De burgerlijke staat III

c) De prestaties van de staat voor zijn loonafhankelijke burgers

 

1. De burgers die hun inkomsten niet uit het gebruik van hun eigendom betrekken, zijn aangewezen op een voor de burgerlijke maatschappij karakteristiek gebruik van hun persoonlijke vrijheid; ze moeten nuttige diensten voor andermans eigendom verrichten, hetzij direct in productie en handel, hetzij indirect in (semi)overheidsinstellingen: loonarbeid. Of ze een inkomen verdienen en hoe groot het uitvalt, hangt ervan af hoeveel ze voor hun werkgever presteren (wat niet betekent dat ze voor hun prestatie worden betaald). Ze concurreren als aanbieders van hun diensten om de voorhanden arbeidsplaatsen en de daaraan gekoppelde inkomens; ze vergelijken de beroepen ten opzichte van inspanning en hoogte van het salaris, proberen dus in de hiërarchie van de banen een zo hoog mogelijke positie in te nemen. Daar de concurrentie tussen de loonarbeiders hun geschiktheid, adequate kennis en beroepsvaardigheden veronderstelt, het opleiden echter geen economisch nut oplevert, organiseert de staat het onderwijsstelsel gescheiden van de concurrentie en staat zo de individu’s toe zich voor het beroepsleven te kwalificeren: door het recht op opleiding dat kinderen en jongeren genieten, verplicht de staat zijn opgroeiende burgers om zich de algemene, voor alle beroepen noodzakelijke kennis eigen te maken (algemene schoolplicht) en vervolgens hun vaardigheden voor een specifiek beroep te ontwikkelen, zich te specialiseren.

 Daar het in de opleidingsinstellingen om het gereedmaken van de jeugd voor nuttige functies in economie en staat gaat – zonder specifieke bruikbaarheid geen inkomen – bestaat het doel van de opleiding niet uit de vorming van de individualiteit, maar uit haar beperking. De staat zorgt voor rechtvaardigheid bij de verdeling van de individu’s in de beroepshiërarchie door de toegang tot de verschillende banen afhankelijk te maken van de prestaties die tijdens het opleidingsproces geleverd worden. Hij regelt de concurrentie tussen de leerlingen door de geïnstitutionaliseerde prestatievergelijking; tentamens en toetsen, de periodieke beoordelingen van de in een bepaald tijdbestek beheerste kennis, beslissen erover of iemand al vroeg een lage positie in het beroepsleven moet nastreven, dan wel mag doorstromen naar hoger vervolgonderwijs, wat een aangenaam beroep en goede betaling belooft. Zo garandeert de staat ook op dit gebied – door allen aan dezelfde eisen en omstandigheden te onderwerpen (gelijke kansen voor iedereen) – het voortbestaan van de verschillen die de betrokkenen vanwege de economische situaties van hun families meebrengen.

 Het onderwijsstelsel is doelmatig gestructureerd:

- Het begint met de voor allen verplichte basisopleiding waar de scholieren de nodige kennis voor laaggeschoolde werkzaamheden opdoen en daarbij onderworpen zijn aan het selectieproces voor het vervolgonderwijs. De voor het beroepswerk benodigde elementaire vaardigheden in rekenen, schrijven, lezen en natuurkunde worden aangevuld met het aanleren van de gezindheid die men nodig heeft om een levenslang bestaan als loonafhankelijke staatsburger uit te houden.

- Hierop volgt voor de “slechtere” scholieren de vakopleiding voor een baan in de productie. Het noodzakelijke minimum aan vakkennis en staatsburgerlijke vorming organiseert de staat door zijn beroepsonderwijs in het kader van het leerlingenstelsel. Het recht op opleiding maakt hij compleet door degenen die waarde hechten aan het vooruitkomen in een beroep te verplichten de daaraan verbonden kosten te dragen (familie).

- In het voortgezet onderwijs worden de leerlingen vertrouwd gemaakt met uitgebreidere resultaten van de wetenschap, wat zowel de toegang tot een aantal hogere beroepen mogelijk maakt als de voorwaarde is voor een wetenschappelijke opleiding aan hogescholen. Ook in het voortgezet onderwijs staat de leerstof in geen direct verband met een specifiek beroep, maar dient als materiaal voor het selectieproces en als voorwaarde voor de specialisering in een aansluitende opleiding.

- Aan de universiteiten vindt de opleiding voor beroepen plaats die speciale wetenschappelijke kennis vereisen: aan de natuurwetenschappelijke faculteiten gaat het om kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de beheersing van de natuur; aan de geestes- en maatschappijwetenschappelijke faculteiten om kennis en vaardigheden die het doelgerichte omgaan met de praktische problemen, het functioneren van de burgerlijke maatschappij en haar staat waarborgen. Daarvoor is natuurlijk geen objectieve kennis nodig, maar een instrumentele beschouwingswijze die conform de problemen van de burgerlijke machtstechnieken aparte wetenschappelijke standpunten heeft uitgewerkt. Ideologiekennis is dus de enige inhoud en het enige doel van de universitaire opleiding in de geesteswetenschappen. Tegelijkertijd vormt de universitaire opleiding de basis voor de beroepsmatige uitoefening van wetenschap.

 Daar de staat zijn burgers verplicht om zich door specialisering voor een specifiek beroep, door hun bruikbaarheid binnen een vast systeem van maatschappelijke arbeidsverdeling te reproduceren, en deze verplichting via de concurrentie binnen het onderwijsstelsel organiseert – de uitsortering is een negatief proces: wie “afhaakt” of slechte prestaties levert wordt buitengesloten van hogere opleidingen – dwingt hij iedereen tot het verwerven van en belangstelling voor zo veel kennis als nodig is voor een succesvol examen en de uitoefening van een beroep; alles wat daarbuiten valt, is vanuit het standpunt van de opleiding en de studenten overbodige  ballast. Zo is de burgerlijke maatschappij op kennis aangewezen en tegelijkertijd volkomen ongeïnteresseerd in kennis daar het uitsluitend om de bruikbaarheid ervan voor de uiteenlopende functies van de privé-personen gaat. Vandaar dat het recht op opleiding, dat de staat zijn burgers ten deel laat vallen, de noodzaak impliceert om de wetenschap gescheiden van de opleidingen te institutionaliseren – wat reeds in verband met  de productieve aanwending van eigendom het geval was.

 De vrijheid der wetenschap, haar bescherming door de staat tegen de instrumentalisering door particuliere belangen, betekent dus niet wat sommigen daarin willen zien: de onafhankelijkheid van het wetenschappelijke bedrijf van maatschappelijke oormerkingen; in tegendeel: deze vrijheid organiseert op adequate wijze het nut van de wetenschap voor de op concurrentie berustende burgerlijke maatschappij en waarborgt zowel het ontwikkelen van kennis als haar subsumptie onder de praktijk. Door haar scheiding van de materiële productie is de wetenschap daaraan ondergeschikt.

 Binnen de theoretische werkzaamheden blijkt dit feit uit het naast elkaar bestaan van correcte natuurwetenschap en onware geestes- en maatschappijwetenschap. De natuurwetenschappen voldoen door de ontdekking van natuurwetten en hun mogelijke toepassing aan de vereisten van de kapitalistische productiewijze; de zelfstandigheid tegenover de particuliere belangen garandeert het ontstaan van objectieve kennis die deugt voor de beheersing van de natuur. De geesteswetenschappen passen door hun partijdig pluralisme bij het omspringen van de staat met de behoeften, doelen en belangen van de burgerlijke privé-personen. De geesteswetenschappen zijn zeer wel kritisch als ze zich bezighouden met de particuliere belangen en verkeerde kennis ontwikkelen die bruikbaar is voor de onderwerping van de burgers aan de – zelfgeproduceerde en onbegrepen – wetmatigheden van het kapitaal; waarbij sommigen zichzelf en sommigen ook nog anderen onderwerpen. Deze subalterne wetenschappelijke houding wordt gewaarborgd door de onderlinge concurrentie van de wetenschappers om carrière en prestige binnen en buiten de universiteiten; en in het uiterst zeldzame geval dat verboden gedachten in omloop zijn, wordt er niet meer gediscussieerd.

 De ondanks de aanwending van onware kennis voortbestaande collisies van de burgerlijke wereld trekt deze nut beogende wetenschap zich zo zeer aan, dat ze op haar nuttigheid, d.w.z. op zichzelf reflecteert en in haar wetenschapstheoretische discussies tot het weinig verrassende resultaat komt dat ze ten eerste zo bestaan moet als ze bestaat, en dat haar pluralisme ten tweede toch niet voor alles en iedereen geldt: werkelijke kennis bekritiseert de burgerlijke maatschappij – en de toepassing ervan in de praktijk ondermijnt de burgerlijke wereld.

 Daar de staat door de realisering van het recht op opleiding sommige offers eist van de leerlingen etc., velen, nog voor het beroepsleven, bittere nederlagen niet bespaart en zelfs degenen die hun opleidingsdoel bereiken niet garandeert dat ze hun vaardigheden als middel voor hun bestaan kunnen inzetten, haalt hij zich de woede van zijn teleurgestelde burgers op de hals: ze dringen erop aan dat de opleiding, waaraan ze zich moeten onderwerpen, als middel voor hun reproductie deugt. Vandaar het geklaag over de crisis in het onderwijs zodra er bijvoorbeeld meer leerlingen dan opleidingsplekken zijn, het “functionele analfabetisme” hand over hand toeneemt etc.; daarbij kan men de roep om een beter onderwijsstelsel moreel onderbouwen met het concurrentievermogen van de natie. Als de staat omwille van het onderwijsdoel: het voorzien van de maatschappij van nuttige mensen, restrictieve maatregelen als de numerus clausus neemt, dan laat de gang naar de rechtbank niet lang op zich wachten. Gewapend met het recht rebelleert men tegen de realiteit die voortkomt uit de rechtmatige macht van de staat en zijn noodzakelijke taken. Tegen de gevolgen van de concurrentie in de onderwijssector, dus tegen de consequenties uit de kansengelijkheid, argumenteert men met het ideaal “gelijke kansen voor iedereen” en vergeet daarbij zelfs de banaliteit dat er in een prestatievergelijking steeds winnaars en verliezers zijn. Zo eindigt men uiteindelijk bij het doel dat de staat sowieso heeft, namelijk de reserve aan talenten ten volle te benutten.

 In de verste verte niet van plan om er iets tegen te ondernemen dat het onderwijs hun kinderen schaadt, roepen kritische ouders om betere tentamens – die omwille van objectieve prestatievergelijkingen helemaal niet meer de kennis toetsen, maar op betere kruiswoordpuzzels lijken (multiple choice). En als de getoetste onkennis, waarvoor men zijn hersenen pijnigt, in generlei verband meer staat met welk beroep dan ook, begint het geklaag over de onpraktische schoolkennis, de nutteloosheid van de lesstof. Wat met de traditionele humanistische “ballast” gebeurde, blijft de moderne dressuur niet bespaard: ook hiervan wil men het nut zien, waarbij het onvermijdelijke uitblijven van de menselijke, d.w.z. staatsburgerlijke houding bij de jeugd als “ja-knikkerij” wordt gebrandmerkt. Linkse als rechtse critici van het onderwijs zijn het erover eens dat aangepaste passieve staatsburgers slechte staatsburgers zijn, hetgeen uiteraard in verschillende leerplannen resulteert: emancipatorische versus conservatieve opleidingstrajecten.

 Uit de doelstelling van het officiële onderwijsstelsel – het vereenzijdigen van de individuele ontwikkeling, het specialiseren op gereduceerde vaardigheden voor een beroep – blijkt dat de staat de omslachtige organisatie van het selectieproces voor de hiërarchie van de beroepen, de oprichting van een voor iedereen toegankelijk onderwijsstelsel, waarin wordt beslist wie wat wordt, als last en overbodige omweg beschouwt. Zijn streven de burgers levenslang eenzijdige functies binnen de arbeidsverdeling te laten vervullen, werd in de standenmaatschappij even goed bereikt: in het gewone volk door erfelijke beroepen en in de bovenlaag door klerikale opleidingen tot staatsdienaars. Als elke democratische verworvenheid moesten de industriële loonarbeiders de staat – die hen had bevrijdt – ook het recht op onderwijs afdwingen; de noodzaak om in de grote industrie hun levensonderhoud te moeten verdienen, konden ze zonder algemene kenniselementen net zomin nakomen als hun “overlookers” tegen de achtergrond van de machinerie hun functie uitsluitend door lichamelijke tuchtigingen en boetes konden verrichten. Wat de in de eenheid van de natie geïnteresseerde idealistische filosofen met hun traktaten over staatsburgerlijke opleiding niet lukte, bereikten de arbeiders die als slachtoffers van de grote industrie de industriële vereisten tegenover de staat doorzetten – nadat zowel de fabrieksscholen als de inspanningen van filantropisch verlichte volksvrienden onbruikbaar bleken te zijn om vrije, d.w.z. verschillende vaardigheden beheersende arbeiders op te leiden. Aan de eis tot afschaffing van privileges op het gebied van onderwijs gaf de staat gehoor door de algemene schoolplicht als middel voor de selectie in te voeren en zo te garanderen dat de arbeiderskinderen enerzijds het noodzakelijke minimum aan kennis en de onmisbare staatsburgerlijke deugdenleer kregen aangeleerd, en anderzijds met overbodige kennisballast niet lastig gevallen werden.

 De idealistische filosofie paste in zoverre enigszins bij het belang van de staat aan een nuttige geestes- en maatschappijwetenschap als ze dit belang als immanent-theoretisch standpunt overnam en in haar strijd tegen het geloof zichzelf onderverdeelde in instrumenteel agerende aparte wetenschappen. De “oude”, de burgerlijke staat dienende universiteit voldeed weliswaar aan haar taak het materiaal voor de geleerde gezindheid van hogere ambtenaren te leveren, maar ze was slechts beperkt bruikbaar voor het algemene onderwijsstelsel dat moest beantwoorden aan de vereisten van de grote industrie. De vrijheid der wetenschap, d.w.z. de onderwerping van het professionele denken aan de doelen van de staat – wat reeds de filosofie typeert – waarborgt de immanente ontwikkeling van de wetenschap tot een betrouwbaar instrument van de klassenstaat, tot partijdige apart-wetenschappelijke beschouwing van alle maatschappelijke fenomenen – op basis van het praktische belang aan het voortbestaan van de burgerlijke toestanden. (Dit is een materialistische verklaring in tegenstelling tot denkbeelden die het nut van de wetenschap voor het kapitaal zonder staat, dus zonder de vrijheid der wetenschap willen bewijzen, of uit abstracte “economische vormbepalingen” en soortgelijke nonsens het denken willen afleiden.)

 2. Met hun verworven eenzijdige vaardigheden worden de en passant mondig geworden burgers door de staat overgelaten aan de concurrentie op de arbeidsmarkt. Hoeveel ze verdienen, is uitsluitend afhankelijk van de prestatie die ze voor hun werkgever willen verrichten; ze proberen de verleende vrijheid te gebruiken om door de verkoop van zo veel  mogelijk arbeid een aangenaam bestaan op te bouwen – met als gevolg dat ze voortdurend werknemers relatief (gezien de vraag naar arbeidskrachten) overbodig maken. De staat die de werkgevers de vrijheid toekent om te beslissen wanneer ze de koop van arbeid lonend vinden, is op de hoogte van de keerzijde van de vrije beroepskeuze, de steeds voorhanden werkloosheid, en hij legt de eerste bouwsteen voor zijn sociale voorzieningen: hij verplicht de loonafhankelijken die door de uitoefening van hun beroep niet continu in hun onderhoud kunnen voorzien dit toch te doen: dwang tot werkloosheidsverzekering. Hij dwingt hen uit voorzorg tot beperking van hun reproductie (premies) en zorgt in precaire situaties tijdelijk voor een verlaagd inkomen (werkloosheidsuitkering). De met de beperkingen groeiende bereidheid tot sociale achteruitgang bevordert de staat door regels die hij al naar gelang van de conjunctuur verscherpt: meldingsplicht, dwang tot het accepteren van “passend” werk, stimuleren van omscholing etc. Deze zuinigheid waardoor alle criteria voor de berekening van werkloosheidsuitkeringen zich kenmerken (duur van de arbeidsverhouding, arbeidsverleden, beperking tot een familielid etc.), maakt het begrijpelijk waarom loonarbeiders zoveel moeite doen om werkloosheid en werklozensteun te vermijden.

 Hun bereidwillige prestaties en steeds grotere inspanningen in het productieproces moeten niet alleen voor een acceptabel inkomen zorgen, maar ook de ondernemer bewijzen dat de koop van arbeid lonend is en zodoende de werkgelegenheid veiligstellen. Met de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering reageert de staat op het feit dat de arbeiders hun gezondheid noodgedwongen verwaarlozen, d.w.z. zo extensief en intensief mogelijk door de ondernemer aangewend worden. De arbeider moet het ziek worden als vanzelfsprekend bijverschijnsel van zijn werk accepteren en daarom voorbereid zijn op ziekteperiodes, dus temporaire arbeidsongeschiktheid. De premies die hij moet betalen, verminderen zijn inkomen en de loondoorbetaling bij ziekte stopt (in Nederland) na twee jaar. Lange ziekteperiodes en blijvende arbeidsongeschiktheid gaan gepaard met gereduceerde inkomens; dus de bereidheid tot werkhervatting na ziekte is groot en wordt nog gestimuleerd door bedrijfsartsen. Daar de ziekte- en invaliditeitsverzekering de loonarbeiders niet beschermt tegen ziekte, maar slechts in staat stelt om naar de bronnen van hun ruïnering terug te keren, probeert de staat de onvermijdelijke arbeidsongeschiktheid binnen de perken te houden. Hij eist van de profiteurs van de loonarbeid een zekere matiging: veiligheidsvoorschriften, medische verzorging, betaalde vakanties.

 Daar de staat de loonarbeiders permanent blootstelt aan de maatschappelijke oorzaken van hun ziektes en hen tegelijkertijd verplicht gezond te zijn, moet hij instellingen ter beschikking stellen die de zieken nodig hebben om weer arbeidsgeschikt te worden: gezondheidszorg. Dat de inspanningen van de geneeskunde gedwarsboomd worden door de vereisten van de loonarbeid, dus niet hetzelfde zijn als de strijd voor gezondheid, blijkt alleen al uit de veelvoudige voorschriften ter vermijding van ziekte als het om natuurlijke oorzaken gaat – terwijl de moderne geneeskunde op het gebied van de veelbesproken sociale oorzaken van ziektes behoorlijk hulploos zou zijn: zo weinig de geneeskunde als geneeskunde voor gezonde arbeiders kan zorgen en de staat een desbetreffende wet wil aannemen, zo cynisch reageren die geneeskundigen die de maatschappelijke oorzaken voor de aantasting van het organisme omvormen tot een psychische uiting en in de psychosomatische geneeskunde recepten ontwikkelen om de getroffenen zo te bewerken dat ze bruikbaar willen blijven voor hun ruïnering.

 De levensweg van de arbeider is dus een proces van ruïnering, waarbij het in de loop der jaren steeds meer moeite kost om de voorgeschreven arbeidsprestaties te leveren. Ter voorbereiding op de tijd dat de loonarbeiders zich niet meer hoeven in te spannen, moeten ze van staatswege premies uit hun inkomens betalen: pensioensverzekering. In ruil voor dit offer ontvangen ze een verminderd inkomen in de jaren van gedwongen nietsdoen waarin ze als vutter of AOW-er – lichamelijk kapot – moeten leven. Opdat ze de bruikbaarheid van hun jongere medemensen door hun aanwezigheid niet bovenmatig belemmeren, stelt de staat de ouderen bejaardentehuizen ter beschikking, waarvan er enerzijds te weinig zijn, en die anderzijds geld verlangen. Dat stelt de familieleden voor het probleem wat goedkoper en gemakkelijker is: de kosten voor het bejaardentehuis of het lastige meeslepen van grootmoeder en grootvader – in de kring van de huiselijke idylle.

 Verzekeringen zijn kennelijk sociale instellingen die met de bescherming van de mensen die premies betalen niets te maken hebben: iedereen moet daarvoor betalen omdat zeker is dat hij ze ooit nodig heeft, hetzij als hulp bij het herstellen van zijn bruikbaarheid, hetzij als genadebrood als hij onherstelbaar beschadigd is; offers verlangen van degenen die slachtoffers worden, dat maakt het sociale karakter uit van deze instellingen. Hun doel, het behoud van de loonarbeid als middel van het eigendom, wordt door de verplichte werkgeversbijdragen ook niet verhuld, maar verduidelijkt. De hierdoor ontstaande kosten zijn voor de ondernemers weliswaar lastige bijverschijnsels van de vermeerdering van hun vermogens, maar geen bedreiging van hun reproductie – vandaar dat ze door de staat ook niet gedwongen worden om zichzelf te verzekeren. Als hun beschermingsbehoefte niet bevredigd wordt door de overtuiging van hun eigendom te kunnen leven, zijn er alle mogelijke vrijwillige verzekeringen die zich, afgezien van de privileges die ze bieden, van der verplichte verzekeringen daardoor onderscheiden dat ze winst afwerpen.

 Daar de verzekeringen offers verlangen en weinig zekerheid bieden, ziet de staat zich geconfronteerd met de klachten van zijn burgers die, als ze de bedreigingen van de reproductie door de loonarbeid aan den lijve ondervinden, van de staat compensatie eisen en de kosten voor verzekeringen met hun prestaties vergelijken. Enerzijds kritiseren ze de beperkingen die hen bij het gebruik van verzekeringen opgelegd worden als onrechtvaardig en benadrukken wat voor bruikbare mensen zij zijn die toch zeker waardering verdienen. Anderzijds verwijten de premiebetalers degenen die van verzekeringen gebruik moeten maken hun onbruikbaarheid –  mensen die misbruik maken van de sociale voorzieningen ten koste van hun medeburgers.

 De werklozen insisteren op het recht op arbeid als zou de werkloosheid daar niet bijhoren, eisen van de verzekering voldoende bestaansmiddelen en oogsten voor hun hulpeloos verzet tegen de sociale neergang het verwijt van luiheid dat ze zich noodgedwongen aantrekken. Ook de klachten over de manco’s van de ziektekostenverzekering hebben een keerzijde. Terwijl men voor zichzelf hulp bij ziekte verwacht, kan men de kritiek op de anderen niet onderdrukken wanneer ze gebruik maken van de verzekering: de anderen nemen baaldagen en veroorzaken hogere kosten. Vandaar dat vele werknemers de verwaarlozing van hun eigen gezondheid niet alleen noodzakelijk vinden (de angst voor werkloosheid is gegrond!), maar ook juist.

 De economisch nutteloze AOW-ers die van een onbezorgde en rustige levensavond willen genieten en voor hun vroegere inspanningen dank verwachten, worden door degenen veracht die nog de ideologie aanhangen dat aanspraken nu eenmaal op prestaties berusten. Zo staan de klachten over de harteloosheid tegenover de ouderen pal naast het brutale lof der jeugd voor wie men zorgen moet omdat ze de toekomst heeft; en de onnozelheid van de ouderen die in de jeugdige bruikbaarheid hun eigen, nu verbleekte jeugd ontdekken, wedijvert met de trots van de jongeren die niet willen inzien dat hun daadkracht het beste middel is om gauw oud te worden.

 Tegenover deze dubbele ontevredenheid rechtvaardigt de staat zijn maatregelen met de aanvoering van de onvermijdelijke levensrisico’s; om die te reduceren zou iedereen solidair een bijdrage moeten leveren, en hij prijst zijn sociale maatregelen als noodzakelijke aanvulling op het prestatieprincipe dat iedereen de kans op een menswaardig bestaan zou bieden. De klachten van de getroffenen over de onrechtvaardigheid van de werkloosheid wijst de staat van de hand met de aanvoering van zijn onmacht tegenover de ontwikkeling van de concurrentie en de verantwoordelijkheid van de ondernemers, die hij dan ook daadkrachtig ondersteunt. De bezwaren over het geploeter van de loonarbeid bestrijdt hij met de verdediging van het prestatieprincipe of door in te stemmen in de roep om “humanisering van de arbeidswereld” – (die door aanpassing aan de fysieke en psychische beperkingen van de arbeiders hun zelfruïnering attractiever en effectiever moet maken). Tegen de gangbare aanvallen op de gezondheidszorg – die de wil van de staat tot ziektebestrijding veronderstellen – verdedigt hij zich door vergelijkingen met vroegere tijden toen epidemieën om zich heen grepen en de mensen jong stierven, en hij maakt propaganda voor een gezond privé-leven van zijn burgers. Met klachten over het “prestatie- en consumptiedenken” verwijt hij de mensen dat ze zich kapot laten maken; met zijn propaganda voor matigheid en gezonde voeding probeert hij de arbeiders ook in hun privé-sfeer, waar hij hen geen voorschriften kan maken, te bewegen om op hun zelfvernietigende maatschappelijke bruikbaarheid te letten. En daar het aankomt op prestaties die degenen die ze verrichten weinig oplevert, verkondigt hij met zijn lofgezang op de jeugd het ideaal van de bruikbaarheid, aangevuld met het verzoek om in plaats van de ouderen te minachten de staat door familiale solidariteit van een deel van deze last te bevrijden.

 Tegen de achtergrond dat de staat niet van plan is om van de sociale rechten van de burgers iets anders te maken dan ze zijn: namelijk compensaties die tot voortzetting van het loonarbeidersbestaan dwingen, hebben de linkse arbeidersvrienden niets beters te doen dan deze rechten met het argument te verheerlijken dat ze door de arbeiders bevochten werden. Uitgerekend het feit dat de staat noodgedwongen tot toegevingen moest worden gedwongen, gebruiken ze om nog de nietigste concessies tot arbeidersrechten te verheffen; en met dit cynische lof als intellectuele bagage kritiseren ze op alle gebieden het “onvermogen” van de staat en voeren hun revisionistische strijd voor rechten.

 De fascisten zien in de sociale maatregelen niet alleen als elke democraat vervelende kosten, maar ook een zaak die de ondergang van de natie begunstigt. Tegenover het behoud van de slechts beperkt bruikbare arbeidskracht stellen ze de onvoorwaardelijke aanspraak van de staat op offervaardige dienstknechten. De kapitalistische concurrentie en haar gevolgen nemen ze als aanleiding om de mensen daarnaar te beoordelen of ze tot plichtsvervulling bereid en in staat zijn: selectie van staatswege.

 3. De aandacht van de staat voor de bruikbaarheid en werkwilligheid van de loonarbeiders verschaft hen – als beloning voor hun nuttigheid – de veelgeprezen privé-sfeer die in de westerse wereld beschermt is. Deze vrijheidssfeer heeft echter grenzen die allemaal in verband staan met de loonarbeid: de vrijheid begint wanneer het werk stopt, en haar genot is een kwestie van geld. Omdat de loonarbeider zich alles veroorloven mag, maar zich niet alles veroorloven kan, koopt hij uitsluitend wat hij zich veroorloven moet. Bij de indeling van zijn tijd handelt hij net zo. Het invullen van de vrije tijd wordt gedicteerd door de noodzaak om zijn bron van inkomsten, d.w.z. zijn arbeidsvermogen te behouden. Bij de pogingen om zijn wensen te bevredigen, ondervindt hij niet alleen dat hij te weinig tijd en geld heeft, maar ook dat de onbezonnen gebruikmaking van zijn privé vrijheid steeds ten koste gaat van de middelen die per se noodzakelijk zijn voor het behoud van zijn arbeidskracht. En zelfs de bevrediging van de behoeften die functioneel zijn voor zijn arbeidsvermogen wordt belemmerd door maatschappelijke omstandigheden waar hij vanwege zijn kleine portemonnee niet tegenop kan. Vandaar dat de staat zijn sociaal-politieke afdeling uitbreidt met extra maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de moeilijkheden van het privé-leven het arbeidsleven niet in de weg staan. Deze maatregelen zijn dus geen cadeaus; ze hebben de sociale functie de loonarbeiders in staat te stellen om in hun vrije tijd ondanks alle obstakels de reproductie van hun arbeidskracht te bewerkstelligen – hetgeen verbonden is met nieuwe verplichtingen en offers en het rijk van de individuele vrijheid aan de vereisten van de uitbuiting onderwerpt.

- Daar de arbeider geen eigendom heeft, moet hij een woning huren. Deze elementaire bestaansvoorwaarde maakt hem afhankelijk van de grondbezitter die zijnerzijds uit zijn eigendom inkomsten wil betrekken. De collisies tussen de noodzakelijkheden van de privé-sfeer en het recht van de huisbezitter op behoud en effectief gebruik van zijn eigendom regelt de staat met het huurrecht, dat vanwege het respecteren van beide partijen de huurders noch woonruimtes, noch betaalbare prijzen garandeert. Op het tekort aan goedkope woningen – het grondeigendom is een erkende bron van inkomsten! – reageert de staat met zijn volkshuisvesting. Deze bestaat o.a. (nationale verschillen) daarin dat de staat de poging van de betrokkenen om zich van huurverplichtingen te bevrijden daardoor bevordert dat hij het sparen bij bouwspaarfondsen ondersteunt; en daar met het verstrekken van hypotheken het eigen huis definitief tot levenslang probleem wordt, probeert men dit nieuwe offer, dat gepaard gaat met de woonwens van arbeiders, aanlokkelijk te maken door de ideologie van “eigen haard is goud waard”. Omdat degenen die op een goedkope woning aangewezen zijn zich niet de luxe kunnen veroorloven naast de te hoge huur ook nog voor een eigen huis te sparen, is er de sociale woningbouw, “een vorm van gesubsidieerde woningbouw die bedoeld is voor mensen met een benedenmodaal inkomen”. Daar de sociale woningbouw weliswaar woningen neerzet, maar niet het woningprobleem van arme mensen oplost, neemt de staat een maatregel om het conflict tussen het belang aan goedkope woningen en de legitieme winst van de huizenbezitter af te zwakken: hij betaalt huurtoeslag en verandert zo belastinggeld in winst die het grondeigendom dus ondanks de armoede van de huurders kan behalen.

- De bedreiging van de reproductie door de tijdrovende afstand tussen woning en werk verlangt van de staat bijzondere aandacht voor de uitbouw van het verkeersnet. Enerzijds moet hij bij de wegenbouw rekening houden met het groeiende privé verkeer, anderzijds is vanwege de onbetaalbaarheid van een eigen auto het optimaliseren van het openbaar vervoer geboden. Deze maatregelen bieden de massa’s het troostrijke alternatief óf de arbeidstijd door het woon-werkverkeer te verlengen, óf door besteding van meer geld te verkorten.

- De afhankelijkheid van de burgers van actuele informaties over de wisselende maatschappelijke omstandigheden waaraan ze zich moeten aanpassen, het bekend zijn met alle mogelijke voorwaarden van hun reproductie – wat veel vrije tijd kost – maakt de staat zich ten nutte door ervoor te zorgen dat de vrij toegankelijke noodzakelijke informaties gezagsgetrouw gepresenteerd en geïnterpreteerd worden. Het kernpunt van de politieke afdeling van de media zijn de nieuwsuitzendingen die gedurende de hele dag het geldende standpunt van de natie omtrent de internationale conflicten verkondigen, de actueelste stand van onderdrukking en uitbuiting onder afweging van alle voor- en nadelen als onvermijdelijk voorstellen, en aan de hand van meldingen over misdaad en noodweer benadrukken dat de staat ten eerste noodzakelijk en ten tweede betrouwbaar is. De eentonigheid van dit evenement berust op de methode van het becommentariërende pluralisme: geen maatregel, geen gebeuren, van de metrobouw tot en met de Olympische Spelen, worden zonder het oordeel van meerdere toonaangevende figuren uit politiek en bedrijfsleven getoond. Opdat de burger zich niet tevredenstelt met de pure kennisneming en voor de rest een tamelijk ongeïnteresseerde houding aan de dag legt ten opzichte van de belangen van de natie, krijgt hij commentaren, politieke magazines en discussies voorgeschoteld die zijn eigen mening vormen. Op de onwil van de burgers om in hun vrije tijd de zorgen van de staat te delen, reageert men door handige programmering. Opdat de burger zich niet onttrekken kan aan de propaganda wordt deze gepresenteerd in het kader van uitzendingen die allerlei praktische tips en adviezen bieden en daarom zijn belangstelling wekken. Vooral de voorlichting van de nieuwsgierige jeugd over de beslommeringen des levens en het laatste nieuws over de frustraties van het vrouwenleven zijn geschikt voor een grondige morele vorming. De financiële middelen die de media ontvangen (kijk-, luister- en belastinggeld, reclame) stellen hen ook in staat om het verlangen van de burgers naar amusement te bevredigen. Omdat de (publieke) omroepen op de hoogte zijn van de geestesgesteldheid van de werkende burgers tonen ze ook op dit vlak veel begrip. Ze voldoen door stompzinnige entertainment- en kwisprogrammas aan de behoefte naar compensatie voor de ruïnering in de arbeidswereld, die uitgebreide intellectuele inspanningen onmogelijk maakt. De vulgaire vormen van popmuziek, show en film beschouwt men als het geschikte programma voor de compenserende opvoeding, waarnaar het volk helaas verlangt. Het bestaat uit drie delen: ten eerste is het leven niet altijd een pretje; ten tweede laten we ons het plezier niet bederven omdat ten derde voor de hemelpoort allen gelijk zijn. Zo heeft elke cultuurnatie ook haar massacultuur.

- Met de noodzakelijke lichamelijke compensatie voor de inspanningen op het werk houdt de staat rekening door recreatie- en sportcomplexen beschikbaar te stellen. Ook die zijn niet gratis en de werkende bevolking mag bewijzen dat ze bereid is in haar eigen gezondheid te “investeren”. Entreeprijzen, lidmaatschappen en de eisen van het verenigingsleven maken de vrijwillige lichaamsbeweging tot een kwestie van offervaardigheid. En omdat velen vanwege de eenzijdige bewegingen op het werk geen zin meer hebben in lichamelijke inspanningen en hun tijd en geld liever besteden aan andere soorten genot, worden ze permanent lastig gevallen met de propaganda voor gezond leven. Elke beweging, van winkelen tot boswandelingen, kan men tenslotte als sport beschouwen, en rust roest. En waar jonge mensen werkelijk warmlopen voor de sport bevordert de staat de topsport, d.w.z. de sport als beroep, en creëert daarmee zowel een prachtig middel voor de representatie van de natie als een nieuw aanbod voor de amusementsbranche.

 Omdat de grote meerderheid van de burgers moeite heeft om dat te doen wat de kleine minderheid van haar verwacht: gezond en goedgemutst blijven om op het werk en als staatsburgers haar mannetje te staan, hebben sommige wetenschappers en journalisten, die over het functioneren van de samenleving bezorgd zijn, het probleem van de “vrijetijdmaatschappij” ontdekt. Ze zien in de belemmerde reproductie van de massa’s een gevaar, leggen de gevolgen van loonarbeid en gereglementeerde privé-sfeer de getroffenen ten laste en verwijten hen dat ze niets (zinnigs) met hun vrije uren weten te beginnen. Ze verwachten veel van een verkorte, welbestede vrije tijd.

 4. Voor allen die de concurrentie in opleidingsinstellingen en op het werk niet aankunnen, dus niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien en ook niet voorbereid zijn op de tijd van hun onbruikbaarheid, heeft de staat zijn sociale steunmaatregelen in petto. Hij rekent op een permanent pauperisme en verklaart het tot publieke aangelegenheid. De bijstandsontvanger dient zich aan verplichtingen te houden: hij moet o.a.“alles doen om zo snel mogelijk betaald werk te vinden en mag geen passend werk weigeren”, anders wordt de bijstandsuitkering verlaagd of beëindigd. Zo verduidelijkt de staat zijn burgers ook aan de hand van ernstige individuele nood dat hij niet voor hen bestaat, maar dat de burgers het algemeen belang moeten dienen door voor zichzelf te zorgen – wat echter alleen mogelijk is door de bevordering van het voordeel van anderen. Om zijn (geringe) kosten voor de moderne armenzorg zo laag mogelijk te houden, herinnert de staat zich graag aan de morele gezindheid van zijn burgers, namelijk aan de verenigingen die een beroep doen op de moraal van de nog arbeidsgeschikte mensen en op marktplaatsen en voor huisdeuren giften inzamelen. De staat ondersteunt deze charitatieve instellingen zodat het morele handelen gescheiden wordt van het toevallige medelijden van enkelen; onafhankelijk van de waarneming van de ellende in de naaste omgeving ziet iedereen zich geconfronteerd met de georganiseerde voorstelling van nood, waarvoor hij zich verantwoordelijk moet voelen. Zo ontdekken uiteindelijk ook ongelovigen de functie van de kerk, hun solidariteit met hun medeburgers en besparen de staat kosten, hetgeen die verheugd registreert – en zijn geld ter bevordering van het eigendom gebruikt.

 5. Dat de staat het behoud van de loonarbeidersklasse beoogt, valt niet te betwijfelen; een ding is echter ook zeker: deze zorg doet de op loon aangewezen burgers geen goed. Alle maatregelen van overheidswege komen erop neer dat de loonafhankelijke mensen het weinig bewonderenswaardige kunststuk wordt opgedwongen de consequentie uit hun dienst voor het eigendom uit te houden: zowel de gevolgen van het productieproces te verdragen als het instrumentaliseren van hun privé-leven voor hun bruikbaarheid als arbeidskrachten te bewerkstelligen. Als initiatiefnemer en hoeder van de vrijheid ziet de staat zich geconfronteerd met de overlevingswens van de arbeiders, waaraan hij gehoor moet geven; per slot van rekening is het bestaan van zijn werkende burgers de voorwaarde voor hun gewaardeerde nuttige dienst. Vandaar dat de staat de grenzen van de uitbuiting bepaalt en optreedt als beschermer van de arbeidskracht op het terrein waar haar aanwending samenvalt met haar regelrechte ruïnering. De wettelijke vaststelling van een normale arbeidsdag is de reactie op de verhindering van iedere reproductie als gevolg van het vrije spel der krachten op de arbeidsmarkt: daar elke arbeider ter verbetering van zijn reproductie zo veel mogelijk probeert te werken en het overaanbod aan arbeid door de koper van de arbeidskracht gebruikt wordt om het loon te verlagen, leidt de geprezen vrije concurrentie onvermijdelijk tot een arbeidsdag waarvan de lengte de arbeiders ruïneert en de opbrengst niet genoeg is voor hun levensonderhoud. Natuurlijk beoogt de staat noch met deze maatregel, noch met zijn andere voorschriften inzake “veiligheid en gezondheid op het werk” de afschaffing van de oorzaken die voor de situatie van de werkende klasse verantwoordelijk zijn. Als echte sociaalstaat beperkt hij zelfs de noodgedwongen pogingen van de arbeiders om langer dan normaal te werken en bepaalt de condities waaronder dat mag plaatsvinden.

 De diverse en als vooruitgang van het kapitalisme geprezen beschermingsmaatregelen komen voort uit het criterium dat de openbare macht toepast wanneer ze extra rechten voor loonafhankelijke mensen opstelt: de uitwerkingen van de loonarbeid moeten zodanig begrensd worden dat de reproductie door loonarbeid mogelijk blijft en daaruit geen “sociaal probleem” zonder enigerlei nut ontstaat. Marx heeft de clou van de wetten die de nietsontziende ruïnering van de aan de kapitalisten uitgeleverde arbeiders zo reglementeren dat de arbeiders bruikbaar blijven voor het kapitaal als volgt samengevat: “Hoe zou men de kapitalistische productiewijze beter kunnen karakteriseren dan door de noodzaak haar wettelijk te verplichten de meest eenvoudige maatregelen te nemen ter bescherming van de gezondheid en van de hygiëne?”

 Wetten die de arbeiders beschermen, regels “ter handhaving van goede zeden en fatsoen”, voorschriften inzake ongevallenpreventie en speciale voorwaarden op het gebied van de uitbuiting van jongeren en zwangere vrouwen zijn de troosteloze concessies van de staat aan de menselijke waarde, waarvan de gezagdragers weten dat ze in het dienst van het eigendom voortdurend beschadigd wordt. De noodzaak om van overheidswege de ruïnering van de arbeiders in het productieproces aan banden te leggen, maakt niet alleen duidelijk dat de bezitters van de productiemiddelen uit zichzelf niet bereid zijn de verwoestende uitwerkingen op lichaam en geest van hun productie-instrumenten te matigen; daaruit blijkt ook de macht van het eigendom om zijn doelen tegen de concurrerende arbeiders door te drukken.

 Zo zijn de bepalingen die de staat tegen de bezitters ter bescherming van de loonarbeiders afkondigt kennelijk een pendant van de regelingen waardoor hij de vermeerdering van het eigendom garandeert door de erkende winstmakerij regels voor te schrijven, waardoor alle eigenaars in staat gesteld worden om zaken te doen. Het kleine verschil met de regelingen die voor het doorgaan van de concurrentie tussen de arbeiders zorgen, laat zich aflezen aan datgene wat door de concurrentie bedreigd wordt en zonder het ingrijpen van de staat niet voortbestaat: terwijl de concurrentie tussen de eigenaars de productieve gebruikmaking van het eigendom bedreigt en de staat beperkingen verordent die de productieve gebruikmaking van het eigendom waarborgen, leidt de concurrentie tussen de loonarbeiders tot vernietiging van hun bestaan en vormt vanwege hun daarmee verbonden onbruikbaarheid voor de staat een probleem: namelijk omdat de getroffenen – vrije aanbieders van hun arbeidsvermogen – dergelijke arbeidsverhoudingen die niet eens het levensonderhoud opleveren niet langer accepteren. Ze verzetten zich tegen de uitwerkingen van de verordende onderlinge concurrentie, sluiten zich aaneen en voeren gemeenschappelijk actie voor betere arbeidsvoorwaarden. De reeds genoemde beschermingsmaatregelen werden de staat afgedwongen door de strijd van de arbeidersklasse en vormen, als ze van kracht zijn, voor de bezittende klasse het uitgangspunt voor allerlei inspanningen om de verminderde exploitabiliteit van hun arbeiders weer ongedaan te maken. Op basis van de bevochten wettelijk vastgestelde arbeidsvoorwaarden begint de concurrentie tussen de arbeiders opnieuw en geeft de kapitalisten de mogelijkheid om de verhouding tussen loon en prestatie in hun eigen voordeel te veranderen, zodat het periodieke verzet van de voor hun bestaan vechtende arbeiders deel uitmaakt van de normaliteit van de burgerlijke maatschappij. De staat ziet zich zowel met de antagonistische tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal als met de klassenstrijd geconfronteerd, waardoor zijn sociale inzet voor eigendom en loonarbeid behoorlijk verstoord wordt. Geen een van zijn prestaties voor het eigendom en de loonarbeid sticht de sociale vrede omdat elke maatregel de tegenstelling – waarop de staat is gebaseerd – alleen maar modificeert en de loonarbeiders nieuwe redenen geeft om te strijden.

 De democratische staat, die de coalities van de arbeiders niet verbieden wil daar het wrede neerslaan van stakingen het middel ter vermeerdering van het eigendom decimeert en de arbeiders tot staatsvijanden maakt, ontfermt zich dus over het sociale conflict door de arbeidsstrijd wettelijk te regelen: hij tolereert deze strijd door zijn grenzen vast te stellen en bezweert het daarvan uitgaande gevaar voor het privé-eigendom doordat hij de arbeidsstrijd voorschrijft het privé-eigendom en zijn vermeerdering als grens te erkennen. De arbeiders verleent hij de vrijheid van coalitie en kondigt wetten af over de legitieme gebruikmaking van deze vrijheid. De diametraal tegenovergestelde klassen veranderen in sociale partners door de wettelijke garantie van de contractvrijheid: de dwang om in onderhandelingen CAO’s af te sluiten die de ene partij de mogelijkheid bieden om door aanpassingen van het productieproces te profiteren van de concurrentie tussen de arbeiders op de arbeidsmarkt en in het bedrijf, en de andere partij gedurende de looptijd van het contract met de verplichting tot het bewaren van de arbeidsrust verblijden. De contractvrijheid gaat gepaard met wetten die bepalen onder welke voorwaarden stakingen legaal zijn: een staking moet sociaal adequaat zijn, mag dus niet aansturen op de vernietiging van de sociale partner (d.w.z. van diens eigendom) en moet rekening houden met de belangen van derden die steeds geïnvolveerd zijn. Daarbij denkt de staat ook aan zichzelf: de economische en gehele situatie van de natie stelt grenzen aan de aanspraken van arbeiders op verandering van de verhouding tussen loon en prestatie en laat het belang aan een acceptabel levensonderhoud slechts voorwaardelijk gelden. Terwijl de ideologische aanhangers van de contractvrijheid daarin de idyllische toestand van niet-inmenging van staatswege in arbeidsconflicten ontdekken, blijkt uit elke paragraaf van het arbeidsrecht dat de veelgeprezen contractvrijheid de vakbondsstrijd in een wettelijk kader plaatst, dat de staat zich dus inmengt in de klassenstrijd en het uitvechten ervan onderhevig maakt aan een stelsel van verplichtingen voor de vakbonden.

 Met deze wetten zorgt de staat ervoor dat elke CAO-onderhandeling een methode ter verhindering van een echte strijd is, een compromisoplossing in het belang van het privé-eigendom. Uit de definitie van een “wilde staking”, een collectieve actie die niet volgens de officiële rituelen plaatsvindt, dus uit het stakingsrecht blijkt de dwang van overheidswege tot compromis, tot gedoseerde inzet van strijdmiddelen en tot loyaliteit.

 In moderne kapitalistische staten worden de vakbonden door deze houding gekenmerkt. Ze proberen aan het behoud van de sociale vrede mee te werken en strijden in dit verband met hun tegenstanders over het gepaste respect voor de werkende staatsburger, en zelfs de arbeidsconflicten voeren ze als strijd voor de erkenning van de bonden, van de contractvrijheid, van de democratische rechten etc. – ten koste van de arbeiders.

 Als de staat de vakbondsstrijd in het voordeel van de tegenpartij legaliseert en daarmee ondergeschikt maakt aan zijn eigen doeleinde: de handhaving van de klassentegenstelling, dan heeft hij niet alleen de strijdorganisaties van de arbeiders de schending van de sociale vrede bemoeilijkt, maar ook het eigendom de mogelijkheid gegeven om van het normaliter zonder strijd tot stand gekomen compromis gedurende de looptijd van de CAO’s daadkrachtig gebruik te maken. De onderwerping van de arbeiders aan de contractueel vastgestelde arbeidsrust is een regelrechte vrijbrief voor de ondernemers om de arbeidsvoorwaarden te wijzigen, zodat de vakbonden voortdurend aanleidingen zien om te strijden. Op de inbreuken van het kapitaal op de contractueel vastgestelde rechten van de arbeiders reageert de staat door zijn wet op de ondernemingsraden; daarin wordt bepaald dat de arbeiders de permanente schending van de arbeidsvrede in het bedrijf door de eigenaars moeten aanvaarden. De arbeiders krijgen het recht op een eigen belangenvertegenwoordiging die verplicht is de bedrijfsinterne arbeidsvrede te behouden. De oprichting van een ondernemingsraad die gehoord en geïnformeerd moet worden en tegen wetsovertredingen – die in de fabriek blijkbaar voortdurend gebeuren – juridische stappen mag ondernemen (hij mag ook erop letten dat de arbeiders niet zuipen, roken of uit eigen belang de voorschriften ter ongevallenpreventie overtreden), maar over generlei beslissingsbevoegdheid beschikt, verlangt van de arbeiders een klacht in te dienen in plaats van te strijden tegen de beproevingen in het bedrijf. De ondernemingsraad is het geïnstitutionaliseerde afzien van de vakbondsstrijd op het werk, hetgeen de arbeiders aantrekkelijk gemaakt wordt met de ideologie dat daarmee de mogelijkheid bestaat om op de werkvloer de dagelijkse conflicten vreedzaam bij te leggen; het ideale terrein voor vakbondsmensen met hun droom van medezeggenschap – inzake onderwerping aan de belangen van het eigendom.

d)

Met zijn maatregelen die de loonarbeider een vrij en daarmee beperkt bestaan garanderen, heeft de staat zijn plicht tegenover de legitieme aanspraken van zijn burgers op reproductie nog niet volledig gedaan. Daar de vrijheid om van een willekeurig iemand te houden de loonarbeiders hun troosteloze alledaagse bestaan zou kunnen doen vergeten, moet de staat hen in de praktijk herinneren dat hun wens naar liefde en kinderen een functie voor de maatschappij dient te vervullen. Daar kinderen eerst nog maatschappelijk bruikbare, d.w.z. concurrerende individu’s moeten worden en daarvoor zorg, opvoeding en onderhoud nodig hebben, onderwerpt de staat de liefde aan de noodzakelijkheden van het zelfbehoud van zijn burgers en verplicht de man om de kosten voor moeder en kind te dragen, en de vrouw om niet alleen de opvoeding van de kinderen op zich te nemen, maar ook om als “reproductie-helpster” van de man te fungeren. Door de wettelijke regeling van de – het burgerlijke nutprincipe weersprekende – verhouding tussen man en vrouw als arbeidsdelige reproductiegemeenschap bevrijdt de staat zich en het eigendom van de zorg om de maatschappelijke last van de nog-niet-werkenden en zorgt voor een nut van de liefde dat de betrokkenen duur komt te staan. De institutie burgerlijke familie, die de goedgesitueerde burgers amper beperkingen oplegt, maakt voor het lage volk de triestheid van het arbeidersbestaan compleet: óf men ziet af van liefde en kinderen en kan zich meer genotsmiddelen veroorloven, óf men bewijst zijn liefde door de gestegen zorgen levenslang te delen en familieplichten te vervullen.

 Door het familierecht maakt de staat de het burgerlijke bestaan bedreigende liefdesrelaties tot middel voor de reproductie van de arbeidersklasse. Hij koppelt de vrijheid van de liefde aan een geregelde huwelijks- en familieverhouding die man, vrouw en kind wettelijk als privé-personen definieert en hen rechten verleent en plichten oplegt, die het gevoel tot basis van een systeem van wederzijdse aanspraken en beperkingen maken – en zodoende ruïneren; vandaar dat niet weinigen pas trouwen als een kind op komst is. Door de man met de zorg voor het inkomen, de vrouw met de huishouding te belasten en door hen beiden de ouderlijke macht over het kind toe te kennen, bewerkstelligt de staat dat de familieleden via hun wederzijdse liefdevolle beperkingen voldoen aan de eisen van het arbeidsleven, dat met hen nauwelijks rekening houdt.

 Het kind dat als noodzakelijke kostenfactor van de maatschappij geldt, wordt aan de ouderlijke willekeur onderworpen, bekoopt dus zijn verzorging en opvoeding tot zelfstandigheid in de concurrentie zowel met de jarenlange directe afhankelijkheid van de middelen en verwachtingen van de ouders – die gehoorzaamheid en nuttige concurrentiepogingen eisen – als met de beperking van zijn vrije wil tot het meerderjarig is; vandaar dat het kind met toenemende leeftijd steeds minder redenen heeft voor de verwachte dankbaarheid en de gevraagde eerbied tegenover zijn ouders. De weerspannigheid en de drang naar onafhankelijkheid van het ouderlijke huis – na “geborgen” kinderjaren – horen net zo bij de jeugd als de onvermijdelijke ontgoocheling over de vrijheid van een zelfstandig bestaan in de concurrentie, dat het kind zich voorstelt als bevrijding van de voorschriften in het ouderlijke huis, als geluk eindelijk op eigen benen te staan.

 De man die een gezin sticht, bekoopt zijn liefde met de vermindering van zijn toch al te laag inkomen, met een benauwd huiselijk bestaan dat hem met de zorgen en wensen van vrouw en kind confronteert, en allesbehalve de verwachte ontspanning na het buitenhuiselijke arbeidsleven verschaft. Zo wordt de familie tot extra last en het beetje “plaisir d’amour” voortdurend bedorven door de wederzijdse onvervulbare aanspraken, met als gevolg dat de man naast televisie en kroeg zelfs zijn werk weet te waarderen.

 De vrouw wordt met de huishouding opgezadeld, op een bestaan in dienst van man en kind vastgepind en tot eentonige en moeizame werkzaamheden verplicht. Haar maatschappelijke functie, die publieke erkenning geniet, bestaat uit het persoonlijke offer voor het welzijn van de familieleden, uit het gezwoeg voor onverstandige kinderen, uit het dagelijkse probleem om met weinig geld de door het werk vermoeide man een aangename avond en brave kinderen te bezorgen, en als bekroning mag ze ook nog klaar staan voor zijn ontspanningsbehoefte.

 Daar de familieleden nu eenmaal voor elkaar moeten zorgen, ontziet de staat zijn krappe financiële middelen bovendien daardoor dat hij voor alle wisselvalligheden van het arbeidersleven – die kennelijk zeer talrijk zijn – eerst de familie laat betalen voordat zijn prachtige sociale voorzieningen enigerlei hulp bieden; een mooie verduidelijking waarvoor het spaargeld van de familie goed is.

 De staat zorgt er met extra maatregelen voor dat de door het huwelijks- en familierecht dienstbaar gemaakte liefde haar nut voor de reproductie van de arbeidersklasse behoudt. Op de gestegen kosten van levensonderhoud reageert hij door belastingverlagingen, die de ondernemingen hogere loonkosten besparen en dankzij de grotere consumptie van de familie weer in de staatskas terugstromen. De bereidheid om de zorg voor kinderen op zich te nemen, bevordert hij door kinderaftrek en kinderbijslag die vrij mager uitvallen omdat hij zeker weet dat uit de vrijheid van de liefde ondanks alle onprettige gevolgen voor de betrokkenen nieuwe kleine staatsburgers voortkomen. Zo honoreert hij de prestatie van de ouders voor de maatschappij en vult deze premies aan met studiefinancieringen wanneer het karige familie-inkomen de nuttige opleiding van de kinderen in het voortgezet onderwijs verhindert. En daar arbeiders noch over grote woningen met tuin beschikken, noch tijd hebben voor uitstapjes in de natuur laat de staat een aantal troosteloze speeltuinen bouwen, waar de kinderen kunnen worden gedumpt.

 Daar dergelijke steunmaatregelen de families geen aangenaam leven willen bezorgen, moet het arbeidersgezin zien rond te komen doordat ook de vrouw, voor zover enigszins mogelijk, de familie verwaarloost en door slecht betaald werk het huishoudgeld verhoogt; zo verschaft de institutie familie de ondernemers goedkope en gewillige arbeidskrachten en de arbeiders een prijsverlagende concurrentie, terwijl de arbeidersvrouw gebukt gaat onder de dubbele taak van huishouding en werk – indien ze niet uit liefde voor het kind met een lager familie-inkomen genoegen neemt. De eisen van de familie, die de vrouwen nopen tot meewerken, worden daarbij voortdurend tot hindernis voor hun arbeidsvermogen; vandaar dat de staat de noodgedwongen ruïnering van de familie met maatregelen aanvult die de belasting door kinderen iets verminderen om de economische bruikbaarheid van de vrouwen te vergroten; de extra kosten die daardoor voor de familie ontstaan, versterken nog de bereidheid van de vrouwen om hun vrije tijd in arbeidstijd te veranderen. De staat reageert op de tegenstelling tussen de vereisten van het arbeidsleven en het onrendabele krijgen van kinderen door moederschapsverlof, waardoor de moeder in staat gesteld wordt om zich gedurende een beperkte periode geheel aan kind en man te wijden zonder het recht op haar baan kwijt te raken. Zijn poging om de vrouwen beschikbaar te maken voor de arbeidsmarkt combineert de staat te eniger tijd met de bepaling dat vrouwen slechts dan mogen werken als ze bewijzen kunnen dat voor de kinderen gezorgd wordt: namelijk wanneer vanwege een overaanbod aan arbeidskrachten de vrouwen werkloos worden, het gezin hen weer eens dringend nodig heeft en de staat ter besparing van werkloosheidsuitkeringen het huisvrouwenbestaan weer als eerbaar beroep beschouwt. Om de vrouwen in de jaren dat het kapitaal ze aanwenden kan, ook dan in staat te stellen om te werken als ze thuis onmisbaar zijn, richt de staat kleuterscholen op die de kinderen in bewaring nemen en voor hun toekomstige taken in de maatschappij helpen af te richten.

 Daar de staat met de familie nieuwe lasten, dus de voortdurende bedreiging van de gevoelsband die de lasten dragelijk maakt geïnstitutionaliseerd heeft, zorgt hij bovendien ervoor dat de nuttige kanten van het gezin ook zonder dit gevoel behouden blijven. Hij completeert de vrijheid van het privé-leven, dus de geïnstitutionaliseerde wederzijdse kwellerij, met huwelijks- en opvoedingsadviezen in media en overheidsinstellingen die met raadgevingen omtrent volhouden de kerkelijke moraalpreken aanvullen resp. vervangen, en hij regelt met de bordeelwet het gezinsbegeleidende surrogaatplezier als louche burgerlijke branche. Opdat de persoonlijke gevoelsband met zijn verplichtingen ook dan voortbestaat wanneer het gevoel verdwenen is, maakt de scheidingswet de scheiding onderhevig aan wettelijke en financiële clausules die de laagverdieners van de maatschappij samenkoppelen – waarvoor de gezinsleden moeten boeten…Waar de onderlinge dwang omslaat in lichamelijk geweld tegen kinderen voelt de staat zich geroepen om in het ouderlijke recht in te grijpen; jeugdzorg en kinderbescherming voltooien het verwaarlozingsproces dat in het gezin begon.

 (Natuurlijk is de familie – als alle algemene instellingen van de staat – voor degenen die geen reproductieproblemen kennen geen last maar een zegen. De kinderen, erfgenamen van het familie-eigendom, vallen de moeder niet lastig maar worden door kindermeisjes en eventueel internaten probleemloos op hun opvolger-bestaan voorbereid; de echtgenote dient en treedt op als representatieobject binnen en buiten de villa, de scheiding is een kwestie van belasting- en vermogensadviseurs en de seksuele ontspanning het vanzelfsprekend getolereerde begeleidingsverschijnsel van de nuttige huiselijke idylle resp. een posten op de onkostendeclaratie).   

 Als de staat van de verhouding man/vrouw zijn kiemcel maakt en de levende productie-instrumenten de verplichting oplegt hun menselijke gevoelens aan het behoud van het ras te wijden, bewerkstelligt hij definitief de ruïnering van de mensen die hij ondersteunt ten einde hun bruikbaarheid voor het eigendom te waarborgen. De institutie familie verhindert voortdurend het herstel van de arbeider voor de loonarbeid, maakt het verwekken en opvoeden van potentiële loonarbeiders afhankelijk van de willekeur en het nut-denken van de ouders en belemmert de inzet van de vrouwen voor het eigendom door hen de huishouding en huiselijke sfeer als levenstaak voor te schrijven – wat de noodzaak om te gaan werken natuurlijk impliceert. Vandaar dat de propaganda van staatswege zich op de familiesfeer richt om de loonafhankelijke burgers te bewegen het onmogelijke te bewerkstelligen: tegelijkertijd functioneel voor de familie en voor de maatschappij te zijn – waarbij al naar gelang de conjunctuur de nadruk óf op het ene, óf op het andere ligt. De troosteloze realiteit van de familieverhouding, de onderdrukking van de kinderen door hun ouders en de specifieke uitbuiting van de vrouwen – een realiteit die vanwege de gevoelsbasis de vorm van een persoonlijke kwellerij heeft – wordt bekrachtigd door de openbare lofliederen op de grote waarde van de familie voor de gemeenschap. Met de ideologische propaganda ter verheerlijking van de moederliefde, het ophemelen van de medemenselijke opoffering, het aanprijzen van een zingevend bestaan in de kring van familieleden buiten de onpersoonlijke, gemechaniseerde wereld verkondigen conservatieven hun belang aan de blijmoedige en vrijwillige onderwerping van de getroffenen aan deze wreedheden – gepaard met het geklaag dat de familie heden ten dage te gronde gaat, geofferd op het altaar van het materialisme. Met kerkelijke steun maken ze front tegen de groeiende immoraliteit, de sterke toename van het aantal werkende vrouwen, de liberalisering van de scheidings- en abortuswet… en eisen de redding van de familiale autoriteitsstructuren, het fundament van de staat – ten koste van de familieleden. En uiteraard mag de overweging niet ontbreken dat de ouderdomspensioenen van komende generaties, de arbeidsmarkt van de toekomst en het leger op het spel staan als niemand meer kinderen wil krijgen voor de natie. Dat het vrouwenvraagstuk in de burgerlijke maatschappij uitsluitend bestaat omdat de opgedwongen extra dienst in het beroepsleven en de maatschappelijke rol van de vrouwen diametraal tegenover elkaar staan, blijkt ook uit de propaganda voor de moderne vrouw en het moderne gezin in het speciaal voor dit doel uitgeroepen jaar van de vrouw: er wordt met partnerschap-, gelijkberechtiging- en emancipatiefrasen voor de dubbele taak van de vrouw en de betere aanpassing van de familie aan de gewenste nieuwe maatschappelijke functie van de vrouw propaganda gemaakt. De propaganda in het jaar van het kind verloopt, mutatis mutandis, met dezelfde doelstelling.

 Dergelijke frasen vallen uitsluitend bij degenen in goede aarde die – zonder extreme materiële nood – van de familie weinig last en veel plezier kunnen verwachten: als vrouw de keuze hebben om uit het gemakkelijke, maar saaie huisvrouwenbestaan uit te breken, resp. als man een “ruimdenkende” vrouw wensen om samen – met getolereerde of aangemoedigde “slippertjes” inclusief  echtelijke ruzies en met een of twee verwende of verwaarloosde kinderen – door het leven te gaan, tot de saaie bedoening en flauwe bevrediging met scheiding eindigt. Deze probleemloos rondkomende mensen, die zich de ruïnering van de familie kunnen veroorloven en de bij de familie horende immoraliteit als familie in praktijk brengen, vormen ook de basis voor de vrouwenbeweging die op het vrouwenvraagstuk – de door de nuttig gemaakte liefdesverhouding afgedwongen afhankelijkheid van de vrouw van de man – zo antwoorden dat ze het nut van de vrouwen als vrouwen, het losmaken van de gevoelens van de bijzonderheid van een andere persoon, dus de immorele geestelijke behoeftebevrediging als bevrijding verkondigen en daarbij de gehele wereld van kapitaal en staat als tegenstelling tussen de geslachtsorganen bagatelliseren en vrouwelijke soldaten als overwinning vieren etc. De terugkeer tot het eigenlijke van de vrouw, het spontane moedergeluk, heeft de vrouwenbeweging ook buiten haar oorspronkelijke achterban een grote populariteit bezorgd.

 De revisionisten doen ook op dit gebied hun naam eer aan en subsumeren het vrouwenvraagstuk onder de talloze ongelijkheids- en ongerechtigheidsschandalen die op democratisering wachten. Hun niet-inzet voor de belangen van de arbeiders maken ze compleet met het loflied op de solidaire arbeidersfamilie en met het kleinburgerlijk moraliserende lamento over de onzedelijkheid van de betere kringen. Daarmee ondersteunen ze op hun manier de familiale neiging van degenen die een familie behoeven omdat ze niets anders hebben.

 Omdat de arbeiders tot het behoud van de familie bijdragen door zich ook buiten hun werk aan de vereisten van het eigendom te onderwerpen en zich thuis extra te ruïneren, en omdat de emancipatie van de arbeidersvrouw via de opgedwongen slecht betaalde baan en het bijkomende huiselijke geploeter gerealiseerd is, moeten deze mensen ook op het morele vlak veel presteren om zulke zelfopoffering te volbrengen. Ze dromen maar korte tijd over het geluk der liefde dat de trieste arbeidsdagen moet compenseren, en bereiden zich daarbij al voor op een moeitevol leven in de familie, waarvan iedereen gezien zijn taken weinig te verwachten heeft. Als het zo ver is, verschaft zich de arbeider door begeerlijke blikken op grootborstige vrouwen, door schuine moppen en in de kroeg weinig bevredigende surrogaatbevrediging en verlangt van zijn vrouw vlijt, zuinigheid, netheid, bescheidenheid, aantrekkelijkheid etc. kortom: alle deugden die het huiselijke bestaan dragelijk moeten maken; en het kind mag hem daardoor verblijden dat het zich nuttig maakt en niet opvalt tot het zelf – zo gauw mogelijk – nuttig is. De vrouw, tot moeder opgevoed, neemt de dubbele taak huishouding en baan op zich, verwacht voor haar offerbereidheid erkenning door man en kind en troost zich in haar paar vrije uren met televisie en tijdschriften. Daar de deugden echter uit de nood voortkomen en daarom geen voordeel en geen tevredenheid verschaffen, zijn er niet weinige arbeiders die hun geld liever in kroegen en bordelen in plaats van thuis verbrassen, niet weinige arbeidersvrouwen die woning en kinderen laten verwaarlozen, niet weinige arbeiderskinderen die niet alleen hun ouders verdriet bezorgen – alles tegen de achtergrond van criminaliteitsstatistieken, familie- en jeugdseries op televisie en het dagelijkse gejengel van de popmuziek waarin “love is all around.”

e)

De analyse van de maatregelen waardoor de rechtsstaat de vrijheid van zijn burgers – die hij zonder uitzondering gelijk behandelt – tot stand brengt, heeft het begrip van de sociaalstaat opgehelderd. De banaliteit dat “sociaal” niets anders betekent dan “de maatschappij betreffend”, dat een sociaalstaat dus de maatschappij tot doel en inhoud van zijn handelen maakt, is net zo duidelijk geworden als het feit dat hij niet het functioneren van de een of andere maatschappij beoogt, maar voor het behoud van die maatschappij zorgt die de reden vormt voor zijn bestaan, een maatschappij waarvan de leden de staat willen, omdat ze hem nodig hebben, en derhalve van macht voorzien – waaraan ze zich onderwerpen. Terwijl de ideële totaalkapitalist de concurrentie van de kapitalisten steeds tot hun principiële tevredenheid regelt – die zich daarvoor bedanken door voortdurend te jammeren – zijn de sociale weldaden instrumenten ter handhaving van de sociale vrede en daarmee middelen die de moderne armoede organiseren. De tevredenheid over deze organisatie van armoede is derhalve ook maar betrekkelijk en komt vooral tot stand door een vergelijking met de oude vormen van het Manchesterkapitalisme. In Duitsland waren de eerste belangrijke sociale voorzieningen ondersteunende maatregelen voor de socialistenwet (1878) en uitdrukkelijk bedoeld om de sociaal-democraten (de staatsvijand nummer één) in te dammen; daaruit blijkt niet alleen het verband tussen sociaalstaat en klassenstrijd, maar ook dat toegevingen op dit gebied voor de staat een relatieve aangelegenheid zijn. Vanuit het standpunt van zijn democratische basistaak (hoofdstuk 8) zijn bezuinigingen op sociale compensaties een conjunctuurafhankelijke vanzelfsprekendheid. Dat ondanks dit feit altijd weer burgers de staat verzoeken hij moge voor een andere maatschappij zorgen, ligt voor de hand: de staatsburgers zijn aangewezen op een verzelfstandigde macht om zich in de concurrentie tegen anderen te handhaven; vandaar dat ze de inzet voor hun belangen als de eigenlijke taak van de staat beschouwen. Dat de staatsburger de beperkingen, die de staat hem als plicht voorschrift wanneer hij anderen een recht toekent, als onsociale maatregelen brandmerkt en zijn gewenste voordelen omvormt tot een ideaal van de sociaalstaat, is de logische consequentie uit zijn houding tegenover de openbare macht: hij beschouwt de staat als positief middel voor zijn maatschappelijk bestaan, telkens als dit middel zijn dienst weigert en in de praktijk bewijst dat het dit middel allerminst is. En ook de morele verheffing van dit verkeerde bewustzijn, het ideaal van sociale gerechtigheid, met de daarbij horende overtuiging dat zijn eigen voordeel het voordeel van allen is, is gezien de houding van de burger een noodzakelijk gevolg.

- Het confronteren van het optreden van de staat met zijn ideaal resp. zijn idealen maakt deel uit van het normale geruzie tussen politieke partijen, het perfecte onderwerp om zich te profileren als de betere politicus die raad weet met de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid en de kleinere conflicten van het burgerlijke bestaan. Hun onderlinge strijd daarover wie de meeste bouwstenen voor de sociale voorzieningen heeft gelegd, gaat dus over de vraag wie op de beste manier aan de burgers klappen kan uitdelen.

- De zaak ligt anders bij degenen die de realisering van de sociaalstaat als uiterst revolutionaire aangelegenheid beschouwen en van hun ideaal een strijdprogramma maken dat het kapitalisme moet afschaffen. De revisionistische pogingen om vrijheid, gelijkheid en sociale gerechtigheid te verwezenlijken, bevestigen bij hun adressaten de illusie dat de staat voor hen bestaat, ontkennen dat hij de klassenverhoudingen handhaaft en sturen hun aanhangers in gevechten om sociale rechten die óf met verschrikkelijke nederlagen eindigen, óf resulteren – in zwakke staten waar de revisionisten succes hadden – in arbeiders- en boerenstaten. Ze beroepen zich daarbij op het feit dat de strijd voor rechten mogelijk is – en uit de militante acties van de arbeidersklasse, die concessies inzake haar bestaan heeft bevochten, wordt een geschiedenis van de realisering van rechtsidealen in plaats van een geschiedenis van de klassenstrijd. Het gemene van deze houding tegenover de situatie van de werkende klasse bestaat daarin dat alles waarvoor deze moest strijden verheerlijkt wordt, en de manier waarop de burgerlijke staat met de arbeiders omspringt het positieve kenmerk “bevochten” krijgt.

- De vertaling van deze verkeerde kritiek op de staat naar de sfeer van het geleerde marxisme is bijna komisch te noemen: bij de analyse van de staat als klassenstaat stuit men in deze kringen op “moeilijkheden” (die allemaal voortkomen uit de vereenzijdiging van de fouten van de burgerlijke wetenschap) die twijfel wekken aan de verklaarbaarheid van de klassenstaat: een discussiedeelnemer wil “de marxistische discussie loskoppelen van de zogenaamde correcte afleiding van economische processen en politieke ontwikkelingen uit de beweging van het kapitaal”; een andere denker slaat de plank mis met volgende geniale vraag: “Als de staat als instrument van de klassenheerschappij wordt opgevat, hoe zijn dan de maatregelen te interpreteren die door of met behulp van de staat ten gunste van de arbeidersklasse worden uitgevoerd?” en meent: “Ook dit onder het trefwoord sociaalstaat gevoerde debat is geenszins beëindigd.” Men zou het hem en alle anderen, die de staat functies toedichten die deze niet heeft en daarom zijn functie niet ontdekken, daarbij Marx misverstaan en politologisch te werk gaan, op een briefje geven dat het debat is beëindigd. De “marxistische” discussie over de staat is ondanks alle citaten van Marx kritische politologie en niets anders, en maakt derhalve deel uit van de burgerlijke discussie over vragen als bijvoorbeeld of de klassenstaat uit de negentiende eeuw nog zou bestaan, of uit de enorme uitbreiding van de overheidsmaatregelen gedurende de laatste honderd jaar niet de overgang naar de sociaalstaat zou blijken etc.: de ongeïnteresseerdheid in het onderwerp (theoretisch) en het interesse in het onderwerp (praktisch) verenigen zich tot de meest reactionaire onzin die sinds de opkomst van het revisionisme geschreven werd, toppunt: of gezien de sociale voorzieningen de arbeiders überhaupt nog redenen hebben om de rol van het revolutionaire subject te spelen!

 Daarom vatten wij het begrip van de sociaalstaat, de realisering van de sociale gerechtigheid, ter verduidelijking samen in de woorden van de grote profeet Martin Luther die wist wat gelijkheid en vrijheid met elkaar te maken hebben: “Wat is gerechtigheid anders dan dat iedereen in zijn stand doet wat hij verplicht is te doen.”

 © Gegenstandpunkt Verlag 1980 / 1999