De burgerlijke staat I

I

Vrijheid & gelijkheid – privé-eigendom – abstract vrije wil

 

De burgerlijke staat is de politieke macht van de kapitalistische maatschappij. Hij onderwerpt de spelers van de kapitalistische productiewijze onder abstractie van alle natuurlijke en maatschappelijke verschillen aan zijn heerschappij en veroorlooft hen zo het nastreven van hun tegengestelde particuliere belangen: gelijkheid & vrijheid. Hij verplicht de burgers de economische concurrentie onder respectering van het privé-eigendom af te wikkelen: iedereen wordt gedwongen de exclusieve beschikking over de rijkdom van de maatschappij te erkennen en tot principe van zijn economisch handelen te maken. Omdat de leden van de kapitalistische maatschappij bij het nastreven van hun individueel voordeel elkaar schade toebrengen, zijn ze op een macht aangewezen die gescheiden van het economische leven de erkenning van eigendom en persoon garandeert. Hun negatieve onderlinge betrekking completeren ze met hun gezamenlijke onderwerping aan een macht die hun particuliere belangen beperkt. Naast hun economische aangelegenheden zijn ze politieke burgers; ze willen het staatsgezag omdat ze hun particuliere belangen uitsluitend kunnen nastreven door daarvan ook te abstraheren. De burgerlijke staat is dus de verzelfstandiging van hun abstract vrije wil.

 

a)

De eerste bepaling van de staat, zijn abstract begrip, behelst de reden en daarmee ook het doel van deze instantie, maar natuurlijk nog gescheiden van de concrete vormen die de relatie van de staat tot de burgers aanneemt. Juist uit dit abstracte begrip blijkt dat de realisering van vrijheid en gelijkheid een onplezierige aangelegenheid is, omdat ze ten eerste voortkomt uit economische tegenstellingen en ten tweede het door het geweldsmonopolie gewaarborgde behoud van deze tegenstellingen tot doel heeft. Ook zonder beschouwing van de economie, de productiewijze die de staat met zijn macht in gang houdt, staat vast dat hij een klassenstaat is: door de gelijke onderwerping van allen handhaaft hij het voortbestaan van alle kleine en grote verschillen – het is dus ook geen raadsel hoe het voordeel eruit ziet dat de uiteenlopende spelers van de kapitalistische productiewijze van de staat hebben. De vrijheid die hen door de gelijke behandeling van staatswege gegarandeerd wordt, bestaat uit de genereuze verlening van het recht om zich met de passende middelen, die ze hebben of niet, hun deel van de rijkdom te verschaffen – en wel onder respectering van anderen die hetzelfde ten koste van hen en tegen hen doen. Omwille van deze vrijheid waarderen de burgers de staat, zonder die ze hun middelen helemaal niet konden gebruiken: vanuit hun praktisch standpunt zien ze de staatsmacht als voorwaarde van de vrije concurrentie; ze willen dus erkende staatsburgers zijn omdat ze het vanwege hun economische belangen moeten zijn. De gemeenschap, de politieke wil van allen in de samenleving, is gebaseerd op een afgedwongen prestatie van de individuele wil die vanwege het particuliere nut, waar het hem op aankomt, ook nog als abstract-algemene wil optreedt: “De scheiding tussen burgerlijke maatschappij en politieke staat verschijnt noodzakelijk als een scheiding tussen de politieke burger, de staatsburger, en de burgerlijke maatschappij, zijn eigen werkelijke empirische werkelijkheid, want als staatsidealist is hij een volstrekt ander, van zijn werkelijkheid verschillend, gescheiden, gesepareerd wezen.” (Marx-Engels-werken [MEW] 1/281) Wat deze prestatie voor de bijzondere karakters van de kapitalistische productiewijze betekent, in hoeverre en voor wie de staat met zijn macht als middel actief wordt, is geen geheim – de onderwerping van allen moet voor diegenen voordelig uitvallen die economisch in het voordeel zijn. De volgende hoofdstukken zullen dus laten zien wat de staat van de verschillende klassen eist en wat hij hen toestaat als hij de vrije concurrentie verordent.

b)

De staat die zijn macht inzet om de concurrentie te laten plaatsvinden, handhaaft een economie waarin de onderlinge afhankelijkheid van de personen bij de productie van de maatschappelijke rijkdom zo georganiseerd is dat ze bij het nastreven van hun belangen elkaar de participatie aan de rijkdom betwisten. Omdat de bevrediging van een particulier belang het andere negeert, onderwerpt men zich aan de staatsmacht, en deze onderwerping heeft voor elk individu een negatieve, restrictieve betekenis. Daarmee zijn de conflicten natuurlijk niet verdwenen, maar wel zo geregeld dat allen zich de vrijheid van de ander als grens van de eigen vrijheid laten voorschrijven. Het feit dat de economische spelers zich toeleggen op een maatschappelijke samenwerking die ervoor zorgt dat ze elkaar buitensluiten van de noodzakelijke bestaansmiddelen, dus voortdurend in strijd liggen met elkaar, behandelt de staat zo dat hij de buitensluiting gebiedt en de inbreuk op de middelen en het bestaan van de anderen verbiedt. Iedereen heeft rond te komen met zijn middelen in afhankelijkheid van de anderen, die hun middelen inzetten; en het verkrijgen van nieuw geproduceerde goederen moet onder respectering van eigendom en persoon gebeuren. Het privé-eigendom, de exclusieve beschikking over de maatschappelijke rijkdom waarvan anderen existentieel afhankelijk zijn, dus gebruik moeten maken, is de basis van het individuele voordeel en daarmee ook van de individuele schade. Daaruit resulteert de moderne armoede die zich zelf in stand moet houden als middel van vreemd eigendom – waarvan de groei uiteraard de hartenwens van de staat is.

 Tot slot moet nog gezegd dat het privé-eigendom geen kwestie van tandenborstels en limonade is, hoewel het uitwerkingen heeft op de individuele consumptie. De afhankelijkheid van het eigendom van anderen speelt zich af op het gebied van productie en reproductie van de maatschappelijke rijkdom. Met de exclusieve beschikking over de productiemiddelen en daarmee over de producten krijgt de rijkdom de macht om anderen het bestaan te bestrijden.

c)

Zo weinig het door tegenovergestelde klassen verwezenlijkte staatsidealisme een idylle is, zo weinig harmonisch verliep de vrijwillige aaneensluiting tot staat, zijn “oprichting”, die nog in elke natie in elk stichtingsjaar aanleiding tot feestvreugde geeft. Burgerlijke staten zijn producten van absolute terreur, hetgeen van hun aanhangers niet alleen ten opzichte van de Franse Revolutie wordt vergeten. Het gemeenschappelijke belang aan de afschaffing van voorburgerlijke vormen van staatsmacht, de reden voor de gemeenschappelijke strijd van tegenovergestelde klassen, kwam immers voort uit enigszins uiteenlopende doelstellingen: voor de enen was de oude staat met zijn standenmaatschappij een hindernis voor hun zaken, de anderen streden voor hun bestaan dat ze door arbeid moesten veiligstellen. Het bereiken van hun doel stemde vanzelfsprekend niet beide klassen tevreden, daar de door de democratische samenleving gewaarborgde mogelijkheid in dienst van vreemd eigendom te werken en zo in zijn onderhoud te voorzien al gauw een nijpende noodzaak werd. Dat ook de proletariërs om te overleven de oude staat moesten afschaffen, betekent nu eenmaal niet dat de nieuwe staat, de burgerlijke republiek, hun middel is.

d)

De ontevredenheid over de harde wereld van het eigendom is een bron van de meest houdbare ideologieën: uit alle onaangename consequenties van vrijheid & gelijkheid (die op de volgende pagina’s nog ter sprake komen) concluderen linkse mensen de gebrekkige realisering van deze twee doelen van de Franse Revolutie. Onder verwijzing naar de onmiskenbare verschillen in de maatschappij betwijfelen ze de realiteit van de gelijkheid voor het staatsgezag en verheffen gelijkheid tot ideaal, dat ze met behulp van de staat in de samenleving willen verwezenlijken. Zo weinig hen opvalt dat een gewelddadig gehandhaafde vrijheid iets tegenstrijdigs heeft, zo weinig levert hun fantasie op wat betreft een samenleving waarin de verschillen tussen de mensen afgeschaft worden; in literaire en cineastische utopieën daarentegen is deze fantasie behoorlijk populair en wordt breed uitgesponnen; terwijl dergelijke fantasieën door politici gebruikt worden om elke kritiek op de staat als gelijkmakerij van de hand te wijzen. In dit soort kritiek op de eisen aan de staat wordt propaganda gemaakt voor de juiste hoeveelheid enthousiasme voor de staat, waarbij naast de domme vergelijking met vroeger en elders (bijvoorbeeld het “Oostblok”) ook de idiote “tegenstelling tussen vrijheid en gelijkheid” aangevoerd wordt: meer van het ene zou met minder van het andere betaald moeten worden, zodat men alles toch niet kan krijgen en er goed aan doet zijn ontevredenheid te vergeten en zich te beijveren voor de realisering van de derde kernwaarde, de broederlijkheid (modern: solidariteit). Hieruit blijkt dat ook de ontevredenheid over de ontevredenheid van anderen het verkeerde denken over de meest abstracte bepaling van de staat behoorlijk stimuleert. Wie een positieve houding tegenover de staat aan de dag legt “daar hij in ons aller belang is”, probeert de onmiskenbare nadelen van zijn optreden door een “originele” staatstheorie als noodzakelijk euvel acceptabel te maken. Het deduceren van de staat uit de menselijke natuur maakt deel uit van het standaardrepertoire van elke verlichte docent en hoogleraar, waarbij ter afwisseling eens de tegenstellingen van de kapitalistische maatschappij worden aangevoerd en niet de plezierige kleine verschillen. Om plausibel te zijn, moet de deductie voorbij gaan aan het feit dat de staat de concurrentie inclusief alle economische specifieke bijzonderheden verordent; zo kunnen de extreme tegenstellingen afgeleid worden uit de menselijke natuur: homo homini lupus; enkele wolven moeten dus voor vrede in het roedel wolven zorgen, en dat is dan de staat met zijn wettelijke orde. Op lager niveau, in het alledaagse bestaan – waar men de staat immers als middel voor zijn belangen wil gebruiken – komt het verwerpen van kritiek op de spreuk neer dat er nu eenmaal orde moet heersen: dat kan toch niet goed gaan als allen alles bezitten! De bereidheid om in het eigen belang tegen anderen aan te treden en tegelijkertijd de beperkingen te bepleiten die de orde aan de anderen oplegt, is dus springlevend in de democratie. Ook in de fascistische variant die het concurrentiebelang afkeurt en de enkele burger gebiedt zijn individueel streven helemaal in de gemeenschap te laten opgaan – wat echte vrijheid zou zijn.

 De officiële voorstanders van gelijkheid & vrijheid die de staat als passende orde voor de mens aanprijzen, vinden de gedetailleerde “argumenten” voor deze brutale domheid in de wetenschappelijke literatuur: elke geestes- of maatschappijwetenschap voelt zich geroepen om een definitie van de mens te leveren, waarbij de minimale variaties op het thema: “De mens is van nature een dier, maar normaliter ook tot hogere dingen in staat!” voortkomen uit het respectievelijke vakgebied dat aan de vormgeving van “het hogere” wil bijdragen. De staatsburger met zijn beide zijden, het materialisme van de concurrentie en het door de afhankelijkheid gedicteerde staatsidealisme, hebben ze allemaal als onderwerp; ze maken van hem een antropologische constante, zodat de domesticatie van de wil als pure bevestiging van het mens-zijn verschijnt: psychologisch, pedagogisch, politologisch, economisch en literatuurtheoretisch-linguistisch. Alsof de aanwending van deze wetenschappen niet daarop zou berusten dat het individu slechts met tegenzin van zich abstraheert. (Over de fabel van de vele enkelingen die een sociaal contract tekenen en over de rol van Robinson in de geestesgeschiedenis heeft Marx alles belangrijke geschreven!) De waardigheid van de mens verwacht van de wetenschappelijke staatsdienaars immers ook een bijdrage, temeer daar ze ook criteria moeten opstellen om te bepalen welk soort gedrag, dat alleen mensen die de staat “verinnerlijkt” hebben tot stand brengen, onder de rubriek “onmenselijk” valt.

 

 

 

II

Soevereiniteit – volk – grondrechten  - representatie

 

Het verlangen van het volk naar politieke macht wordt gerealiseerd door de soevereiniteit van de staat. De staatsmacht komt van het volk en is in overeenstemming met zijn politieke wil door deze als algemeen belang tegen de individuele burgers door te zetten. In de grondwet worden de onderlinge betrekkingen van de burgers bepaald, en wel in de vorm van geldige principes voor de machtsuitoefening van de staat. De grondrechten stellen vast wat de burgers en de staat mogen, definiëren dus de plichten waar de professionele representanten van de volkswil op toezien dat ze nageleefd worden. De burgerlijke maatschappij handhaaft haar tegenstellingen door haar leden te scheiden: in mensen met grondrechten en tot machtsuitoefening verplichte volksvertegenwoordigers.

 

a)

De soevereine staat is de van de burgers gescheiden, zelfstandige instantie die met geen bijzonder belang identiek is en die juist en alleen daarom de door allen erkende macht is, omdat ze haar belang, het algemeen belang, tegen de individuele burgers doorzet. Doordat de staat zijn macht zo inzet dat de bijzondere economische middelen uitsluitend in overeenstemming met zijn belang aan persoon en eigendom gebruikt worden, dient hij de belangen die voortkomen uit de beschikking over het productieve eigendom. Wat de inhoud betreft is zijn soevereiniteit een zeer relatieve aangelegenheid. Het tegen de enkele persoon en diens eigendom nietsontziende ageren van de staat beoogt het functioneren van het eigendom: alleen door zijn soevereiniteit wordt dit doel gewaarborgd. De soevereiniteit wordt in stand gehouden door de wil van het volk: de gemeenschappelijke wil met de inhoud “staat” maakt van de individu’s van een maatschappij een volk, waarbij deze wil zich uitdrukt door de goedkeuring van de overheidsbeslissingen. Of er een staat moet zijn, is nooit het onderwerp van vrije beslissingen, maar door de macht beslist. Allen willen representanten, hetzij dat ze deze kiezen, hetzij dat de staat ze zelf benoemd; en “in naam van het volk” dienen ze soeverein te handelen.

b)

De bescherming van de individuele burgers tegen wederzijdse gewelddadige inbreuken op “de lichamelijke integriteit, het eigendom of de rechten van personen” is een grondregel van de soevereine staatsmacht en daarmee een kwestie van toestaan. In de grondrechten wordt de negatieve onderlinge betrekking tussen de concurrerende privé-personen in de vorm van rechten en plichten tegenover de politieke macht vastgesteld. Uitsluitend voor zover ze plichten tegenover de staat aanvaarden, kent de staat hen het recht toe vrije privé-persoon te zijn. De staat is dus het middel van de maatschappij die hij aan zijn soevereiniteit onderwerpt en via de grondrechten aanzet haar vrijheid zo uit te oefenen dat ze positief tegenover de staatsmacht staat. De grondrechten formuleren algemeen geldige beperkingen: in de vorm van garanties van datgene wat hij alles mag, verneemt de burger wat alles verboden is resp. hoe de staat met hem mag omspringen – zodat elk grondrecht tegelijkertijd zijn voorwaarden formuleert. De uitoefening van grondrechten moet steeds rekening houden met sancties van de staat, die hoe harder ingrijpt hoe meer een grondrecht de verhouding staat – burger betreft. De grondrechten verplichten, wat Hegel al wist en dan liever de zaak omdraaide om de staat te verheerlijken. De vergelijking recht = plicht betekent dat de staat zijn macht daarvoor inzet dat elke activiteit van de burgers voldoet aan de beginselen van de staat. De grondrechten worden ook mensenrechten ( in tegenstelling tot dier- en plantenrechten) genoemd: volgens het denkbeeld dat ze bij de natuur van de mens horen. De “natuur” die eist dat de mens grondrechten heeft, is de wereld van de concurrentie waarin het eigendom de mensen weinig ruimte laat voor wederzijdse waardering. De positieve bepaling van de mens die hem van overheidswege toekomt, is wat haar inhoud betreft een negatieve. De staatsmacht zorgt voor concurrentie en respect!

c)

Als de staatsdienaars – van de meest hoogstaande politicus tot en met de kleinste ambtenaar – hun zaken uitvoeren, representeren ze naast de maatschappij het algemeen belang dat in de maatschappij niet bestaat. Ze werken voor de privé-personen door tegen hen op te treden. Daarbij kenmerken ze zich door de meedogenloosheid die eigen is aan het goede geweten als staatsmacht de wil van het volk te doen gelden. De individuele wensen van de volksleden beschouwen ze, “in naam van het volk”, als ongerechtvaardigd hindernis omdat de soevereine staat zijn eigen wensen heeft. Aan de andere kant is het plichtsbesef van de representanten niet altijd vanzelfsprekend daar ook zij individuele belangen hebben en hun ambt velerlei verleidingen biedt. De onvermijdelijke collisies tussen belangen van de staat en privé-belangen in de ziel van de staatsdienaar zijn de reden voor de bescherming van deze figuren tegen de gevaren van de concurrentie, maar ook voor de gebruikmaking van de macht van het ambt voor privé-belangen: carrière, toegestane voorrechten, corruptie.

d)

In de strijd voor de oprichting van de soevereine staat ging het erom de nauwe verbinding van de politieke macht met kerk, adel en grondeigendom af te schaffen om de gehele maatschappij aan het staatsgezag te onderwerpen. Zijn beslissingen werden van de bijzondere belangen (ook van degene buiten zijn machtsbereik) gescheiden; de staat moest uitsluitend in dienst staan van zijn burgers, maar dan ook van alle burgers, en vice versa, zodat de strijd voor de erkenning van persoon en eigendom als bevrijding van de oude staat van al zijn afhankelijkheden plaatsvond. In naam van de volkssoevereiniteit eisten de door het staatsgezag niet erkende delen van de maatschappij hun aandeel in de macht. Alle overheidsorganen moesten via de grondrechten alle onderdanen respecteren, hetgeen de oude machthebbers niet deden. Ze werden ten val gebracht, en de verklaringen van de rechten van de mens waren het begin van een politieke macht die door volksvertegenwoordigers geïnstalleerd werd. Degenen die belangen tegen de oude staat doorzetten, veranderden in representanten van deze belangen; nu pleitten en ageerden ze niet meer voor de interessen van hun mensen, maar beperkten deze door alle middelen der regeringsvaardigheid. Vandaar dat vanuit het standpunt van de strijders ettelijke burgerlijke revolutionairen na de overwinning op verraders leken.

e)

Voor het praktisch denkende burgerverstand vormt de onvermijdelijkheid van de onderwerping aan de soevereine macht het uitgangspunt voor verwachtingen en teleurstellingen. Zichzelf vindt de burger voortdurend bovenmatig met plichten geconfronteerd, bij de anderen daarentegen ziet hij alleen maar rechten en klaagt over de zorgwekkende zwakheid van de representanten – die hij in andere gevallen ook graag van machtsmisbruik beticht. Door permanent kritisch de omvang van de beperkingen te beoordelen die de overheid oplegt aan anderen die hun grondrechten uitoefenen, schikt hij zich in de gehoorzaamheid aan de grondrechten. Zijn vertrouwen in de overheid wordt hierbij vaak teleurgesteld, zodat hij zich ontwikkelt tot beoordelaar van het doorzettingsvermogen en de betrouwbaarheid van zijn representanten, waarin hij de reden voor zijn “maatschappelijk falen” vermoedt. De aanspraak op waardige representatie van de staat is het tegendeel van verzet, wat blijkt uit de kritiek van intellectuelen op “blunders” van politici. De aanspraak wordt gecompleteerd met de instelling dat het gebruik van de macht voor de privé reputatie van de representanten legitiem is als het de zaak van de staat bevordert. Wat de wrede kanten van de machtsuitoefening betreft, troost zich de openbare mening ook graag met de gemeenplaats dat politiek nu eenmaal een vuile zaak is, en de zorgen over de beschadiging van de reputatie van de staat verdwijnen meteen zodra de bewuste figuren vervangen zijn (Watergate…).

 De pleitbezorgers van een functionerende staatsmacht, de politieke wetenschappers, beoordelen de verhouding staat – burger strikt functioneel. Aan de volkssoevereiniteit vinden ze het gedoseerde geweld positief, de stabiliteit van een politieke macht die gebaseerd is op instemming. In hun afleiding van de representanten uit ruimte, aantal en politieke rijpheid prijzen ze het ideaal dat de volkswil in de representanten van het staatsgezag en in de burger als verantwoordelijkheid bestaat. Bij hun loflied op de grondrechten maken politologen steeds de overgang van de prachtige mogelijkheid vrije burger te zijn naar de noodzakelijkheid deze vrijheid ook juist te gebruiken. Elke uitleg van de grondrechten mondt uit in de afweging hoe ver de gebruikmaking van de grondwet zou mogen gaan – aan de andere kant is de iets andere manier waarop buitenlandse staten hun burgers behandelen met het verwijt af te keuren dat de mensenrechten geschonden worden. Het “wapen der mensenrechten” maakte bijzonder indruk ten opzichte van de (voormalige) reëel socialistische staten omdat het de “containment-politiek”, de harde imperialistische “vooruitverdediging”, van een mooi moreel tintje voorzag.

 De linkse aanhangers van de ware wil van het volk gebruiken hetzelfde wapen voor morele aanvallen in de omgekeerde richting. Het hele jaar door eisen ze voor de arbeiders en boeren meer rechten, omdat ze hen het plezier gunnen het volkomen eens te zijn met het staatsgezag. Volgens de linkse volksvrienden heeft de staatsmacht namelijk het manco dat ze vanwege de invloed van de monopolies geen echte vertegenwoordiging van het volk kan zijn. In de juiste handen zou ze haar maatschappelijke plicht weer kunnen vervullen.

 De fascistische critici willen eveneens een nauwere band tussen volk en staat tot stand brengen: in de plaats van de soevereine macht die zich voor de concurrentie nuttig maakt, moet een soeverein treden die de concurrentie als staatsdienst organiseert. Uit de van staatswege gereguleerde en georganiseerde vrijheid van het privé-belang leiden ze een fundamentele zwakheid van de staat af. Grondrechten beschouwen ze als beperking van zijn macht en niet als zijn middel, en in tegenstelling tot de volksleden zijn de democratische politici in hun ogen slappe, verderfelijke figuren, omdat ze het verlangen van de burgers naar een staat niet gescheiden van de onderliggende redenen – de vereisten van de concurrentie – tot drijvende motor van de politiek maken: de privé-mens moet opgaan in de burger!

 

III

Wet – rechtsstaat – democratie

 

Met de grondwet voldoet de staat aan het belang van zijn burgers aan de spelregels van de concurrentie en verplicht zich alles wat hij doet in de vorm van wetten te doen; hun inhoud moet ervoor zorgen dat de grondrechten gelden. Doordat de representanten van het volk hun handelen met de grondrechten legitimeren en het corrigeren zodra het in strijd is met de grondwet, is de staat een rechtsstaat. In deze hoedanigheid is hij onafhankelijk van de invloed van de privé wil op zijn handelen en laat zijn machtsuitoefening alleen nog meten aan de grondwet. De democratie is de adequate vorm van de verhouding tussen staat en volk omdat ze de identiteit tussen volkswil en staatsmacht abstract realiseert, dus scheidt van de toestemming van de privé-personen tot specifieke wetten en hun uitvoering. Er wordt geen instemming geëist, maar gehoorzaamheid; en voor het geval dat die niet getoond wordt, staat niet de staat maar de rechtsstaat ter discussie.

 

 

a)

De democratie is in zoverre de adequate staatsvorm als de staatsmacht uitsluitend dan beperkingen aan de burgers oplegt wanneer het uitoefenen van hun vrijheid een schending van de vrijheid van anderen tot gevolg heeft: de staat erkent de bijzonderheid van alle privé-personen die hij aan de wet onderwerpt. Hij verleent zijn wetten algemene geldigheid, betrekt alle handelingen op zich en eist van geen enkele burger bijzondere prestaties – behalve degene die uit diens specifieke economische middelen voortkomen. (Men zal zien, hoe radicaal hij dat doet!) In tegenstelling tot de absolutistische staat favoriseert de democratische staat geen stand en geen klasse; iedereen komt in het genot van alle rechten en niemand heeft privileges. Niet door zijn partijdigheid, zijn directe inzet voor het belang van bepaalde delen van de maatschappij is hij dienstbaar aan één klasse – maar via de voor allen geldende wet en de rechtvaardigheid organiseert hij het voordeel van de sterkeren en het blijvende nadeel van de minder welgestelde burgers: de democratische staat vertrouwt op de macht van het privé-eigendom, hij beantwoordt aan de maatschappelijke verhoudingen als hij deze codificeert.  

b)

De macht, die de samenleving de staatsorganen toekent, uitsluitend conform de doelen van de burgers te gebruiken, beschouwt de rechtsstaat als een plicht. Hij voldoet daaraan door zijn conflicten met de burgers langs de meetlat van de grondrechten te leggen. Grootmoedig legt hij de burgers alleen die beperkingen op die de grondwet voorschrijft. Aan de andere kant is het uitbreiden van deze beperkingen altijd legitiem wanneer het bestaan van de staat zelf in gevaar komt. Als de weerspannigheid van de rechtmatig geruïneerde delen van zijn volk zijn soevereiniteit bedreigt, veroorlooft de democratische staat zich ter bescherming van zijn maatschappij op de schending van de “grondplichten” compromisloos te reageren. Een dreigende minachting van zijn voorschriften biedt hij het hoofd met het verwijt: misbruik van rechten – die dan ook door consequente aanpassing moeten worden beschermd: noodwetten als legitieme voorbereiding op een noodtoestand, waarin de staat zich niet meer permitteren  wil rechtsstaat te zijn!

c)

De democratische staatsvorm met zijn hooggeprezen maatschappelijk verkeer is de institutionalisering van de tegenstellingen tussen staat en burger. Telkens als de burgers de macht van de staat als hun middel gebruiken, blijkt ze dit middel te zijn door de vrijheid van de enkele burger te beperken. Hun eigen abstractie treedt tegenover de privé-personen als dwang op die ze moeten gehoorzamen. Omdat ze deze dwang voor het doorzetten van hun individueel belang nodig hebben, maar ook uitsluitend vanwege dit belang accepteren, zijn ze alleen daar oprechte democraten waar zij niet belemmerd worden door het optreden van de staat. Tegenover de profiteurs van rechten die voor hem plichten zijn, is niemand meer democratisch ingesteld – in dergelijke gevallen weet iedereen betere alternatieven voor het ingrijpen van de staat. “Fatsoenlijke” burgers pleiten midden in de mooiste democratie voor “harder optreden” van de politieke macht, terwijl een argument tegen de uitoefening van macht volkomen ongebruikelijk is. Aan de andere kant ervaren politici dat hun dienst aan het algemeen belang uiterst zelden in de gunst van de burgers valt, de strikte naleving van alle democratische procedures voor hun carrière dus niet bepaald gunstig is: hoe langer hun ambtstermijnen zijn hoe overbodiger vinden ze de democratische legitimatie door hun burgers en kunnen niet altijd de grondwet in acht nemen. Als het hen uitkomt, zeggen ze echter ook dat hun macht democratisch tot stand is gekomen.

 Het abstracte begrip van de democratie is dus uiterst nuttig voor de verklaring van het fascisme. Deze staatsvorm, het alternatief voor de burgerlijke heerschappij, is niet alleen als wens van politici en burgers in de democratie voortdurend aanwezig, maar staat ook in de praktijk op de agenda als burgers en staat in hun tegenstelling het daarover eens zijn dat het aan de ineffectieve machtsuitoefening ligt als er in het economische leven allerlei misgaat. Het resultaat is dan al gauw een nietsontziend gebruik van de politieke macht opdat het eindelijk afgelopen is met mopperaars en burgers die zich niet onvoorwaardelijk opofferen voor de politieke en economische doelen van de natie. Het antifascisme als reddingsprogramma voor de democratie is niet opgewassen tegen de strijdmiddelen van de fascisten die de natie op alternatieve wijze willen redden. De legende van de extreem chauvinistische fractie van de bourgeoisie, die een volk van echte democraten eerst verleidt en vervolgens alleen nog leidt, die echter ook vanwege de maatschappelijke krachtsverhoudingen tot haar machinaties in staat zou zijn geweest, getuigt zelf van de nationalistische buiging voor een echte democratie, die de reële offerbereidheid voor de natie niets anders tegenoverstelt dan een fictieve identiteit tussen volk en staat. De overgang naar het fascisme is overigens geenszins in strijd met de constatering dat de democratie de adequate staatsvorm van het kapitalisme is. Als institutionalisering van de tegenstellingen “functioneert” ze nu eenmaal uitsluitend zolang de tot het juiste gebruik van het privé-eigendom verplichte burgers ordentelijk concurreren, d.w.z. de diverse resultaten van hun concurrentie ook democratisch willen accepteren – vandaar dat men opgeleid moet worden tot democraat en sommige volkeren door democraten nog niet rijp geacht worden voor zo’n veeleisende staatsvorm. Deze democraten zijn goed op de hoogte van de fascistische verhoudingen die hen gelegen komen in het buitenland, waar ze deze gecreëerd hebben en behouden willen: de kunst van de zelfbeheersing hoort bij de democratische heerschappij, ze is daarin de in ere gehouden hoofddeugd; de buitenlandse vormen van armoede zijn echter, als men de vrije wil zijn gang laat gaan, een slechte basis voor deze deugd.

d)

De collisies tussen staat en burger die bij de onderwerping aan de wet onvermijdelijk optreden, leiden aan de kant van de burgers, afhankelijk van hun naar politieke alternatieven vertaalde belangen, tot complementaire vormen van toestemming en kritiek. Men kan:

1. aan het democratische leven deelnemen door handelingen van de staat af te keuren door hun legitimiteit te betwijfelen. Daarbij ontmoet men anderen die zich voor dezelfde maatregelen uitspreken en hun legitimiteit benadrukken. Al naar gelang van het karakter van de omstreden wet wisselen toestemming en kritiek van plaats.

2. zich sterk maken voor het perfectioneren van de democratie; óf men verzint een algemene crisis van de legitimiteit en eist meer respect voor de burgers resp. meer inspanning om hun toestemming te krijgen; óf men betreurt dat de staat te onzeker is over zijn legitimiteit en zijn handelen voortdurend onderhevig maakt aan de goedkeuring van de burgers. Zo ontdekken de enen vijanden van de democratie, de anderen vijanden van de staat. Laatstgenoemden krijgen meer moeilijkheden; vandaar dat ze zich permanent uitspreken voor de staat, desnoods op openbare tribunalen.

3. als tegenstander van de democratische staat ageren door zijn legitimiteit te betwisten. Terwijl het revisionisme in de onmiskenbare verdeling van nadeel en voordeel in het volk een aanleiding ziet om het permanente misbruik van de loyaliteit van het volk te brandmerken, dus een staat propageert die meer rekening houdt met de “belangen van de massa’s”, hebben de anarchisten genoeg aan de ontdekking van de gewelddadigheid van de staat tegenover de mensen. In naam van het volk gaan ze op dit gebied de strijd aan met de staat en moeten ondervinden dat de wil van het volk het gewelddadige optreden van het staatsgezag helemaal niet afkeurenswaardig vindt: ze worden, omdat ze volstrekt anders gescheiden zijn van de massa’s dan de staatsdienaars, tot vervolgden en slachtoffers, de anti-terreur commando’s tot helden van de democratie. De fascisten constateren dat de legitimiteit van de staat alleen maar een beperking vormt voor het uitvoeren van zijn taken. Ze eisen van de burgers principiële instemming, onvoorwaardelijke onderwerping en aanvaarding van elke beperking die de staat verordent: politiek als nietsontziende subsumptie onder het staatsdoel: volksgemeenschap, terreur in naam van het volk.

e)

Het ontstaan van democratische staten berust erop dat tussen klassen met tegenovergestelde belangen een overeenkomst heeft bestaan: voor beide zijden was een staat nuttig die het respect voor de respectievelijke eigen belangen bij de anderen afdwingt. De eenheid tussen bourgeoisie en proletariaat was een negatieve – ze richtte zich tegen een staat die zich tot instrument van een onproductieve klasse maakte; in Amerika de directe oprichting van een burgerlijke staat.

f)

De verheerlijking van de democratie heeft met haar verklaring niets te maken, en ze voert normaliter de voordelen aan die niet bepaald veel burgers ten deel vallen; als het om haar verdediging gaat, is men toch al niet kieskeurig. Het loflied op de democratie komt het liefst tot stand door een “vergelijking” met het verleden of met verafgelegen streken: alle fases van de wereldgeschiedenis, India… – waarbij elke kritiek verworpen wordt door het aanvoeren van ergere toestanden. Als men de vergelijking tussen burgerlijke democratie en vroegere maatschappelijke verhoudingen serieus bedoelt, zal men in de vooruitgang – erkenning van de (abstract) vrije wil, afschaffing van persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen etc. – ook de dwang ontdekken waaraan de meerderheid van de vrije burgers onderworpen wordt: dat alle vrijheden niet verder reiken dan het staatsgezag toestaat, dus dat hun beperking geïnstitutionaliseerd werd, ja dat hun legitimiteit staat of valt met hun bruikbaarheid. Dit is het domein van de populaire interpretaties van de democratische opdrachten en taken, waar naast journalisten vooral de revisionisten binnen en buiten de universiteiten gretig aan deelnemen; bij de desbetreffende interpretatiekunst speelt de zogenoemde kloof tussen aanspraak en werkelijkheid een belangrijke rol – te veel of te weinig democratie aandurven, bepleiten, realiseren…

 

IV

Recht – bescherming van persoon & eigendom – moraal

 

De legitieme macht van de staat onderwerpt de burgers aan de wet. De staat verschaft het recht gelding en dwingt de burgers zo tot wederzijdse erkenning van hun vrije wil. De rechtspleging zorgt zowel voor de bescherming van persoon en eigendom als voor de soevereiniteit van de staat. Ze handhaaft de concurrentie door de vrijheid van de privé-personen afhankelijk te maken van de overeenstemming van hun handelingen met het recht. De staat beoordeelt of alles wat zijn burgers doen conform de wet geschiedt en verleent zijn oordeel geldigheid door het geschonden recht weer te herstellen. Dankzij de macht van de staat is de wet inherent aan de handelingen van de burgers, zodat de burgers de wettelijke geboden als zedelijke maatstaf erkennen en aan zichzelf en anderen aanleggen: moraal.

 

a)

Als de staat de vrije burgers –  persoon en eigendom – beschermt door hen te beperken, dan berust hij niet alleen op de collisies van de concurrentie; de handhaving van de samenleving waarin de vermeerdering van eigendom, de uitbreiding van de persoonlijke vrijheid, anderen buitensluit van de participatie aan de maatschappelijke rijkdom, is ook het enige doel van de burgerlijke staat. Doordat hij zijn macht inzet om elk soort inbreuk op een persoon en haar eigendom te verhinderen, zorgt hij zowel voor het behoud van de verschillen die hij in het economische leven aantreft als voor het uitvechten van de daarin opgesloten tegenstellingen, waarvan het resultaat bij voorbaat vaststaat. Dat de gelijke behandeling van de met verschillende middelen uitgeruste tegenstanders de beste garantie daarvoor biedt dat de ongelijkheid voortbestaat en groeit, willen de aanhangers van de gelijkheid absoluut niet begrijpen. In de gelijkheid zien ze geen geweldsverhouding, maar een ideaal waar ze de maatschappelijke verschillen aan meten.

b)

Het realiseren van de gelijkheid is de aangelegenheid van de staat en in tegenstelling tot bovengenoemde opvatting geen onrecht, maar de rechtstoestaand. Door de handelingen van privé-personen met de inhoud van de wet te vergelijken, bereikt de staat dat de vrijheid van een persoon eindigt waar het eigendom van een andere begint. Zo verschilt het oordeel van het recht fundamenteel met dat van de wetenschap. Terwijl het oordeel van de wetenschap de theorie over een onderwerp, de verklaring ervan vormt en als gedachten vasthoudt wat het onderwerp is, heeft het juridische oordeel niets gemeen met de verklaring van de handelingen die het toetst. Wat het recht is, houdt de juristen helemaal niet bezig – ze weten dat het recht in de vorm van wetten bestaat, die niet uit wetenschappelijke inspanningen resulteren maar uit de wetgeving van het staatsgezag; en ze hebben slechts een belang: te beoordelen of de handelingen van de staatsburgers conform de wet zijn of niet, en door de theoretische subsumptie van “toedrachten” onder de wet hun subsumptie in de praktijk voor te bereiden. Juridische oordelen zijn geen wetenschappelijke inzichten, maar vergelijkingen, abstracties van de concrete inhoud van de handelingen door hun toetsing aan de wet; deze abstracties krijgen objectieve gelding door het gewelddadige optreden tegen de individualiteit: politie en justitie.

c)

Met de bescherming van persoon en eigendom garandeert de staat de enkele persoon een sfeer van vrijheid die grenzen stelt aan het nastreven van zijn bijzondere belangen. Het ageren van de vrije wil is afhankelijk van de vrije wil van anderen en wordt derhalve wettelijk geregeld; de staat schrijft de burgers de vorm van hun onderling verkeer voor. Het realiseren van hun privé belangen is hun recht, namelijk onder de voorwaarde geoorloofd dat het niet indruist tegen de wet. De staat zet zijn geweldsmonopolie in opdat de conflicten tussen de belangen in de maatschappij zonder geweld uitgevochten worden: de onderwerping van alle handelingen aan de wet is de basis voor de burgerlijke definitie van geweld als onrechtmatige daad; daardoor lijkt de kapitalistische maatschappij in de ogen van menig onderdaan op een idylle. Zeer verheugd over het geweldsmonopolie van de staat vergeet het bourgeoise verstand domweg dat vanwege de gelding van de wet het uitvoeren van alle zaken de onderwerping aan het staatsgezag omvat, dus dat het belang aan vrijheid ook een belang aan geweld is.

1. In het civiel recht bepaalt de staat de onderlinge betrekkingen van de van elkaar afhankelijke privé-personen. Hij stelt normen vast voor de handelingen die uit het realiseren van de vrijheid van de persoon en uit het gebruik van het eigendom resulteren. Hij bepaalt

- de voorwaarden waaronder iemand als rechtssubject geldt en als zodanig rechtshandelingen mag uitvoeren, d.w.z. wanneer en hoever de wil van een mens door anderen gerespecteerd moet worden, hetgeen dus in de burgerlijke maatschappij niet bij de vanzelfsprekendheden hoort: personenrecht;

- de uitvoering van rechtshandelingen, hun diverse soorten, zowel de modus van hun afwikkeling als hun consequenties: omdat de privé-personen bij hun zaken met anderen uitsluitend hun eigen voordeel beogen, moet de staat hen de grondvorm van de wettelijke relaties, het verdrag opdwingen, en wel door uiterst gedetailleerde voorschriften ten aanzien van alle factoren die deel uitmaken van het verdrag. De wet definieert wat als wilsuiting geldt, wanneer een wilsuiting geldig is, wat deze geldigheid impliceert (aansprakelijkheid) en hoe het contract moet worden nagekomen – en omdat elke contractant voor de andere slechts het middel voor zijn eigen voordeel is, moet de staat er ook voor zorgen dat zijn burgers geen contracten sluiten over dingen en diensten waar ze niet over beschikken. Gewelddadig verduidelijkt hij hen het exclusieve karakter van het door allen begeerde en gewaardeerde, daarom steeds geminachte privé-eigendom: aansprakelijkheid en zakenrecht;

- de verhoudingen van persoon en eigendom op het speciale gebied van de relatie tussen de geslachten en tot het kind. Deze relatie heeft aparte regelingen nodig omdat man, vrouw en kind zich uit louter liefde verzetten tegen een bestaan als rechtspersonen. De staat dwingt hen gemeenschappelijk rechten en plichten te delen, ook op het vlak waar ze op grond van individuele genegenheid de wederzijdse buitensluiting achterwege laten. Daarmee verklaart hij de sfeer van het huiselijke geluk tot een geregelde nuttigheidsrelatie zodat de schending van het sacrament van het huwelijk zijn wereldlijke kanten heeft. Eerst komen de profane instanties, dan komt het Opperwezen!: familierecht;

- de verhoudingen tussen persoon en eigendom die uit het overlijden van eigenaren resulteren. De staat garandeert het voortbestaan van het voordeel dat het eigendom binnen de familie oplevert en beperkt derhalve door testamenten de vrije beschikking over het privé-eigendom, hetgeen reeds bij leven door diverse verboden geregeld wordt: erfrecht.

2.

In het strafrecht regelt de staat het herstellen van het geschonden recht. Anders dan in het civiel recht, dat de privé aanspraken definieert en normeert en de doorzetting van wettelijke verhoudingen beoogt – er moet niets verbodens gebeuren – gaat het in het strafrecht om de reactie van de staat op daden die de wet breken. Doordat deze reactie zelf als onderdeel van de wet verschijnt, als codificatie van de misdaad (nullum crimen sine lege), verliest de bescherming door de wet het idyllische dat haar door vergelijkingen met vroegere toestanden toegedicht wordt. Als het herstellen van het recht niets te maken heeft met de macht van de privé willekeur die op beschadigingen reageert; als het wraak, vete, duel etc. zelf als onrecht behandelt en het standpunt van de justitie niet dat van het beschadigde belang, maar dat van de als staat bestaande objectieve vrije wil is, dan handhaaft het recht een maatschappij waarin iedereen volgens een principe handelt waaraan de dwang tot onrecht immanent is.

- Het schuldprincipe eist niet alleen de constatering van een vrije wil bij de dader (toerekeningsvatbaarheid), maar vooral het bewijs dat de geïncrimineerde daad werd begaan door een vrije wil die weet dat hij onderworpen is aan het recht dat hij schendt: voorbedachte rade – nalatigheid. Misdaden kunnen slechts door mensen worden begaan die de wet gehoorzamen.

- De straf, waardoor de wet weer wordt hersteld, richt zich dus tegen de vrije wil; ze is geweld tegen persoon en eigendom en straft daarmee de schuldige (bekentenis) op adequate wijze. Preventie en reclassering zijn uit het doel van de straf afgeleide doelstellingen, die verduidelijken dat straffen niets te maken hebben met het verhinderen van onrecht – wat de sociologische voorstanders van nuttige straffen echter niet interesseert.

- Als bij de bepaling van de strafmaat voor verschillende delicten schijnbaar tegenstrijdige maatstaven worden gehanteerd (bijvoorbeeld economische criminaliteit – roof), dan bewijst dat alleen maar dat de staat de uiteenlopende vergrijpen niet even belangrijk vindt. En als bij de beoordeling van de opzettelijkheid van een daad gemoedsopwelling als verzachtende omstandigheid geldt, dan concedeert de wet de treurige realiteit van de burgerlijke maatschappij: het vraagt enige wilskracht om de beperkingen door anderen te verdragen; vandaar ook dat de berekenende wil, anders zeer graag gezien, als minderwaardig motief geldt wanneer hij de wet breekt.

3. De onderwerping van de burgers aan de wet in overeenstemming met de wet te regelen, is zaak van het publiekrecht: het houdt zich dus bezig met de grondwettigheid van vorm en inhoud van de wetgeving en het uitvoeren van wetten en betreft zo uiteenlopende gebieden als

- parlementaire procedures

- jurisdictie en politie

- belastingen

- wetenschap etc., etc.

Doordat de staat zich bij al zijn handelingen aan zijn eigen recht onderwerpt, zich als rechtssubject beoordeelt wanner hij wetten maakt (legislatieve macht), recht spreekt (judicatuur) en uitvoert (executieve macht), ontstaat de uiterst interessante vraagstelling over het geweldige nut van de wederzijdse controle van de staatsorganen: ideologie van de machtenscheiding. (MEW 7/498)

d)

De legitieme macht van de staat, waarvan de beperkende uitwerking op de belangen van de burgers aanvaard wordt, is het resultaat van de strijd tegen een soeverein die zijn macht over de maatschappij – in tegenstelling tot de rechtsstaat – niet dienstbaar maakte aan de doelstellingen van de maatschappij.

- Tegenover een vorst wiens woord wet was, moest de algemene gelding van het recht, de scheiding van een persoonlijke wil doorgezet worden: de roep om vrijheid en gelijkheid ging vergezeld van de strijd voor de onderschikking van de wetgever aan de wil van het volk, voor de onderwerping van de regering aan de wet en voor de onafhankelijkheid van de rechtbanken: hier ligt de oorsprong van de leer over de scheiding der machten.

- Terwijl in sommige landen de burgerij deze strijd uitvocht, verkondigde men in Duitsland de noodzakelijkheid van de burgerlijke staat – die niet tot stand kwam – door filosofische traktaten over de burgerlijke idealen. De verlichtingsfilosofie en -literatuur propageerden de burgerlijke staat door de deductie van zijn morele principes: praktische filosofie van Kant en Fichte.

- Het ontstaan van de Amerikaanse democratie onderscheidt zich van het constitueren van Europese democratieën daardoor dat de inbezitneming van het onbeheerde land en de daaruit voortkomende vrije concurrentie met het daarbijhorende recht van de sterkste de burgers dwong een staat te stichten. De staat was als resultaat van de activiteiten van vrije bezitters, die de staatsmacht alleen zo veel soevereiniteit toevertrouwden als het voor de concurrentie nuttig leek, van beging af aan uitsluitend het middel voor de belangen van het volk: de eerste democratie, met haar tot op de dag van vandaag ruwe zeden.

e)

De burger wil het recht ter bevordering van zijn voordeel, ondanks het feit dat het hem tegelijkertijd beperkingen oplegt; naast zijn voordeel moet hij dus ook zijn beperking willen: moraal. Hij rechtvaardigt zijn onderwerping aan de macht, die hem schaadt, met het ideaal van deze macht en combineert de aan hem opgelegde dwang met zijn deugd. Zo gehoorzaamt hij niet alleen de wet, hij heeft ook een wettelijke gezindheid die zijn gehoorzaamheid dragelijk maakt. Al zijn handelingen meet hij aan het ideaal van rechtschapenheid, en daar hij bij zijn streven naar voordeel voortdurend zijn plichten verzaakt, doet hij dat met een slecht geweten. Dankzij de gewenning aan het zodoende behaalde voordeel mag hij dan wel de beoordeling van zijn handelingen als goed of kwaad vergeten, maar het oordeel van zijn medeburgers herinnert hem steeds weer daaraan, net zoals hij tegenover de anderen als slecht geweten fungeert: openbare huichelarij. Hierbij levert de morele activiteit het indrukwekkende bewijs dat het goede slechts schijn is en als ideaal de beste diensten bewijst; vandaar dat degene die probeert zijn idealen te realiseren verachtelijk idealist genoemd wordt. Terwijl de burgers de jeugd toestaan zekere idealen te koesteren – ze zijn ervan overtuigd dat in de harde arbeidswereld ook het enthousiasme voor idealen verandert in de gebruikmaking ervan als simpel functioneel middel voor de eigenbaat – beschouwen ze het moralisme van volwassenen als vervelende karaktertrek. Een volwassen mens idealist noemen, betekent daarom ook altijd hem van wereld- en levensvreemdheid te betichten, wat ook tegenover communisten gebruikelijk is zolang ze geen gevaar vormen.

 De moraal is dus geenszins een overbodige bijkomstigheid in het burgerlijke circus, maar ze  verinnerlijkt de dwang die men omwille van het eigen succes aanvaardt, ze is de instelling die men nodig heeft om de opoffering, die het succes vereist, te accepteren. De moraal doorstaat zelfs langere periodes waarin helemaal geen vooruitgang geboekt wordt, en ze bewijst haar waarde zowel aan de zon- als aan de schaduwzijde van de maatschappij. De enen dient ze als welkomen aanvulling op hun voordeel – nonchalant verkondigen ze met spreuken over het ware, het goede en schone dat ze eigenlijk naar iets hogers streven; de anderen biedt ze in haar vulgaire vormen troost in hun ellende; en voor beide zijden is ze de verwezenlijkte onthouding inzake verandering.

 Zo verbaast het niet dat in de modernste van alle maatschappijen de radicale kritiek haar tanden uitbijt aan het moralisme van haar adressaten, en dat niet alleen aan het moralisme in zijn theoretische vorm, het verkeerde bewustzijn. De idealen altruïsme, bescheidenheid, eerlijkheid, mededogen, naastenliefde etc. wil het gehele volk in praktijk brengen, van de naaister tot en met de echtgenote van de president; en iedereen voelt zich geroepen om aan alle mogelijke goede doelen te doneren. Ze verzamelen zich in verenigingen ter georganiseerde verdomming en verwaarlozing van de jeugd, in de vaste overtuiging daar te krijgen wat ze in het normale bestaan ontberen: gemeenschap met anderen, solidariteit, vriendschap – ze compenseren de dwang tot onderlinge concurrentie met het walgelijke gemeenschapsgevoel op basis van hun idealen, zelfs dan als hun idealisme van hen nog meer offers vergt.

 Bij al deze morele activiteiten speelt de religie de belangrijkste rol. Marx heeft het christendom de adequate religie van het kapitalisme genoemd. De cultus van de abstracte christenmens realiseert de voorstelling van god als de opperste almachtige rechter, aan wie men enerzijds nagenoeg alles te danken heeft, van wie men anderzijds ook niets cadeau krijgt – behalve de genade als erfzondaar godgevallig te mogen leven. Iedereen zondigt, toont berouw en hangt heel bescheiden de rechter over de daden van anderen uit. Kleine verschillen zijn ook bij deze vorm van “geestelijke onderwerping” in de christelijke gemeente niet over het hoofd te zien: de enen preken en onderwijzen anderen in de juiste moraal (wat een echt beroep is geworden) – de anderen maken ze zich eigen en hun huichelarij op het vlak van christelijke maatstaven maakt eerder een amateuristische indruk. Het naast het materialisme van de kapitalistische maatschappij in praktijk gebrachte idealisme van de religie kan de afnemende onderdanigheid van de mensen – die uit de kerk uittreden omdat die zich niet beperkt tot de theoretische propaganda van de moraal, maar haar gemeente op basis van het geloof wereldlijk engagement voorschrift; bij de verminderde aantrekkingskracht van het geseculariseerde geloof past de inmenging van de kerkelijke instituties quasi als belangengroep – wel verwerken omdat de staat in de christelijke verpleger en jeugdpredikant al lang de nuttige kanten van het geloof heeft ontdekt. De ijver van de christelijke caritas verandert gemakkelijk, quasi als bijproduct, in haat op mensen die niet van dieren houden en ook niet bereid zijn in de praktijk het voortbestaan van de burgerlijke ellende te ondersteunen door aan de offers die anderen moeten brengen hun eigen offer toe te voegen.

f)

De logica van het morele denken past precies bij de reden voor moraal: de onderwerping aan de staat als prijs voor de gouden vrijheid. Als een burger, die de restricties van overheidswege goedkeurt en ten koste van een medeburger zijn voordeel wil behalen, argumenteert hij zowel met diens eigen nadeel als met de afleiding van een algemene schade die optreedt indien de contractant bij zijn harde houding blijft. De normale vorm van afkeuring onderscheidt zich aanzienlijk van kritiek op de doelen die in onze prachtige maatschappij van staatswege gebillijkt en verordend worden; de afkeuring richt zich steeds tegen de vrijheid van anderen en wil zich het bestaande staatsgezag ten nutte maken. Dit is trouwens niet alleen bij de kleine weerzinwekkende tussenmenselijke pesterijen aan de orde van de dag, maar ook bij openbare beraadslagingen over zulke fundamentele kwesties als maatschappelijke structuur en betamelijk gedrag. Terwijl de maatschappijtheorie van de fatsoenlijke burger overgangen behelst naar de fascistische veroordeling van zelfs de kleinste vrijheden die zich iemand permitteert (“als dat iedereen zou doen!”), gaat de revisionistische moraalfilosofie iets anders te werk bij de indeling van de burgers en hun handelingen in nuttig/goed – schadelijk/kwaad. Het vaste standpunt van de massa’s heeft echter met Marx niets te maken, hoewel men zich op hem beroept: de klassieke criticus heeft het kapitaal en dus de kapitalisten bekritiseerd; hij overwoog daarom ook geen bondgenootschappen met sympathieke kleine kapitalisten. Bovendien waren de massa’s in zijn ogen niet rechteloos en goed, net zomin als het financierskapitaal (een aanrakingspunt met de fascisten!) onrechtvaardig was als alles andere onaangename. De morele maatschappijkritiek is logisch gezien grote onzin, maar als bijdrage tot het geordende samenleven in een democratie is haar invloed enorm – hetgeen de alternatieve scènes aller landen merken en nadrukkelijk op amorele wijze hun individualiteit cultiveren tegen haar domesticatie door het burgerlijke leven. Uit de integratie van de desbetreffende capriolen – vooral op het gebied van groene wereld en seksualiteit – blijkt de tolerantie van de democratie: een beetje buiten het gareel lopen is toegestaan – als echter het kapitaal en de openbare orde in het geding komen, is het gauw afgelopen met de tolerantie. Vanzelfsprekend horen de vormen van de oprichting van de rechtsstaat in het arsenaal van stereotypen waarmee men dit gebeuren kritisch verheerlijkt: Franse Revolutie met haar grandioze ideeën, Kants filosofie met haar morele sterrenhemel en het wilde westen zijn blijvende rekwisieten van de moderne moraal.

 © Gegenstandpunkt Verlag 1980/1999