De burgerlijke staat IV

VI

Belastingen

 

Ter financiering van zijn taken tegenover zijn burgers eist de staat belastingen. Allen moeten met een deel van hun financiële middelen de kosten dragen voor het onderhoud van de staatsdienaars, voor de handhaving van het recht, voor de ondersteuning van het eigendom en voor de bevordering van de loonarbeid. Doordat de staat bij alle burgers belastingen heft, laat hij de enen voor de veiligheid van hun eigendom, de anderen voor de onzekerheid van hun bestaan betalen. Als voorwaarde voor de kapitalistische productiewijze beperkt hij de rijkdom van de concurrerende privé-personen; hij verplicht alle klassen om een deel van hun revenuen af te dragen en voldoet alleen zo aan zijn heilige plicht; als faux frais van de kapitalistische productie dient hij zowel de vermeerdering van het privé-eigendom als de reproductie van de loonarbeidersklasse die voor de vermeerdering verantwoordelijk is. Daar hij omwille van de privé rijkdom maatschappelijke middelen int, doet hij dat op daarbij passende wijze.

 

a)

De staat is bevoegd om belastingen te heffen; daarmee staat vast dat het belasting betalen het tegendeel is van een ruiltransactie. Belastingen zijn “verplichte overdrachten aan de overheid zonder dat daartegenover aan de belastingbetaler een of meer bepaalde tegenprestaties worden geleverd”: plicht tot belastingaangifte en een grote fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst.

 Bij zijn belastingswetten moet de staat voornamelijk erop letten dat zijn kas behoorlijk gespekt wordt: zijn aandeel aan de maatschappelijke rijkdom moet hij zo bepalen dat er voldoende geld voorhanden is voor de uitvoering van zijn taken. Op grond van de gelijkheid die de staat ook op dit vlak in acht neemt, eigent hij zich een deel van het inkomen van elke burger toe. Daarbij ontmoet hij vooral bij degenen die alleen maar inkomsten uit loondienst betrekken weinig enthousiasme; vandaar dat hij is overgegaan naar een bijzondere heffingsvorm: loonbelasting, ingehouden aan de bron. Daar de opbrengst uit de proportionele inkomstenbelasting allesbehalve evenredig toeneemt met de vergroting van het privé-eigendom (waarvan de bevordering steeds meer prestaties van de staat vergt), zijn er naast progressieve belastingen – waardoor de staat van de aanzienlijke verschillen in inkomsten profiteert en bewijst hoeveel geld sommige mensen over hebben – ook nog belastingen op het inkomen van rechtspersonen (vennootschappen etc.) en opbrengst- en vermogensbelastingen…

 Door de omzetbelasting participeert de staat direct aan alle mogelijke handelstransacties die de vermeerdering van het eigendom van zijn burgers dienen. De belasting over de toegevoegde waarde (BTW) maakt duidelijk hoe de zakenlieden op de van overheidswege uitgevoerde vermindering van hun winst reageren: ze proberen alle belastingen als kosten in hun calculaties op te nemen en tot een factor van de prijsvorming te maken: afwenteling; daardoor krijgt een deel van de belastingen die zij betalen hetzelfde effect dat de BTW sowieso heeft: de inkomens van de kopers van eindproducten worden belast. Het afwentelen van de vermogensbelasting en de BTW op de prijzen stuit echter op de grens van de maatschappelijke koopkracht – wat de concurrentie op de markt aantoont – zodat de belastingwetgeving zich ontpopt als een middel om de klassenstrijd te stimuleren. Terwijl het afwentelen van belastingen bij de industrie- en handelsondernemingen extra werk veroorzaakt (calculaties en marktobservaties), moeten de loonafhankelijken hun inkomensvermindering, afleesbaar aan de warenprijzen, door acties ongedaan maken.

b)

Natuurlijk moet de staat uitkijken dat de belastingsmaatregelen zijn inspanningen ter handhaving van eigendom en loonarbeid niet tegenwerken. De verdeling van de belastingen regelt hij zo

- dat hij rekening houdt met noodlijdende, concurrentie-zwakke ondernemingen (belastingsvoordelen voor achtergebleven regio’s, belastingvrije bedragen, ruime vrijstelling van belasting voor de landbouw etc.);

- dat de reproductie van de werkende klasse niet nodeloos bedreigd wordt, daar hij immers tegelijkertijd door zijn sociale voorzieningen haar moeilijkheden erkent en het rondkomen ondersteunt (belastingvrije voet, verwervingskosten, sparen met belastingvoordeel, ouderdomsaftrek, dubbele huishouding etc.);

- dat de als onderneming opgezette liefdadigheidsorganisaties niet belemmerd worden bij hun compensatie-inspanningen voor het onvermijdelijke pauperisme.

 Dergelijke uitzonderingsgevallen zijn steeds het hoofdonderwerp van belastingshervormingen die gepaard gaan met publiekelijke debatten over de billijkheid van de een of andere belastingwetswijziging; daaraan nemen ook de politici zelf deel om hun besluiten als toppunt van rechtvaardigheid te propageren.

c)

Daar de burgerlijke klassenmaatschappij aangewezen is op een staat die zijn economisch bestaan financiert door permanent de maatschappij te beperken (faux frais), de vermeerdering van het eigendom dus niet mogelijk is zonder een economisch sterke, goed functionerende staat – moest deze staat zich zijn financiële middelen verschaffen onder maatschappelijke verhoudingen waar kapitaal en loonarbeid nog niet bestonden; door belastingen te innen, stelde hij zijn voortbestaan veilig en stuurde tegelijkertijd aan op de scheiding van arbeid en kapitaal. De voorkapitalistische staat was afhankelijk van de handel en de beschikking over de abstracte vorm van de rijkdom, het geld, hoewel in zijn maatschappij geen enkele groep zich wijdde aan de productie van meerwaarde: belastingplicht voor boeren als factor van de oorspronkelijke accumulatie, aangevuld met de verandering van staatseigendom in privé-eigendom (hoofdstuk 7), waarbij de staat, die soldaten etc. nodig had, dat uit eigenbaat deed en niet omdat hij wist dat het kapitalisme op de historische agenda stond. Hij moest zich handhaven – en veranderen!

d)

In de controverses over belastingen tonen de democraten hun materialistische kant: terwijl ze anders niet aarzelen om hun voordeel te vertalen in morele partijdigheid voor de staat, kennen ze op het vlak waar ze hun loyaliteit via de portemonnee moeten bewijzen geen schroom om op de staat te schelden. De staat – die hen verduidelijkt dat zijn prestaties verbonden zijn met ontberingen van de burgers, die dus niet alleen goede democratische manieren, maar ook economische offers verlangt – wordt gemeten aan de regels van het economische leven: iedereen beschouwt zijn belastingbetaling als prijs voor diensten die de regering voor hem verricht – een opvatting die de staat daardoor in de hand werkt dat hij probeert de rechtvaardigheid van belastingen plausibel te maken door tegelijk met het invorderen zijn weldaden te verkondigen. Soms gaat hij zelfs zo ver dat hij geoormerkte belastingen bij degenen int die van hun besteding “profiteren” (wegverkeer) – en iedereen ontdekt dat hij slechte zaken doet, dus teveel betaalt. Met deze kritiek op het economische leven behoudt de concurrerende staatsburger zijn verkeerd bewustzijn, het resultaat van zijn voordeel/nadeel-afweging, en wordt op basis van dit bewustzijn radicaal. De “radicale bourgeois”, wiens habitat Marx op het gebied van fiscale controverses heeft ontdekt, is degene die niets veranderen wil, maar onder gelijkblijvende omstandigheden tracht zijn voordeel te vergroten – zodat na aangenomen belastingswetten de afkeuring van de parlementaire besluiten niet tot revolutie leidt, maar de opmaat vormt tot allerlei soorten belastingfraude. Iedereen die het vermag, belazert de staat en kent daarbij generlei morele scrupules, integendeel: belastingontduiking maakt deel uit van het gewone zakendoen en laat een speciale branche niet slecht verdienen: de meesten hebben echter niets aan belastingadviseurs, en zwartwerk deugt vanwege de verzekeringsfraude hooguit als aanvulling op het normale inkomen, dat het manco heeft dat de belasting er al van afgetrokken is. De staat is op de hoogte van het doen en laten van zijn burgers en reageert op het schadelijke gedrag met snuffelaars, accountants en een fiscaal strafrecht – dat veel tolereert. Fascisten, evenals revisionisten, zijn bezorgd inzake ordentelijke belastinginning en eisen op dit gebied kleine extra maatregelen tegenover parasieten, vooral tegenover “anonieme kapitaalvennootschappen” en joden.

 

VII

Financiële politiek – staatsbegroting – staatsschuld

 

Omdat belastingen, die de staat nodig heeft om zijn burgers te dienen, het economische succes van de burgers nadelig beïnvloeden, de middelen en daarmee de diensten van de staat daarvan echter afhankelijk zijn, mag dit succes onder geen beding belemmerd worden door onbeperkte belastingheffingen. De staat moet handelen, maar zijn financiën zijn begrensd. In de begroting regelt hij het uitvoeren van zijn taken met beperkte financiële middelen. Hij besluit zo over de verdeling van zijn middelen op de verschillende functies dat deze het behoud van de antagonistische productiewijze kunnen waarborgen. Daar zijn activiteiten onmisbaar zijn, houdt de staat tevens geen rekening met de werkelijk voorhanden middelen: hij behoudt zijn vermogen om adequaat te functioneren door schulden te maken.

 

a)

In de wettelijke voorschriften die de staat tegen zichzelf afkondigt, bekent hij de economische grenzen van zijn prestaties. Deze wetten moeten zijn functioneren garanderen (dat vanwege de beperkte middelen die de samenleving ter beschikking stelt voortdurend bedreigd is). Om dit te bewerkstelligen heeft de staat het beginsel van universaliteit vastgelegd, d.w.z. de uitgaven zijn losgekoppeld van bepaalde rechtsaanspraken van de burgers: alle ontvangsten zijn middelen voor principieel alle uitgaven – die echter geoormerkt zijn zodra hun doelbestemming vaststaat. Met het beginsel van non-affectatie is het verbod van speciale fondsen verbonden (die overheidsfinanciën niet voor specifieke taken bestemmen en ondanks de actuele behoefte aan de beschikbaarheid ontrekken): affectatie en specificatie: vaststelling van de grootte van een uitgave voor een bepaald doel binnen een bepaald tijdbestek. Al deze mooie beginselen moeten de regering eraan hinderen in de begroting zowel taken te veronachtzamen waarvoor middelen voorhanden zouden zijn (en deze middelen aan onnodige dingen te verspillen) alsook door manipulaties in de boekhouding tekorten tot een ordentelijke begroting om te toveren.

b)

Daar de staat bij de opstelling van zijn begroting “de omvang en de samenstelling van de vermoedelijke uitgaven en de dekkingsmogelijkheden in wisselwerking met de waarschijnlijke ontwikkeling van het nationale economische prestatievermogen” moet prognosticeren en deze prognose vanwege de vrijheid die hij de economische spelers toekent een moeilijke zaak is, houdt hij bij voorbaat al rekening met verkeerde schattingen: met behulp van de dekkingsclausule (verrekening van overschot en tekort tussen de verschillende posten) en de uitstelclausule (betaling binnen het volgende begrotingsjaar) omzeilt de staat alle prachtige principes die hij heeft vastgelegd. Het noodzakelijke moet zelfs dan worden gedaan wanneer de regerenden bij de opstelling van de begroting de toekomstige uitgaven verkeerd geschat hebben; vandaar ook dat ze met “buitengewone” en “extra posten” mogen opereren. En omdat het nodige geld ontbreekt als het voorhanden geld reeds “uitgegeven”is, zijn er wettelijke voorschriften die bepalen onder welke voorwaarden nieuwe schulden mogen worden gemaakt. Schulden horen bij de normaliteit van de burgerlijke financiële politiek daar de overheidstaken ook en juist dan moeten worden uitgevoerd als de concurrerende burgers vanwege hun economisch falen de staat minder of helemaal geen middelen ter beschikking kunnen stellen en hun collisies in toenemende mate schade aanrichten en slachtoffers eisen.

c)

Terwijl de staat ten opzichte van de concurrentie tussen de kapitalisten (hoofdstuk 5 b) erover waakt dat de belangen van het bankkapitaal de functie van het kredietwezen voor de industriële accumulatie niet belemmeren, en restricties oplegt aan de accumulatie van het geldkapitaal via te expansieve kredietzaken, draagt hijzelf door zijn schulden bij aan de vermeerdering van het krediet. Waar het om zijn eigen belang gaat, heeft de staat er geen enkel probleem mee dat schulden circuleren en voor de fictieve realisering van kapitaal ingezet worden. Dat staatsschulden door hun circulatie als kredietgeld, dat door de staat “gedekt” is, de verhouding tussen vraag en aanbod beïnvloeden, namelijk zo dat het resultaat inflatie heet, wordt op de koop toe genomen. Ook het gevolg van de inflatie, de verscherping van de conflicten tussen de in hun koopkracht achteruit gegane klassen, kan de staat niet bewegen afstand te nemen van het deficit op zijn eigen kas.

d)

Staatsschulden zijn het middel van de staat om zijn functies voor het behoud van de klassenmaatschappij te vervullen; daarmee bekent hij dat zijn rechten tegenover de burgers gepaard gaan met zijn economische afhankelijkheid van de burgers. Zijn financiële soevereiniteit berust op het feit dat hij afziet van eigen economische activiteiten en zich in een verzelfstandigde macht verandert die dienstbaar is aan de economische doelstellingen van zijn onderdanen.  De vroegburgerlijke staat was zelf een economisch subject, als zodanig echter in afhankelijkheid van handel en industrie geraakt en voortdurend gedwongen concessies te doen: afstaan van de rijkdom en zijn gebruik aan de kapitalisten als opmaat tot een moderne staat; deze dient zijn maatschappij door over haar te heersen; rol van het krediet in de oorspronkelijke accumulatie.

e)

De ondermijnde prijsstabiliteit interesseert de burgers echter slechts in zoverre als uit hun girorekening resp. portemonnee blijkt dat alles wat zij moeten kopen duurder wordt. Eigenlijk vinden ze alleen maar belangrijk dat er bij het besluit over de besteding van belastinggeld voldoende rekening wordt gehouden met de posten waarvan zij iets verwachten. Hun commentaren inzake staatsbudget beperken zich normaliter tot opmerkingen over de overbodigheid van uitgaven voor noodzakelijkheden die hun eigen belangen niet lijken te raken. Ze hechten waarde aan de voortzetting van hun privé-zaken, zodat menig burger zich uitspreekt voor de sociaalstaat en tegen binnenlandse en buitenlandse veiligheid, en af en toe ook over de hoge salarissen van ambtenaren jammert. Als tegenargument wordt Zweden aangevoerd, de uiterst dure sociale zekerheid die de burgers moeten betalen: tegen de controle door de verzorgingsstaat over het vrije naar geluk strevende individu! Het toppunt van “kritiek” op dit gebied leveren andermaal de revisionisten: zulke eisen als “onderwijs in plaats van bewapening” vinden echter minder gehoor dan de eisen van hun tegenstanders, die de verlaging van sociale uitgaven en meer directe en indirecte steunmaatregelen voor hun winsten verlangen. De puurste vorm van staatsburgerlijke louterheid drukt zich uit in de wens naar “ordentelijke staatsfinanciën”. Daarin kan zich ook elke fascist vinden die toch al voortdurend aanmerkingen maakt op de “slordige” democratische ambtsuitoefening. Aan de macht gekomen, gaan fascisten echter aanzienlijk minder zuinig om met het geld dan elke democratische bureaucratie. De politiek van een “vrije” volksstaat, die “onafhankelijk” is van de economische omstandigheden van de maatschappij, schept en gebruikt middelen zonder economische basis. De politieke macht bewijst zich door continu schulden op de creditzijde van de balans te noteren.

 

 

VIII

Algemeen belang – economische politiek

 

Daar de staat bij het vervullen van zijn functies beperkt wordt door de financiële middelen die de samenleving hem oplevert, heeft zijn begroting het doel zijn taken te verminderen en zijn financiën te vermeerderen. Het gaat hem dus om het economische succes van alle burgers, en hij beoordeelt zijn activiteiten qua uitwerking die ze op de rijkdom van de natie hebben. Hij beschouwt al zijn maatregelen als middel ter bevordering van het algemeen belang, d.w.z. hij maakt de noodzakelijke functies van zijn macht voor de maatschappij ondergeschikt aan de economische groei: economische politiek.

 Omdat de economische groei identiek is met der vermeerdering van het kapitaal, de productieve aanwending van het privé-eigendom, is de economische politiek een eenvoudige en eenzijdige aangelegenheid. Terwijl de staat in zijn maatregelen voor de eigenaars (hoofdstuk 5 b) tamelijk bruikbare instrumenten voor het behalen van een “sociaal-economisch optimum” ontdekt, valt hem ten opzichte van de maatregelen voor het behoud van de loonarbeiders op (hoofdstuk 5 c) dat ze uitgaven zijn die de nationale rijkdom verminderen. Door de bevordering van het algemeen belang, deze nobele abstractie van de klassentegenstelling, handhaaft de staat het belang van de kapitalistenklasse. Hij neemt er geen genoegen mee om de voorwaarden voor de zaken van deze klassen te waarborgen, maar gaat ertoe over alle obstakels die de aanwending van zijn hulpmaatregelen belemmeren uit de weg te ruimen. Hij voorziet zich van de daarvoor noodzakelijke financiën door bezuinigingen in zijn sociaal-politieke afdeling; de geldsommen die de arbeidersklasse vrijwillig of verplicht spaart, onthecht hij van hun oormerking en stelt ze beschikbaar aan de economie.

 Daar de staat zich door zijn ingrijpen in de economie aan de belangen van het kapitaal onderwerpt, dienen zijn ingrepen de wetmatigheden die immanent zijn aan de accumulatie van het kapitaal. De staat zorgt ervoor dat alles geld van de maatschappij in kapitaal veranderd wordt, veroorlooft de kapitalisten de accumulatie zonder respect voor de grenzen van de markt en bevordert daadkrachtig de reductie van het consumptievermogen van de massa’s, met als gevolg dat de crisis hem dwingt zijn economische politiek als conjunctuurpolitiek uit te voeren. Deze bestaat daarin de storende uitwerkingen van de accumulatie tot middelen van de accumulatie te maken. De aanpak van de crisis gebeurt door “politieke instrumenten” opdat het weer lonend is te investeren. Behalve de noodzakelijke cadeaus voor de kapitalisten moeten hiervoor aanzienlijk veel moraal en geweld ingezet worden om de gedupeerde arbeiders voor de nieuwe situatie af te richten. Zijn onmacht tegenover het precaire verloop van de accumulatie laat de staat dus gepaard gaan met de inzet van zijn macht tegen de slachtoffers van de accumulatie.

 

a)

Als de staatsmacht zich inzet voor de rijkdom van de natie, het algemeen belang tegen de burgers doorzet en handhaaft, dan dwingt ze haar volk, dat de privé rijkdom op het oog heeft, om zich bij het nastreven van dit doel tot middel van de maatschappelijke rijkdom te maken, waardoor die zich ontpopt zowel als abstractie van de behoeften van de burgers alsook als affirmatie van hun pogingen om anderen buiten te sluiten van de geproduceerde rijkdom. Doordat de staat zich gelegen laat liggen aan de vermeerdering van de maatschappelijke rijkdom in privé vorm ondersteunen zijn maatregelen onmiskenbaar die burgers die de rijkdom beroepsmatig accumuleren. Dit impliceert de praktische kritiek op zulke leden van de kapitalistenklasse die zich niet kunnen handhaven en – daar zij geen winst behalen – voor het bruto nationaal product in plaats van winst verlies opleveren. De staat is immers de ideële totaalkapitalist, d.w.z. hij doet gescheiden van de kapitalistenklasse haar economische belangen gelden omdat deze klasse zelf haar belangen uitsluitend behartigt door onderling te concurreren.

 Wat het economische beleid betreft behandelt de staat het werkende deel van zijn volk op gepaste wijze: het is niets anders dan het materiaal voor dit soort maatschappelijke rijkdom. De staat kan zich weliswaar niet ontrekken aan de noodzakelijke activiteiten voor de bruikbaarheid en het behoud van deze klasse, maar hij beschouwt enerzijds de prestaties van het werkvolk steeds als te gering en anderzijds diens aanspraken tegenover de staat altijd als te hoog. Dit standpunt van de economische politiek maakt duidelijk waarom de arbeiders zelfs de aan allerlei disciplinerende voorwaarden gebonden sociale maatregelen moeizaam moeten afdwingen: het criterium voor hun uitvoering is het nut voor de economische groei, is dus een negatief criterium. Alles wat de staat op dit gebied doet, is gericht op het vermijden van storingen van het accumulatieproces door onbruikbare arbeiders. Daar deze storingen de enkele kapitalist, zolang hij maar winst maakt, onverschillig laten, ziet de staat zich gedwongen om het behoud van deze cruciaalste voorwaarde voor het zakendoen zelfs tegen de bourgeoisie met geweld door te zetten. De staat bekritiseert de concurrentie van de kapitalisten vanuit het standpunt van de gehele klasse en beteugelt haar wanneer ze te rücksichtslos omspringt met de loonarbeiders; het klassenbelang van de arbeiders wordt door de staat bekritiseerd vanuit het standpunt van hun onderlinge concurrentie: hij dwingt de arbeiders tot meedogenloosheid tegenover zichzelf, d.w.z. ze moeten individueel alle moeilijkheden oplossen die uit de loonarbeid voortkomen, en die te vermijden alleen mogelijk is door de bewuste actie van de klasse: door afstand te nemen van de onderlinge concurrentie.

 In de onderschikking van alle taken – die de staat als politiek subject van de economie uitvoert – aan de economische groei, in het afstemmen van alle functies op dit doel van de economische politiek valt de bestaansreden van de burgerlijke staat – de vrije concurrentie – direct samen met zijn doel: hij is de bewuste agent van de inhoud van de concurrentie, zoals bekend niet de vrijheid van het individu, maar die van het kapitaal. Er is geen enkel besluit van de staat dat geen betrekking heeft op de economische groei; dit criterium geeft van staatswege zin aan de idealen van de concurrentie.

 Deze idealen krijgen een andere zin wanneer de burgers vanuit hun privé-belang te kampen hebben met de rijkdom van de natie. Elke burger verwacht van de economische groei zijn economisch voordeel; hij gebruikt de identiteit tussen maatschappelijke rijkdom en privé-eigendom als argument tegen de staat en eist economische beleidsmaatregelen ter vermeerdering van zijn middelen – de eigenaars met het zelfbewustzijn dat ze de representanten van de rijkdom van de natie zijn, de andere burgers met de defensieve moraal dat hun inzet voor het floreren van de economie toch meer zou verdienen dan alleen maar de dwang tot offers brengen

 De teleurstelling omtrent dergelijke verwachtingen van de bezitlozen vormt de inhoud van de revisionistische kritiek die de rijkdom van de natie tegenoverstelt aan zijn maatschappelijke vorm, het privé-eigendom, en de staat verwijt door de eenzijdige verdeling van de rijkdom de effectiviteit van de nationale economie te schaden. De revisionisten propageren het ideaal van een staat die de economische beslissingen in zijn hand concentreert om zo de uitbuiting van de proletariërs effectiever te maken.

 De fascisten willen niet alleen de onnutte arbeiders maar ook de onnutte kapitalisten aan de ongeremde groei van de nationale rijkdom opofferen. Ze willen dat de staat de maatschappij tot accumulatie dwingt zonder rekening te houden met haar negatieve begeleidingsverschijnsels.

b)

De staat die zich met zijn economische politiek tot “motor” maakt van de economische ontwikkeling is niet bereid de noodzakelijkheid van zijn functies voor de kapitalistische productiewijze als principieel nuttig te beschouwen. Hij constateert dat zijn pogingen die uitsluitend het behoud van het kapitaal beogen faux frais zijn, dus de vermeerdering van het privé-eigendom alleen waarborgen door daaraan middelen te onttrekken. Vandaar dat de staat ertoe overgaat om de prestaties die hij met het gesocialiseerde deel van de rijkdom volbrengt, te meten aan de uitwerkingen op de zaken van de privé-eigenaars. Hij behandelt zijn activiteiten als factoren van de economie en organiseert hun inzet in overeenstemming met hun nut voor de winst. Door de verandering van een deel van deze factoren in politiek-economische instrumenten en het reduceren van de rest tot slechts met tegenzin uitgevoerde maatregelen brengt de staat niet alleen binnen zijn functies de onderscheidingen aan waar het hem op aankomt, maar hij garandeert ook dat hij onder geen beding als middel van de burgers misbruikt wordt.

 Als de staat met de organisatie van wetenschap en opleiding tegemoet komt aan de diverse  behoeften van ondernemersverenigingen; als hij bij de uitbreiding van het verkeers- en communicatiewezen rekening houdt met de financiële lasten van de zakenwereld en alle voorschriften inzake “gematigde” concurrentie maar tot op zekere hoogte wil doorzetten, dan relativeert hij niet zijn zelfstandigheid tegenover de concurrerende kapitalisten, maar de beperkingen van zijn functionaliteit die voortkomen uit de scheiding tussen politiek en economie. De reden voor het feit dat hij zijn macht zeer terughoudend inzet tegen het privé-eigendom ligt in de doelstelling van zijn politiek-economisch beleid: wie zich toelegt op de vermeerdering van de maatschappelijke rijkdom in vorm van het privé-eigendom zet zijn macht immers alleen dan tegen de privé-eigenaars in als dit de vermeerdering van het privé-eigendom begunstigt. Ook het dwangkarakter van de compenserende maatregelen waar de arbeiders op aangewezen zijn, komt voort uit de politiek-economische doelstellingen van de staat. Hij maakt elke concessie aan de werkende klasse ondergeschikt aan het doel voor de groei van het privé-eigendom te zorgen. Terwijl zuinigheid omtrent zijn diensten voor de bezittende klasse slechts in zoverre opportuun is als ze haar voordeel bevordert, is ze het heersende principe als het om de diensten voor de arbeidersklasse gaat en tevens de garantie dat de sociaalstaat, waarvan de arbeiders afhankelijk zijn, het middel van het kapitaal is.  

c)

1. Het voorzien van de maatschappij van geld, de conditio sine qua non voor het zakendoen, onttrekt aan haar niet alleen een deel van de privé rijkdom voor de noodzakelijke staatsfuncties, maar veroorzaakt ook allerlei kosten; vandaar dat de staat de geldomloop economiseert door het krediet te gebruiken: hij laat het krediet algemeen de geldfuncties overnemen die het al op beperkte wijze in het privé zakenleven verricht. De oprichting van een centrale bank beoogt de gebruikmaking van het kredietgeld zonder belemmering door privé belangen. De door de officiële uitgifte van banknoten behaalde besparing wordt aangevuld met de vereenvoudiging van het betalingsverkeer tussen de banken, hetgeen verdere geldmiddelen overbodig maakt.

2. De besparing op circulatiekosten die de staat door zijn garantie voor de circulerende krediettekens bewerkstelligt, verlaagt weliswaar zijn uitgaven en daarmee de onproductieve kosten van het kapitaal, maar levert geen positieve bijdrage aan de economische groei; de staat zit zelfs opgezadeld met een nieuwe instelling, de centrale bank, die weliswaar alle geld- en kredietoperaties van de maatschappij centraliseert en ook het technische beheer van de huishouding overneemt, maar zelf geen instrument ter bevordering van de economische groei is. Vandaar dat de staat het geld waarover de centrale bank beschikt zo gebruikt dat de aanwending ervan door privé-eigenaars de economie dient en hij, de staat, als kredietgever participeert aan de vermeerdering van de privé rijkdom. Als verstrekker van krediet betwijfelt de centrale bank echter zelf (het gaat immers om krediet) de identiteit tussen het economische voordeel van kapitalisten en het voordeel van de staat, daar zij om politieke redenen kredieten verstrekt (die geen privé-bankier gezien zijn zakelijke voorwaarden zou verstrekken!). Als de staat tot een vennootschap toetreedt of via de centrale bank de privé-banken garanties verschaft voor buitengewone kredietverstrekkingen – steeds relativeert hij zijn economisch voordeel vanuit het standpunt van de totaalkapitalist: hij maakt uitsluitend gebruik van de economie om haar te dienen. Zoals hij door participaties in ondernemingen deze als onontbeerlijk verklaart voor de nationale economie, zo reageert hij door aanpassingen van de discontovoet op de behoefte van het kapitaal naar krediet. De staat doet dus zijn best om de moeilijkheden, waar de kapitalisten hem attent op maken, met behulp van zijn financiën op te lossen. Hij ondersteunt uit bezorgdheid over de economische groei het privé-eigendom zelfs dan wanneer het voor zichzelf beperkingen gecreëerd heeft op de geld- en kapitaalmarkt; daarbij komen de middelen van de werkende klasse de staat uitstekend van pas.

3. De privé ondernemingen gebruiken gretig de maatschappelijke rijkdom, die de staat hen ter beschikking stelt, om hun vermogens te vermeerderen. Ze breiden de productie uit tot het moment dat het terugstromen van hun kapitaal stagneert en de aanwending van arbeiders niet meer rendabel is. Aan de slechte orderpositie en de ontbrekende liquiditeit van zijn lievelingsburgers merkt de staat dat te veel kapitaal geaccumuleerd werd – maar hij kijkt wel uit om de insolvabiliteit als dat te zien wat ze werkelijk is. Daar hij volkomen op het standpunt van de zakenwereld staat, beschouwt hij de crisis van het kapitaal als een probleem van geldgebrek, dat zich ook laat interpreteren als te geringe bereidheid om te dure kredieten te gebruiken. Dat de theoretische formulering, het uitspreken van dit standpunt een aantal tautologieën voortbrengt, stoort het plichtsbesef van de economisch verantwoordelijke politici allerminst, integendeel: de tautologieën van oorzaak en gevolg moedigen hen aan tot conjunctuurpolitieke daden.

 Omdat de staat dus de obstakels die de investeringsneiging van de kapitalisten op de geldmarkt belemmeren uit de weg wil ruimen (maar niet de reden voor deze obstakels), biedt hij hen via zijn politiek-economische instrumenten minimale reserve, discontovoet en staatsobligaties goedkoop geld aan. Daarnaast versterkt hij de genoemde neiging door speciale maatregelen (van investeringssteun tot en met orders) en belastingcadeaus.

4. De daarvoor nodige middelen stelt de staat ook dan ter beschikking als hij ze niet heeft. Het belang aan economische groei weegt zwaarder dan alle waarschuwingen voor de inflatoire uitwerkingen van verhoogde staatsschulden, te meer daar de staat zijn zuinigheid aan de hand van de sociaalpolitieke begrotingsposten overtuigend bewijzen kan. De economische politiek maakt dus een onderscheid tussen “consumptieve” staatsuitgaven en zulke die de vooruitgang van het kapitaal bevorderen, waarbij de verlaging van de “consumptieve” uitgaven op tweevoudige wijze bewerkstelligd wordt: in de tijdens de crisis groeiende rechtsaanspraken op sociale uitkeringen (werkloosheidsuitkering, pensioen) ziet de politiek een gerede aanleiding om de verzekeringsplichtigen de verhoging van hun premies te verordenen – en de legitieme ontvangers van uitkeringen verscherpte voorwaarden voor hun aanspraken te dicteren. Als de getroffenen verteld wordt dat hun geld productief belegd is dan spreekt de politiek ongetwijfeld de waarheid, alhoewel het niet klopt dat hun geld slechts “tijdelijk” niet liquide is. Het is in kapitaal veranderd en zal nooit meer voor hun levensonderhoud ter beschikking staan, wat ook voor hun toekomstige premies geldt. Deze manier van begrotingsbeleid werd reeds met een vooruitziende blik in de grondwet vastgelegd; de andere kant van dit oneigenlijke gebruik van geoormerkte ontvangsten bestaat uit de poging om het werkende volk te dwingen door continu verhoogde premies de onvermijdelijke kosten van het sociale vangnet te dekken. Vandaar ook dat de staat waarde hecht aan volledige werkgelegenheid; daarin ziet hij een probaat middel om de stabiliteit van de geldwaarde resp. van de prijzen te waarborgen – die hijzelf door zijn economisch groeibeleid ondermijnt.

5. Daar de volledige werkgelegenheid slechts als middel dient voor de groeibevorderende maatregelen is ze noch het absolute doel van het economische beleid, noch is ze in strijd met de werkloosheid (die van staatswege immers gedefinieerd wordt als werkloosheidspercentage). In eerste instantie verandert de economische politiek de volledige werkgelegenheid in een ideaal dat men via een omweg, namelijk via de volledige werkgelegenheid van het kapitaal te realiseren heeft. Werkgelegenheid is er uitsluitend wanneer ondernemingen ze zich kunnen veroorloven; daarmee is de staatssteun voor de noodzakelijke investeringen de onmisbare voorwaarde voor werkgelegenheid; aan de andere kant moet deze steun gepaard gaan met het verlagen van de hoge loonkosten die de investeringsbereidheid bepaald niet stimuleren. De ondernemingen moeten niet alleen geld krijgen; het komt erop aan dat ze hun productie door zuinige aanwending van arbeid rendabel kunnen maken. Hun kostenberekening moet zich actueel verbeteren opdat ze toekomstig werkgelegenheid kunnen creëren; de investeringen van vandaag zijn de bijdrage van de arbeidersklasse tot haar volledige werkgelegenheid van morgen. De onderwerping van de arbeiders aan de rationalisering – het gebruik van meer arbeid en minder arbeidskrachten – het eerste doel van de investeringen van het kapitaal ter oplossing van de crisis, laat de werklozen op “uitbreidingsinvesteringen” hopen; die worden dan gedaan wanneer dankzij de verandering van de verhouding tussen loon en prestatie de aanwending van delen van het reserveleger weer lonend lijkt. De staat completeert daarom zijn door schulden gefinancierde “rationaliseringssteun” met de poging de sociale vrede te behouden – die hijzelf voortdurend bedreigt. De wettelijke regeling van de arbeidsstrijd beschouwt hij als gebod van de conjunctuurpolitieke logica.

6. Als de staat zijn economische politiek als conjunctuurpolitiek uitvoert, dan heeft hij zich erop ingesteld dat zijn optreden de economische crisissen niet verhindert, maar bevordert. Hij speelt bewust zijn rol als dienaar van de economie – die vrij is – en zet zijn maatregelen in als onderwerping aan de cyclus van het kapitaal. Het gaat hem om het functioneren van de vrije markteconomie met al haar tegenstellingen. Hij weet dat zijn oplossing van de crisis niet alleen de economische opleving versnelt, maar ook de volgende economische depressie inleidt. Daarom is de sanering van de staatshuishouding geen doel op zichzelf, maar ze zorgt voor het behoud van de functies van de staat: hij stuurt ook tijdens de economische boom de concurrentie in overeenstemming met haar vereisten, een innerlijke tegenstrijdigheid die in deze fase van de cyclus uit alle conjunctuurpolitieke maatregelen blijkt:

- De stijgende vraag van het kapitaal naar krediet in de periode van economische expansie is voor de staat aanleiding om de geldmarkt te beperken, zodra hij niet alleen prijsstijgingen registreert, maar omtrent de kredietvolumes van de banken een “daling van de geldwaarde” als gevolg van zijn de steunmaatregelen constateert. Zijn vreugde over de verbeterde huishouding vergaat algauw bij het zien van de gevolgen van de opleving, waarin reeds het dreigende einde opdoemt. Anders dan de kapitalisten, die nog van de prettige zakelijke omstandigheden willen profiteren, onderkent de staat de onmisbaarheid van een functionerend financiewezen – dat de industriële kapitalisten dreigen te ruïneren. Hij eist van hen dat ze een deel van hun rijkdom offeren ten gunste van de stabiliteit van de geldwaarde, d.w.z. de staat dwingt de industriële kapitalisten in het belang van de voorzetting van hun zaken rekening te houden met de onmisbare zakelijke voorwaarde: het stopzetten van de “politiek van goedkoop geld” leidt weliswaar ook alleen maar de crisis in, zorgt echter ervoor dat haar verloop past bij de belangen van het kapitaal. Het gebod van de staat luidt: beperking van de accumulatie, omdat deze – onbeperkt voortgezet – niet alleen zichzelf, maar ook het financiewezen zou ruïneren, de voorwaarde voor elke accumulatie.

- Daar de staat zich dus verplicht voelt om de kapitalisten in de praktijk mede te delen dat zij de crisis voorbereid hebben, verlangt hij ook van hen een deel van hun winst bovenop de gewone belastingen voor de noodzakelijke crisisaanpak af te staan. Conjunctuur-egalisatiefondsen in Duitsland en soortgelijke belastingen in andere landen zijn de dwangverzekeringen voor de toekomstige zaken van de kapitalisten; deze verzekeringen bieden anders dan die voor de arbeiders werkelijk zekerheid, omdat het geld geoormerkt blijft.

- Van de arbeiders verwacht de staat dat ze niet profiteren van de met de opleving gepaard gaande vraag naar arbeidskrachten, dus de nadelige gevolgen van de rationalisering niet terugdraaien. Daar de concurrentie tussen de kapitalisten het economische onverstand van de arbeiders echter prikkelt, gaat het de staat erom dat het loon niet zonder meer verspild wordt aan de persoonlijke consumptie. De verhoging van de koopkracht is in betere tijden ongewenst; in plaats van te consumeren dient men zich voor te bereiden op komende slechte tijden. Voor de conjunctuurpolitici is sparen de deugd van het kopen; het enige probleem bestaat daarin dat deze deugd niet als voordeel voor de loonarbeiders te propageren valt: bevordering van het sparen

7. Elke burgerlijke staat voert dus conjunctuurpolitiek, d.w.z. hij doet pogingen om de storingen van de groei van de privé rijkdom als noodzakelijk conjunctuurverloop te erkennen en deze tot positieve basis voor het veiligstellen van deze groei te maken. Daar de “anticyclische” maatregelen reacties van staatswege op de bedreiging van de vrije concurrentie zijn (een bedreiging die deze zelf creëert), demonstreert de politiek-economisch agerende staat ook dat zijn abstracte principes (hoofdstukken 1-4), die de militante handhaving van de vorm van de concurrentie dienen, middelen zijn waarmee de burgerlijke staat het doel van de concurrentie doorzet tegen de beperkingen die daaraan immanent zijn. Gescheiden van de maatschappij dwingt hij haar de accumulatie van het kapitaal op, doet dus met zijn macht tegenover de spelers van de kapitalistische productiewijze het doel van hun handelen gelden – dat zij niet kennen.

 Het doel van de politiek is de vermeerdering van het kapitaal: de staat dwingt zowel de privé-eigenaars als de bezitloze burgers om zich door wederzijdse gebruikmaking in de concurrentie hun inkomsten te verschaffen, zodat ze door het gebruik van hun respectievelijke bronnen van inkomsten, door het nastreven van hun belangen, het privé-eigendom vermeerderen. De staatsmacht staat dus positief tegenover de tegenstellingen binnen de concurrentie en tussen de klassen, daarom echter ook negatief tegenover alle pogingen van de concurrenten die de productieve samenwerking van de economische spelers verhinderen. Zo weinig de staat het uitvechten van de conflicten tijdens het verloop van de economische cyclus tegengaat, zo belangrijk vindt hij dat de schade die de concurrerende privé-personen uit alle klassen elkaar toebrengen ook lonend is. De staat regelt de ruïnering van arbeidskracht en kapitaal op een manier die hun productief gebruik garandeert:

- Als hij zijn economische wetgeving zo formuleert dat de concurrentie tussen bank- en industriekapitaal zich afspeelt in voor beide partijen voordelige vormen; als hij via “globale sturing” en dergelijke als voorstander van de telkens bedreigde kapitalistenclan optreedt – altijd bekommert de staat zich om de risico’s waaraan het “systeem van de vrije markteconomie” zich blootstelt wanneer de concurrentiebelangen van de ene of andere zijde ongeremd actief zijn. In ieder geval toont de staat inzicht in een basiswet van de kapitalistische accumulatie, namelijk dat de vermeerdering van de rijkdom regelmatig offers verlangt voor de vorm van dit soort rijkdom.

- Als de staat zijn wettelijke regeling van de arbeidsstrijd zo formuleert dat de vakbonden als middel van de concurrentie tussen de arbeiders fungeren; als hij via een “geconcerteerde actie” (een soort poldermodel) de vakbonden tot voorstanders van de economische politiek maakt; als hij de zelfhulp overlaat aan de organisaties van de slachtoffers of sociaalstaat speelt – altijd brengt hij het geheim van elke conjunctuurpolitiek aan het licht. De tegenstellingen binnen de kapitalistenklasse zijn alleen dan op te lossen wanneer de staat erin slaagt de bezitters van de arbeidskracht te wennen aan de onbruikbaarheid van hun bron van inkomsten. Dat de morele propaganda: matiging, levensrisico’s, afzien van materialisme, sociaal partnerschap etc. succes had, blijkt uit zulke “verworvenheden” als medezeggenschap, conjunctureel juiste cao’s, politieke erkenning van de vakbonden enzovoort.

d)

De afhankelijkheid van de staat van de rijkdom van de natie dwingt hem om zijn middelen voor de vermeerdering van het privé-eigendom in te zetten; de economische politiek heeft zich blijkbaar ontwikkeld uit de poging van de staat om het verlies van zijn economische potentie te compenseren door de economische vooruitgang van de maatschappij, waaraan hij participeert. Hij moest de traditionele middelen van zijn machtsbehoud aan de vermeerdering van rijkdom onderwerpen en niet alleen de aan de maatschappij onttrokken staatsmiddelen, de belastingen, voor de bevordering van het productieve eigendom gebruiken, maar ook zijn andere activiteiten met het oog op hun economisch effect uitvoeren. Het verlies van zijn rol als economisch subject en de daarmee gepaard gaande negatieve uitwerkingen van zijn nietsontziende poging tot zelfverrijking brachten de staat tot het inzicht, dat de verspilling van zijn geld, de met schulden gefinancierde staatshuishouding, zich ondergeschikt moest maken aan de accumulatie van het kapitaal, en de cyclische convulsies van het conjunctuurverloop noodzaakten hem omwille van zijn zelfbehoud zelf als politiek subject van de economie op te treden en zich met zijn reacties tot voorstander van de accumulatie te maken.

 De groeiende behoefte van de productieve kapitalisten naar krediet (industrialisering) liet de staat wennen aan de noodzaak van wettelijke regels voor de aandelen- en beursspeculaties en aan de onvermijdelijkheid om zijn geld direct of indirect in winstbelovende industrie-ondernemingen te steken – waar hij zelf op speculeerde. De conflicten tussen het productieve kapitaal en het geldkapitaal noodzaakten hem al vroeg om de strijd ten gunste van het productieve kapitaal te beslechten en zijn centrale bank als middel ter handhaving van de kredietfuncties in te zetten. Door de economische cycli en de permanente effecten van zijn schulden raakte de staat ook vertrouwd met het feit dat het offeren van maatschappelijke en eigen rijkdom als middel voor de groei onvermijdelijk is en dat de middelen van de arbeiders zich daarvoor uitstekend lenen. Daarom wist hij de concessies aan hen zo op te stellen dat ze de economie dienen en de arbeiders tot sociale vrede verplichten, de basisvoorwaarde voor de onbelemmerde cyclische economische groei.

e)

1. De praktische problemen die de staat bij de aanpak van de economische tegenstellingen van zijn maatschappij ondervindt, hebben de economische wetenschap in het leven geroepen; zij is de burgerlijke wetenschap bij uitstek, logisch en historisch de eerste staatswetenschap. Aan haar laat zich aflezen hoe de belangstelling van de staat in maatschappelijke processen de belangstelling voor hun verklaring wekt en ruïneert.

 Daar de staat niets meer waardeert dan de economische groei die weliswaar plaatsvindt, maar kennelijk niet ononderbroken en bovendien vergezeld van regelmatige schokken, omdat de vernietiging van rijkdom dus inherent is aan de kapitalistische groei, gaan de economen niet uit van de rijkdom, maar van de schaarste aan goederen. De pogingen van de staat om deze schaarste te overwinnen of ten minste binnen de perken te houden, laten de “geleerde tolken van het doorsneeverstand” op zoek gaan naar de productiefactoren –  die behalve de eigenschap beperkt voorhanden te zijn ook nog het eigenaardige kenmerk vertonen dat ze bij elkaar passen als “notarishonorariums, rode bieten en muziek”. Dat stoort de economen allerminst daar ze uitsluitend onderzoeken willen welk nut deze prachtige factoren opleveren: ten eerste voor hun representanten en ten tweede voor de economische groei, wat ten derde tot de vraag leidt wat de staat kan doen om deze factoren te bevorderen. De eerste twee “vragencomplexen” zijn weliswaar niet klein, maar ze heten met het oog op de grootte van de staat, wiens standpunt macro-economie genoemd wordt, micro-economie. Deze stelt elke economische categorie gelijk met het nut dat haar representanten resp. bezitters uit haar aanwending kunnen trekken: geld is als men iets koopt, namelijk zo veel als men daarvoor kan kopen, wat zonder geld niet mogelijk is, daar alles een prijs heeft die zonder geld moeilijk  en veel te omslachtig te schatten is; grond is niet willekeurig vermeerderbaar, kapitaal daarentegen wel – als men het niet verspilt; hoe duur goederen, een vierkantmeter grond en kapitaal zijn, is afhankelijk van hun prijs. De macro-economie bekijkt hetzelfde nog een keer en wil weten in hoeverre alles kleine in het economische leven tot resultaten leidt die beantwoorden aan het verlangen van de staat naar economische groei. De groeitheorie verzint modellen waarin de factoren van de groei zo gecombineerd zijn dat storingen niet optreden; vandaar dat ze modellen blijven waarvan het ontbrekende realisme verklaard wordt door de onberekenbaarheid van de menselijke consumptie-, spaar- en investeringsneigingen. De evenwichtstheorie bekijkt hetzelfde expliciet vanuit het standpunt van het ideaal van onnodige disproporties en gaat te rade bij de inkomenstheorie, daar ze het bereiken van dit ideaal als verdelingsprobleem beschouwt. Zo verbaast het niet dat de speurtocht naar de oorzaken van de crisissen – in de optiek van economen de enige smet op de uitermate gewaardeerde kapitalistische productiewijze – zijn kronende afsluiting vindt in de conjunctuurtheorie. Deze beroept zich terecht op alle andere prestaties van de economen als ze tot de conclusie komt dat het lastige opwaarts en neerwaarts van de economie in geen geval door de economie zelf veroorzaakt kan worden: er moeten andere krachten in het spel zijn, vermoedelijk de onbetrouwbare natuur van de mensen, de zonnevlekken of wat dan ook die de mens belemmeren bij de adequate oplossing van zijn economische problemen. Uiteindelijk blijft er maar één ding over: de staat moet economische politiek voeren, dus de ruïnering van de prijzen, het geld, het economische evenwicht etc. voorkomen. Geen onderafdeling van de economische wetenschap ziet af van de belangrijke conclusie dat zelfs de kleinste onbelangrijkheid, nadat ze tautologisch uit de concurrentie gededuceerd werd, de beschermende hand van de staat nodig heeft. Economen brengen zo de waarheid over hun bestaansreden aan het licht: ze zeggen dat hun theorieën uitsluitend gelden zolang de staat in de praktijk voor het voortbestaan van de door hen niet verklaarde, maar bewierookte onderwerpen zorgt.

 De echte prestaties van economische denkers behoren tot het verleden toen de kapitalistische productiewijze werd doorgezet. Het belang aan het kapitalisme, dat polemisch optrad tegen de heersende klasse van de vroegkapitalistische maatschappij, bediende zich toentertijd nog van de waarheid. Smith en Ricardo hebben met hun verklaringen van de waarde, het kapitaal etc. het kapitalisme gepropageerd, en Ricardo raakte verstrikt in theoretische tegenstrijdigheden telkens als hij ontdekte dat zijn waardering voor de nieuwe productiewijze niet verenigbaar was met haar verklaring. Omdat hij de verklaring niet simpelweg wilde opgeven ten gunste van zijn sympathie voor het kapitaal kon de verdenking van communisme niet uitblijven (zie de opmerkingen van Marx in ‘Theoriën over de meerwaarde’ en in het voorwoord tot ‘Het kapitaal’) De doorzetting van de moderne economische wetenschap ging dus gepaard met het opgeven van de waarheid; ze heet terecht “vulgair-economie”.

2. Omdat de staat met zijn politiek-economische activiteiten tegen alle burgers optreedt, namelijk in de praktijk zowel de belangen van de kapitalisten als de aanspraken van de arbeiders kritiseert, legitimeert hij zijn optreden met ideologische verbloemingen die weliswaar de basis vormen voor allerlei staatsburgerlijke bezwaren, maar bij geen van de diametraal tegenovergestelde klassen op absolute instemming kunnen rekenen. Wat in de conflicten tussen staat en burgers voor zover het abstracte sferen betreft nog mogelijk is, principiële overeenstemming, bestaat hier niet. Het gaat immers niet om principes, maar om hun actuele toepassing, dus om de beperkingen van de respectievelijke materiële belangen. Terwijl de bewindslieden de wijsheid verkondigen dat hun maatregelen zich slechts schijnbaar tegen de burgers richten, willen die helemaal niet inzien dat de staat voor hen optreedt.

 Politici benadrukken in eerste instantie dat hun economische politiek een moeilijke zaak is daar ze met doelconflicten te kampen hebben. Ze bejammeren dat elk economisch beleid “in het kader van de markteconomische orde tegelijkertijd moet bijdragen tot de stabiliteit van het prijsniveau, tot grote werkgelegenheid en een evenwichtige handelsbalans bij aanhoudende en redelijke economische groei”(stabiliteitswet), dat ze dus binnen een vierkant ageren dat al als driehoek magisch te noemen is. De onpopulaire uitwerkingen van zijn daadkrachtige inzet voor de concurrentie zijn volgens de staat gevolgen van zijn onmacht. Het schiet hem te binnen dat hij op de economische willekeur alleen maar reageren wil en hij beticht, afhankelijk van de conjuncturele situatie, uiteenlopende delen van zijn volk van economisch onverstand, waarbij hij één groep altijd in het vizier heeft. Steeds wijst hij schuldigen aan voor het feit dat het volk niet alles krijgt wat het krijgen wil. Hijzelf is, naar eigen zeggen, de enige die zich sterk maakt voor het evenwicht tussen de belangen, en de noodzaak om op de ingeslagen weg door te gaan, laat hij verkondigen door de wetenschap die – al lang op het standpunt van de staat staand – zijn maatregelen door prognoses onderbouwt. Zo wordt uit de voorwaarden waaronder de staat zijn doel bereikt uiteindelijk een soort natuurwet, waarvan het geweldskarakter zich camoufleert met het masker van de wetenschap.

 De burgers verweren zich tegen het verwijt van economisch onverstand door te laten zien dat ze de argumentaties van de economen evengoed beheersen. Natuurlijk heeft de verandering van de burger in een politiek-economische adviseur, de voorstelling van zijn eigen belang als algemeen belang een volstrekt verschillende betekenis wat betreft het doorzetten van de respectievelijke belangen. Terwijl de staat de talrijke bezwaren uit het kapitalistische kamp omtrent het schandaal dat de aanspraken van de arbeiders de groei belemmeren principieel steekhoudend vindt, wil hij de vakbonden gewoonweg niet geloven wanneer ze de ondernemers verantwoordelijk stellen voor het verstoren van de harmonie.

- De ondernemers en hun verenigingen beschouwen de belastingen die ze moeten betalen altijd als te hoog. Daarom rekenen ze de staat ook steeds voor hoe nadelig deze belastingen hun concurrentiekracht tegenover het buitenland beïnvloeden en welke rampzalige uitwerkingen ze op de prijsstabiliteit hebben. Vanzelfsprekend kunnen ze ook geen werkgelegenheid creëren (wat eigenlijk hun sociaal beroep is) omdat de staat met geld en krediet evenals met de belastingen steeds het tegenovergestelde doet van datgene wat volgens hen juist zou zijn. Elke desbetreffende maatregel beschouwen ze als “slechte timing”: in een andere fase van de economische cyclus zou het ingrijpen wel gepast zijn, nu werkt het alleen maar averechts. Uiteindelijk komt hun kritiek erop neer dat de staat de beste economische politiek voert door zich niet te bemoeien met de economie, waarmee ze bedoelen dat hij hen niet beperkt, maar onvoorwaardelijk ondersteunt. Wat de arbeiders betreft staan ze uiteraard niet afwijzend tegenover ingrepen van staatswege. Behalve dat de staat altijd te veel geld aan het sociale vangnet verspilt, wordt hem verweten dat hij de vakbonden niet tot de orde roept en hen voortdurend toestaat de loon-prijsspiraal op gang te brengen, een voor de economie uiterst schadelijk mechanisme, waarop de staat zelfs af en toe door beperkingen van de vrije prijsvorming reageert in plaats van het loon te bevriezen. In plaats van uitsluitend met de deskundige representanten van het algemeen belang, de ondernemersverenigingen, de richtlijnen voor de economische ontwikkeling adequaat vast te leggen, kent de staat zelfs geen schroom om de vakbonden te vragen hoe zij de groei willen hebben, en verandert zich zodoende gaandeweg in een “vakbondsstaat” die de economische logica opoffert aan de afpersers van het klassenstrijdfront. Bovendien laat hij het niet alleen bij het recht op contractvrijheid, een verdere bron van gevaren voor de groei – hij deinst ook niet terug voor de democratisering van de economie, een ongetwijfeld marxistisch voornemen, en valt de eigenaars van de fabrieken lastig met medezeggenschapsinstanties, die zonder zelf verantwoordelijkheid te dragen over andermans eigendom willen beslissen.

- Daarmee vergeleken is de houding van de vakbonden tegenover de alternatieven van de economische politiek uiterst positief. Als de ondernemersverenigingen de identiteit tussen het algemeen belang en hun belangen benadrukken, kritiseren ze de staat omdat die niet genoeg weldaden voor de kapitalisten verricht en zodoende nalaat de economie ordentelijk te vormen en te bevorderen. Als de vakbonden kritisch worden, verwijten ze de staat de arbeidersbelangen onvoldoende voor de economie te gebruiken: ze stellen zich op het standpunt van de economische politiek, keuren die goed en gaan uit van de gelijkenis tussen de intenties van de staat en die van de vakbonden wanneer ze verbeteringsvoorstellen doen. De partijdige prognoses van de van staatswege benoemde deskundigen stellen ze de meer optimistische prognoses van hun eigen team van deskundigen tegenover – en verspillen daarvoor de stakingskas! Aan het loon van hun leden ontdekken ze de eigenschap koopkracht te zijn; vandaar dat ze voor een optimale inkomstenverdeling pleiten, de tegenstelling tussen loonkosten en economische groei ronduit betwisten en voortdurend oproepen tot harmonie tussen de sociale partners – wat de staat men zijn programma van sociale vrede toch ook zou nastreven. Deze leugen is de basis voor de “dreiging” dat hij, de vakbond, zijn loyaliteit tegenover de economische ontwikkeling weleens zou kunnen opgeven wanneer zijn waarschuwingen altijd genegeerd worden. Opdat hij niet langer onverstandige looneisen moet stellen, eist de vakbond medezeggenschap bij vrijwel alle belangrijke besluiten van de staat inzake algemeen belang, en doet voorstellen hoe de vakbond ervoor kan zorgen dat de voor het algemeen belang onvermijdelijke offers van zijn leden beperkt kunnen blijven. Hij vraagt de staat om wetten die de arbeiders tot sparen onder toezicht van de bonden aanzetten omdat zo loonkosten bespaard worden, en bemoeit zich zelfs in het belang van de aanhoudende economische groei – die hij als voorwaarde voor volledige werkgelegenheid erkent – met de investeringen van het kapitaal. De vakbonden weren zich (terecht, maar zonder succes) tegen de verdenking van communistische sympathieën, waarvan ze beticht worden vanwege hun bereidheid tot medewerking aan de groei. Hun ideaal van harmonie onderscheidt zich niet van het ideaal dat de staat heeft; die gebruikt het echter voor zich en de kapitalisten, terwijl de bonden een ideaal propageren dat onbruikbaar is voor hun belangen. Het verlangen naar rechtvaardige behandeling van de arbeiders is identiek met een kritiek die zich niet alleen onderwerpt aan de noodzakelijkheden van de politiek, maar om deze onderwerping nadrukkelijk verzoekt: het gemeenschappelijke doorzetten van de politiek-economische noodzakelijkheden als basis van het nationalisme van de vakbonden.

 Op het programma van de fascisten staat de ideale klassenstaat – die de zaken van de tegengestelde klassen als principieel gelijkwaardig beschouwt, voor zover ze als dienst voor de natie ordentelijk worden gedaan. Ze kritiseren de concurrentie vanwege de schade die daaruit voor de nationale rijkdom ontstaat. Hun staat heeft de taak om de rijkdom veilig te stellen door de harmonie, die het privé-eigendom niet interesseert, gewelddadig te creëren; in plaats van de concurrentie moet de staat beslissen en de economische groei zelfs dan nog bevelen als de uitbuiting voor het privé-eigendom niet meer rendabel is.

 De revisionisten daarentegen beogen de realisering van de ideale sociaalstaat en willen het privé-eigendom ten gunste van de slachtoffers van de uitbuiting nationaliseren. De staat dient de concurrentie te controleren: er moet uitsluitend voor de staat geconcurreerd worden, hetgeen weliswaar de afschaffing van de kapitalisten noodzakelijk maakt – wier functies de “genationaliseerde” loonarbeiders overnemen – maar op de uitbuiting van de arbeiders berust. De revisionistische revolutie, die zoals bekend met de “antimonopolistische democratie” begint, gebruikt aanvankelijk het kapitaal voor de staat en de arbeiders – om uiteindelijk alleen nog gebruik te maken van de arbeiders, wier bestaan de staat garandeert. De revisionisten hebben de economische theorie aangevuld met de ideologie van het “staatsmonopolistische kapitalisme”; op politiek-economisch gebied representeren ze het “staatsmonopolistische proletarisme”.

 © Gegenstandpunkt Verlag 1980 / 1999