resulteert niet alleen daar in wederzijdse buitensluiting waar meerdere ondernemingen dezelfde waren aanbieden. Waar voor geld geproduceerd wordt, waar omgekeerd het geld in kwantitatief beperkte omvang de mogelijke toegang tot alle goederen en genotmiddelen belichaamt, daar is alles commensurabel, de meest verschillende dingen worden alternatieven en elke warenproducent strijdt met zijn aanbod tegen alle anderen om de maatschappelijke koopkracht. Zeker, de concurrentie stimuleert ook het zakendoen; het groeisucces van de ene onderneming laat ook andere ondernemingen iets verdienen; tijdens algemene “groeifasen” kunnen zelfs in totaal meer werkgelegenheid en koopkracht ontstaan. Het gebeuren genaamd “markt” raakt echter ook dan het buitensluitende karakter van het particuliere geld verdienen niet kwijt, integendeel: voor hun eigen ondernemingsgroei maken de concurrerende warenproducenten steeds grotere aanspraken op het geld van de maatschappij, volledig onafhankelijk ervan hoeveel inkomens ze creëren en anderen laten verdienen. Ook als de statistische jaarbalans het een of ander procent economische groei vermeldt, zijn de vrije ondernemers geen onderlinge complementaire verhouding aangegaan, maar hebben tegen elkaar om de uitbreiding van hun afzet gestreden; hun tegenstelling ontstaat niet pas dan wanneer conjunctuuronderzoekers een algemene teruggang van het bedrijfsleven moeten constateren. Met hun antagonistisch belang aan dezelfde “stof”, de maatschappelijke koopkracht, vormen de kapitalistische ondernemers onderling en met de rest van de mensheid die hun producten nodig heeft een maatschappelijke samenhang.

Dit is de enige maatschappelijke relatie tussen zowel de uiteenlopende productietakken als tussen productie en consumptie die het regime van het eigendom toelaat en afdwingt. Wat er geproduceerd wordt en wat niet, welke behoeften bevredigd, welke genegeerd, welke überhaupt eerst uitgevonden worden, daarover beslist het geld dat de klanten uitgeven en de concurrerende ondernemingen opeisen; de markteconomie kent geen ander criterium voor hetgeen in en voor de maatschappij noodzakelijk is. Dat betekent ook – ondanks alle ideologieën over “consumentenmacht en -soevereiniteit” – dat onder de heerschappij van het geld de productie niet ondergeschikt is aan de behoeften, laat staan aan een ten minste enigszins verstandig vastgestelde, naar prioriteit gerangschikte volgorde van de behoeften. Veeleer is alles wat de samenleving nodig heeft afhankelijk van de beschikking over geld gesorteerd, als koopkracht onder het verkoopbelang van de eigenaars gesubsumeerd en volgens het beoogde zakensucces gedefinieerd. 9) “De markt” is de sfeer waar kapitalistische warenproducenten geld verdienen; hun concurrentie bepaalt met welke gebruiksgoederen de samenleving moet rondkomen en zich mag amuseren.

Omgekeerd bepaalt hun concurrentie wat de warenproductie van de verschillende ondernemingen voor het beoogde geld verdienen deugt en dus überhaupt waard is. Teleurstellende verkoopcijfers maken de voorbije kapitalistische toe-eigening van de productiviteit van de arbeid weliswaar niet met terugwerkende kracht ongedaan – de geproduceerde goederen zijn er en zouden kunnen bijdragen aan de rijkdom van de maatschappij – maar volledig nutteloos: tot een verliesgevende zaak die de rijkdom in zijn maatschappelijk geldige vorm, namelijk kapitalistisch aangewend eigendom, vernietigt. Het is deze waanzin die onder verwijzing naar de “risico’s van de markt” en de “dwangmatigheden van de concurrentie” als onbetwiste vanzelfsprekendheid aanvaard en goedgekeurd wil worden. De ondernemer die daarbij faalt, diskwalificeert zich, moet zich mismanagement of ergere misstappen laten verwijten en staat zelfs al gauw onder verdenking van economische criminaliteit – wat weliswaar slecht past bij de beweerde onafwendbare gevolgen van de dwangmatigheden van “de markt”, maar des te beter bij het partijdige geloof aan de plicht en het absolute recht van kapitalistische ondernemingen om succes te behalen; en vice versa: volgens dezelfde logica blijkt uit succes natuurlijk kundigheid. In al hun partijdigheid voor succesvolle zaken weten de aanhangers van de markteconomie in elk geval ook dat de concurrentie, die de ondernemers de wet van handelen voorschrift, tevens een zekere mate van vrijheid behelst: de macht over zakelijke middelen die zich min of meer doelmatig laat inzetten.

Wat kapitalistische ondernemers werkelijk kunnen doen voor hun succes inzake geld verdienen “op de markt”, dat doen ze op het gebied waar ze zeggenschap hebben: ze moeten de warenproductie zo organiseren dat ze zich met haar resultaten kunnen handhaven in de concurrentie. Deze concurrentiestrijd legt de maatstaven vast waaraan de in het bedrijf tot stand gebrachte arbeidsproductiviteit moet voldoen – de pure toe-eigening van de productiviteit van de arbeid door het eigendom is pas de eerste stap.

2.

a) Als kapitalistische ondernemers hun product te gelde willen maken, stoten ze, als resultaat van de eerdere concurrentie, op de marktprijs waarvoor de waar normaliter wordt aangeboden. Daarmee ligt de kostprijs die ze voor de vervaardiging van een waar calculeren langs de meetlat. Want uit het verschil tussen de stukprijs die ze als uitgave berekenen en de verkoopprijs, gemultipliceerd met het werkelijk verkochte aantal stuks, resulteert de winst waar het uiteindelijk om gaat. Dat die stijgt als de kostprijs onder het gemiddelde ligt, en daalt als hij daarboven ligt, spreekt voor zich.

Met een behoorlijke winstmarge per stuk is het ondernemingsdoel echter nog niet bereikt: het gaat erom zo veel mogelijk te verkopen; dat levert naast de winstvoet immers de winstmassa op. Deze principieel onbeperkte behoefte aan afzet stoot, summa summarum, aan de grenzen van de geldsom die de klanten te besteden hebben – en bovendien voor hun uiteenlopende behoeften moeten indelen – maar de enkele warenproducent die zo veel mogelijk producten wil verzilveren, hoeft zich voor deze grens niet te interesseren. Hem zitten de andere verkopers dwars die eveneens koopkracht naar zich toetrekken, dus hem – zo rekent elke capabele ondernemer – mogelijke afzet en daarmee winst betwisten. Om dit obstakel voor het veroveren van vreemde marktaandelen uit de weg te ruimen, is er – reclame, omkoping en andere vormen van “marktbeïnvloeding” al inbegrepen – uiteindelijk maar één methode, namelijk de concurrenten te onderbieden. 10) Dat dit in strijd is met de beoogde winstverhoging ligt voor de hand. De doelstelling wordt slechts bereikt als het lukt de productie in het eigen bedrijf goedkoper te maken. Alle inspanningen van de kapitalistische warenproducenten richten zich dus op de verlaging van de productieprijs van de te verkopen waren.

Als dat lukt en de strijdprijs tegen de concurrentie op de markt geïntroduceerd is, wordt voor allen die zich nog kunnen handhaven en hun marktaandelen willen houden het nieuwe verlaagde prijsniveau tot bindend referentiepunt. Een nieuwe marktprijs is ontstaan waarmee elke producent zijn kostprijs moet vergelijken; zijn verlaging wordt de overlevings-voorwaarde van de onderneming. Het gevolg is echter dat de winstmarge uiteindelijk helemaal niet stijgt; en of in totaal door meer verkoop de winstmassa is toegenomen, is zeer de vraag. Maar wie van de concurrenten hoeveel verkoopt, is weer eens beslist; en elke betrokkene streeft ernaar dat deze beslissing in zijn voordeel uitvalt. De pogingen om de kostprijs te verlagen, houden dus nooit op, en elk succes is het begin van het volgende offensief.

 b) Hierbij staan alle uitgavenposten van de kapitalistische balans voortdurend onder druk. Bij het alledaagse zakenleven van grotere concerns hoort bijvoorbeeld het chanteren van toeleveranciers om prijsreducties af te dwingen – de leveranciers moeten dan proberen ondanks verlaagde verkoopprijzen hun winstmarge te redden, wat al weer tot bedrijfsinterne kostenverlagingen leidt…Bijzondere aandacht en behandeling krijgt echter altijd en overal de ene grote kostenfactor, de prijs van de arbeid; en dit om een gegronde reden. Hij heeft namelijk twee essentiële aangrijpingspunten.

Het eerste betreft de absolute hoogte van de betaalde loonsommen. Er zijn weliswaar CAO’s die de wedstrijd van de werkgevers om het laagste loon aan banden leggen; maar alleen al de daarin gebruikelijke gecodificeerde verscheidenheid aan loongroepen biedt de mogelijkheid om door nieuwe “functiewaarderingen” het bedrijfsinterne loonniveau te verlagen. De toestemming van de ondernemingsraden die daarvoor meestal nodig is, is in principe altijd en naarmate de conjunctuur kwakkelt des te makkelijker te krijgen; desnoods ook voor het ontduiken of de eenduidige niet-inachtneming van CAO-voorschriften. Dat verlaagt het loonbestanddeel in de kostprijs van de waar, de loonstukkosten, lijkt dus op een verhoging van de arbeidsproductiviteit en is dit in zekere zin ook: het product kwam met lagere loonuitgaven tot stand.

Het technische “aspect” van de arbeidsproductiviteit: het materiële effect van de ingezette arbeidshoeveelheid, is het andere en aanzienlijk lucratievere aangrijpingspunt in de strijd van het kapitaal tegen zijn loonkosten. Want met elke vooruitgang aan dit front daalt pas echt het loonaandeel in de productieprijs van de waar, de loonstukkost – als ware het personeel goedkoper geworden. En in feite is dat ook zo, namelijk volgens de berekening die de onderneming hierbij uitvoert en in praktijk brengt: ze rekent de effectiviteitsverhoging van de arbeid rechtstreeks om in de overtolligheid van de tot dan toe betaalde arbeidskrachten, dus in een daling van de loonkosten, beoordeelt de productiemiddelen aan de hand van dit rekenresultaat en laat haar investeringsbeslissingen daarvan afhangen.

De economische logica van deze calculatie is opmerkelijk. Van de technische vooruitgang in materiële zin, de uitgekiende methoden ter verhoging van de productiviteit van de arbeid, de meesterlijke prestaties van de ingenieurskunst bij de automatisering van de productie etc. gaat ze uit, veronderstelt dus hun productietechnische doelmatigheid – om daarvan te abstraheren en zich uitsluitend met twee cijfers bezig te houden: ze becijfert de investeringskosten voor de effectiviteitsverhoging van de arbeid door nieuwe productiemiddelen – de geschatte functieduur van de aan te schaffen machines omgerekend op de enkele waar – opdat deze uitgave vergelijkbaar wordt met het andere cijfer: de loonkosten, die middels de investering worden bespaard door arbeidskrachten ontbeerlijk te maken, uitgedrukt in verlaagde loonstukkosten. Als het tweede cijfer groter is dan het eerste, gebiedt de economische “ratio” een effectiviteitsverhoging van de arbeid: er wordt, zoals het heet, “gerationaliseerd”. Het beoogde doel is dus niet de verhoogde productiviteit van de arbeid als zodanig, maar de besparing van loonkosten; dit is de dienst die het kapitaal van de technische vooruitgang verwacht; zo definieert het überhaupt wat “verbetering van de productiemiddelen” is.

De kapitalistische ondernemer trekt daarmee een adequate consequentie uit zijn eigenaarsstandpunt volgens welke de arbeid, die hij betaalt, geheel en al gedefinieerd is door de prijs die hij daarvoor betaalt. Hij calculeert met de arbeid als kostenfactor die zich niet alleen met alle andere kosten van het bedrijf laat samentellen en met enkele posten prachtig laat vergelijken, maar die met bepaalde andere uitgavenposten, namelijk die voor investeringen, wiskundig te verrekenen en, zo de wiskunde het wil, ook zonder meer in de praktijk te verruilen valt. Natuurlijk, wat achter de balansposten voor investeringskosten per stuk etc. steekt, ten minste dat daarmee productiviteitsverhogende techniek wordt gekocht, moet de ondernemer wel weten; in zo verre zal het hem dus ook duidelijk zijn dat de menselijke werkzaamheid, die producten vervaardigt en daardoor eigendom produceert, niet identiek is met de benutte machinerie, hoewel hij beide betaalt. Dit verondersteld, onderscheidt hij echter noch tussen de arbeid en zijn prijs, noch tussen de techniek en zijn beschikking daarover. Hij telt niets anders na dan de loonkosten die hij besparen kan en heeft bij de vergelijking met de investeringsuitgaven weliswaar niet meer de materiële reden voor ogen waarom en in hoeverre machines en automaten de menselijke arbeidsinspanning reduceren, maar wel zijn doorslaggevende economische reden om dergelijke machines aan te schaffen. Hij rekent in alle ernst zo als profiteerde zijn zaak niet van de arbeid die hij aanwendt, maar van die waar hij op bezuinigt; als ware de productieve werkzaamheid die hij nog moet betalen niet zijn succesmiddel, maar een pure last op de balans: een nog niet gezuiverde post, een nog niet weggesaneerd restant van loonstukkosten, die in vergelijking met de enorme kosten voor productiviteitsverhogende machinerie te hoog uitvallen.

Het kapitaal kan zich deze dwaze berekening permitteren omdat ze exact overeenkomt met zijn belang. Het hoeft immers werkelijk niet te weten uit welke bron het zelf en zijn vermeerding afkomstig is. Voor zijn vermeerderings- en concurrentiebehoefte volstaat dat het zijn standpunten op het gebied van productiekostenverlaging in de praktijk brengt. Want met zijn geborneerde strijd tegen de kostenfactor loon volbrengt het weliswaar nooit het kunststuk middels niet betaalde lonen en bespaarde arbeid meer winst te behalen, maar de arbeid die het aanwendt maakt het juist zo tot geschikt middel voor zijn concurrentiestrijd. Wat natuurlijk niet helemaal hetzelfde is als een aanhoudend stijgende winst. De aangelegenheid heeft namelijk iets tegenstrijdigs.

 c) Alle “arbeidsbesparende” investeringen besparen loon omdat ze de aangewende arbeid productiever maken: het enkele product bevat steeds minder arbeid; per loonbetaling groeit de verkoopbare hoeveelheid waren. Dit verhoogt de winst per stuk zolang de onderneming de tot dan toe bestaande marktprijs incasseert. Maar daarvan blijft niet meer veel over wanneer het prijsvoordeel gebruikt wordt om de concurrentie te onderbieden; en een grotere winstmarge komt al helemaal niet tot stand wanneer een onderneming met haar productiekostenverlaging een dalende marktprijs achterna rent, die medeconcurrenten door dezelfde maatregelen hebben teweeggebracht. Tegelijk met de betaalde arbeidskosten reduceren de kapitalisten immers ook de verkoopprijs van de waren – en daarmee de winstverhoging waar het hen toch op aankomt. Een behoorlijk voordeel heeft enkel degene die erin slaagt concurrenten uit de markt te verdringen en hun afzet over te nemen; diegene behaalt werkelijk meer winst – ten koste van de verliezer. Want in totaal en voor iedereen groeit de mogelijkheid om winst te maken allerminst wanner door loonbesparing de stukprijs daalt: het succes van de een beperkt de succesmogelijkheid van de ander. De autonome pogingen van alle aanbieders om zichzelf in steeds grotere mate tegen elkaar te verrijken, vergroten niet de macht van elk productief geïnvesteerd eigendom om winst te behalen. Zo ondervinden de ondernemers uitgerekend door het buitensluitende karakter van hun winstbejag hun saamhorigheid, namelijk de identiteit van hun bron van inkomsten: als zelfstandige ondernemende privé-eigenaars sluiten ze elkaar buiten van de winst die ieder van hen door de inzet van kapitaal überhaupt kan behalen; als concurrenten beschikken ze in hun respectievelijke onderneming over delen van de winstgevend ingezette kapitalistische rijkdom. Zo bestaat de abstractie: het kapitaal – als bron van inkomsten waaraan alle ondernemers deel hebben en waarvan ze de eigenaardige tegenstrijdigheden in hun concurrentie in de praktijk brengen; hier deze tegenstrijdigheid: met de verhoging van de productiviteit van de arbeid daalt de opbrengst per waar, haar realiseerbare waarde.

Deze tegenstrijdigheid is het noodzakelijke gevolg van de strijd die de kapitalistische werkgevers omwille van hun concurrentievermogen tegen de loonkosten voeren. Zonder twijfel, hun opbrengst uit de betaalde arbeid stijgt: als met lagere loonstukkosten het verschil tussen stukkosten en marktprijs, dus de winst per waar ook maar ongeveer gelijk blijft, dan levert immers een kleinere loonsom de gelijke, een gegeven loonsom een grotere winst op. Daarmee hebben ze echter ook een zekere hoeveelheid van de arbeid wegbezuinigd die hen de mooie winsten verschaft – per waar, wat zowel uit haar verlaagde verkoopwaarde blijkt alsook uit de verkoopbare totale warenmassa waar alle concurrenten samen minder geld mee verdienen dan voorheen. Wanneer ze hun rijkdom zo daadkrachtig uit de loonbesparing afleiden, dan kunnen de kapitalisten nu eenmaal niet beide tegelijk hebben: meer opbrengst uit de arbeid en meer of ook maar gelijk veel arbeid die opbrengst levert.

Opdat er over dit punt geen misverstanden optreden: de ondernemers die sinds mensenheugenis fanatiek rationaliseren, wordt hier geen verkeerde strategie verweten – ze doen simpelweg hun “job”. Ze doen die zo consequent dat juist door de vooruitgang die ze teweegbrengen al weer en tamelijk duidelijk de gespannen verhouding tussen de productiviteit van de arbeid, waarvan ze gebruik maken, en het winstbelang, waarvoor ze de arbeid aanwenden, aan het licht komt. Productievere arbeid betekent voor eens voor altijd en dus ook in het kapitalisme dat voor het enkele product – en voor het onderhoud van de gehele samenleving geldt hetzelfde – minder arbeid noodzakelijk is; daaraan verandert ook het kapitalistische eigendom niets dat uitsluitend op de betaalde arbeid staart en niets dan dalende loonkosten wil. Dit effect dat onder het aspect van gebruikswaarden, dus in de planeconomie zonder meer positief en in orde en precies zo bedoeld zou zijn, botst echter met het markteconomische belang van het kapitaal zo veel mogelijk te verkopen, dus voortdurend steeds meer spul te laten produceren en door “de markt” via betaling bevestigd te krijgen dat de voorhanden koopkracht juist daarop heeft gewacht; want dit belang eist nadrukkelijk steeds meer arbeid aan te wenden; natuurlijk: bevorderlijk voor het eigendom, dus afgestemd op de concurrentie om winst. En omdat kapitalisten in hun eigenschap als werkgevers doelbewust de loonkosten als factor ontdekken die het makkelijkst en het effectiefst te comprimeren valt, beperken ze nu eenmaal met hun antagonistisch winststreven de noodzakelijke arbeid waarvan ze nooit genoeg onder hun commando kunnen krijgen. 11)

Zo zetten ze een heilloze tegenstrijdigheid in hun verkeerde wereld waar de rijkdom niet uit de geproduceerde goederen bestaat maar uit het geldswaardige bezit daaraan, en waar dus de productie van rijkdom niet gemeten wordt in het materiële nut van de verrichte arbeid, maar in de pure arbeidshoeveelheid verminderd met het arbeidskwantum dat nodig is voor de productie van de tegenwaarde van de betaalde lonen: voor de vergroting van deze alles bepalende differentie is er geen effectiever middel dan uitgerekend de vermindering van de hoeveelheid arbeid die benodigd wordt voor de vervaardiging van een waar in het bijzonder en van verkoopbare waren in het algemeen. Of vice versa: de vermindering van de materiële arbeidsinspanning wordt door alle kapitalisten ingezet als het probate middel voor de vermeerdering van hun eigendom, waarvan de inhoud niet uit bijzondere producten maar uit de toe-eigening van arbeid überhaupt bestaat. In hun drang de loonkosten te verlagen om hun eigendom sneller te vergroten, maken de helden van de markteconomie in een en dezelfde operatie de arbeid productiever en overbodiger; door betaalde arbeid weg te rationaliseren, zetten ze de bron van hun rijkdom aan tot meer opbrengsten en tegelijk reduceren ze hem.

 d) Het is een geluk voor de werkgevers dat ze anders rekenen. In hun calculatie met de winstverhogende uitwerkingen van een loonstukkostenverlaging kost het hen geen enkele moeite om winst per loonkost te berekenen, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben dat dan de winst wellicht ook uit de loonarbeid resulteert – op de een of andere wijze… In plaats daarvan zijn ze zo vrij hun winsten in verhouding tot elke willekeurige uitgavenpost te berekenen; dat is immers überhaupt zowel het gezichts- en uitgangspunt van hun calculatie met de winstverhogende “vervanging” van loonkosten door kapitaalinvesteringen alsook de motivatie voor hun onvermoeibare rationaliseringsijver. Het eindpunt is de winstberekening van de onderneming die de behaalde winst aan de totale bedrijfsuitgaven meet en daaruit het bindende succescriterium vervaardigt: in verhouding tot de kosten van het gehele bedrijf moet de winst een “concurrentiebestendig” percentage bereiken; anders heeft het hele gebeuren gefaald en de concurrentie om winst is verloren gegaan.

Wat deze “kosten- en batenberekening” aan de kostenzijde alles optelt, behelst twee eigenlijk volstrekt incommensurabele posten: bij de kosten voor minder arbeid die dankzij de verder ontwikkelde productiviteit meer winst heeft geleverd – genoteerd als verlaagde loonstukkosten – voegt ze de daarvoor gedane investeringsuitgaven, waaraan de verhoogde opbrengst uit de effectievere arbeid zich sterk relativeert. Uit de totaalsom die als noemer van het bedrijfssucces tot de vaststelling van de winstvoet van de onderneming  leidt, blijkt het – enigszins paradoxe – resultaat waartoe de onvermoeibare poging om “dure” lonen door “goedkoper” kapitaal te “vervangen” consequenterwijze heeft geleid: steeds meer uitgaven zijn nodig om steeds minder arbeid steeds winstgevender te maken oftewel op de steeds winstgevendere arbeid te bezuinigen. In plaats van voortdurend meer winst af te werpen, hebben de opbrengst verhogende investeringen tot gevolg dat de concurrentie om winst steeds duurder wordt, zodat het resultaat waar toch alles op aankomt: het rendement van de onderneming, door de dure methoden voor zijn verhoging beperkt wordt. 13)

De kapitalistische werkgevers trekken uit deze tegenstrijdigheid de enige systeemconforme conclusie. Vol eigen lof over hun generositeit waarmee ze hun mensen alleen maar het beste laten toekomen, en met een duidelijke ondertoon van bezwaar over ondankbare werknemers laten ze weten dat concurrentiebestendige arbeidsplaatsen steeds duurder worden. 14) En maken zo tevens duidelijk wie voor hun tegenstrijdigheid moet instaan: ze stellen aan de arbeid de voorwaarde alleen dan nog zijn loon waard te zijn als hij met zijn loonstukkosten de totale bedrijfsuitgaven rendabel maakt. Vanuit het ondernemersstandpunt een volkomen logische zaak: alle uitgaven hebben ze uitsluitend gedaan om arbeidskosten te besparen; dus moet uit de resterende arbeidskosten ook blijken dat deze uitgaven zich hebben geloond: door een aardig percentage dat de winst becijfert in verhouding tot het totale voorschot inclusief de investeringsuitgaven moet de nog benodigde arbeid zijn betaling rechtvaardigen. In een gangbare formule samengevat: arbeid moet rendabel zijn – anders wordt hij niet gebruikt.

Zo maken kapitalistische werkgevers de zelfgecreëerde noden van hun kapitaalgroei tot voorwaarde van de loonarbeid. Dat is aan deze productie- en kostenfactor af te lezen.

3.

Een ding staat bij voorbaat vast: van de technische vooruitgang die het kapitaal in de arbeidswereld introduceert, komt de loonarbeiders niets ten goede. Per slot van rekening is de kostenverlaging het doel en criterium van alle maatregelen waarmee de ondernemers de opbrengst van de arbeid vergroten. En dat betekent, alleen anders uitgedrukt: minder van de geproduceerde waarde die in de marktprijs van de waar haar maat heeft, gaat als loonstukkosten naar de arbeiders. Het is geen extra kwaadaardigheid, maar het principe van deze vooruitgang dat de verhoging van de “output” de betaalde arbeidskrachten niet bereikt. Die blijven met de arbeid, die voor de bedrijfswinst noodzakelijk is, en met hun loonhoogte, die zich naar dezelfde noodzakelijkheid richt, buitengesloten van een steeds geweldiger rijkdom; het deel van de maatschappelijke rijkdom waar zij met hun in totaal betaalde loonstukkosten over beschikken, daalt met de groei van de productiviteit. Ze moeten wel massaal druk uitoefenen – en bovendien moet de universeel bevoegde toezichthouder, de staat, enkele van hun belangen goedkeuren – om tegelijk met de nieuwe maatschappelijke levensvoorwaarden ook nieuwe eigen levensnoodzakelijkheden erkend en vergoed te krijgen. Zo maken dan mettertijd steeds meer en andere goederen deel uit van de gemiddelde volkswelvaart, 15) zonder dat de loonarbeiders ooit van meer verzekerd zijn dan van hun reproductie: de kans om aan de veeleisende condities van een moderne arbeidsplaats te voldoen en daarbij ook nog als “volkslichaam” fit te blijven om de eisen van staatswege na te komen. Het “rijk der vrijheid” – namelijk het rijk van de rijkdom die de basisnoodzakelijkheden overstijgt – dat zich met elke productiviteitsverhoging voor de gehele maatschappij zou kunnen uitbreiden, behoort in feite aan het kapitalistische eigendom toe en wordt door zijn tegenstrijdige groeistrategieën geregeerd.

Daarom zijn de op loondienst aangewezen mensen niet eens verzekerd van hun reproductie. De calculatie met de bespaarde loonkosten heeft namelijk, alleen nog iets anders uitgedrukt, ook deze betekenis: voor de warenwaarde die een werkgever tot stand laat brengen en verkopen kan, heeft hij minder betaalde arbeid nodig; ontslagen zijn het gevolg. De verslagen concurrenten kunnen al helemaal geen gebruik meer maken van betaalde arbeid; dus er worden nog meer mensen op straat gezet – die uiteraard niet ontslagen zijn uit de arbeidsdwang, d.w.z. de noodzaak om welke baan dan ook te “vinden”. Het resultaat is de absurde economische figuur van de werkloze. Absurd, omdat het feit dat zo veel mensen niet worden gebruikt, voortkomt uit de verworvenheid dat voor steeds meer goederenproductie steeds minder arbeidsmoeite en arbeidstijd noodzakelijk zijn, wat echter voor de ontslagen arbeiders geen verworvenheid is. Hun enige vrijheid bestaat uit de noodzaak opnieuw door een werkgever te worden gebruikt, wat niet alleen grammaticaal een passieve houding is en allesbehalve in hun macht ligt; en dat ook nog tegen de trend in die hen juist hun bron van inkomsten heeft gekost. Ze zijn aan een dwang onderworpen zonder hem te kunnen nakomen – behalve door de troosteloze poging, waartoe ze natuurlijk van alle kanten aangemoedigd en inderdaad ook gesommeerd moeten worden: zich aantrekkelijk te maken als vrijblijvend aanbod voor een eventuele vraag naar arbeidskrachten.

Wie wel werk heeft of vindt, mag van geluk spreken en aan zijn dure arbeidsplaats iets van de technische vooruitgang van nabij meemaken. Echter niet zo dat het werk makkelijker is en rustiger kan worden gedaan; hooguit de zware lichamelijke krachtsinspanning is uit het alledaagse industriële leven verbannen: wegens gebrek aan rentabiliteit. Daarvoor zijn dure machines in de plaats gekomen die heel eigen economische eisen aan het bedieningspersoneel stellen. De daarin geïnvesteerde sommen belasten de winstberekening van de onderneming namelijk hoe meer, hoe langer de machines nog niet afgeschreven zijn, dus nog niet via de verkoop van daarmee te producerende waren weer als geldsom beschikbaar zijn. Zolang dreigt hen zelfs een zeer achterbakse manier van waardeverlies: door concurrenten die met behulp van betere methodes al weer een lucratieve verlaging van de loonstukkosten bewerkstelligd hebben; want dan voldoet de aan de voorhanden machinerie verrichte arbeid niet langer aan de geldende rentabiliteitsverwachtingen en de productiemiddelen zelf verliezen met hun bruikbaarheid voor het ondernemingsdoel elke waarde. Snelle omloop van het geïnvesteerde kapitaal, luidt daarom de bedrijfseconomische imperatief, waaraan de arbeiders ten eerste door een verhoogd arbeidstempo moeten gehoor geven; als vanzelf past dan zelfs meer arbeid in een betaald arbeidsuur en de onderneming kan zich zowel over de versnelde omloop alsook over een verdere loonkostenverlaging verheugen. De andere complexe arbeidsdeugd die vooruitstrevende werkgevers hun personeel als “objectieve dwang” opleggen omdat ze zelf aan de “objectieve dwang” van de kostenbesparende kapitaalomloop onderhevig zijn, heet in de gangbare taal flexibiliteit. Ze betreft aan de ene kant de inhoud van de arbeid. Met de bestendigheid van vroegere “beroepsprofielen” heeft het werken al lang niets meer te maken; laat staan met een samenhang tussen geleerde vaardigheden en geëiste werkzaamheden die de zogenaamde beroepsopleiding fingeert. In de voortdurend omgevormde “job” is de abstractheid van de waarde producerende arbeid het concrete alledaagse arbeidspatroon. Hetzelfde geldt voor de arbeidstijd: de duur, de verdeling over dag, week en jaar, de wisseling tussen vrije tijd, dienst en beschikbaarheid – dat alles resulteert uit de machinelooptijden die ten eerste geen onderbrekingen op grond van werknemersbelangen dulden en ten tweede altijd juist dan moeten worden onderbroken wanneer het nuttig lijkt voor zo belangrijke calculatieposten als ordepositie, verkoopconjunctuur, voorraadbeheer etc.

De aanpassingsdwang die de managers van de hedendaagse arbeidswereld organiseren, treft op een extreem grote aanpassingsbereidheid. Natuurlijk niet omdat postmoderne werknemers zich altijd al een bestaan als aanhangsel van machines hebben gewenst, maar omdat ze van oudsher dezelfde calculatie maken; niet op grond van een vorstelijke betaling, maar om de tegenovergestelde reden: het geld is nooit genoeg. De loonstukkostenverlaging, het voornaamste kapitalistische gebod, laat haar sporen achter op het individueel verdiende loon, dat bovendien voortdurend op het spel staat. Het verdiende geld krimpt wanneer de overheid haar deel opeist; en het krimpt hoe meer hoe kleiner de totale maatschappelijk opgetelde loonsom uitvalt waar de fiscus op toegrijpt en waaruit de sociale politiek – vooralsnog – een bepaald bestaansminimum voor steeds meer werklozen financiert. Particuliere financiële noden maken dus deel uit van de levensstandaard, zodat de getroffenen zich permanent genoodzaakt zien om hun bron van inkomsten een extra vergoeding te ontworstelen – of ten minste, zelfs voor de prijs van verdere offers, een stukje “werkgarantie”. Zo stabiliseert de onbruikbaarheid van het loonsysteem als bestaansmiddel voor de loonarbeiders hun bereidheid om hun eigen inspanning, de inzet van tijd, kracht en gezondheid – immers de essentiële bestanddelen van de gebruikswaarde die het leven voor de mensen zelf heeft – al van meet af aan helemaal niet als inspanning, maar als degelijk eigen bestaansmiddel te beschouwen.

Een werkelijke gebruikswaarde heeft de arbeidskracht dus enkel voor de werkgever die loon betaalt. In diens concurrentiestrijd wordt ze ingezet alsof het aan de loonarbeiders zou liggen, uiteindelijk aan hun inlevering van extra toeslagen en hun beschikbaarheid voor zondagdiensten, of deze strijd, die uiteraard altijd om “werkgelegenheid” draait, gewonnen of verloren wordt; daarbij hebben ze behalve hun bruikbare arbeidskracht helemaal niets in te brengen, laat staan te beslissen. Alle vrijheid om de loonarbeid, de bron van elk eigendom, als adequaat concurrentiemiddel aan te wenden, ligt bij de ondernemers. Hun desbetreffende eisen groeien met de ingezette middelen.

En die zijn interessanterwijze nog aanzienlijk groter dan alles wat kapitalistische

warenproducenten uit hun personeel halen.

*

9)

Als de deskundigen van de markteconomie het conjunctuurverloop opserveren, dan registreren ze de gevolgen van deze eenvoudige waarheid: het zijn geen erratische schommelingen van de publiekssmaak, laat staan verstandige beslissingen over maatschappelijke prioriteiten die tot wisselende condities van het algemene waren verkopen en geld verdienen leiden, maar naar eigen zeggen de onberekenbare resultaten van de concurrentie om steeds meer afzet. Dat deze concurrentie-inspanningen na expansiefasen onvermijdelijk tot algemeen bemerkbare teruggangen leiden en omgekeerd, heeft bij de wijze mannen van de wetenschap echter geen belangstelling gewekt voor het begrip van deze waanzin; in plaats daarvan houdt deze tak van wetenschappelijk onderzoek zich bezig met de ontwikkeling van wiskundige modellen van het onberekenbare, waaraan uitsluitend het standpunt ten grondslag ligt dat de wetenschap de kapitalistische maatschappij een kwantificerende prognose over haar eigen vrije economische activiteiten verschuldigd zou zijn.

10)

De markteconomische levenservaring dat de prijzen voornamelijk stijgen, en wel zo algemeen dat de enkele stijgingen zich laten optellen tot een inflatie-index, beschouwt hopelijk niemand als een tegenargument. De reden voor de algemene tendentie dat de kapitalistische producenten voor hun waren steeds meer vragen en ook betaald krijgen, is de onproductieve opblazing van de maatschappelijke koopkracht door de geldschepping van staatswege via de (om)weg van schulden maken, en wordt daarom ook door niemand verwisseld met een waardeverhoging van de aangeboden dingen, maar als waardeverlies van de wettige betaalmiddelen doorzien. Zolang de inflatie deel uitmaakt van het alledaagse economische leven zal de prijzenoorlog van de ondernemers zich dus doorgaans afspelen als concurrentie om de geringste prijsstijging.

11)

Wat er aan arbeid noodzakelijk is om de mensen die in loondienst werken in leven te houden, kan voor de strijders tegen de kostenfactor loon nooit gering genoeg zijn. Dat impliceert dat de arbeiders beperkt blijven tot het levensnoodzakelijke: dalende loonstukkosten waarborgen dat de arbeid die voor de productie van de tegenwaarde van hun levensonderhoud nodig is parallel met de stijgende arbeidsproductiviteit richting nul tendeert. Dat is de keerzijde van de winstverhoging per loonsom die reeds ter sprake kwam, en enkele consequenties voor de loonarbeiders komen in punt 3 van dit hoofdstuk nog ter sprake. Een andere consequentie duidt zich echter hier al aan: de voor het onderhoud van de arbeiders “noodzakelijke arbeid” is niet helemaal zonder betrekking tot de markteconomisch “noodzakelijke arbeid” in de andere betekenis: de verkoop van een product bewijst dat de arbeid die voor zijn vervaardiging verricht werd “maatschappelijk noodzakelijk” was, namelijk doordat de opbrengst de winst realiseert zonder die de arbeid immers voor niets, dus maatschappelijk overbodig is geweest. Het kapitalisme scheidt kennelijk beide betekenissen van “noodzakelijk” zo fundamenteel mogelijk: wat er voor het onderhoud van de arbeiders nodig is, heeft schijnbaar uiterst weinig te maken met de noodzakelijkheden van het maatschappelijke leven die de kapitalisten met hun waren willen bedienen. Maar dat de kapitalisten steeds meer willen verkopen, terwijl ze tegelijkertijd de massa van hun samenleving afschepen met een met de loonkosten dalende fractie van de maatschappelijke rijkdom, dus van het beschikbare geld, dat vormt niet slechts voor de producenten van “massawaar” een probleem, maar is in zeker opzicht in strijd met het streven van alle ondernemers voor meer afzet.

Deze tegenstrijdigheid begint ermee dat de reductie van de “noodzakelijke arbeid”, die het arbeidsloon reproduceert, voor de kapitalisten een strijdmiddel in hun concurrentie is en daarom gepaard gaat met de reductie van de “noodzakelijke arbeid” die de marktprijs te realiseren heeft; waaruit blijkt dat voor het kapitaal het mobiliseren en reduceren van zijn eigen bron identiek is. Dat kan natuurlijk niet goed gaan: de loonarbeiders doet deze tegenstrijdigheid überhaupt niet goed.

12)

Met “winstvoet” is hier niet de noodzakelijke relatie tussen waardegrootheden – de verhouding tussen de meerwaarde en het totale aangewende kapitaal – bedoeld die Marx in het begrip van de winstvoet (Profitrate) bepaalt, maar slechts het resultaat van de kapitalistische breukberekening die de behaalde winst met de uitgaven vergelijkt – vaak wordt ook liever de omzet als vergelijkingspunt genomen om onder verwijzing naar een nietig percentage over te hoge lonen te klagen. De winstmarges die de kapitalistische producenten in hun onderlinge concurrentie behalen, zijn echter net zomin willekeurig als de marktprijzen waarvoor ze, een ieder voor zich, verkopen: in hun gemiddelde grootte en beweging doet de kapitalistische tegenstrijdigheid tussen de productiviteit van de arbeid en de uitgaven voor de verhoging ervan zich als regulatief gelden.

13)

Met het reële socialisme is het weliswaar afgelopen; maar wie zich postuum voor zijn fouten interesseert, waarin essentiële absurditeiten van de markteconomie zich “weerspiegelen”, die zal in dit verband aan een bekend dogma van de reëel-socialistische planwetenschap denken. De tegenstrijdigheid die hier bedoeld wordt, ligt volgens het dogma in de natuur van de zaak, niet in het kapitalisme: omdat namelijk de technische effectiviteitsverhoging van de arbeid altijd een investering zou vereisen die uit de opbrengst van de gedane arbeid moest worden gehaald, dus de opbrengst zou verminderen en daardoor in strijd zou zijn met het beoogde effect – wat de planners en leiders veel creatief rekenwerk bezorgde… In feite hebben de reële socialisten zich met hun grondstelling van het tegenstrijdige karakter van de “wetenschappelijk-technische-revolutie” tot een absurditeit bekend die in het kapitalisme volstrekt zonder theorie en dogma geldt: daar, onder het regime van het eigendom, ontwikkelt zich de uiterst eenvoudige verhouding tussen doel en middel, tussen inzet van techniek en grootte van opbrengst tot een tegenstrijdigheid. De technische kant van de aangelegenheid als zodanig genomen, dus werkelijk planeconomisch bekeken, is het volkomen onzinnig de productie van gereedschap, machines en automaten als beperking van en in strijd met het daarmee bereikte resultaat, de verlichting van de arbeid, op te vatten – tenzij men zich de onzin permitteert met grote inspanning ondoelmatige arbeidsmiddelen te construeren. In het kapitalisme zijn investeringskosten een vermindering van de winst en moeten zich door winstverhoging rechtvaardigen. Als dit effect niet in voldoende mate optreedt, worden alle bestanddelen van de kostprijs opnieuw door de ondernemers kritisch beoordeeld – en de probate oplossing staat ook al vast: de bezuiniging op arbeidskosten is nog steeds niet voldoende geweest. Zo jaagt de tegenstrijdigheid die de kapitalistische calculatie met de “technische vooruitgang” teweegbrengt zich zelf voort. – En daarin wilden de reële socialisten het kapitalisme “inhalen en voorbijstreven”.

14)

Dan weten de ondernemers met al hun arbeidsbesparende vooruitgang opeens precies, dat ze hun winsten toch niet te danken hebben aan de arbeid die ze niet meer laten verrichten.

15)

Onder het patronaat van vakbonden en sociale wetgeving heeft de arbeidersklasse in de arbeidersvriendelijkste naties het van volkstuinhuurder tot autobezitter gebracht – zoveel ter illustratie van het hier betoogde principe.

© Gegenstandpunkt Verlag, München