ARBEID en RIJKDOM I

“Werkgelegenheid” – “Globalisering” – “Vestigingsplaatsbeleid”

Opmerkingen over de kapitalistische verhouding tussen

Arbeid en rijkdom

 

Allen zoeken – velen vinden geen werk. Men kan dat – en verkeert dan in goed gezelschap – als een sociaal probleem beschouwen en zich voorstellen een nationaal werkgelegenheidsplan zou de passende oplossing zijn: met premieverlagingen voor werkgevers en veranderde arbeidswetgeving, met afschaffing van de topinkomensbelasting en herverdeling van de “schaarse arbeid”, of welke aanpak dan ook. Een zekere absurditeit moet men dan wel buiten beschouwing laten: als er niet meer zo veel te doen is en minder mensen in kortere tijd het nodige produceren – waarom heeft dan iedereen zo veel en bovendien zo intensief werk nodig om te kunnen leven? Dat minder arbeid bespaarde moeite betekent: waarom gaat die vergelijking niet op?

Het moet toch nog om iets anders gaan dan om een “sociaal probleem” en iedereen weet ook om wat: dat zo veel mensen geen werk vinden, ligt aan een economisch probleem. Er wordt geen werk verricht als het niet rendabel is, dus de onderneming waarvoor gewerkt wordt niet voldoende oplevert: niet voldoende winst om zich in de concurrentie – de “globale” – te handhaven. Maar als dat zo is, als arbeid uitsluitend verricht wordt als en zolang hij rendabel is, dan wordt er ook uitsluitend gewerkt omdat een onderneming daardoor geldinkomsten behaalt: het economische doel van de arbeid is rentabiliteit. Er moet gewerkt worden – om de enige reden dat arbeid rendeert; met geen ander doel dan de nooit eindigende taak rendabel te zijn en geld op te leveren; vandaar ook hoe meer werk, hoe beter – het liefst zou men de hele wereld bevoorraden, voor de Chinezen metro’s bouwen en de olieproducerende Emiraten van airco’s voorzien om middels het verrichte werk de koopkracht van de mensheid te monopoliseren. Arbeid, omdat hij geld oplevert: deze categorische imperatief domineert de heersende maatschappelijke verhoudingen zo absoluut dat alle mensen hem moeten volgen en wat voor werk dan ook nodig hebben om te kunnen leven. En om dezelfde reden wordt er juist niet gewerkt, namelijk wanneer arbeid onvoldoende geld oplevert, wat kennelijk vanwege het voortdurend stijgende rendement uit de aanwending van arbeid steeds vaker het geval is. De alles beheersende doelstelling van de zogenoemde markteconomie is blijkbaar van dien aard dat ze een innerlijke tegenstrijdigheid bevat: eerst is de mensheid gedwongen om te werken omdat arbeid waarde produceert en de ondernemingen rijkdom verschaft, en amper is deze bedoening op gang gekomen of ze komt in conflict met haar eigen criterium: de dwang steeds meer waarde te produceren.

Het kan best zijn dat iedereen daaraan gewend is geraakt en deze waanzin de normaalste zaak van de wereld vindt – en toch, zelfs de kundigste experts en machtigste bestuurders van dit “systeem” komen al gauw in verlegenheid als ze moeten uitleggen of er nu eigenlijk te weinig gewerkt wordt als er een half miljoen werklozen in Nederland, dertig miljoen in Europa en tig miljoen wereldwijd rondhangen, of juist te veel als uit pure “economisch verantwoorde” overwegingen scheepswerven worden gesloten en kolenmijnen alleen dankzij miljarden aan subsidies blijven produceren. Blijkbaar wordt er tegelijk te veel én te weinig gewerkt: te weinig omdat het op steeds meer geld aankomt en daarvoor nooit genoeg kan worden gewerkt; te veel omdat het juist om geldvermeerdering gaat en veel arbeid niet langer voldoet aan deze doelstelling. Zeker, dat is “nu eenmaal de gang van zaken”, maar het is op zijn zachtst gezegd enigszins tegenstrijdig, dit “systeem” van rendabele arbeid.

Dat staat en ondernemingen er wel bij varen, ligt voor de hand – ze organiseren de arbeid immers zo en profiteren van zijn rentabiliteit. Voor de systeemimmanente tegenstrijdigheid dat er ten eerste per se gewerkt moet worden en daarom ten tweede slechts onder voorbehoud, namelijk voor geldinkomsten zowel in het ene als in het andere opzicht, laten ze het productieve personeel opdraaien dat ten eerste per se werk nodig heeft en het ten tweede vaak niet vindt; en vervolgens definiëren ze de materiële problemen die de mensen hebben als een sociaal probleem dat zij met de behoeftige mensen hebben.

Voor deze in de praktijk gebrachte verdraaiing zou men beter geen begrip opbrengen en, ontroerd door alle ellende, de leugen van het sociale probleem met de kern van de zaak verwisselen – en dan wellicht nog daarover klagen en naar schuldigen zoeken voor het feit dat dit “probleem” door al de breed bediscussieerde, gerealiseerde en weer verworpen “werkgelegenheidsplannen” toch nooit op te lossen valt. Evenmin is het raadzaam het rentabiliteitscriterium als summum van de “economische logica” te beschouwen en pas dan bezwaren te opperen wanneer de publieke opinie besluit nota te nemen van de markteconomische “schaduwzijden”. De absurditeit van het “systeem”, de reden voor zijn schadelijkheid voor de meerderheid van de bevolking ligt niet daarin dat er niet gewerkt wordt als het niet rendabel is, maar dat er gewerkt wordt omdat het om rendement gaat. De sociale gemeenheid begint niet pas wanneer mensen die werk nodig hebben het vaak niet vinden, maar ze bestaat al uit de omstandigheid dat ze werk nodig hebben; dat werkgelegenheid dan een onzekere zaak is, volgt daaruit vanzelf.

De markteconomie dicteert de arbeid voorwaarden die deze productieverhouding karakteriseren. Het begrijpen van haar essentiële kenmerken creëert gegarandeerd geen werkgelegenheid, maar schept wel duidelijkheid.

I.

In de markteconomie wordt gewerkt – niet om de mensheid van diverse noodzakelijke gebruiksgoederen, de materiële rijkdom te voorzien, maar om geld te verdienen. Over dit economische doel, eigendom in geldvorm te verwerven, zijn de leden van de burgerlijke maatschappij ongeacht alle stands- en klassenverschillen het eens. Want een ding hebben ze allen gemeen: de behoeftebevrediging is niet alleen afhankelijk van het voorhanden zijn van nuttige dingen, maar van een exclusief beschikkingsrecht daarover – van eigendom. Namelijk als eigendom: als aan de materiële behoefte in eerste instantie onttrokken voorwerpen van een particuliere beschikkingsmacht komen de arbeidsproducten tot stand.

 Daarom is het voor de leden van deze egalitaire geld verdienende maatschappij in economisch opzicht van beslissend belang of ze al geld hebben of dit eerst nog moeten verdienen. Wie werken moet om een stuk eigendom te verkrijgen omdat de materiële rijkdom van de maatschappij in het bezit van anderen is, is aangewezen op iemand die geld heeft en hem voor zijn arbeid betaalt. En deze noodzaak confronteert hem consequent met het feit dat zijn arbeid slechts een zeer betrekkelijk middel is om aan welverdiend eigen geld te komen dat de toegang opent tot een klein deel van de warenwereld. Om dit te bewerkstelligen moet zijn arbeid per se als middel van zijn geldgever fungeren – voor diens gelijkluidend doel. Wie voor geld werkt, bevordert dus in dubbel opzicht de productie van eigendom, namelijk zowel zijn eigen als vreemd eigendom. En vice versa: wie in de markteconomie genoeg geld heeft, is in staat geldinkomsten aan anderen te verschaffen om met de hiermee gekochte arbeid zijn eigen eigendom te vergroten.

 In haar onverstoorbare gelijkmakerij rekent de markteconomie beide zijden tot haar “werkenden”. Toch kent iedereen het verschil tussen het werk dat de een “geeft” en de ander “neemt”. Het produceert eigendom dat het reeds bestaande vergroot; het laat de arbeider een loon verdienen dat hem echter nooit tot eigenaar in de letterlijke zin maakt. Waar voor geld gewerkt wordt, dient het geld immers niet de arbeid als nuttig hulpmiddel, maar de arbeid is de bron van het geld. Waarin arbeid uiteindelijk resulteert, wordt in de markteconomie daarom uitsluitend bepaald door het eigendom dat als kapitaal fungerend de arbeid gebruikt.

1.

Als het in het economische leven van de naties erom zou gaan dat de mensen zich met minimale inspanningen optimaal van het noodzakelijke en wenselijke voorzien, dan zou men de behoeftes vaststellen en een doelmatige arbeidsverdeling organiseren om de goederen beschikbaar te stellen. Alle economische problemen zouden uit arbeidsorganisatie, de meest geschikte techniek en een soepel verloop van het goederentransport bestaan; intelligente mensen die in de heersende markteconomie de meest absurde en meest ingewikkelde “productie- en verkoopstrategieën” moeten plannen en uitvoeren, hadden slechts het relatief eenvoudige probleem op te lossen hoe een maatschappelijke rijkdom zo moeiteloos mogelijk te produceren en te verdelen zou zijn. Geen mens zou de “maakbaarheid” problematiseren omdat het maatschappelijk vastgestelde doel het antwoord zou zijn. 1)

In de markteconomie gaat het er anders aan toe – en niemand vraagt trouwens of dat “maakbaar en realistisch” is, laat staan dat de geldende maatschappelijke doelstelling in twijfel wordt getrokken enkel omdat dit doel dat allen nastreven voor velen onbereikbaar is. Het gaat erom geld te verdienen en wel zo veel mogelijk. Hierover zijn alle leden van de burgerlijke maatschappij het met elkaar eens; minima en grootverdieners, middenstanders en vakbondsleden, kapitalisten en ambtenaren zijn eensgezind en vinden het de natuurlijkste zaak van de wereld dat er geproduceerd wordt en dienstverlening plaatsvindt om aan een loon, een opbrengst, een honorarium, een salaris – kortom: om aan geld te komen. 2) Hoe ze hun geld vervolgens besteden is hun privézaak. Want het geld staat voor een stuk reële vrijheid: de – uiteraard beperkte – mogelijke toegang tot elk denkbaar genot, hét middel om een greep te doen op de onuitputtelijke warenwereld. Dit is de positieve kant van het geld verdienen die iedereen waardeert.

Met de keerzijde maken de werknemers, in ieder geval de allermeeste van hen, ook al gauw kennis: als de geldsom verbruikt is, is het ook gedaan met de toegang tot de warenwereld. Nog steeds zijn de benodigde en begeerde goederen voorhanden – ze zijn echter niet beschikbaar. De door het geld geboden mogelijke bevrediging van elke behoefte is nog lang niet de werkelijke van ook maar één enkele.

Dit verschil tussen mogelijkheid en werkelijkheid heeft een kwantitatief en een principieel aspect en manifesteert zich in de beperktheid van de verdiende geldsom, zodat het steeds weer uitdraait op hetzelfde probleem: er moet meer worden verdiend. Deze algemene hoofd- en noodzaak van het bestaan in de markteconomie brengt de vervelende eigenaardigheid van deze productiewijze aan het licht, namelijk dat alles wat de mens aan goederen nodig heeft weliswaar geproduceerd wordt, maar niet zonder meer beschikbaar is: het eigendom trekt een scheidslijn tussen de producten en degenen die ze nodig hebben. Uitsluitend daarvoor worden de producten gefabriceerd: om aan kooplieden toe te behoren die ze niet zelf willen ge- en verbruiken, en om ze degenen te onthouden die erop aangewezen zijn. Want alleen zo komt het tot de alomvattende economische activiteit waar de markteconomie haar naam aan ontleent: geld moet van eigenaar wisselen voordat de waar daar belandt waar iemand haar nodig heeft. Dat heeft niemand zo bedacht, wellicht als handig goederenverdeelsysteem, juist omgekeerd: wat er geproduceerd wordt is eigendom, dus nuttig voorwerp in handen van een exclusieve beschikkingsmacht; een beschikkingsmacht die allesbehalve aan dit bezit wil blijven kleven, maar een daarvan gescheiden, abstracte beschikkingsmacht moet worden: een puur particuliere macht die in het geld haar kwantitatief gemeten realiteit heeft. Vandaar dat het geproduceerde object onder degenen die het nodig hebben ook niet anders kan worden “verdeeld” dan via verkoop; zodoende wordt het doel van de productie pas definitief gerealiseerd, hoewel het product in zijn materiële vorm al lang klaar ligt. Op deze materiële vorm komt het nu eenmaal niet aan, of uitsluitend als middel om het doel te bereiken; wat er in deze vorm eigenlijk geproduceerd wordt, is het daarmee te verdienen geld: wat het product de eigenaar waard is. Daarom is met de goederenproductie de zaak niet afgerond en de samenleving tevredengesteld omdat ze over meer middelen voor de productie en consumptie beschikt, maar de algemene noodzaak is gevestigd om hoe dan ook geld te verdienen teneinde zich de geproduceerde goederen toe te eigenen: zonder koop geen gebruik. Volledig gescheiden en onafhankelijk van wat hij produceert, is de productieve arbeid zelf als een variant van arbeid gedefinieerd, namelijk als kostwinning die zich ook alleen maar via het verdiende geld de geproduceerde goederen verschaft. Het eigendom scheidt principieel en radicaal tussen de productie van rijkdom en de beschikking over gebruikgoederen, tussen arbeid en nuttig gebruik alsook tussen nuttig gebruik en behoefte en plaatst zich als bepalende factor in al deze vergelijkingen, maakt er als het ware “non-vergelijkingen” van: elke arbeid is erop gericht aan eigendom te komen, want zonder eigendom is er geen nuttig gebruik. – Dat wordt tegenwoordig voor de eerste vanzelfsprekendheid van de economische logica gehouden.

Door de algemeen geldende gelijkstelling van nuttig gebruik en eigendom worden de economische activiteiten van de maatschappij aan een eigenaardige logica onderworpen. Ze betreft ten eerste de hiërarchie van de behoeftes die voortkomt uit het feit dat het particuliere geldbezit over de behoeftebevrediging beslist: formeel gezien leeft zich daarbij uitsluitend de persoonlijke voorkeur uit, weliswaar binnen de perken van het verdiende eigendom, maar hoe iemand zich het zijne indeelt is privézaak. 3) In materieel opzicht wordt elke behoefte de afhankelijke variabele van de particuliere koopkracht, en zolang deze productiewijze voortduurt, is er steeds opnieuw met verbazing te constateren dat armoede en rijkdom in verschillende proporties direct naast elkaar bestaan. Hetzelfde geldt voor de zogenoemde “maatschappelijke arbeidsverdeling”: zonder twijfel wordt er in de markteconomie maatschappelijk geproduceerd; de vervaardigde waren zijn niet bedoeld voor eigen verbruik maar voor verkoop en in zo verre voor algemeen gebruik. De noodzakelijke samenhang tussen de verschillende productietakken vloeit echter niet voort uit de objectieve relatie waarin ze als maatschappelijke deelwerkzaamheden tot elkaar staan, maar resulteert uit de negatieve verhouding tussen privé-eigenaren die elke planmatige coöperatie weigeren, maar wel als betalende klanten op elkaar zijn aangewezen. Voor de noodzakelijke context zorgt dus de particuliere macht van het geld; als die grondig genoeg haar werking heeft gedaan, dan lijkt het resultaat bijna op een zinvol samenspel van de productieve marktdeelnemers. 4) En ten derde volgt uit de doelstelling van elke markteconomische activiteit, het geld verdienen, een enigszins perverse verhouding tot de arbeid; die wordt in de markteconomie namelijk geenszins als noodzakelijke moeite beschouwt, een inspanning die men zo gering mogelijk probeert te houden, maar wordt doel op zich; arbeid produceert immers zo veel eigendom als de mate waarin hij wordt verricht. De maatstaf voor het nut van de arbeid is niet het product dat hierdoor tot stand komt, maar het verdiende geld en in zo verre op elk inkomstenniveau de geleverde arbeidshoeveelheid. Met de productie van werkelijke, voor iedereen beschikbare rijkdom zou een coöperatief georganiseerde samenleving dankzij de al lang bereikte technische stand van de productiviteit zelfs zeer snel klaar zijn; arbeid voor geld daarentegen houdt in principe nooit op: het interesse dat arbeid verricht wordt is nooit verzadigd. 5) Het “gezichtspunt” waar de mensen die in de productie werkzaam zijn feitelijk niet omheen kunnen, namelijk dat ze verslijten en hun levenstijd opofferen, speelt in de logica van het geld verdienen geen enkele rol – een eerste aanwijzing dat deze mensen in ieder geval niet profiteren van de markteconomie en dat het produceren van eigendom als doel van de arbeid niet ten bate van hen geïnstitueerd is.

De algemeen geldende vergelijking van nut en eigendom gaat dus algemeen en bindend uitsluitend in de negatieve zin op dat elk nut afhankelijk is van het verworven eigendom. Om positief op te gaan zodat verworven eigendom daadwerkelijk nut garandeert, moet de kwantiteit van het beschikbare particuliere vermogen wel een bepaalde kwaliteit bereiken.

2.

Waar gewerkt wordt om geld te verdienen; waar de productieve werkzaamheden die de rijkdom van de maatschappij voortbrengen met hun producten helemaal niets te maken hebben omdat het alom uitsluitend om dat ene product, namelijk het geld verdienen gaat; waar deze doelstelling zo onomstotelijk vaststaat dat omgekeerd elke activiteit die geld oplevert “arbeid” heet – zoals bekend gaan ministers, kunstenaars en beursmakelaars evenzo “naar hun werk” als degenen die het beroep arbeider uitoefenen – en niemand de principiële verschillen wil zien, daar is één verschil des te belangrijker: of iemand al geld heeft of niet.

- Wie in een wereld waar alle gebruikgoederen iemands eigendom zijn geen eigendom heeft, die kan niet eens zelf aan het werk gaan en zich eigendom verschaffen want daarvoor ontbreken hem – ook die zijn immers in iemands bezit – de noodzakelijke middelen. Om aan de vergelijking van nut en eigendom niet te gronde te gaan, moet hij een eigenaar “vinden” die over productiemiddelen beschikt en hem daarvoor betaalt dat hij zich daaraan nuttig maakt – natuurlijk nuttig voor de eigenaar, want waarom zou die anders geld betalen? Ook hij wil immers geld verdienen en niet weggeven. Dit belang heeft de op loondienst aangewezen mens die geen eigendom heeft tevens te dienen zodat hij zelf geld kan verdienen. Met zijn arbeid moet hij voor zijn geld- en werkgever eigendom scheppen, bovenop hetgeen die al heeft, om zelf uit diens vermogen iets te ontvangen. De puur particuliere doelstelling van de arbeider: zich geld te verschaffen, verandert daardoor helemaal niet; hieruit blijkt alleen wat het betekent eigen geld te verdienen zonder al voldoende te hebben. Dan wordt de arbeid namelijk een dubbele bron van geld: voor degene die onder de voorwaarde werkt dat zijn werk de beter gestelde zijde, die geld heeft, rijker maakt. De twee prestaties van de arbeid zijn dus niet helemaal equivalent: voor mensen die zonder eigendom in de markteconomie willen meedoen, is werken weliswaar het enige bestaansmiddel waarover ze beschikken, het is echter strikt genomen alleen dan hun middel als en zolang een bedrijfseigenaar het als zijn bestaansmiddel weet te gebruiken. Ze produceren eigendom, en wel – in tegenstelling tot de betekenis van het woord – het vreemde.

- En vice versa: wie over voldoende eigendom beschikt, kan daaruit zijn bron van inkomsten maken door het in een onderneming te steken en mensen die erop aangewezen zijn een inkomen te bezorgen – daarvoor dat ze werken en verkoopbare waren vervaardigen: waarde, die krachtens het recht van de eigenaar aan hem toebehoort en bij verkoop zijn geldvermogen vergroot. Door deze aanwending van hun eigendom verdienen de eigenaren geld zonder het zelf te moeten scheppen: ze laten eigendom produceren, en wel hun eigen.

Zo gaat voor ondernemende eigenaren de vergelijking van eigendom en nut op: op juiste wijze ingezet, volstaat het eigendom als toereikend middel om zichzelf door vreemde arbeid te vergroten, dus als productieverhouding; het fungeert als kapitaal.

De mensen die de arbeid verrichten, krijgen eveneens wat ze willen en nodig hebben, namelijk eigen geld op zak. Bij hun eigendom gaat het echter vanwege de geringe omvang om een weinig duurzame aangelegenheid. Amper verdiend moet het alweer uitgegeven worden om aan de noodzakelijke levensmiddelen te komen – het stroomt dus voornamelijk terug naar de ondernemers die daarmee de waarde van hun waren realiseren. Want niets van de dingen die ze zelf geproduceerd hebben, staat de arbeiders ter beschikking; zelfs hun eigen producten moeten ze zich eerst door geld toe-eigenen, dus met hun loon kopen voordat zij ze mogen gebruiken. Zo betekend het eigendom voor hen blijvende uitsluiting van de rijkdom die ze zelf produceren; negatieve voorwaarde voor hun nut waarnaar ze zich moeten schikken om te kunnen leven; een vreemde beschikkingsmacht over hun arbeid die ze door hun arbeid voortdurend reproduceren en vergroten.

Het is – niet onbelangrijk te constateren – één den dezelfde vergelijking van geld en behoeftebevrediging, van nuttig gebruik en eigendom, die voor de twee verschillende zijden tot volstrekt tegenovergestelde resultaten leidt. Als er voor geld – of helemaal niet – wordt gewerkt, dan gaat het immers niet om de voorziening van iedereen met werkelijke rijkdom, maar om de abstracte rijkdom. Dan disponeren niet de arbeiders over de opbrengsten van hun werk, maar de als geld bestaande particuliere macht van het eigendom commandeert arbeid en arbeiders. Dan beschikken de bezitloze mensen niet over een handig verdelingsmechanisme wanneer ze als opbrengst uit hun werk loon naar huis brengen of op hun rekening overgemaakt krijgen, maar er wordt van meet af aan helemaal niets anders dan eigendom geproduceerd: een rijkdom waarvan degenen die hem produceren simpelweg buitengesloten zijn. Waaruit ook anders zouden de economische prestaties van geld en eigendom kunnen bestaan? Dat een exclusieve particuliere macht over de productiemiddelen beschikt, draagt aan hun productiekracht niets anders bij dan tussen het materiële productieve gebruik van deze middelen, de arbeid en de arbeiders, en de beschikkingsmacht over het productieproces en zijn producten te scheiden, dus te verhinderen dat zowel de productiemiddelen als de producten de arbeiders ter beschikking staan die eerstgenoemde aanwenden en laatstgenoemde nodig hebben. Dat door het verdiende geld een gedeelte van de warenwereld toegankelijk wordt, is slechts dan een te waarderen voordeel wanneer alle geproduceerde goederen in eerste instantie niet te gebruiken zijn, juist omdat ze als vreemd eigendom tot stand kwamen. Dat door arbeid geld te verdienen valt – dat bovendien meteen weer verdwenen is: waarvoor anders kan zo’n zaak überhaupt goed zijn dan dat principieel niet de arbeiders krijgen wat ze produceren, maar de ondernemers die loon betalen? Absurde maatregelen en groteske omstandigheden zouden dat zijn als het erom zou gaan gebruiksgoederen te produceren en effectief onder de mensen te verdelen. Dan zal dat echter ook niet de onderliggende bedoeling van geld, eigendom en loonarbeid zijn. Hun werkelijke “betekenis” zal wel zijn wat ze werkelijk teweegbrengen: nut en eigendom gelijk te stellen zodat noodzakelijkerwijs de twee tegenovergestelde complementaire oplossingen tot stand komen. 6)

Behoorlijk wereldvreemd zijn dus al die opvattingen dat de subsumptie van de arbeid onder het eigendom buiten discussie staat, omdat daaraan toch niets te veranderen of elke verandering zelfs contraproductief zou zijn, maar dat de extreem tegenovergestelde gevolgen van de geldheerschappij wel degelijk te behandelen zouden zijn: bij voorkeur door de staat die toch al het algemeen belang zou beogen en met zijn macht buitensporige maatschappelijke tegenstellingen zou moeten gladstrijken. Dat alles is niet wereldvreemd in die zin dat de burgerlijke wereld dergelijke opvattingen vreemd zouden zijn – het tegendeel is het geval: juist zo wil de markteconomie gezien worden, als een economie met een geraffineerde en bovendien vrije verdelingsstrategie waarvan men de nadelige effecten makkelijk zou kunnen wegdenken; en als instantie die deze effecten daadwerkelijk ongedaan maakt, beveelt de sociaalstaat zich aan. Daar klopt echter niets van; en als het vertrouwen in de twee-eenheid van markteconomie & democratie erop insisteert dat het toch eigenlijk zo “zou moeten zijn”, dan is het kennelijk niet zo.

In der werkelijke wereld onderwerpt het burgerlijke staatsgezag, voordat het zich met problematische gevolgen bezighoudt, de arbeid aan het geld verdienen en de macht van het eigendom door het eigendom wettelijk te beschermen en het recht te verlenen voor zich te laten werken. En het kapitaal doet wat het kan: het maakt zich meester van de arbeidsproductiviteit als zijn bron (II.), gebruikt de arbeid ter verhoging van zijn winst in verhouding tot de ingezette middelen, dus voor zijn winstvoet (III.), maakt de arbeid aansprakelijk voor de bediening en instandhouding van een kredietstelsel dat enerzijds helemaal niets wil weten van zijn elementaire voorwaarde, de winstproductie, die het anderzijds bevordert (IV.), gebruikt de arbeid als wapen in de internationale concurrentie, wat de staatsmacht als belanghebbend subject op het strijdtoneel roept (V.), en ten slotte laat het kapitaal de arbeid, ook dit met ondersteuning van de overheid, voor de kosten van zijn zelfgecreëerde crisissen opdraaien (VI.).

*

1)

De twijfel die in de vraag naar de “maakbaarheid” van de planeconomie tot uitdrukking komt, houdt zich namelijk nooit serieus bezig met de vraag naar de daarvoor noodzakelijke middelen, maar negeert het voornemen onder het voorwendsel men zou zich de uitvoering niet kunnen voorstellen – hoe zou het ook, wanneer een samenleving waarin een verstandig plan moet worden opgesteld en uitgevoerd, dus een georganiseerd en vrij beraad zonder “economische noodzaken” niet eens bestaat, en wanneer de markteconomie met haar realiteit geworden doelstellingen en gevestigde methoden, inclusief de bijbehorende menselijke maatschappelijke karakters, wordt aangenomen als gegeven scenerie waarin de planeconomie zou worden geïntroduceerd. Men moet het voornemen van een vrije rationele organisatie van de behoeften en hun bevrediging weliswaar niet delen; maar men zou tenminste niet hoeven veinzen een vurige aanhanger van zo’n plan te zijn, ware het niet dat de communisten steeds in gebreke bleven wat praktikabele “recepten” en “modellen” betreft – die zijn werkelijk het geringste probleem wanneer een zelfbewuste arbeidersklasse weet wat ze wil. Een bittere ironie moet hier nog worden vermeld. Het grote wereldhistorisch eerste begin van een socialistische planeconomie die de organisatoren later als misslag hebben opgegeven, heeft juist de fout gemaakt de kapitalistische organisatie van de economie, van uurloon tot krediet, als “economische realiteit” te vooronderstellen. In plaats van de kapitalistische doelstellingen hierin aan te tonen, hebben ze een model ontwikkeld om daarmee een economie te bedrijven die vriendelijker met de arbeiders omspringt. Met staatsgezag kan uiteraard heel wat worden gerealiseerd; zelfs het echte kapitalisme… Alsof ze zelf hun twijfel nooit hebben kunnen overwinnen of een fundamenteel andere economie “überhaupt mogelijk is”, hebben de regerende Oostbloksocialisten hun maakwerk trots de verraderlijke eretitel “reëel” verleend en een socialisme in praktijk gebracht waar alle “objectieve dwangmatigheden” van het kapitalisme gehanteerd werden, om als “economische heftbomen” het economische “apparaat” te dienen – in vergelijking met het kapitalistische origineel met maar matig succes, tenminste wat de voor de staatsmacht beschikbare rijkdom betreft.

2)

Een fundamentele kritiek op “de commercialisering van elke levenssfeer” kent de burgerlijke maatschappij natuurlijk ook. Ze doelt enerzijds op de gezindheid van mensen die zich binnen het systeem van geld verdienen moeten bewijzen en merendeels mislukken, eist namelijk betuigingen van eerbied voor hogere levensmaximes dan de werkelijk geldende – en als ordeprincipes zeer wel erkende – eisen van het op geld gerichte materialisme. De afkeuring van “de mammon” vult de commercie aan met de troostrijke moraal geen geldwolf te zijn – de wisselvalligheden van een markteconomisch bestaan bieden de mens voldoende mogelijkheden om te bewijzen hoe steekhoudend de brave houding is. Het is dan ook kenmerkend dat deze “kritiek op het kapitalisme” minder de rijken bedoelt die zich de demonstratie van op nobele dingen gerichte gezindheid makkelijk kunnen permitteren, dan de mensen – trefwoord “sociale afgunst” –  die hun financiële nood tot deugd van bescheidenheid moeten verheffen. In haar andere variant wil de afkeuring van de “alleenheerschappij van het geld” sferen opnoemen die aan de commercie zouden moeten worden onttrokken omwille van hun hoogstaande inhoud. Dergelijke pleidooien bekennen dus dat de markteconomie ook alle hogere goederen, zoals God of liefde, muziek of rechtvaardigheid, dichtkunst of natuurschoonheid al lang tot koopwaar heeft gemaakt oftewel onderworpen aan de eisen van het geld verdienen. Hoe zou het ook anders? Dit goederenaanbod uit de sferen van de morele noodzakelijkheid en luxueuze diepzinnigheid is met de principes van het geld verdienen, die in de volgende hoofdstukken ter sprake komen, niet beter en niet slechter verenigbaar, heeft in het geld geen minder adequaat maat dan elke andere productie of dienstverlening waarvan de “commerciële” doelstelling niemand stoort. En de handelsvertegenwoordigers van het nobele die dit beklagen, weten dat ook; hun pleidooi heeft de eenduidige strekking: wie inzake zingeving onderweg is, zou tenminste zelf zonder zorgen moeten kunnen leven.

3)

In haar onverwoestbaar cynisme heeft de burgerlijke economische wetenschap onder verwijzing naar dit soort vrijheid het dogma gedeponeerd, dat principieel elk economisch agerend individu naar niets anders streeft dan naar optimalisering van zijn nut, en daaruit wiskundige modellen afgeleid die allemaal bewijzen dat ieder zijn voordeel behaalt omdat uiteindelijk zelfs de kleinste geldsom een “nutpreferentie” transporteert. Erger dan deze cirkelredenering is echter is echter de gewoonte van de deelnemers aan de markteconomie het rondkomen als hun gerealiseerde vrijheid te beschouwen en zelfs een perverse trots te ontwikkelen als het weer eens gelukt is door spaarzaamheid en koopjes ondanks weinig geld het einde van de maand te halen. Planeconomie kunnen deze helden van de private vrijheid zich slechts voorstellen als het tegendeel, namelijk als bevoogding binnen armoede. Op dit misverstand berusten niet alleen theoretische modellen, maar zeer reële democratische machtsverhoudingen.

4)

Zelfs het elementair noodzakelijke wordt niet vanzelfsprekend geproduceerd als het daarvoor aan koopkracht ontbreekt; zelfs vernietigd als het geld verdienen erom vraagt. Daarom ontstaan voor het openbare gezag, dat door zijn garantie van het eigendom het markteconomische systeem opricht, talrijke noodzakelijkheden om compenserend in te grijpen. Dat het hele gebeuren überhaupt functioneert hoewel het openbare gezag dit geenszins planmatig dirigeert, heeft bij de vroegere apologeten van dit “systeem” enige verbazing en bewondering gewekt en hen een zinvol ageren van een “invisible hand achter de rug” van de uitsluitend op geld geprogrammeerde dramatis personae laten “concluderen”. De minder vrome waarheid is, dat alles wat er in de markteconomie aan materiële samenhang bestaat het helemaal niet geplande effect van alzijdige streven naar het geld van de anderen is – en dat blijkt ook: er blijft uitsluitend over wat voor het geld verdienen deugt.

5)

De burgerlijke economische wetenschap zet met haar modellen en afleidingen van het marktgebeuren de zaak op zijn kop en postuleert een principiële onverzadigbaarheid van de menselijke verlangens, die de kapitalistische productie door zinvolle beperking de optimale, maximale en meest uitgebalanceerde graad van bevrediging zou verschaffen. De mensen wordt een door de natuur gegeven mateloos materialisme toegedicht – waartoe ze zelfs met al hun historisch verworven interessen niet eens in staat zijn – om de economie van het eigendom die het buitensluiten van alle benodigde goederen tot uitgangspunt van de arbeid maakt en het zo gecreëerde tekort middels de arbeid, die zij organiseert, nooit verhelpt, als een voortdurende strijd tegen “de schaarste” te rechtvaardigen.

6)

Zeker, er zijn nog andere oplossingen. De markteconomie kent allerlei “zelfstandigen”, van boeren- tot artsenstand, die met het voor hun beroep noodzakelijke eigendom en eigen arbeid hun kost verdienen; in verschillende samenstellingen representeren ze de tegenstelling tussen arbeid en eigendom in hoogsteigen persoon, relativeren die dus niet bovenmatig. Bovendien is er de staat die met onteigend geld de rol van werkgever vervult zonder door zijn werknemers eigendom te laten produceren; in al zijn soevereiniteit over de klassen van zijn samenleving respecteert de staat de alleenheerschappij van het geld – die hij opricht – door zijn professionele dienaren te betalen; en hoe lager de betaalde werkzaamheid is des te nauwkeuriger calculeert hij volgens de criteria van het particuliere bedrijfsleven. Men moet überhaupt van de diverse onderafdelingen van de markteconomische arbeidsmaatschappij geen raadsel maken – daar de toonaangevende staatsinstellingen er toch ook geen probleem mee hebben om zowel bij het innen van belastingen als bij de oprichting van sociale diensten de burgers in economisch opzicht eenduidig naar klassen in te delen. Overigens – dit als methodische hint – zijn de principes van de politieke economie geen categorieën waarvan het waarheidsgehalte door hun bruikbaarheid voor het sorteren van de mensheid te bewijzen en door twijfelgevallen in vraag te stellen zou zijn.

© Gegenstandpunkt Verlag, München