De burgerlijke staat V

IX

Democratische procedures

Verkiezingen – parlement – regering

 

De burgerlijke staat kan zijn economische doelen slechts realiseren als zijn burgers bij het nastreven van hun materiële belangen de van overheidswege gestelde grenzen in acht nemen. De staat is erop aangewezen dat allen zijn maatregelen als noodzakelijke functies voor hun belangen erkennen. De enen moeten simpelweg inzien dat bepaalde beperkingen van hun winststreven samengaan met de overheidsbescherming voor de productieve aanwending van hun eigendom. De anderen moeten aanvaarden dat bepaalde beperkingen van hun reproductie deel uitmaken van de overheidsbescherming voor de loonarbeid.

 Het feit dat de burgers afzien van geweld bij het uitvechten van hun conflicten, positief uitgedrukt: hun goedkeuring van het geweldsmonopolie, is het middel van de staat om de concurrerende, dus vrije burgers aan zijn doel te onderwerpen, de vermeerdering van het privé-eigendom. Omdat hun materialistisch streven daarvoor uitsluitend geschikt is als de burgers idealistische gehoorzaamheid tegenover de wet aan de dag leggen, dus als de klassen zich tot instrument van het algemeen belang maken, stelt de staat het functioneren van zijn macht veilig door het volk te vragen met zijn maatregelen in te stemmen.

 Dat betekent uiteraard niet dat de staat zijn noodzakelijke activiteiten ter afstemming voorlegt aan de burgers; veeleer laat hij hen in verkiezingen beslissen aan welke representanten ze de staatsmacht willen toevertrouwen. Daar het in de verkiezingen enkel om instemming met de staatszaken gaat, zijn alle stemmen even belangrijk. De verkiezingen worden bij meerderheid beslist en periodiek gehouden daar dit soort wilsuiting blijvend noodzakelijk is. De burgers die zich voor politieke ambten beschikbaar willen stellen, krijgen van staatswege de mogelijkheid om hun programma, de basis van de aaneensluiting van gelijkgezinden, te propageren: de partijen concurreren via de politieke wilsvorming om de stemmen van de kiezers en daarmee om de leiding van de staatsaangelegenheden.

 Deze leiding bestaat ten eerste uit de bezigheden van het parlement, waarin de gekozen volksvertegenwoordigers bij meerderheidsbesluit de optredende maatschappelijke conflicten door wettelijke voorschriften zo regelen dat het algemeen belang bevorderd wordt; ten tweede uit het werk van de regering die deze voorschriften met behulp van het machtsapparaat uitvoert; en ten derde uit de constructieve kritiek van de oppositie die als representatieve minderheid de ontevredenheid van de kiezers de enige gewenste vorm geeft, de vorm van een politiek alternatief.

 Op het vermeende gevaar dat het geïnstitutionaliseerde respect voor de wil van de burgers misbruikt wordt voor een praktische kritiek op de staat, reageert de democratie zowel door de dwang tot naleving van de grondwet (partijverbod e.d.) als door de wettelijk vastgelegde bereidheid van de politici om de democratie op te geven als het bestaan van de staat in het geding is.

 Door de gevierde democratische procedures bekent de moderne burgerlijke staat dat zijn politieke macht afhankelijk is van de wil van de onderdanen, dat de burgers dus over de middelen beschikken om de staat overbodig te maken. Tegelijkertijd respecteert de staat de vrije wil uitsluitend als die als abstractie van de materiële belangen optreedt. Vergeleken met alle vroegere staatsvormen bestaat de vooruitgang dus daarin dat de democratie de vrije wil van de onderdanen instrumentaliseert voor de productie van rijkdom, waarvan anderen profiteren. Daarom leidt de economische strijd van de loonarbeiders tot een politieke strijd tegen de staat, terwijl de politieke strijd voor alternatieve machtsuitoefeningen de economische strijd verhindert en zowel de staat als de uitbuiting in stand houdt.

 

 

a)

De politici die de concurrentie conform de belangen van het privé-eigendom besturen, beoordelen de abstracte bepaling van de democratie – dat de staatsmacht op de wil van het volk berust – vanuit hun pragmatisch standpunt: ze beschouwen de democratie als “beste van alle slechte staatsvormen”(“The worst vorm of government except all those other vorms”, Churchill), waarmee ze duidelijk uitdrukken dat het uiteindelijke doel van de staat niet daarin bestaat voor de wil van de burgers te buigen. Omgekeerd: de staat kan zijn taken optimaal uitvoeren als hij zich van de burgers de toestemming voor zijn maatregelen verschaft. Door hun positieve houding tegenover zijn macht bewijzen de burgers dat ze de wil hebben om zich in de concurrentie waar te maken, dus om hun vrijheid zo te gebruiken als het de staat bevalt. De democratische legitimering is voor de staat noodzakelijk omdat de abstractie van de werkende burgers van hun bijzondere wil identiek is met de voortzetting van hun economische functie en plicht en daarmee het functioneren van de productiewijze garandeert. Als de gedupeerde meerderheid van het volk haar loyaliteit tegenover de staat opgeeft, dus geen waarde hecht aan haar vrijheid en aan minder grote waarden van het menselijke bestaan denkt, voelt de staat zich verplicht de vrijheid tegen het “pure materialisme” te verdedigen. Door op de staat te stemmen, laat het volk blijken dat het van de staat profiteren wil, zolang die bruikbaar lijkt – en de staat reageert op deze bereidheid met al zijn wetten die ervoor zorgen dat hij gebruikt wordt zonder voor de meerderheid bruikbaar te zijn. De democratische verkiezingen, die niet door de stemmen van de kapitalisten worden beslist, stellen het staatsgezag dus in staat de arbeidersklasse te gebruiken (niet omgekeerd); ze zijn een index voor de sociale vrede.

b)

Het resultaat van het democratische verkiezingscircus bestaat kennelijk niet daarin dat de staat zich afhankelijk maakt van de wil van zijn burgers; veeleer weet hij de voorhanden afhankelijkheid zo in te richten dat de burgers zelf hun wil opgeven. Als de staat uitsluitend over de kwestie laat stemmen wie van de politici het machtsapparaat mag besturen, dan laat hij er geen twijfel over bestaan dat behalve de niet gekozen bestuurs- en rechtsinstellingen etc. ook de beslissingsbevoegde overheidsinstanties zich niet naar de wensen van het volk richten, laat staan dat de noodzaak van hun bestaan ter discussie staat. De staat regelt de wilsuiting zo dat zijn onderdanen geen andere keuze hebben dan zich aan zijn wil te onderwerpen.

 De grootste democratische verworvenheid kenmerkt zich daardoor dat ze de gewelddadig tot stand gebrachte abstractie “de vrije mens” tot prestatie van diens eigen wil maakt. Uit het kruisje op het stembiljet blijkt de onverschilligheid van de kiezer tegenover zijn individuele wensen en verwachtingen; deze zijn gereduceerd tot een “ja-stem” voor een kandidaat, dus voor de staat. Vandaar dat de staat de wil van de kiezer kan meten en via het meerderheidsprincipe zijn respectloosheid tegenover de bijzondere wil en zijn redenen eenduidig kan demonstreren. Door dit democratische beginsel wordt noch de minderheid van de stemmen verkracht, noch de regering van de besten verhinderd, wat reactionaire critici beweren – de meerderheid van het volk geeft haar belangen op voor de staat, vandaar dat de meerderheid, de minderheid en de niet-kiezers in gelijke mate (natuurlijk met uiteenlopende gevolgen voor de verschillende sociale klassen) te maken krijgen met de staatsmacht. Daar de tegenstelling tussen de staat en zijn basis door de verkiezingen geïnstitutionaliseerd wordt, de burgers permanent buitengesloten worden van de macht door erop te stemmen, heeft de staat ook een manier gevonden om het aanhoudende conflict tussen zijn maatregelen en de belangen van zijn burgers onder de knie te krijgen: het periodieke houden van verkiezingen waarborgt dat de burgers afzien van de inzet van geweld. De verkiezingen zijn de uitzondering op de regel dat de staat de wil van zijn onderdanen niet respecteert.

 De afgedwongen onderschikking van de burgers aan de doelen van de staat wordt dus in het stemhok als daad van hun eigen “gezond” politiek verstand bezegeld. De van staatswege geëiste prestatie zich tot gewillig object van de staatszaken te maken, leveren ze daardoor dat ze om de vier jaar datgene tot enige inhoud van een politieke beslissing maken wat ze anders als dagelijkse politieke abstinentie in praktijk brengen: de meerderheid van de burgers toont haar waardering voor de staat door de vooraf besliste vergelijking van haar wensen met de politieke alternatieven van hun niet-vervulling. De enkele burger slaagt erin vrijwillig van zijn belangen te abstraheren en spreekt zich in de verkiezingen op basis van zijn vergelijking uit voor één van de alternatieve machtsuitoefeningen – in de nauwelijks verhulde overtuiging dat hij zodoende het voortbestaan van zijn schade niet verhindert. Uit de grote verkiezingsopkomst blijkt dat de behoeftes van de burgers reeds getransformeerd zijn in illusies over de staat. Dus niet pas door de gang naar de stembus geeft de arbeider zijn belangen op: door te stemmen stemt hij alleen uitdrukkelijk in met de macht die hij aanvaardt omdat hij deze – als loonarbeider erop aangewezen – tot middel voor zijn reproductie verheft. Daarbij hoort, niet onbelangrijk, de troostrijke gedachte dat men de regering zelf heeft gekozen en de volgende keer, bij gebleken “ongeschiktheid”, eventueel op een alternatief kan stemmen.

c)

Als de democratische staat zijn afhankelijkheid van de wil van de burgers verandert in een effectief middel voor zijn machtsuitoefening, stelt hij zijn politiek bestaan weliswaar veilig, maar maakt het bestaan van zijn representanten tot een onzekere zaak. Tegenwoordig kan uiteraard iedereen beslissen politicus te worden (en de democratie heeft geen gebrek aan “jong politiek talent”), maar zijn toegang tot politieke ambten hangt ervan af of hij de gunst van de kiezers weet te winnen en te behouden; de (kandidaat) representanten van de staatsaangelegenheden hebben omwille van hun carrières de democratische plicht om alle vervelende maatregelen die ze na de verkiezingen willen uitvoeren rooskleurig voor te stellen: ze moeten de belangen van de staat omtoveren in de belangen van de kiezers.

 De politieke wilsvorming van het volk door de partijen bestaat uit een eenvoudige truc: de baatzuchtige burger die illusies over de staat koestert omdat hij prestaties van staatswege voor zich verwacht, moet krijgen wat hij verlangt: het bedrog. De politici gebruiken hun beperkte fantasie om de burgers, die dankzij de staat de zegeningen van hun respectievelijke klasse genieten, met de belofte te verblijden dat alle maatregelen uitsluitend voor hun bestwil werden en worden genomen. Zo pluralistisch de concurrentie tussen de kandidaten verloopt, zo simpel zijn de daarbij toegepaste basisprincipes. Men moet alle maatschappelijke groepen ongeacht hun tegenstellingen beloven enkel die maatregelen uit het repertoire van de staat te kiezen, waarvan de burgers voordelen verwachten; daarbij vormt het geheel van de verschillende, voor uiteenlopende “doelgroepen” verkondigde beloftes het bekende, namelijk noodzakelijke staatsprogramma – echter in de rooskleurige vorm van het voordeel voor allen. De propagandatruc om iedereen te beloven wat hij verwacht, stoot natuurlijk op grenzen. De staatsburgers bemerken de elkaar tegensprekende beloftes, en ook de afgelopen legislatuurperiode wijst uit dat de staat slechts weinigen tevredenstelt. Vandaar dat de politici hun politiek aanbod aanvullen met extra informaties over hun intenties: er worden beperkende omstandigheden opgesomd, de onmacht van de staat wordt aangevoerd en men appelleert aan het inzicht van de staatsburgers dat de divergerende aanspraken uitsluitend bevredigd kunnen worden als allen rekening houden met het kader van het mogelijke. Wie daarbij verblijd wordt met het mogelijke en wie met het noodzakelijke blijft niet verborgen, zodat de partijen hun controverses vooral uitvechten op het gebied van de idealen die nog elke burger gelijkstelt met zijn voordeel – hoewel ze aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Het zijn de geheiligde principes van de democratie waarover de partijen het liefst twisten: vrijheid, menselijke waardigheid, gelijkheid en rechtvaardigheid, de geïdealiseerde vormen van de tegenstelling tussen staat en burgers. Als de partijen elkaar onbekwaam achten om de gemeenschappelijke idealen te vertegenwoordigen, dan demonstreren zij waarvoor deze idealen deugen: de uitwerkingen van de noodzakelijke maatregelen van de staat, waar alle politici het over eens zijn, laten zich als gevolgen van onbekwaamheid en als verraad aan de hoogstaande doelen van de staat interpreteren. Over idealen kan men uitstekend twisten, vooral als het er om gaat de zorgen van de gedupeerde burgers in instemming te veranderen. Daarom strijdt de ene partij voor persoonlijke vrijheid, christelijke verantwoordelijkheid en sociale markteconomie versus “socialistische experimenten”, een andere voor vrijheid, sociale gerechtigheid, hervorming en solidariteit versus ouderwetse concepten, en een derde voor vrijheid en persoonlijke waardigheid versus de rest van het partijenlandschap. – De klassieke constellatie van conservatieve, hervormingsgezinde en liberale partijen weerspiegelt de noodzakelijke reactie van de politiek op de conflicten tussen staat en burgers; de politicus vreest dat het misnoegen van de burgers de economische, sociale en andere maatregelen en vooral zijn “pluche” bedreigt; vandaar dat hij ontevredenheid in toestemming wil veranderen. De hervormers leggen zich erop toe de ontevredenheid uit de passiviteit van de staat af te leiden en profileren zich door de roep om meer democratie. De conservatieven prefereren de andere zijde van de tegenstelling, het besef van de noodzakelijkheid van de staat, en maken van politiek een permanente poging ter redding van de staat, hetgeen de enkele burger voor zijn eigen bestwil niet te belemmeren heeft. De liberalen tot slot richten zich tot de gefrustreerde privé-personen die de staat tegelijk als middel en hindernis beschouwen; daarom verklaren ze de alomtegenwoordigheid van de staat tot oorzaak van alle euvels, maken zich sterk voor de vrijheidsrechten van de staatsburger (volgens hen de ideale mens) en verkondigen, om aan de macht te komen, de zelfbeperking van de staat als einddoel van de politiek.

 Daar de partijen de verkiezingsstrijd organiseren om door allen gekozen te worden, zijn de basiskenmerken van de politieke alternatieven niets anders dan variaties op de belofte de staat in het belang van alle burgers te besturen. Democratische partijen zijn volkspartijen die in hun eigen gelederen de eenzijdige overheidsbeslissingen instuderen doordat ze door partij-interne democratie en soortgelijke vertoningen ervoor zorgen dat de maatschappelijke groepen, die naar invloed op de staat streven, in de partij uitgebreid kunnen konkelen en intrigeren en tegelijkertijd verplicht zijn om het partijprogramma naar buiten eensgezind te representeren.

 Daarom heeft het permanente geworstel met grote idealen ook weinig te maken met de praktische beslissingen van de politici. Als het om het regeren gaat, demonstreren ze nog elke keer dat hun debatten over de beste politiek neerkomen op het behoud van de beste van alle mogelijke werelden – waarin geen alternatief bestaat, althans niet voor de materiële belangen van de meerderheid. Regeringswisselingen brengen het machtsapparaat niet aan het wankelen, maar bewerkstelligen zijn continuïteit en stabiliteit; en alle tegenstellingen tussen de partijen, die tijdens de verkiezingsstrijd voor opwinding zorgen en elke staatsburger trots maken op de levende democratie, verdwijnen zodra geen van de partijen de meerderheid van de stemmen behaalt: grote en kleine coalities. De alternatieven in de politieke praktijk zijn in de vorige hoofdstukken beschreven – ze vinden voor- en tegenstanders in alle partijen, afhankelijk van wie regeert en wie oppositie voert. Dat de continuïteit van de politiek – die hier te lande via moeizaam opgeklopte verschillen tussen de partijen tot stand komt – ook minder omslachtig kan plaatsvinden, blijkt uit landen waar de volkspartijen niet uit de politieke organisaties van maatschappelijke belangentegenstellingen voortkwamen, maar waar ze van meet af aan het instrument van concurrerende belangengroepen geweest zijn. In de VS is de politiek pragmatisch, partijen zijn “verkiezingsstrijdmachines”, kandidaten succesmensen en hun concurrentie draait om het overtuigende presenteren van hun eigen persoon als belichaming van de pure staatsmoraal.

 De aanhoudende concurrentie tussen de partijen om de stemmen van de kiezers constitueert naast de politieke praktijk de propaganda als blijvend onderdeel van het politieke leven; daarin worden al die wijsheden verkondigd die de staat ideologisch karakteriseren. Wat voor de verkiezingen als verkiezingsstrijd plaatsvindt, vormt slechts één hoofdstuk van de dagelijkse politieke opvoeding door de partijen – ze moeten de burger hun variant van politiek als materiaal voor zijn partijkeuze presenteren en zijn illusies over de staat voortdurend voeden om daarvan te profiteren. Omdat de partijen de staat besturen en als partijen bekritiseren, worden zij geconfronteerd met de toestemming, teleurstelling en kritiek van het volk – terwijl de staatsmacht vrijwel buiten schot blijft. Doordat de partijen alles wat in de samenleving gebeurt tot middel voor hun succes maken, maken ze zich tot middel voor het behoud van de staat en worden in deze functie door de wetgeving gewaardeerd – ook als hun onderlinge concurrentie af en toe het “vertrouwen in de staat ondermijnt”. 

 Het concretiseren van de geweldsverhouding die op de vrije wil van de burgers berust (hoofdstuk 3), werpt licht op het karakter van de representanten die verantwoordelijk zijn voor de politieke maatregelen. Ze hebben niet alleen de taak om over de machtsuitoefening te beslissen, ze moeten de burger er ook nog van overtuigen dat alles voor zijn eigen bestwil geschiedt en de politieke tegenstander al datgene aanwrijven wat ze zelf zijn en doen. Macht en moraal horen ook bij hen samen: de enen brengen beide in de praktijk als ze mogen regeren, de anderen demonstreren macht en moraal opdat ze mogen regeren. Huichelarij is hun beroep en derhalve ook hun karaktertrek, corruptie en leugens zijn hun onmisbare politieke wapens. Ook zij zijn maar voorwaardelijke democraten: ze beroepen zich voortdurend op het volk omdat het hen overal voor de voeten loopt – kortom: ze zijn het getrouwe spiegelbeeld van hun slachtoffers!

d)

Door de verkiezingen wordt het realiseren van de staatsaangelegenheden afhankelijk van de representanten wie het volk de macht heeft toevertrouwd. Opdat de gekozen volksvertegenwoordigers hun beslissingen over de collisies van de burgerlijke maatschappij in het belang van de staat kunnen nemen, de verkiezingen dus niet misbruikt kunnen worden om de representanten tot concessies tegenover particuliere belangen te dwingen, zijn de gekozen politici onafhankelijk van de wil van hun kiezers: indirecte democratie. Aan de andere kant mag het vervullen van de staatsfuncties niet worden overgelaten aan de willekeur van een onafhankelijke regering. Het moet gewaarborgd zijn dat de vereisten van de concurrentie – de reden dat de burgers de staat nodig hebben en willen – de geldige maatstaf vormen voor alle maatregelen. Het respect voor de wil van de burgers blijft in zoverre behouden als het aanwenden van de staatsmacht afhankelijk is van de beslissing van alle gekozen representanten over de meest effectieve manier om problemen aan te pakken: de executieve is onderworpen aan de besluiten van het parlement; omtrent alle mogelijke optredende conflicten leggen de volksvertegenwoordigers per wetgeving het beleid vast dat de regering dient uit te voeren. De beraadslaging en wetgeving van het parlement zorgen ervoor dat de eisen aan de regering in het geheel van de overheidstaken passen en hun (niet-) vervulling bindend vastgelegd wordt. De parlementaire democratie kenmerkt zich dus door een organisatie van de staatsmacht, die de staat als middel voor de nationale vermeerdering van rijkdom in stand houdt door de regeringsmacht te verplichten af te zien van de onvoorwaardelijke bevrediging van actuele behoeften; per wetgeving worden de enkele maatschappelijke problemen ondergeschikt gemaakt aan het nationale totaalbelang, dat de staat met beperkte financiële middelen realiseert. Het parlement beslist niet alleen over alle regeringsmaatregelen en legt hun uitvoering wettelijk vast, het beslist ook door de goedkeuring van de jaarlijkse begroting en de hoogte van het staatskrediet over de verdeling van de middelen voor de uitvoering van de wetten.

 Het parlement heeft dus de functie om wetten te maken voor de uiteenlopende activiteiten van de staat op juridisch, sociaal en economisch gebied; daarmee wordt bindend bepaald dat de staat rechtmatige aanspraken moet erkennen en wat de verplichtingen van de burgers tegenover de staat zijn. Als wetgevende macht verandert het parlement voortdurend de wetten (die voor de burgers onveranderlijk zijn): ze worden aangevuld, gewijzigd, afgeschaft, zodat de samenleving het recht ten deel valt dat ze nodig heeft. Om te verhinderen dat de nieuwe wettelijke regels in strijd zijn met het staatsdoel, dat vastgelegd is in de bestaande wetten, moeten ze zich aan de grondwet laten toetsen.

 De wettelijke beslissingen over de beste oplossing van de optredende problemen worden door de parlementariërs gezamenlijk, vanwege hun verschillende ideeën over het beste regeringsbeleid echter bij meerderheidsbesluit genomen. Opdat de koers van de betrokken partijen, dus de manier om de burgers mores te leren, niet belemmerd wordt door de vrijheid van de enkele volksvertegenwoordiger onderwerpen de partijen hun volksvertegenwoordigers aan een dwang (wat de burgers niet mogen): door de fractiedwang wordt het enkele kamerlid de handlanger van de wil van zijn partij. (In zulke landen daarentegen waar de partijen de aanspraken van de diverse belangengroepen niet als partijprogramma hebben geformuleerd, waar de enkele parlementariër dus als belangenvertegenwoordiger van bepaalde maatschappelijke groepen in het parlement zit, wordt de concurrentie tussen de aanspraken aan de staat niet in de partijen, maar door temporaire meerderheden van voor- en tegenstanders van de desbetreffende wetsvoorstellen in het parlement zelf beslist).

 Om te waarborgen dat de regerende partij bij de wetgeving rekening houdt met de maatschappelijke belangengroepen, op wie de staat is aangewezen, is de wetgeving meestal als tweekamersysteem georganiseerd. Afhankelijk van het land “hebben de meeste eerste kamers en hogerhuizen tegenwoordig een controlerende functie over het werk van de tweede kamers en lagerhuizen”.

 Daar de wetten van de parlementariërs de verwachtingen van de meerderheid van de kiezers voortdurend teleurstellen – ze worden aan het algemeen belang opgeofferd – is de beraadslaging over de wetsvoorstellen tevens een propagandashow voor de regeringspartijen en de oppositie: openbare zitting van het parlement. Terwijl het formuleren van de wetsvoorstellen door juridische, economische en politieke experts van de partijen in de tweede kamercommissies plaatsvindt, dienen de openbare debatten ter profilering van de partijen: ze demonstreren dat ze door het aannemen / verwerpen van de respectievelijke wetten uitsluitend het algemeen belang bevorderen en daarmee aan de opdracht van de kiezers voldoen. De kopstukken van de partijen profileren zich daarbij plaatsvervangend als gekozen representanten doordat ze op basis van de verkeerde vergelijking: belang van de staat = belang van de burger elkaar betichten van regeringsonbekwaamheid, elkaar de idealen van de staatsmacht onder de neus wrijven en zo in de vorm van een strijd over in feite al lang aangenomen wetten proberen uit het staatsidealisme van de bevolking munt te slaan. Vandaar dat de aanwezigheid van de parlementariërs en de intensiteit van de parlementaire debatten niet afhankelijk zijn van de belangrijkheid van de behandelde wetsvoorstellen, maar van het mogelijke propaganda-effect, namelijk in hoeverre men met alternatieve voorstellen indruk kan maken op het volk. Naast begrotingsdebatten waarin over het functioneren van de staat aan de hand van zijn maatregelen gediscussieerd wordt, zijn daarvoor vooral besluitvormingen geschikt die de nationale moraal van de kiezers stimuleren en voor de regering of oppositie kunnen mobiliseren, of zulke regelingen die actueel voor publieke opwinding zorgen (abortus, euthanasie, energie etc.).

 Terwijl de regeringspartij in deze debatten haar voor allen bindende beslissingen rechtvaardigt, levert de oppositie constructieve kritiek op de regeringsmaatregelen binnen het kader van de staat en vervult daarmee haar democratische functie de beschadigde belangen van de bevolkingsmeerderheid (waarvoor zij, de oppositie, in plaats van de regering verantwoordelijk wil zijn) de regeringspartij ten laste te leggen en zodoende de aanhoudende ontevredenheid in de vorm van een mogelijk regeringsalternatief te representeren. Of de oppositie de wetten die ook zonder haar toestemming tot stand komen, goedkeurt dan wel afkeurt maakt deel uit van haar manier om kiezers te werven; zo benut ze het voordeel dat ze niet regeert om de ontevredenheid van de staatsburgers over de regering behoorlijk aan te wakkeren, om zelf aan de macht te komen.

 Het eigenlijke mikpunt van kritiek van de burgers en de oppositie is de regering, het executieve orgaan van de meerderheidspartij, dus het uitvoeringsorgaan van de wetten. Aan de parlementaire beslissingen gebonden, verwezenlijkt de regering deze beslissingen en onderscheidt zich van de “strijdende” afgevaardigden in het parlement door haar eensgezind optreden (richtlijnen-competentie, verantwoordelijkheid van de ministers tegenover de minister-president). Ze staat aan het hoofd van het bestuur, modificeert in overeenstemming met de actuele politieke beslissingen de permanente overheidstaken, die door de bureaucratie continu en ongeacht alle politieke veranderingen uitgevoerd worden, en heeft in de bureaucraten zowel gewillige dienaars als deskundige raadgevers. De verschillende grondwettige vormen van afhankelijkheid resp. onafhankelijkheid van parlement en regering zijn niets anders dan modi om te verhinderen dat de parlementaire beslissingen en hun uitvoering principieel confligeren, dus om te waarborgen dat de regering conform de wettelijk vastgelegde maatschappelijke aanspraken aan de staat handelt en dat het parlement geen wetten aanneemt die in strijd zijn met de concrete vereisten van de machtsuitoefening. Al naar gelang de modi van afhankelijkheid of beïnvloeding van parlement en regering heeft de wederzijdse controle de vorm van een vreedzame samenwerking tussen de parlementaire meerderheid en de regering tegen de oppositie, of ze vindt plaats als permanente confrontatie tussen de verschillende staatsorganen. Daarbij is door de grondwet of andere regels ervoor gezorgd dat de regering de wetgeving voldoende kan beïnvloeden om de voor het bestuur van de staat noodzakelijke maatregelen wettelijk te laten vastleggen. Daarom heeft de regering resp. de bureaucratie ook het recht om de uitvoering van de wetten wettelijk bindend te concretiseren.

 Het democratische circus der machtenscheiding, waarbij ook de “overlapping” van de machten hoort, dient de functionaliteit van de regeringsmaatregelen voor de concurrentie-maatschappij, de effectiviteit van de uitgevoerde beslissingen voor de handhaving van staat en economie, kortom: het behoud van de instemming van de slachtoffers van staat en economie, de voorwaarde en het criterium voor het politieke succes.

 Daarom zijn de democratische machtsinstrumenten enerzijds beschermd door het verbod op het veranderen van de fundamentele grondwetsbepalingen en door het bemoeilijken van grondwetswijzingen; anderzijds kan bij een “noodtoestand”, waaronder zowel natuurrampen en oorlog als binnenlandse onlusten vallen, dus als het voortbestaan van de staat zelf in het geding is, “het geweldsmonopolie compromisloos ingezet worden”, namelijk zonder de omweg over democratische procedures en instemming van het volk: noodwetten; om de democratie te beschermen moet ze rechtmatig worden afgeschaft.

e)

Daar de parlementaire democratie de machtsuitoefening met behulp van de instemming van de burgers organiseert, is ze blijkbaar het product van de maatschappelijke behoefte naar een soevereine macht en naar de functionaliteit van deze macht voor de maatschappelijke belangen die zonder haar niet kunnen bestaan. De democratische staat ontstond dus doordat maatschappelijke belangen zich doorzetten tegen een soeverein die van hen afhankelijk was zonder hen te dienen. Want een macht buigt uitsluitend voor degenen die ze onderwerpt als ze zich anders niet meer weet te handhaven; omgekeerd stemt een maatschappelijke klasse met een heersende macht alleen dan in (in plaats van in opstand te komen) als ze die nodig heeft. De bourgeoisie komt dus de verdienste toe de democratische ontwikkeling te hebben ingeleid; haar voltooiing is het werk van de arbeidersklasse.

 De bourgeoisie gebruikte haar groeiende economische macht om het machtsmisbruik van de soeverein (vooral op economisch gebied) tegen te gaan en hem het juiste gebruik van zijn macht, die men erkende, voor te schrijven: belastingwetgeving door het standenparlement, waarin de bourgeoisie in strijd lag met de representanten van het grondbezit. Haar economische controle over de beslissingen van de soeverein gebruikte de bourgeoisie als middel om de absolute vorst de wetgeving uit handen te nemen en hem te verplichten de door de afgevaardigden van de heersende klassen aangenomen beslissingen uit te voeren – of als middel om de soeverein door een gekozen regering te vervangen: constitutionele monarchie resp. republiek. Door de gebruikmaking van de staatsmacht was de bezittende klasse in staat om parallel met de nietsontziende uitbreiding van de grote industrie steeds grotere aantallen van loonarbeiders te creëren, die van loonarbeid niet konden leven en met elke poging om hun bestaan veilig te stellen in conflict geraakten met de staatsmacht. Zo maakte de staatsbedreigende strijd van de proletariërs de staat duidelijk dat hij zonder respect voor deze voortdurend groeiende stand, dus zonder toekenning van rechten aan de arbeidersklasse, niet lang zou kunnen voortbestaan. Omgekeerd constateerden de arbeiders aan de hand van de reacties van de staat dat ze hem als middel voor hun strijd tegen de uitbuiters moesten gebruiken: om hun belangen door te zetten, moesten de arbeiders zich in de maatschappij doorzetten; de staatsmacht die als instrument van de kapitalisten de uitgebuite arbeiders ruïneerde, moest veranderd worden. De strijd voor het algemene stemrecht, het doorzetten van de democratie was dus een klassenstrijd; behalve in de eerste democratie, in Amerika.

f)

1. De burgerlijke staatsmacht is democratisch georganiseerd omdat haar succes afhankelijk is van de instemming van de burgers; de staat institutionaliseert deze instemming als basis voor zijn politieke maatregelen tegen de burgers. Deze innerlijke tegenstrijdigheid, die zich uitdrukt in het voortdurende bedreigde staatsburgerlijke vertrouwen in het nut van de staat, vormt voor de staat een probleem – niet wat betreft zijn bestaan, dat hij ook zonder instemming kan en wil handhaven, maar wel wat betreft zijn democratisch voortbestaan. De onvermijdelijke kritiek op zijn optreden confronteert de staat met het gevaar dat hij de basis kwijtraakt die de permanente onverhulde geweldsuitoefening overbodig maakt en daarmee zijn behoud op de effectiefste manier veiligstelt. Vandaar dat de politologie op de burgerlijke ontevredenheid met een loflied op de democratie reageert. De politologie is de democratische wetenschap bij uitstek en daarom absoluut anti-kritisch: ze behandelt alle factoren van de geïnstitutionaliseerde tegenstelling tussen staat en burger onder het aspect van functionaliteit, namelijk in hoeverre deze factoren bevorderlijk zijn voor de instemming van de onderdanen en daarmee voor de stabiliteit van de staatsmacht; en ze bestrijdt door haar propaganda voor de instituties en idealen van de staat elke uiting van onvrede tegenover de staat onafhankelijk van de concrete inhoud ervan.

 De theorie van de democratische instituties vergelijkt de kiessystemen aan de hand van het criterium regeringsstabiliteit: districten- versus meerderheidsstelsel; ze looft de partijen als bemiddelende instanties tussen het belang van de burgers en de staatsmacht; ze beoordeelt de twee- en meerpartijenstelsels, volkspartijen en “protestpartijen” onder de aspecten eensgezinde staatsleiding, verkiezingsalternatieven, belangenarticulatie = partij-interne democratie; ze verdedigt de representatieve democratie tegen de voorstelling dat het volk de politiek direct kan beïnvloeden en prijst de machtenscheiding als bescherming van de burgers tegen machtsmisbruik. Ze geeft dus zonder meer toe dat de staat macht uitoefent en de burgers zich moeten onderwerpen, maar benadrukt tegelijkertijd het wettelijke, niet willekeurige karakter van deze machtsuitoefening; ze ziet de democratische vrijheid voorbeeldig gerealiseerd door haar reglementering van staatswege en gebruikt de politieke en wettelijke gelijkheid (die geen sociale mag zijn) ter verheerlijking van de staat; in haar rechtvaardigende spreuken berust de staat niet op de concurrentie, maar hij is nodig om de natuur van de mens te temmen en tot haar recht te laten komen; haar beschouwing van de politieke instituties en ideeën uit het verleden dient als bewijs – natuurlijk niet zonder de gedachten van de vroegere denkers, die geen politologen waren, te verdraaien – dat de hedendaagse democratie alle diepgewortelde verlangens van de mensen (lees: de staatsburgers) gerealiseerd heeft; dankzij deze tautologische bewijsvoering – het verleden is het onvolmaakte voorstadium van het heden – hoeven politologen de vraag naar het nut van vrijheid en gelijkheid dan ook niet te beantwoorden.

 Het voor de hand liggende resultaat van deze wetenschappelijke inspanningen luidt dat de labiliteit van de democratie de sterkte van de beste van alle slechte staatsvormen is, de staatsmacht dus optimaal functioneert als ze haar wil niet permanent aan de burgers moet opleggen; het laatste bewijs daarvoor levert een speciale afdeling van de politologie: de pseudo-vergelijking tussen democratie en dictatuur, waarbij de noodzakelijkheid van de dictatuur in het geval van een serieuze “crisis van de democratie” impliciet toegegeven en beklaagd wordt. In de afweging van de diverse voor- en nadelen van dictatuur en democratie – die steeds de meeste pluspunten verzamelt – wordt de democratie als (helaas niet altijd werkzaam) middel ter verhindering van de dictatuur beschouwd. Daaruit volgt het benadrukken van de noodzakelijke grenzen van de democratie en het verwijt dat de burgers te weinig enthousiasme voor de staat aan de dag leggen. Schuldig aan de bedreiging van de democratie zijn haar critici die steeds meer vrijheid en gelijkheid voor de burgers eisen, en de democratie steeds directer en tot het principe van het gehele maatschappelijke leven willen maken. Het eigenlijke probleem van de democratie is echter de burger op zich die zich te veel, te weinig, te ondeskundig engageert, en omdat hij te weinig democratische kennis heeft en de nodige mondigheid ontbeert, zijn egoïsme laat prevaleren boven het belang van de staat.

2. Daar het parlementaire procédé uitsluitend bestaat omdat de burgers hun waardering voor de staat zo ver hebben ontwikkeld dat ze naar de stembus gaan, dus de dialectiek van verwachting en teleurstelling verinnerlijkt hebben, zien ze in hun teleurstellingen natuurlijk geen aanleiding om hun verwachtingen in twijfel te trekken; veeleer gaan ze gretig op zoek naar de gebreken van de democratische procedures om daaraan de niet-vervulling van hun verwachtingen te kunnen wijten. Op het gebied van de procedures van de democratie bewijzen de kritische staatsburgers onmiskenbaar hun armzalige onderdanigheid: hun veronachtzaamde belangen bejammeren ze als politologische amateurs die hun niet voorhanden weerspannigheid bereidwillig tonen door de erkenning van de professionele propagandisten – die hen de beperkingen en ontberingen opleggen. De politici vinden ze sympathiek of onsympathiek, hun propaganda te onzakelijk, te ver verwijderd van de burgers, te elitair, een kwestie van stijl. De activiteiten van de partijen in het parlement zijn moeilijk te begrijpen, te weinig transparant, te voorspelbaar, het parlement onwaardig; enerzijds missen de burgers de echte concurrentie tussen de volkspartijen, anderzijds vrezen ze deze concurrentie. Democraten voelen zich thuis in de verkiezingsstrijd omdat ze het gewicht van hun stem overschatten; storend vinden ze dat de lijsttrekkers over fundamentele vraagstukken debatteren in plaats van zich om de “problemen van het gewone volk” te bekommeren; sommigen aanschouwen met lede ogen de excessen van de verkiezingsstrijd, die eigenlijk niet bij zo’n serieuze zaak als politiek horen, en ze zijn dan ook blij als er eindelijk weer normaal geregeerd wordt. Consequent teleurgestelde democraten presenteren zich als resignerende “doorhebbers” die bij de “zwendel” niet meer meedoen, waaruit blijkt dat hun desillusie in feite een illusie is. De oprechte democraten daarentegen verkondigen altijd pas na de verkiezingen dat zich de regering nu definitief ongeloofwaardig maakt, en ze voelen zich af en toe geroepen om aan debatten deel te nemen over de kwestie hoe het volk en zijn representanten weer naar elkaar kunnen groeien.

 Het is dus niet overbodig om het democratische circus uitvoerig te kritiseren, hoewel nog elke burger hem van binnen en buiten kent, vrijwel altijd daarover misprijzend praat en noch door de veelgeprezen democratische procedures misleid, noch door de media gemanipuleerd wordt, maar voortdurend informaties voorgeschoteld krijgt over de walgelijke berekeningen en technieken van zijn representanten bij het inpalmen van kiezers – hetgeen echter geen beletsel vormt om naar de stembus te gaan. De crux van de moraal van de staatsburger bestaat namelijk niet daarin dat hij illusies koestert over de nietsontziendheid van politici, maar dat hij ondanks zijn negatieve mening iets positiefs verwacht van de politiek, dus daarmee calculeert. Bij deze berekening hoort het bewustzijn dat het bij de strijd om de macht nu eenmaal toegaat als in het echte leven, met het kleine verschil dat de machthebbers onder elkaar zijn en hij, de burger, als hun middel fungeert. Daarom gaat op dit gebied de staatsburgerlijke kritiek zonder meer gepaard met het begrip voor de noodzakelijkheden en dwangmatigheden van de politiek, en de kritische stemmen over de verkiezingen zijn niets anders dan plichtmatige bijdragen aan een ideale democratie, en iets anders willen ze ook niet zijn.

 De revisionistische kritiek vormt geen uitzondering op de wijdverbreide democratische huichelarij – ze wordt alleen minder geaccepteerd. In de optiek van de revisionisten is de volksvertegenwoordiging geen ware omdat ze niet onafhankelijk is van de belangen en invloeden van machtige monopolies en hun verenigingen, en te weinig afhankelijk van de belangen van de meerderheid van het volk; in het belang van een werkelijke democratie lijken het imperatieve mandaat en het kiezen van alle ambtenaren door het volk wenselijk. Verkiezingen zijn vanwege hun twijfelachtig nut voor de meerderheid van de kiezers bedrog, behalve als men op de revisionistische partij stemt, het ware alternatief dat zich alleen al door de sociale afkomst van zijn kandidaten positief onderscheidt van de uitgebluste lakeien van de heersenden. Waar ze aan de macht komen, schaffen de revisionisten de democratie in naam van de democratie dan ook meteen af. Voor de genationaliseerde uitbuiting zijn verkiezingen weliswaar geen middel voor instemming en representatie, maar toch niet helemaal onbruikbaar: democratische procedures als voorgeschreven acclamatie.

 Ook de fascisten prijzen zich aan als het enige alternatief voor de krachteloze burgerlijke partijen. Zij hebben echter de zwakte van de staat op het oog waarvan ze de oorzaak ontdekken in de concurrentiestrijd van de partijen, in het opportunisme van de representanten en in de aanpassing van de politici aan de nukken van de burgers – die meer aan zichzelf dan aan de staat denken. Fascisten beschouwen de democratische partijen en hun leiders alsook de democratische procedures als serieuze bedreiging voor de staat, voor de eenheid van het volk en voor het bestaan van de natie. Ze denken van de staat zijn bestaansreden weg, de concurrentiebelangen en hun uitdrukking in de activiteiten van de politiek; alle wilsuitingen van de burgers, waar duidelijk uit blijkt dat ze de staat uit eigenbelang waarderen, beschouwen fascisten als elementen van het communisme. Hun idealen zijn fatsoen en offerbereidheid, het realiseren ervan redt het volk; democraten zijn staatsvijanden. Als fascisten met behulp van de meerderheid van de teleurgestelde staatsburgers de macht grijpen, presenteren ze het volk de incarnatie van zijn eensgezindheid: de leider houdt geen rekening met welk volksbelang dan ook; hij verwacht acclamaties, echter niet als uitvoerder van maatschappelijke belangen – hij is het gepersonifieerde ideaal, de natie. Dat veronderstelt natuurlijk dat het berekenende materialisme geen deel meer uitmaakt van de politiek; vandaar dat niet alleen joden in de concentratiekampen verdwenen.

 

X

Burgerlijke publieke opinie – pluralisme – tolerantie

 

Daar de staat periodiek van zijn burgers verlangt op het uitvoeren van de staatszaken geen invloed te willen nemen, de consequenties van deze zaken echter geduldig te aanvaarden, is zijn democratisch functioneren ervan afhankelijk dat de ontevredenheid van de onderdanen niet omslaat in een negatieve instelling tegenover de democratische staat. De onvermijdelijke vergelijking tussen zijn prestaties en de teleurgestelde verwachtingen van de burgers ontdoet de staat van haar scherpe kanten door de articulatie van alle maatschappelijke belangen te veroorloven ten einde de uiteenlopende aanspraken van de burgers te relativeren en als niet gelijktijdig realiseerbaar te verwerpen. Doordat hij het belang van de enkele burger met de concurrerende belangen confronteert, wordt het tot pure mening, tot particulier standpunt waarvan de staat alleen het wenskarakter maar niet de legitimiteit erkent. Hij verwelkomt de wensen als theoretische om daaraan zijn ideologie van de gelijke belangenbehartiging en zijn propaganda voor tolerantie en pluralisme op te hangen.

 De staat zorgt ervoor dat deze idealen in de praktijk worden gebracht doordat hij de voor de informatie verantwoordelijke media voorschrijft alle ter sprake gebrachte belangen met het oog op het algemeen belang te relativeren. Hij verplicht de professionals uit de mediabranche tot interpretatie van alle handelingen van de staat als kleine of grote weldaden voor het volk – en tot verandering van alle ontevredenheid in alternatieve staatsprogramma’s.

Aanvullend daarop treedt de staat zelf als publieke propagandist op, waarbij hij zich bepaalde extra rechten toekent of direct gebruik maakt van de publiekrechtelijke zenders.

 Het principe van de burgerlijke publieke opinie – die de staat zonder kosten noch moeite te sparen institutionaliseert en gebruikt – bestaat dus daarin dat de slachtoffers van de staatsmacht hun belangen laten degraderen tot meningen, deze van hun handelingen scheiden en zo hun belangen opgeven om van de troost te genieten dat in ieder geval hun verkeerde gedachten vrij zijn.

 

a)

De democratische staat neemt er geen genoegen mee dat de meeste van zijn burgers zich dienstbaar maken als materiaal van de uitbuiting; ze moeten bovendien de democratie actief bevorderen, zich democratisch engageren om voor een waardig kader voor hun uitbuiting te zorgen. De democratie verwacht meer dan de pure onderwerping van de burgers aan de staatsmacht: ze herinnert hen voortdurend eraan dat zij zichzelf dienen te onderwerpen. Die burgers die de staat moeten willen en permanent teleurgesteld worden bij hun opgedwongen berekening dat ze hem kunnen gebruiken, mogen hun teleurstelling op een bijzondere manier verwerken: de ontevredenheid wordt tot hun recht, de mislukking tot immanent onderdeel van hun vrije wil. Ondanks alle van staatswege verordende beperkingen blijft hun wil vrij door alle objectieve obstakels in iets subjectiefs te veranderen: “alles wat men wil, dat kan men niet krijgen”. De staat speelt de instemming met zijn bestaan – wat uit de eisen en aanspraken van de burgers blijkt – uit tegen de ontevredenheid over zijn beheer van het algemeen belang en weerlegt de verwachtingen door zijn definitieve beslissingen; daarbij laat hij niet na om zijn eenduidige doelstellingen te veranderen in zijn onmacht tegenover de beslist billijke aanspraken – en hij verlangt van degenen die immers als burgers eisen stellen dat ze hun vrije wil behouden: gerelativeerd is hij gered.

b)

De zichzelf relativerende vrije wil typeert de staatsburger die ondanks alle teleurstellingen over de staat een staatsburger wil blijven. Hij heeft zijn belangen niet simpelweg opgegeven, maar neemt tegenover hen een theoretische houding in: de eisen die hij heeft, wil hij niet realiseren – hij wenst dat ze binnen het kader van de democratische orde realiseerbaar zijn. De anticipatie op de negatieve beslissingen van de staat en de berustende aanvaarding ervan veranderen niet alleen zijn vrije wil in een passieve, dus theoretische wil – (zodat in de burgerlijke maatschappij elke sukkel “theoretisch” gelijkstellen kan met “niet mogelijk”) – ook de noodzaak van zijn behoefte, het bewustzijn van wat hij nodig heeft, wordt een slechts voorwaardelijk geldende aangelegenheid: de burger heeft een mening over datgene dat hem van staatswege toekomt. Indien hij bij het uiten van zijn behoeftes deze niet relativeert, zullen zijn medemensen hem erop attenderen dat hij slechts voor zijn mening uitkomt. Als men deze manier van argumenteren serieus neemt, bestaat het gehele gedoe in de publieke opinie uitsluitend uit één argument, namelijk dat geen mening geldt omdat (!) er nog andere meningen zijn. De staat speelt daarbij de hoofdrol; hij relativeert alle meningen en demonstreert waarom zijn eigen mening altijd geldt: hij heeft de macht om allen te bewijzen dat hun objectief belang daaruit bestaat dat ze afzien van hun “slechts” subjectieve behoeftes.

c)

De tolerantie is het van staatswege verkondigde ideaal van de macht, waar iedereen waarde aan hecht – als het voor de anderen geldt. Terwijl de staat in de goed geordende sferen van de burgerlijke publieke opinie voor het pluralisme van meningen weet te zorgen, echte polemiek dus uitgestorven is en alleen nog als schijnstrijd over de kwestie “wie is de beste democraat” plaatsvindt, merken de mensen in omstandigheden waar de staat niet present is heel gauw dat ze geen meningsverschillen hebben – in de huiselijke kring of in de kroeg is het insisteren op belangen altijd het begin van vechtpartijen. Hieraan valt af te lezen wat de meningsvrijheid werkelijk betekent: het verbod om met belangentegenstellingen anders om te gaan dan in de vorm van tegengestelde opvattingen; meningen moeten kunnen worden geuit om meningen te blijven. Op het gevaar dat de burgers meningsuitingen als argumenten serieus opvatten en tegen de staat gerichte meningen als aanleiding nemen om tegen hem op te treden, reageert nog elke staat met bepalingen die grenzen stellen aan de menings- en persvrijheid. Dus als het haar uitkomt, zal geen democratie aarzelen om meningen gelijk te stellen met voornemens, natuurlijk met goedkeuring van de democraten die ook vinden dat zoiets de onderdanigheid van de burgers ondermijnt – waarmee ze het geheim van de democratische publieke opinie uitspreken.

d)

De democratische staat beschouwt de vrije meningsuiting als iets positiefs omdat ze de burgers politiseert: pers en media voeren een publieke taak uit wanneer ze de burgers de gewoonte aanleren uit zichzelf hun materialisme te relativeren door zich aan de staat te onderwerpen – met als gevolg dat ze al staatsidealisten zijn wanneer ze beginnen te twisten. Omdat de ontevredenheid daardoor natuurlijk niet verdwijnt, blijft het niet daarbij dat alleen de professionele pleitbezorgers van de particuliere belangen onderling strijden over de legitimiteit van hun aanspraken aan de staat: ook de kritiek door de media op regering en parlement krijgt een algemeen karakter. Juist het feit dat de journalisten elke veronachtzaamde behoefte als falen van de politiek interpreteren, brengt de politici in conflict met de propagandisten van de staat. Vandaar dat de concurrentie tussen de partijen behalve in hun organen vooral als strijd om de mogelijkheid ter zelfpresentatie plaatsvindt, als mediapolitiek met het doel zoveel mogelijk zendminuten e.d. bij de (publiekrechtelijke) omroepen te krijgen. Op basis van het gemeenschappelijke belang aan de staat zoeken journalisten politici op en nodigen politici journalisten uit om elkaar de mening te zeggen – en deze saaie procedure wordt regelmatig onderbroken door provisionele vonnissen, aanklachten wegens smaad en grote schadeclaims (het gaat immers om de eer!). En omdat soms het bekendmaken van feiten de reputatie van een staatsman net zo beschadigt als de onthulling van wandaden, het vertrouwen van het volk in de staat ondermijnt of zelfs de buitenlandse vijand spionagemateriaal levert, beschouwt menig politicus de vrije pers als gezagsondermijnende maffia; wat omgekeerd ertoe leidt dat journalisten elke staat en zijn representanten daaraan meten hoe hoog ze de persvrijheid waarderen.

 De conflicten tussen politiek en journalisme berusten op hun gemeenschappelijke doelstelling; beide willen ten koste van de ontevreden burgers harmonie stichten tussen staat en burgers. De politici zouden het liefst zien dat hun journalistieke propagandatroepen alleen maar het moeilijke politieke ambt, de grote verantwoordelijkheid, de dilemma’s, de deskundigheid, de passie, de objectiviteit, de integriteit etc. bewierookten, kortom: ze willen ervoor geprezen worden dat ze politici zijn en de ondankbare taak op zich hebben genomen onmachtig te staan tegenover de vele diverse aanspraken aan de staat. Ze moeten echter constateren dat de propaganda voor de staat zich niet beperkt tot het morele vermanen en onderrichten van het publiek over de plichten van een staatsburger. Hoewel de journalisten alles doen wat hun publieke taak is (in “moeilijke tijden” herkauwen ze eensgezind de vrije mening van de persvoorlichter van de regering!), moeten ze toch de grondslag van hun beroep – de tegenstelling tussen de staat en de meerderheid van zijn burgers – ter sprake brengen, en wel op een manier als het pleitbezorgers voor een effectieve staat betaamt. Ze wijzen hun publiek namelijk altijd terecht (te veeleisend, te ongeïnformeerd etc.) en kritiseren de politici uitsluitend vanwege hun “fouten”: dat ze hun zaken te onbekwaam, slecht getimed, met verkeerde middelen etc. uitvoeren, dus dat de problemen die ze de burgers bezorgen niet bepaald bevorderlijk zijn voor het vertrouwen van de burgers in de staat. Ze beheersen alle in de hoofdstukken 1 tot 9 genoemde vormen van gezagsgetrouwe kritiek en trekken daarbinnen partij voor een van de alternatieve partijen die ze met het oog op het staatsbelang promoten. Deze bemoeienis met de partijenconcurrentie maakt de politici zo ontevreden over de activiteiten van hun propagandisten, die ze daarom ook graag met hun eigen presentie in de media aanvullen (men laat zich citeren) of door eigen activiteiten vervangen (parlementsdebatten op radio en televisie, verkiezingsstrijd).

 Het gehakketak tussen de professionele representanten van de publieke opinie en degenen die hen nodig hebben is dus niet toevallig een voortdurend uitgesponnen thema in kranten en zenders. De methodische discussie maakt deel uit van het journalistieke handwerk omdat het permanent vreest te falen: de informatie, dat wat de mensen voorgeschoteld wordt, bestaat weliswaar steeds uit de democratische interpretatie van de offers die de actuele overheidsmaatregelen eisen – maar als abstractie van de materiële belangen van de meerderheid heeft deze partijdige duiding het propagandistische manco dat ze steeds datgene moet vermelden waar het haar juist niet op aankomt. Niet dat journalisten vrezen zodoende de revolutie uit te lokken – zolang ze naar aanleiding van “onhandige” politieke beslissingen voor de radicalisering van het plebs waarschuwen, bestaat er geen enkel gevaar – ze hebben een heel ander probleem. Hun commentaren over de voors en tegens van politieke alternatieven vinden te weinig weerklank bij de gedupeerden, die andere zorgen hebben dan op basis van hun beschadigde belangen politiek engagement te tonen. De bereidheid om te gehoorzamen en het stemmen op een daadkrachtige regeringsleider zijn nog niet hetzelfde als de gepassioneerde belangstelling voor de finesses van de democratische efficiëntie.

 Maar ook daarmee wordt rekening gehouden in de burgerlijke publieke opinie. De “gewone man” is tenslotte geen apolitiek mens, hoewel zijn interesse in politiek of politieke propaganda uiterst beperkt is. Hij heet immers “gewoon” omdat hij alle manieren beheerst om zich in zijn misère staande te houden, en wel zonder veel omhaal en franjes. Hij weet goed voor wie hij bescheiden moet optreden en wanneer hij een grote bek mag opzetten; hij kent de omstandigheden waaronder hij zijn arbeiderstrots heeft te tonen en ook de situaties waarin hij moet opscheppen dat een superieur hem getrakteerd heeft op een pilsje. Wie zich zo gedraagt, heeft de gecompliceerde propaganda door “kwaliteitskranten” en politieke magazines helemaal niet nodig. Hij is gepolitiseerd – elke storing zou hem alleen maar in de war brengen. Hier ligt het werkterrein van de massamedia – ze zijn in wezen fascistisch omdat ze elk democratisch verlangen tot zijn politieke essentie reduceren, tot de absolute noodzakelijkheid van recht en orde. Ze hebben geen aandacht voor de problematiek van politieke procedures, voor de verhouding van nieuwe wetten tot de sociaal- en rechtsstaat, en in een strijd tussen partijvleugels zien ze óf een bewijs van gezond pragmatisme, óf een teken van communisme – niets ertussenin. Hier regeert het gezonde mensenverstand, en de goede smaak krijgt de kans om zijn ware gezicht te tonen, want voor het fascistische gerechtigheids-fanatisme is juist het amusement een mooie gelegenheid om zijn publieke functie, de meningsvorming, te vervullen:

1. Als de massa’s positief tegenover de staatsmacht staan en tegelijkertijd ontevreden zijn over de uitgevoerde politiek, dan tonen ze de juiste instelling. De massakranten hebben de taak de schuldigen aan te wijzen. Zowel buiten de politiek, in alle sectoren van de maatschappij, als binnen de politiek zijn mensen actief die het grote geheel alleen maar willen beschadigen (dus kredieten weggeven, met communisten coöpereren, de begroting ondermijnen, voor de vakbonden buigen, bijstand verstrekken aan criminelen etc.). De ontmaskering van dit tuig heeft een troostend effect op de waardevolle burgers – die er immers ook overal zijn. De moraal van dit soort politieke berichtgeving komt erop neer dat iedere fatsoenlijke burger trots mag zijn op zijn fatsoen, met reden de staat waardeert en de schadelijke individu’s en parasieten terecht verafschuwt.

2. Bij het cultiveren van deze staatsburgermoraal hoort de uitgebreide kennisneming van alle mogelijke misdaden; daaraan kan iedereen aflezen hoeveel moeite het de staat kost om de onmensen, die de fatsoenlijke burgers bedreigen, in toom te houden en hoeveel ondersteuning hij daarbij verdient. Dit leerstuk en het bewijs dat misdaad niet loont, vindt de massapers echter niet voldoende om de rechtvaardigheidszin van de massa’s te scherpen – dat men door bepaald gedrag de misdaad zelf uitlokt, moet ook nog vermeld worden: gedifferentieerde beoordeling van de motieven; slachtoffers die niet beter verdienen naast volkomen onschuldige slachtoffers…

3. Een echtgenote, bijvoorbeeld, kan niet op begrip rekenen als ze vanwege haar overspel door haar man, die een tandartspraktijk heeft en bij alle patiënten zeer populair is, doodgestoken wordt. Omdat de frustraties van het gezinsleven een groot aantal mensen op rare gedachten brengen, is de liefde ook buiten de rechtszalen een belangrijke zaak – dit onderwerp krijgt (ten gevolge van de ruïnerende uitwerkingen van het familierecht) een prominente plek in de boulevardpers: blote vrouwen inclusief tips over het omgaan met de lapzwans thuis in bed en op de bank.

4. Dat de massacultuur een moraal-institutie is en daarom de dialectiek van liefde en seks, vaderland en misdaad uitspint, is uit hoofdstuk 5 bekend. De cultuurproducenten hoeven niet te weten hoezeer ze de principes van de staat verinnerlijkt hebben. Ze moeten alleen maar de smaak van het publiek, dus hun eigen smaak volgen – dan kunnen ze moeiteloos de idealen van de burgerlijke wereld illustreren, incluis de daaraan inherente teleurstellingen. Dat dergelijke kunstwerken geen kunst zijn hoewel ze dezelfde inhoud hebben als de grote burgerlijke kunst maakt alleen maar duidelijk dat schoonheid zonder waarheid niet te creëren is.

4. De hoge en lage niveaus van de politieke en culturele propaganda hebben gemeen dat ze hun onderwerp, alle euvels en offers, affirmeren. Zo valt het belang van deze mensen samen met de reden van hun bestaan; hun morele propaganda verwelkomt de schade waarvan ze de aanvaarding teweegbrengt; ze zijn virtuozen in het aanwenden van het sociologische en psychologische denken.

e)

Daar het principe van de burgerlijke publieke opinie daarin bestaat dat de kritiek van het publiek de instemming met de staatsdoelen veronderstelt, heeft er zolang geen persvrijheid bestaan als de kritiek van bepaalde belangengroepen de verandering van de staat, d.w.z. van zijn verhouding tot de klassen impliceerde; de persvrijheid is logisch en historisch het laatste element van het democratische apparaat – behalve in Amerika waar de vrije concurrentie het uitgangspunt was en niet de feodale staat.

f)

De sociologie en de psychologie zijn moderne disciplines hoewel beide afdelingen van de burgerlijke wetenschap zich op Plato en Aristoteles beroepen. Het schrijven van een boek over de staat of de ziel is namelijk iets anders dan het bedenken van recepten voor het behoud van de burgerlijke tegenstellingen, waar de sociologen en psychologen zich aan wijden.

 De sociologie houdt zich bezig met de problemen die de staat ondervindt als hij de burgerlijke maatschappij haar conflictrijk functioneren opdwingt. De ervaring dat er veel dingen misgaan zolang het systeem functioneert, confronteert de sociologen met de vraag welke voorwaarden nodig zijn opdat het grote geheel niet kapot gaat. Zo verbaast het niet dat ze de instituties van de staat ontdekken waarbinnen de individu’s de mogelijkheid krijgen hun onaangename plichten te vervullen; de burgers hebben rollen te spelen die voortkomen uit de normen, die tautologisch uit de respectievelijke rollen afgeleid worden. Alle activiteiten van de economische en staatsburgerlijke subjecten worden onder het aspect van hun bijdrage tot het functioneren van het sociale systeem onderzocht; ze avanceren tot onderafdelingen van het sociale gedrag, i.e. de geslaagde (of niet geslaagde) verhouding van de roldragers tot de noodzakelijkheden van het systeem. Daarbij gaat het vooral om de relatie tussen de rolspelers, dus om interactie, waaruit de noodzaak voortvloeit dat de sociale atomen elkaar goed begrijpen. Communicatie is geboden zodat christenen en leerlingen, studenten en kooplieden kunnen bijdragen tot het behoud van het normenkader, dat toch al veel te vaak door afwijkend gedrag verstoord wordt. In hun beschouwing van alle maatschappelijke gebeurtenissen vanuit het standpunt van het ideale kapitalisme levert deze wetenschap weliswaar een bijdrage tot het arsenaal van instellingen dat de opgroeiende burgers moeten leren, maar ze staat tegelijkertijd onder verdenking alleen maar onnutte tot revolutionaire theorieën te produceren; vandaar dat de sociologische denkers verwoede pogingen doen om hun praktisch nut voor de belangen van de staat te bewijzen: empirisch sociaal onderzoek, uitermate praktijkgericht.

 De psychologie heeft het odium van wereldvreemdheid, van onverschilligheid tegenover de praktische noodzakelijkheden van de burgerlijke wereld van begin af aan voorkomen. Ze stelt de oplossing van het probleem (dat de publieke propaganda van de staat bezighoudt) – de wil van de staatsburger moet zichzelf opgeven – als menselijke zorg voor. De psychologie denkt uitsluitend aan de prestaties die de burgerlijke individu’s voortdurend niet volbrengen en belooft hulp door middel van therapie. In haar optiek bestaat het individu uit een bundel capaciteiten die het moet aanwenden om zich waar te maken, en degenen die daarin niet slagen, maakt de psycholoog wijs dat het aan henzelf zou liggen. Wie incapabel is wat betreft de liefde, het werk, het denken en leren wordt verzocht normaal te worden: de psychologische theorieën – van Freud tot Skinner – zijn programma’s ter domesticering van de weerspannige vrije wil. Dit alles doet de psychologenbranche, uitgerekend, onder het voorwendsel de mensen te helpen, en de staat veroorlooft haar deze hulpverlening in scholen en gevangnissen, rechtszalen etc. In de media is deze aanval op de individualiteit al lang dagelijkse routine: collectieve psychoanalyse voor de kleine man.

g)

De publieke propaganda van de staat, zijn permanent aandringen op “constructieve kritiek”, op het engagement van zijn burgers voor de instituties waarop ze moeten stemmen, wekt bij degenen die zich engageren constructieve kritiek. Het dagelijkse loflied op de menings- en gedachtevrijheid counteren burgers, en soms ook berispte journalisten, met de armzalige bedenking dat de vrije mening geen censuur nodig heeft, veeleer een kwestie van verantwoordelijk, mondig gebruik moet zijn. Volkomen akkoord met inhoud en doel van de publieke meningsvorming, winden ze zich uitermate graag op over formele beperkingen van de massamedia en andere communicatiemiddelen. Men krijgt in discussies niet vaak genoeg het woord, een monopolist bezit alle kranten; er is geen echte veelheid van meningen; slechts voor de verkiezingen wordt naar het volk geluisterd; de communicatie is eenzijdig, iedereen zou tegelijkertijd zender en ontvanger moeten zijn; informaties worden vervalst en achtergehouden, kortom: alom en overal manipulatie, misleiding van de mensheid – een verwijt dat in domheid niet te overtreffen valt gezien het feit dat in duidelijke taal gezegd wordt wat men van het volk wil.

 Rechtse mensen beschouwen iedereen die geëngageerd discuteert als communist, die zich aanmatigt in de staatsaangelegenheden in te grijpen, die toch al door de democratische procedures belemmerd worden. Talrijke redacties zijn ondergraven, en met het plebs, dat deskundigheid ontbeert, wordt er al veel te lang gediscussieerd.

 Dat alles laat de burgerlijke staat koud: hij verweert zich tegen de aanvallen van rechts en links door het in de democratie heersende pluralisme van meningen te bewieroken en met de toestanden in staten te vergelijken waar zijn rechtse of linkse critici aan de macht zijn. Van manipulatie laat hij zich al helemaal niet betichten – de waarschuwing tegen manipulatie maakt per slot van rekening deel uit van zijn opleidingstraject tot mondige burger. De staat zorgt er zelfs voor dat de media met het publiek over zich en hun publieke functie debatteren, waarbij ze elkaar hun respectievelijke wenslijsten onder de neus wrijven. Lezersbrieven en verzoekprogramma’s demonstreren bovendien overduidelijk dat (en waar) de mens uitgebreid meepraten kan.

 Het enige wat de staat problemen bezorgt, zijn actiegroepen die meer willen dan meepraten, namelijk iets veranderen. In zo’n geval voelen politici zich genoodzaakt om te verkondigen dat ze niet toegeven willen (kunnen en mogen) aan de “druk van de straat”. De successen die actiegroepen boeken, resulteren niet uit hun “druk” maar uit politieke berekeningen van de regering of soms uit opportunistische overwegingen van een partij. Als ze menen dat hun protest geen demonstratie van onmacht is, maar de manier om de staat tot concessies te bewegen, worden ze door de politie uit hun droom geholpen. De kleuterspeelzaal hebben ze gekregen, maar de gekraakte panden worden gewelddadig ontruimd. Tegen hun medewerking aan “dicht bij de mensen staande” politiek zeggen ze uiterst zelden nee – zelfs daar niet waar de politiek rechtstreeks hun levens ruïneert (kerncentrales).  

 De staatsburger die “zijn mening” zegt en er trots op is dat hij – als zijn belangen al niet tellen – in ieder geval aan zijn eigen irrelevante mening vasthoudt, is mondig. Dit kwaliteitskenmerk krijgt hij van overheidswege toegekend omdat hij zich geaccommodeerd heeft aan de democratische machtsuitoefening, dus de vergelijking vrijheid = zelfbeperking onverstoord in de praktijk brengt. Hij heeft geleerd alle vervelende eisen van staatswege als noodzakelijkheid te accepteren, en met zijn reactie op ontevreden meningen van anderen laat hij zijn instemming met de politieke macht duidelijk blijken: dat de politiek van de natie zich niet afhankelijk mag maken van de een of andere privé mening vindt hij vanzelfsprekend – net als het feit dat deze politiek “de economie”, waarvan allen afhankelijk zijn, moet dienen. Wat in hoofdstuk 1 nog als noodgedwongen aanpassing van het particuliere belang aan een dwang van buitenaf lijkt, leidt zeer consequent tot het verantwoordelijke omgaan met de eigen aanspraken – en de illusie over de staat als middel van de burger krijgt de vorm van het besef dat men dit middel nu eenmaal uitsluitend gebruiken kan als men terughoudendheid toont. Alles andere werkt averechts!

 Voor wie deze zelfbeheersing in de democratische maatschappij vruchten afwerpt, dus geen zelfbeheersing is, ligt voor de hand; en ook de bereidheid van de mondige staatsburger om “zijn” samenleving bij al haar (economische) ondernemingen buiten haar machtsbereik te ondersteunen (desnoods met opoffering van het eigen leven) behoeft geen nadere toelichting. Tussen democratie en nationalisme (inclusief de daarbij horende kosmopolitische en inter-nationalistische idealen) is er geen tegenstelling – tussen democratie en communisme daarentegen wel. Aan elk argument van communisten ontdekt de ontevreden, maar mondige burger met afgrijzen het insisteren op het belang van één klasse en de consequenties van het doorzetten daarvan voor het grote geheel. Dat communisten van de pers- en meningsvrijheid gebruik maken, betekent immers niet dat de openbare mening hun middel is, integendeel: ze worden met de principes van welgevoeglijk gedrag, dus met de aantijging “misbruik van meningsvrijheid” geconfronteerd, om nog maar te zwijgen van andere maatregelen. Een meningsuiting die zich niet onmiddellijk zelf relativeert, ontmoet dus diepe vijandschap – hetgeen ook in het democratisch bedorven linkse kamp gebruikelijk is: verwijt van dogmatisme; commentaar overbodig.

 © Gegenstandpunkt Verlag 1980 / 1999