De burgerlijke staat II

V

Ideële totaalkapitalist – verzorgingsstaat

 

Omdat de staat zijn burgers door de onderwerping aan de wet dwingt om als privé-eigenaars in hun onderhoud te voorzien, neemt hij extra maatregelen die waarborgen dat ze zich ondanks de tegenstellingen van de concurrentie met hun respectievelijke middelen reproduceren. De negatieve uitwerkingen die de wettelijk beschermde concurrentie op de reproductie van de burgers heeft, zijn voor de staat aanleiding om compenserend op te treden ter handhaving van de eigendomsorde. Dit optreden erkent de maatschappelijke verschillen qua eigendom en heeft, afhankelijk van het bezit van de staatsburgers, nuttige of schadelijke kanten. Doordat de bescherming van het eigendom de verschillen in stand houdt – wat extra rechten noodzakelijk maakt – handhaaft de staat de klassenmaatschappij. De ideële totaalkapitalist die de eigenaars van de productiemiddelen de algemene voorwaarden van hun concurrentie ter beschikking stelt, zorgt als verzorgingsstaat ook voor het behoud van de klasse die geen middelen heeft, opdat ze als middel van het eigendom bruikbaar is.

 

a)

De bescherming van het privé-eigendom is identiek met de aan de vrije personen opgelegde dwang om uitsluitend hun middelen te gebruiken, dus in afhankelijkheid van de middelen van anderen hun bestaan te regelen. De maatschappelijke samenhang is erop gebaseerd dat elke burger genoodzaakt is zijn eigendom als middel voor zijn reproductie zo in te zetten dat hij het voordeel, dat anderen uit hem kunnen behalen, voor zichzelf gebruikt. Afhankelijk van hetgene waarover hij exclusief beschikt, is hij in staat om zich zijn deel van de maatschappelijke rijkdom te verschaffen. De staat ziet erop toe dat iedereen met zijn privé-eigendom aan de vermeerdering van de rijkdom deelneemt en uitsluitend evenredig aan deze deelname bestaansmiddelen ontvangt. Hij maakt de kwantitatieve vergelijking tussen kwalitatief verschillende vormen van de rijkdom mogelijk door voor een objectieve maat te zorgen: hij is verantwoordelijk voor de gelding en beschikbaarstelling van het geld, het maatschappelijke ruilmiddel, en koppelt daarmee elke activiteit van zijn burgers aan de beschikking over geld. Geen prestaties en geen producten die niet met geld en uitsluitend met geld te krijgen zijn. (Dit is niet de verklaring van het geld en daarom ook niet “in strijd met de waardetheorie”; de beschouwing van het geld vanuit het standpunt van de staat ligt echter ten grondslag aan de burgerlijke geldtheorieën en aan de deductie van de waarde door Hegel: (rechtsfilosofie, paragraaf 63).

 De staatsburgers onderscheiden zich zowel door de grootte van hun inkomens als door de prestaties die ze voor hun inkomens moeten leveren. Daar voor de productie en verdeling van rijkdom de reeds voorhanden rijkdom, die de vorm van privé-eigendom heeft, net zo noodzakelijk is als de productieve werkzaamheid van mensen die de vrijheid van de persoon genieten, gelden in de burgerlijke maatschappij zulke disparate dingen als de productieve gebruikmaking van kapitaal/grond en het verrichten van loonarbeid als gelijkwaardige, objectief erkende manieren om zich een inkomen te verschaffen. Het compenserende optreden van de staat komt zowel de eigenaars van de productiemiddelen als degenen die daarover niet beschikken ten goede. De enen helpt hij bij het verwijderen van obstakels die de maatschappij de aanwending van hun eigendom in de weg legt; de anderen weet hij aan te zetten om met behulp van hun eigendom, de arbeidskracht,  hun persoonlijke vrijheid juist te gebruiken. Ook zij behalen een inkomen als ze hun diensten anderen ter beschikking stellen en van hun vrijheid genieten doordat ze die prijsgeven. Zo krijgt iedereen wat zijn eigendom oplevert – en naast de “ruilmaatschappij” wordt vooral de “prestatiemaatschappij” zo hoog gewaardeerd omdat velen enkel hun arbeidskracht en hun consumptiemiddelen bezitten.

b) De prestaties van de staat voor de bezitters van productieve vermogens

 

1. Omdat het gebruik van productief eigendom gebaseerd is op de handel tussen de bezitters van de verschillende productiefactoren en zaken tussen producenten en consumenten omvat, is de maatschappij aangewezen op het voorhanden zijn van materiële voorwaarden van de circulatie. De staat zorgt voor een functionerend verkeers- en communicatiewezen, dat als algemene voorwaarde voor de vermeerdering van privé-eigendom dit eigendom beperkt. Daar deze voorzieningen voor alle privé-eigenaars kosten veroorzaken, maar iedereen in de infrastructuur uitsluitend een middel voor zijn individuele rijkdom ziet, wordt ze zo georganiseerd dat de kosten geminimaliseerd worden; óf de staat, die het principe van de privé winst waardeert, compenseert het ontbrekende rendement van dergelijke ondernemingen – vanwege de grootte van het voor te schieten kapitaal (naamloze) vennootschappen – óf hij bouwt en beheert zelf de verkeerswegen etc. Hij bevordert het productieve eigendom als hij via de prijs voor deze dienstverleningen of via zijn begrotingsdeficit de gehele maatschappij de kosten laat dragen.

 

2. Op basis van het niet alleen formeel (wettelijk), maar ook materieel gegarandeerde vrije warenverkeer is het behalen van inkomen door het privé-eigendom aan productiemiddelen ervan afhankelijk dat de ondernemers, geconfronteerd met beperkt koopkrachtige behoeftes (concurrentie), de kosten voor de productie van hun producten zo laag mogelijk houden. De grootte van de winst hangt af van de hoeveelheid verkochte waren, daarmee van het marktaandeel dat ze met hun producten veroveren en daarmee van de goedkoopheid van hun  producten. De verlaging van de productiekosten per stuk is hun doel bij de organisatie van de productie – het behalen van winst is afhankelijk van de technische vooruitgang bij de inzet van arbeid en materiaal. Het rendement van het privé-eigendom stoelt op natuurwetenschappelijke kennis, waarvan het verkrijgen niet direct in het belang van de ondernemer ligt, hoewel hij daarop is aangewezen. De kennis van natuurwetten raakt zijn reproductie alleen in zoverre als ze hem in de vorm van bijzondere productiemethoden en productiemiddelen helpt zijn productiekosten te verlagen. De organisatie van het natuurwetenschappelijke onderzoek is een dure aangelegenheid, zonder ook maar de kleinste garantie dat de resultaten bruikbaar zijn voor het doel van de onderneming. En omdat niemand belang hecht aan het verkrijgen van kennis over de natuur, maar iedereen deze kennis – die zich niet laat privatiseren – privé wil aanwenden, is het wetenschappelijk onderzoek van natuurwetten ook geen onderdeel van het zakendoen.

 De maatschappelijke noodzakelijkheid van het natuurwetenschappelijke onderzoek bestaat slechts als behoefte aan het gebruik van de resultaten ervan; vandaar dat de staat zich gedwongen ziet tot institutionalisering van de natuurwetenschap gescheiden van het materiële productieproces. Met de vrijheid der wetenschap, de scheiding van de natuurkennis van alle bijzondere belangen, waarborgt de staat haar objectiviteit en onbeperkte ontplooiing, en daarmee haar nuttigheid voor een productiewijze die op de beheersing van de natuur is aangewezen.

 Daar de institutionalisering van de natuurkennis haar subsumptie onder de belangen van het privé-eigendom beoogt, laat de staat ook de praktische aanwending van de natuurwetten onderzoeken: technische wetenschappen. Zo creëert hij de mogelijkheid om de natuurwetenschap privé te gebruiken, wat echter uitsluitend gebeurt volgens de maatstaf van het rendement (MEW 23/414, MEW 25/272). De (dure) inspanningen die privé-personen leveren om bijzondere productiemethoden te ontwikkelen, honoreert de staat: contractonderzoek en het recht op (gedurende zekere tijd) exclusief gebruik. Zowel uit het octrooi, “geestelijk eigendom”, als uit de industriële spionage blijkt de innerlijke tegenstrijdigheid van de privé beschikking over maatschappelijke kennis.

 De staatsburger die de natuurwetenschap als onontbeerlijk middel voor de vooruitgang waardeert en door school en media voortdurend voorgelicht wordt over het nut van wetenschappelijke ontdekkingen, geniet niet alleen van de vele gewone praktische dingen die van het prestatievermogen van wetenschap en techniek getuigen, hij wordt ook geconfronteerd met hun nutteloosheid en gevaren in verband met de oplossing van de problemen die de burgerlijke maatschappij creëert. Omdat de natuurwetenschap het middel voor de economische doelen van de maatschappij is, worden haar ook de positieve en negatieve uitwerkingen toegerekend die door haar toepassing tot stand komen. Omdat ze dit middel op grond van wetten is, die bepalen wat met natuurlijke voorwerpen alles kan worden gedaan, valt de wetenschap als oorzaak van allerlei gevolgen naast lof ook kritiek ten deel; deze wordt niet zelden door natuurwetenschappers zelf geuit. Het is immers hun beroep met hun kennis de staat en de samenleving te dienen, zich nuttig te maken, zodat sommige “uitwerking” van hun inspanningen de staatsburger in hen wakker schudt,

- die zich, gewapend met de autoriteit van de wetenschapper, uitlaat over politieke kwesties en de politici verwijt niet voldoende gebruik maken van wetenschap en techniek: technocraten die voorstellen doen voor de efficiëntere besturing van de maatschappij;

- die de negatieve uitwerkingen van de kapitalistische aanwending van de techniek uit de tweeslachtige natuur afleidt en de ruïnering van milieu en mens tot onvermijdelijke begeleidingsverschijnselen van de vooruitgang verklaart, dus het alternatief construeert op dezelfde weg door te gaan en de wonden die de vooruitgang slaat door de vooruitgang te helen, of van velerlei comfort afscheid te nemen en de nationale economie, maar vooral iedereen zichzelf, te beperken: propaganda voor de vooruitgangconcepten voor een energiebesparende leefwijze; waarbij afhankelijk van de conjunctuur de ene of de andere ideologie publiekelijk gretig wordt uitgebuit (bijvoorbeeld de debatten over kernenergie die generlei kritiek op het kapitaal behelzen!);

- die de negatieve uitwerkingen uit een gebrek van de wetenschap afleidt en deze filosofisch – kennistheoretisch ter discussie stelt;

- die als filosoof aan de morele opvoeding deelneemt, humaniteit en vrede preekt en zegt dat de mens maar een stofdeeltje is.

 Al deze varianten van verkeerde kritiek op staat, maatschappij en wetenschap hebben als gemeenschappelijk grondslag het belang aan de betere gebruikmaking van de natuurkennis door de burgerlijke praktijk – een belang dat de onderwerping van de wetenschap aan het principe van het privé-eigendom als vanzelfsprekendheid beschouwt.

 

3. Voor de toepassing van de natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang in de industrie zijn bekwame loonarbeiders nodig, die de bezitter van de productiemiddelen in dienst neemt. De staat combineert de onderzoekinstellingen met opleidingen en organiseert opleidings- en studieprogramma’s voor de diverse beroepsvaardigheden. Daar de bruikbaarheid van de zodoende mogelijk gemaakte kwalificatie afhankelijk is van de technische vereisten van het eigendom, garandeert het onderwijsstelsel noch de afgestudeerden dat ze gebruikt worden, noch het kapitaal dat ze productief aan te wenden zijn. Daarom ligt de organisatie van de opleiding – van de algemene vorming op de lagere school over het voortgezet onderwijs tot de technische hogeschool – ook buiten het directe belang van de bezitters van de productiemiddelen, hoe zeer ze ook de resultaten van de opleidingen als voorwaarde voor hun winstmakerij kunnen waarderen. Zoals in het begin van de industriële productie het aanleren van beperkte handelingen in het kader van hun bedrijf voor de vroegkapitalisten een lastige noodzaak was, zo beschouwen de ondernemers ook tegenwoordig het noodzakelijke trainen van speciale vaardigheden “in-house”, dus naast de officiële opleidingsinstellingen, als noodzakelijk euvel, dat de staat hen per wet moet opdwingen; zowel door de uitbuiting van de leerlingen als door leercontracten die de leerlingen aan het bedrijf binden, weten ze ook daaruit hun voordeel te behalen. Staatsburgers die waarde hechten aan de prestaties van het onderwijsstelsel zien in de onvermijdelijke discrepantie tussen doel en middel altijd weer aanleiding tot geklaag over de slechte organisatie van dit stelsel – waarop de staat met veranderingen en aanpassingen van de opleidings- en studieprogramma’s op zijn manier reageert. Linkse mensen ontdekken vanwege hun ideaal van een volksvriendelijke opleiding ook in deze programma’s een uitstekend bewijs voor hun mening dat de macht van de monopolies alles verpest.

 

4. Op basis van de algemene voorwaarden voor de productieve gebruikmaking van het eigendom zijn de eigenaars niet enkel nog afhankelijk van de handige inzet van hun middelen in de concurrentiestrijd – ze zijn bij hun zaken ook aangewezen op sommige productievoorwaarden die ze op de markt moeten aantreffen. Waar de concurrentie ertoe leidt dat de desbetreffende branches niet rendabel zijn, garandeert de staat hun voortbestaan door het socialiseren van de lasten die het eigendom niet kan dragen. Hij betaalt (voor een deel) de kosten die het winstmaken beletten; in het belang van een functionerend eigendom beschouwt hij het als zijn “sociale plicht” om in de gang van zaken in te grijpen: hij subsidieert de grondstoffenindustrie, de energieproductie en de landbouw. In het extreemste geval gaat hij over tot nationalisering, wat echter met een inbreuk op het privé-eigendom niet te verwisselen valt.

 Daar de industrie vanwege kostenbesparing geen rekening houdt met de vernietiging van de natuurlijke ressources, natuurwetenschap en technologie uitsluitend gebruikt om de winstgevende inzet van het respectievelijke eigendom van natuurlijke beperkingen te bevrijden en in de vooruitgang van deze wetenschappen over het middel beschikt om in toenemende mate de natuur en de mensen te ruïneren, dwingt de staat de ondernemers (met behoorlijke vertraging) tot naleving van milieuvoorschriften. Deze respecteren de bedrijfscalculaties, behelzen dus tal van uitzonderingen en worden slechts sporadisch gehandhaafd. Om de veroorzakers van de schades te ontzien, behoudt de staat door zijn eigen milieu-inspanningen met maatschappelijke middelen een bruikbare natuur voor het kapitaal en bezorgt zijn burgers groene dromen. Zij verwijten de staat te falen wanneer hij de nietsontziende uitbuiting van de natuur organiseert en het winstbelang beschermt en daarom niet alleen inzake kernenergie gecalculeerde en ongecalculeerde “risico’s” en rampen op de koop toe neemt.

 Al naar gelang van hun maatschappelijke positie ontdekken de staatsburgers in al deze maatregelen óf een vergrijp tegen de principes van de vrije markteconomie, een ongerechtvaardigde bescherming van economisch onbekwame branches, óf een noodzakelijke plicht die de staat aan zichzelf oplegt met zijn buitenlandse handelspolitiek en de ruïneuze gevolgen ervan voor de bewuste branches. Linkse mensen zien in deze de bescherming van het privé-eigendom beogende maatregelen het bewijs dat de kapitalistische productiewijze haar eigen toezichthouders tot het inzicht liet komen dat het privé-eigendom achterhaald is, en ze eisen van de staat een consequenter optreden “tegen” het privé-eigendom, sterker nog: hun illusies worden versterkt door het geklaag van de getroffenen die de staat socialistische machinaties verwijten.

 

5. De beperkingen die de privé-eigenaars bij de vermeerdering van hun eigendom elkaar opleggen – hetgeen de staat niet alleen erkent, maar ook van materiële voorwaarden voorziet – regelt de staat door speciale wetten die de respectering van andermans eigendom ook onder de bijzondere omstandigheden garanderen, die uit de onderlinge relaties van de branche resulteren. Hij breidt de bepalingen die het eigendom in het algemeen betreffen uit met wetten die het eigendom in het bijzonder beschermen bij de transacties die noodzakelijk zijn voor de vermeerdering van eigendom door handel en productie. Welke van deze speciale wetten deel uitmaken van het civiel recht of als zelfstandig onderdeel van de wetgeving verschijnen, is voor hun verklaring onbelangrijk: nationale verschillen!

- De koop en verkoop van waren wordt door wetten geregeld die bepalen wie bij de handelsstand hoort en zijn specifieke rechtshandelingen mag uitvoeren: omstandigheden die botsen met het doel van de handel – het wisselen van eigendom – en zijn uitvoering in de praktijk (commissie-, expeditiezaken, vrachtcontracten…) zijn als wederzijdse verplichtingen en prestaties gefixeerd. Omdat de handel permanent tracht zich onafhankelijk te maken van beperkingen door ruimte en tijd en dus voortdurend gepaard gaat met een strijd om de verdeling van de daarvoor noodzakelijke kosten, beperkt de staat de verschillende partijen zo dat de kosten middel voor de winst blijven. Hetzelfde geldt voor het commerciële krediet dat de privé-eigenaars in staat stelt zich onafhankelijk te maken van de beschikking over contant geld bij de voortzetting van hun zaken; dwang van overheidswege tot het nakomen van betalingsbeloftes: handelswetgeving.

- Daar de vermeerdering van het vermogen afhankelijk is van de temporaire beschikking over de door de banken beheerde vermogens van andere eigenaars (bankkrediet), heeft de staat de taak de tegenstellingen tussen het industriële kapitaal en het bankkapitaal zo te regelen dat de winsten van de verzelfstandigde geld-/kredietinstellingen hun waarde bewijzen als middel voor de productieve aanwending van het kapitaal. De staat schrijft de banken voor binnen welke grenzen ze hun voordeel ten koste van de bedrijven mogen nastreven (minimale reserve etc.) en verplicht hen door balansregels tot bewijs van hun kredietwaardigheid: bankwetgeving.

- Daar de industrie aangewezen is op grond en bodem waarvan echter andere eigenaars op hun eigen manier gebruik maken, ziet de staat zich genoodzaakt alweer op te treden: met het argument dat de grond geen willekeurig vermeerderbaar goed is, laat hij hier geen vrije markt toe en reglementeert de verdeling van grond en bodem onder de verschillende belanghebbenden. De verdenking van communisme naar aanleiding van hervormingen van het grondeigendomsrecht is ook in dit geval ongegrond, daar de inbreuken op het grondeigendom omwille van het privé-eigendom gebeuren: ruimtelijke ordening etc.

- Op de gevaren die de productieve gebruikmaking van het eigendom door de inspanningen van de arbeiders (coalities) dreigen – ze strijden voor hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden, wat de winst van de eigenaars verlaagt en de vrije beschikking over het privé-eigendom in vraag stelt – reageert de staat met wetten die het recht van de arbeider op zijn persoonlijke vrijheid laten eindigen waar het recht van het eigendom begint. Dat de gelijkberechtiging van arbeid en kapitaal de aanspraken van de arbeiders zo beperkt dat hun nut voor het kapitaal gewaarborgd is, betekent niet dat de eigenaars van productiemiddelen waarde hechten aan deze gelijkstelling; ze sluiten zich aaneen en verzetten zich tegen de regelingen van de arbeidsverhoudingen die hen plichten opleggen en in verliezen resulteren – hetgeen linkse arbeidersvrienden als bewijs dient dat het communisme uit de strijd voor rechten van de arbeiders bestaat: arbeidsrecht.

- Met wetten tegen concurrentiebeperkingen reageert de staat op aaneensluitingen die ondernemers bewerkstelligen om in de concurrentiestrijd voordelen te behalen. Dit middel wenden ze enerzijds aan omdat ze op de markt (prijsmechanisme) hun winst bedreigd zien (prijsafspraken), anderzijds omdat ze de noodzakelijke goedkoopheid van hun producten alleen door uitbreiding van hun vast kapitaal kunnen realiseren: de grootte van het aangewende kapitaal is beslissend voor het concurrentievermogen; de wet op de kartelvorming richt zich tegen de uitwerking van afspraken en aaneensluitingen op de vrije concurrentie (anderen worden belemmerd bij het gebruik van hun eigendom), erkent echter ook de noodzakelijkheid daarvan en staat uitzonderingen toe. Met de vennootschapswet ten slotte garandeert de staat het functioneren van verschillende eigenaars als een onderneming: hij waarborgt de vrije beschikking over het privé-eigendom dat in een kapitaalvennootschap geïnvesteerd is, en beschermt de zaken van de vennootschap tegen de willekeur van haar aandeelhouders: vrije handel in aandelen, aansprakelijkheidsbepalingen etc.

 

6. De verhouding van de staat tot de heersende klasse berust erop dat hij als zelfstandige instantie toeziet op de noodzakelijkheden van de kapitalistische concurrentie, die door de enkele kapitalisten vanwege hun concurrentiebelang veronachtzaamd resp. niet gecreëerd worden. Doordat de staat de voorwaarden van hun zaken, die voor de kapitalisten geen zaken zijn, beheert, zet hij als politieke instantie hun klassenbelang door. Als ideële totaalkapitalist is hij het middel van de heersende klasse, wat zeer wel impliceert dat zijn instellingen en wetten in strijd kunnen zijn met de zakelijke belangen van de enkele kapitalist. De helden van het privé-eigendom verwachten van de openbare macht uitsluitend weldaden, cadeaus en steun, en de democratische politici voeren de kleine beperkingen van de kapitalistische accumulatie als bewijs aan dat ze nooit ofte nimmer vertegenwoordigers van een klassenstaat zijn. Deze ideologie is de begeleidingsmuziek voor het permanente antichambreren van zakenlieden bij kleine en grote ambtsdragers, voor de voortdurende strijd van kapitaalkrachtige burgers om bijzondere respectering van hun belangen. De daarbijhorende corruptieschandalen lopen meestal met een sisser af daar het democratische publiek dit basisonderdeel van een politieke carrière volstrekt begrijpt: het rekening houden met “de economie” is immers het minste wat men van een staatsman verwachten kan! 

 Wat dat betreft vormt de “school der superdemocraten” een uitzondering; daarbij horen vooral de aanhangers van de theorie van het staatsmonopolistische kapitalisme. De vol ontwikkelde ideële totaalkapitalist van tegenwoordig beschouwen ze, in tegenstelling tot de staat van gisteren, als burgerlijke heerschappij in verval. Het gejammer over zijn horigheid tegenover de monopolies die ten onrechte de politieke sleutelposities hebben veroverd omdat ze economisch op hun laatste benen lopen, is de opmaat tot het programma van de antimonopolistische democratie – om het ondergaande en amper nog functionerende kapitalisme te vervangen door een voor de gehele samenleving nuttige heerschappijvorm. Als elke laatkapitalistische idiotie werd ook deze “schone handen”-gedachte pluralistisch wijd en breed uitgemeten, zodat haar karakterisering zeker als simplificatie wordt beschouwd. Daarom nog een keer, ter herhaling: de verschillen tussen al deze theoretische pogingen resulteren uit een en hetzelfde belang. En dit belang richt zich niet tegen de kapitalistische uitbuiting onder beheer van de staat, maar tegen de gebrekkige organisatie ervan. Een blik over de Berlijnse muur (1980) maakt duidelijk dat een reële totaalkapitalist weliswaar een staatsmonopolistische democratie ensceneert, maar dat de economische efficiëntie slechts uit een ding blijkt: uit het loflied op de arbeiders en hun nieuwe werkgever.

 Het fascistische alternatief ontdekt in de beïnvloeding door de kapitalisten – en vooral door hun “onproductieve” afdeling – eveneens de ruïnering van de staat en het verval van het volk. Ook de kritiek van de fascisten op de kapitalisten betreft niet de uitbuiting, maar richt zich op de gebrekkige resultaten die de activiteiten van de heersende klasse voor de macht van de staat opleveren. Ze sprongen dus uiterst welwillend met de bourgeoisie om. De bestaande officiële voorwaarden van de accumulatie werden veranderd in de verplichting tot onvoorwaardelijke accumulatie in het belang van de natie, hetgeen de zakenlieden zich geen twee keer lieten zeggen, alhoewel bepaalde directieven van overheidswege inzake gebruikswaarde daarbij hoorden.

 © Gegenstandpunkt Verlag 1980/1999