Het financierskapitaal II

 II. De ontplooiing van de kredietmacht van het financierskapitaal:

      De accumulatie van het “fictieve”kapitaal

 

1. Van kredietverstrekking tot kapitaalmarkt

Met zijn krediet volbrengt de bankensector een opmerkelijke prestatie: in zijn handen is geld kapitaal, en dat zelfs meermaals: hij laat de deposito’s van zijn geldinleggers door rentebetalingen groeien. Hij stelt zijn kredietnemende klanten geld ter beschikking dat hun macht om winst te behalen versterkt en hen tot rentebetalingen verplicht en in staat stelt. De behaalde rentewinst vergroot het kapitaal waarmee de bankensector zijn zaken doet.

Deze prestatie vooronderstelt en berust op het feit dat het levensproces van de maatschappij afhankelijk is van het geld en in dienst staat van de geldvermeerdering. Als kapitaalvoorschot gebruikt, zet het geld de wereld van de materiële rijkdom en de arbeid in beweging die nodig is voor de reproductie en vermeerdering ervan; en deze beweging dient het doel, voldoet aan het succescriterium en bewerkstelligt als resultaat: meer geld. Van deze alles omvattende heerschappij van het geld, de macht van het in geld gemeten eigendom over de gehele rijkdom en de bronnen ervan gaat het financierskapitaal uit. Het gebruikt de productiewijze waarin alle productiekrachten van de maatschappij door geld op gang gebracht en ontwikkeld worden, waarin alle potenties van de materiële rijkdom – natuur, wetenschap en arbeid – te koop zijn en als bron dienen van het eigendom dat ze in bezit neemt. Het financierskapitaal rekent erop dat het geld zich als bron van zijn eigen vermeerdering waarmaakt: als noodzakelijk middel voor dit alles beheersende doel, en als toereikend middel mits het in voldoende hoeveelheid beschikbaar is. De daaruit voortkomende behoefte: de behoefte naar geldkapitaal is zaak van de bankensector. Aan de ene kant concentreert hij als universeel schuldenaar van de “geldmaatschappij” haar vermogens en zakelijke middelen bij zich; als manager van het maatschappelijke betalingsverkeer en middels de rentes die hij betaalt, verkrijgt hij de legale beschikkingsmacht over nagenoeg de gehele geldvormige rijkdom. Met deze beschikkingsmacht vervult hij aan de andere kant tegenover de zakenwereld de rol van leverancier van hét zakelijke middel dat allen nodig hebben; als universeel schuldeiser verschaft hij en maakt hetgene beschikbaar dat de wereld absoluut nodig heeft en volgens zijn oordeel ook zinvol gebruiken kan. Deze wederzijdse rechtsverhouding van eigendomsoverdracht bij wijze van lening gebruikt de bankensector als zijn bron van geld.

Met zijn alles omvattende kredietverstrekking maakt het financierskapitaal direct en zonder enige eigen productieve prestatie de abstracte rijkdom productief; geld krijgt alleen daardoor al de macht om zich te vermeerderen, wordt reeds daardoor kapitaal dat het in de handen van een kredietinstelling komt en door haar wordt uitgeleend. Doordat een dergelijke instelling vreemd geld onder haar hoede neemt, stelt zij zich verantwoordelijk voor de renteopbrengst van deze som, maakt dus het effect –  dat normaliter pas tot stand komt door het succesvolle gebruik ervan als kapitaalvoorschot voor productie en handel – tot rechtmatige eis die de kredietnemer, hoe en waarmee dan ook, dient na te komen. En door beide zaken, lenen en uitlenen, voortdurend uit te voeren, vermeerdert de bank op de allerkortste manier, via de tweevoudige complementaire ruil van geld tegen het recht op meer geld, haar eigen vermogen. Haar balansen laten zien, haar solvabiliteit is het feitelijke bewijs dat deze uiterst directe manier van rechtmatige geldvermeerdering economisch wel goed zit. Zo ontkoppelt de bankensector de kapitalistische potentie van het geld formeel van de voorwaarde en basis ervan: van de aanwending van geld als kapitaalvoorschot en de realisering van winst op de warenmarkt. Als krediet is geld reeds kapitaal. 1)

Deze vergelijking die in de succesvolle krediet-business praktische geldigheid krijgt, rechtvaardigt en waarborgt de financieel-kapitalistische praktijk die het aangaan van schuldverhoudingen van het odium van noodmaatregelen bevrijdt: schulden krijgen de kwaliteit van kapitaalbestanddeel toegekend en zijn qua “wezen” de waar kapitaal die de geldbranche produceert en verhandelt. Ze legt de geldgroei die haar krediet-business belooft schriftelijk vast, dwz. ze noteert deze toename als bindende toezegging op een waardepapier en drijft daarmee handel. De koper van een dergelijk papier verwerft het om daarmee iets te verdienen: het bezit geeft het recht op opbrengst die de verkoper verplicht is te betalen. Wat er verkocht wordt is de wettig bindende belofte de aan de koop bestede geldsom voor de koper als kapitaal te laten fungeren; met de opbrengst dekt die zijn eigen kapitaalbehoefte. In het waardepapier wordt dus een schuldverhouding tot waar, namelijk daardoor dat ze omgemunt wordt tot koopbaar geldkapitaal dat de koper als vermogensbelegging dient. Met de koop bereikt hij een resultaat waarvoor anders de aanwending van de geldsom als kapitaalvoorschot en het behalen van winst op de markt noodzakelijk zijn. De emittent wordt door de verkoop tot prestaties verplicht die anders door een voltooid kapitalistisch vermeerderingsproces tot stand komen. Het waardepapier neemt met zijn wettig vastgelegde prestaties de plaats in van hetgene wat het kapitaal met zijn omloop teweeg brengt. Het representeert rechtsgeldig de vermeerdering van het daarvoor betaalde geldbedrag – als ware deze prestatie zijn economische eigenschap; het belichaamt de vergelijking die de bank door haar krediet-business uitvoert, namelijk de verandering van een geldsom enkel door haar overdracht aan een zakenpartner in een automatisch effectieve vermeerderingsverhouding. Dit ding brengt de financiële branche op een markt waar niets anders gekocht en verkocht wordt dan de in schuldpapieren vastgelegde – schriftelijk beloofde – “zelfvermeerderingsmacht” van het geld; vandaar dat deze markt kapitaalmarkt heet. 2)

De vooruitgang die het financierskapitaal zodoende tot stand brengt, is af te lezen aan de economische karakters die deze markt bevolken en aan hun zakelijke handelingen.

- Kredietnemers treden hier niet meer op als schuldenaars die onder geldgebrek lijden en op geldbezitters aangewezen zijn die geld voor hen over hebben, maar als emittenten van een papier dat een zichzelf vermeerderend vermogen representeert, namelijk de participatie belooft in de gegarandeerde macht van de emittent om van geld meer geld te maken. Waar een schuldenaar de plicht op zich neemt rente te betalen, daar pakt een emittent van een waardepapier groot uit met de toezegging dat het nakomen van zijn betalingsbelofte sowieso vanzelfsprekend is en als automatisch optredend effect, quasi als de economische kwaliteit van zijn schuldpapier te beschouwen en te behandelen is. De banken zetten zo de stap van beschikkingsgerechtigde totaalschuldenaar van de geld bezittende zakenwereld naar de rol van producenten van financiële instrumenten waarmee ze vreemd geld – voornamelijk hetgene dat hun collega’s als kredietgeld voor lonende zaken bereid zijn te “scheppen” – voor zichzelf beschikbaar maken; zij ageren als actieve verschaffer, als producenten van de sommen waarmee ze hun zaken doen en die ze aan hun kredietnemers verstrekken. Hun goede klanten bieden ze aan hun kredietbehoefte niet simpelweg te bevredigen, maar op adequate wijze als waar op de markt te brengen: in plaats van door kredietverstrekking voor onafhankelijkheid van de grenzen van het bedrijfsvermogen te zorgen, verschaffen zij de begeleide emittenten de toegang tot middelen om zich onafhankelijk te maken: tot het instrumentarium dat het mogelijk maakt geldbehoefte als aanbod te verkopen. In plaats van aan rente verdient de bank dan zowel aan provisies voor haar bemiddelingsdienst alsook aan de investering in de zo gecreëerde kapitaalbelegging. Kredietwaardigheid is hier geen open kwestie meer waarover een kritische huisbank na rijp beraad tot nader order positief of negatief beslist, maar vaststaande premisse 3): die wordt in het waardepapier verkocht.

- Dienovereenkomstig ageren kredietgevers op de kapitaalmarkt niet meer als schuldeisers die ongerust moeten zijn over het wel en wee van een verstrekte som, maar als investeerders die waardepapieren kopen om daaraan te verdienen: waaraan ze dus – niet onkritisch, veeleer zeer omzichtig, maar in principe net als de emittent – de beloofde opbrengsten als gewaarborgd effect, het recht erop als economische eigenschap toeschrijven. De gekochte schuldbrief is voor hen een investering: winstgevend vermogen; een stuk zelfwerkend geldkapitaal dat als zodanig ook doorverkocht kan worden. Waar de schuldeiser op zijn recht op stipte rentebetaling en aflossing let, daar zijn voor de professionele kapitaalinvesteerder de uitkering van de beloofde opbrengst en de terugbetaling van de geïnvesteerde som – voorzover überhaupt afgesproken – niet het einddoel van zijn engagement, maar het kwaliteitskenmerk van zijn investering; dat wordt aan de hand van dergelijke en andere criteria voortdurend vergelijkend getoetst op bruikbaarheid als speculatieve kapitaalbelegging. Banken handelen hier als investeerders voor eigen rekening en als trustee van de geldvermogens van hun klanten, altijd op zoek naar de beste investeringen en permanent bezig zowel hun eigen als de door hun beheerde waardepapier-portefeuilles te optimaliseren. 4) Complementair met hun eigen en plaatsvervangende emissieactiviteit creëren ze met eigen en vreemde middelen voortdurend vraag naar kapitaalbeleggingen.

Zo trekt de bankensector uit het algemene succes van zijn kredietverstrekking een verreikende conclusie: hij maakt de resultaten van zijn kredietschepping tot basis voor nieuwe, “geavanceerde” zaken. Met zijn beschikkingsmacht over het circulerende en gedeponeerde geld van de maatschappij gaat hij in het offensief en verschaft zich – en de elite onder zijn klanten – geldmiddelen door de toegang tot vreemd geld in de vorm van zelfverantwoordelijk geproduceerde kapitaalbeleggingen aan te bieden en deze als waren in omloop te brengen. Met hun macht over de geldbehoefte van de zakenwereld: hun macht vermeerderingsprocessen op gang te brengen, te continueren en te beëindigen, over een groot aantal concurrerende zaken te disponeren en daarover ten bate van hun eigen balansen te beslissen, veroorloven de banken zich de vrijheid om eigen en solide vreemde schulden als automatisch groeiend geldvermogen op de markt te brengen, dwz. als gelegenheden voor kapitalistisch productieve geldbelegging aan te bieden en te kopen. De objecten die ze op de kapitaalmarkt kopen en verkopen, hebben niets anders tot inhoud dan de macht van het geld om zich te vermeerden; daarvan gaan ze bij hun kredietverstrekking uit en beslissen met hun kredietverstrekking over de het gebruik van deze macht: ze verhandelen deze macht als waar en creëren zo een heel eigen wereld van financieel-kapitalistische zelfverrijking.

*

1) Tot hier een samenvatting van de argumenten uit het 1. hoofdstuk van: Het financierskapitaal

2) Voor alle duidelijkheid: de uitdrukking “fictief kapitaal” die wij bij Marx geleend hebben, gebruiken wij ter karakterisering van het soort geldkapitaal dat uit beloofde opbrengsten investeringen berekent en als waren verhandelt. Het verklaart toekomstige geldbetalingen tot renteopbrengst uit een kapitaalsom, als het product van een bron van inkomsten die alleen daardoor begint te stromen dat iemand ze koopt, dus het adequate geldbedrag daarvoor neertelt: door de geslaagde verkoop wordt deze fictie reëel. Daarover gaat dit 2. hoofdstuk van Het financierskapitaal

3) Dat wordt bijzonder duidelijk zodra deze voorwaarde wegvalt: dan verliezen de vermogens waarvan de bezitters overtuigd waren dat ze groeien hun waarde.

4) Op deze poging komen wij nog te spreken: het is de “vermeerderings”-prestatie die het financierskapitaal op de kapitaalmarkt volbrengt.

*

Aanvulling 1: over feiten en hun verklaring

Het financierskapitaal verschaft zich met zijn kredietverstrekking de macht om over vreemd geld en andermans zakelijke activiteiten te disponeren en zich daaraan zelf te verrijken. Zijn zaken zijn weliswaar afhankelijk van de loyaliteit van zijn klanten en het zakensucces van zijn kredietnemers, maar deze afhankelijkheid berust op de prestaties van de financiële sector die een volstrekt andere afhankelijkheid stichten. Deze sector verschaft zijn geldinleggers inkomens, brengt dus de kapitalistische potentie van hun eigendom tot ontplooiing; en bewerkstelligt dat zijn kredietklanten onafhankelijk worden van de grenzen van hun eigen vermogens. Met het creëren van een kapitaalmarkt maakt het financierskapitaal zijn bereikte positie in het centrum van de markteconomie tot basis van zaken die schulden als kapitaal verhandelen. Hier is het behalen van renteopbrengsten niet meer het ultieme zakelijke doel; stipte betalingen zijn om een andere reden uiterst belangrijk, namelijk als bewijs voor de kapitaal-“kwaliteit” van de verhandelde schulden. Met de oprichting van deze commerciële sector maakt het financierskapitaal het uitrusten van alle mogelijke kapitalistische ondernemingen – en zelfs van de staatskassen – met financiële middelen afhankelijk van het succes van zijn handel in waardepapieren. Daarom is het nogal merkwaardig dat zowel welwillende apologeten als ook linkse critici van de bankzaken – en wel uitgerekend in hun commentaren over de tegenwoordige crisis die de macht van de banken op drastische wijze aantoont – niets willen weten van zelfstandige methoden en criteria van de financieel-kapitalistische geldvermeerdering. De eerstgenoemden pleiten voor begrip voor de vermeende nuttige diensten van de bankensector en willen hun pleidooi plausibel maken met de bewering, dat het bij het krediet en op de kapitaalmarkt eigenlijk slechts daarom zou gaan het geld dat iemand toevallig overheeft daarheen te brengen waar iemand het net goed kan gebruiken. Dit kinderachtige beeld krijgt door het etiket “allocatie van de schaarse resource kapitaal” de wetenschappelijke zegen. Over het feit dat de banken daarbij geld verdienen, weten ze niet meer te zeggen dan dat deze dienst, “geldvoorziening en allocatie van resources”, zijn loon waard is. Alle bancaire activiteiten die zich definitief niet meer onder dit compliment laten subsumeren, gelden als ontsporingen die met de echte opdracht van de kredietbranche niets te maken zouden hebben. Aan de andere kant ontwikkelen kritisch ingestelde mensen, met beroep op Marx en diens “arbeidswaardeleer”, ideeën over het parasitisme van de financiële sector die hetzelfde beeld van rondgestuurde geldsommen die buiten de kredietbranche verdiend, benodigd en gebruikt worden,  met het verwijt van ongerechtvaardigde (want zonder eigen arbeidsprestaties) zelfverrijking verbinden. Sommige critici die kennis hebben genomen van onze opmerkingen over de verheven positie, de zelfstandige prestaties en de macht van het financierskapitaal om de kapitaalvermeerdering op een heel eigen manier te bewerkstelligen, zien daarin een afwijking van de stelling dat waarde uitsluitend door arbeid kan ontstaan. 5)

Misschien vinden ten minste de linkse critici de aanwijzing nuttig dat het bij de macht van het financierskapitaal om via zijn greep op het geld en de kapitaalbehoefte van de zakenwereld in eigen regie zijn eigen groei te bewerkstelligen niet om een dubieuze theoretische constructie gaat, maar om een feit dat uit elke bankbalans blijkt. Dit feit moet worden verklaard. En dat lukt zeker niet als men aan de objecten waarmee het financierskapitaal op de kapitaalmarkt handel drijft steeds alleen maar ontdekken wil dat het daarbij toch eigenlijk slechts om schulden gaat, en als men aan de schuldenhandel van de banken uitsluitend waarneemt wie aan wie rente betaalt en wie uiteindelijk voor alle openstaande rekeningen moet instaan. Niet dat dergelijke herinneringen nutteloos zijn: ze zijn noodzakelijk om dit soort opgeblazen zakendoen terug te leiden tot zijn basis. Maar dan begint de verklaring pas. De geldkapitalisten nemen immers geen genoegen met de basis – daarop vestigen zij hun zaken. Ze drijven handel met eigen en vreemde schulden; het ophopen van vorderingen en verplichtingen is voor hen geen last noch gevaar, maar het métier waarin ze zich verrijken. Deze rijkdom is zo reëel dat pas een enorme crisis de vakkundige experts op het feit wijst dat het schulden zijn die als geldkapitaal fungeren; dan worden ze tijdelijk door de twijfel geplaagd of en in hoeverre alles legitiem en economisch solide is – en komen, volkomen terecht, tot de conclusie dat in een dergelijk twijfelgeval de staat met zijn macht de rijdomskwaliteit van hun producten moet redden en de geldidentiteit ervan moet waarborgen.

Dus als het al iets heeft van zwendelarij dat financiële instellingen de speculatie op schulden als een zeker beschikbare bron van inkomsten behandelen en ze dan zelfs in de vorm van waardepapieren laten circuleren: als geldkapitaal met “groeigarantie”, dan is de verklaring des te noodzakelijker hoe een dergelijke manier van zakendoen het centrale, voor het markteconomische systeem onontbeerlijke, alle andere branches dominerende en daarboven uitstekende handwerk wordt en waarom het dat moet worden. 6)

Onze uitleg laat zich methodisch zo samenvatten – alle details staan in de tekst; en in aanvulling 2 volgen nog enkele opmerkingen die bij Marx aanknopen – : de macht van het financierskapitaal bestaat uit de aanwending van de macht die het geld door de kapitalistische uitbuiting van de arbeid krijgt, zodat dit ding als zijn eigen bron fungeert. Daarmee zijn de vrees en het verwijt hopelijk overbodig dat met een dergelijke analyse van de macht van het financierskapitaal de kritiek van Marx op de waardeschepping door arbeid in twijfel zou worden getrokken: als de krediet-business met al zijn escalatiestappen op het regime van het geld over arbeid en rijkdom berust en dit regime, door de macht van het recht verzelfstandigd, tot middel van zijn verrijking maakt, dan weerspreekt dat geenszins de kritiek van Marx. Integendeel!

*

5) Op onbegrip is vooral de aanwijzing gestoten dat de rijkdom die het financierskapitaal creëert van de macht van deze branche getuigt: macht zou toch geen economische categorie zijn. Het is goed mogelijk dat juist sommige kritische mensen macht in samenhang met de kredietbranche slechts als politiek-moreel verwijt kennen; in die zin dat te grote invloed van de haute finance de democratische wilsvorming in het land zou vervalsen en dat de rechtschapen middenstand onder arrogante bankiers zou lijden; en zo’n verwijt zou inderdaad niets te maken hebben met politieke economie; maar zoiets wordt met onze analyse niet bedoeld. Het gaat veeleer om het gebruik dat het financierskapitaal van zijn door de politieke macht toegekende en doorgedreven bevoegdheid maakt om bij zijn krediet- en kapitaalmarktbusiness volgens zijn eigen belangen en berekeningen de macht van het geld in te zetten: door zich deze macht toe te eigenen, daarover te disponeren, ze aan de overige zakenwereld toe te bedelen en zodoende daarvan zelf te profiteren. En als wij over de macht van het geld praten dan zeker niet in de zin van het alledaagse gezeur dat “geld de wereld regeert”: wij bedoelen daarmee de private commandomacht waarover de nagetelde en gematerialiseerde waarde in de economie van de burgerlijke maatschappij van overheidswege beschikt. De categorie waarde drukt immers niets anders uit dan de wettelijke, dus gewelddadige subsumptie van arbeid, rijkdom, natuur en wetenschap onder de heerschappij van het eigendom. De kapitalistische productiewijze die zich helemaal wijdt aan de vermeerdering van de waarde is daarom überhaupt niets anders dan de politieke economie van de macht van het eigendom.

6)

Wij zijn trouwens niet onder de indruk als men ons tegenwerpt dat dit soort argumenten bij Marx niet zouden voorkomen: sommige verworvenheden van het financierskapitaal, bijvoorbeeld degene die in de momentele crisis zoveel onheil stichten, kon Marx werkelijk niet kennen; en over degene die in zijn tijd al bestonden, zegt hij aan het begin van het 25. hoofdstuk over “Krediet en fictief kapitaal” in deel 3 van “Het kapitaal”: “De diepgaande analyse van het kredietwezen en de instrumenten die het zich creëert (kredietgeld etc.), ligt buiten ons plan.” (MEW 25, pagina 413) Wij kunnen het theoretisch en moreel ook verwerken wanneer wij bij onze analyse tot andere resultaten komen dan Marx en Engels en bij hen gebrekkige of verkeerde verklaringen zouden ontdekken. Tenminste wat de bepaling van het te verklaren onderwerp betreft zijn wij het eens met de auteur van “Het kapitaal”. In het 32. hoofdstuk van het 3. deel over “geldkapitaal en werkelijk kapitaal” schrijft hij bijvoorbeeld: “De accumulatie van het leenbare geldkapitaal drukt dus niets anders uit dan het feit, dat alles geld waarin het industriële kapitaal zich tijdens het proces van zijn kringloop verandert, niet de vorm aanneemt van geld dat de reproductieven voorschieten, maar van geld dat ze lenen; zodat inderdaad het voorschot van het geld, dat in het reproductieproces moet gebeuren, als voorschot van geleend geld verschijnt. Inderdaad leent op basis van het commerciële krediet de een aan de ander het geld dat hij in het reproductieproces nodig heeft. Dit neemt nu echter de vorm aan dat de bankier, aan wie een deel van de reproductieven het leent, het aan het andere deel van de reproductieven leent waarbij de bankier dan als zegenbrenger verschijnt; en tegelijkertijd dat dit kapitaal volledig in handen van de bankiers als tussenpersonen geraakt.” ( pagina 522) Marx wil hier verklaren hoe het “werkelijke” kapitaal, het vermeerderingsproces van de “reproductieven”, als bron van het leenkapitaal fungeert. Ons gaat het in dit opstel om de analyse van de “vorm” waarin het proces van de reproductie van het kapitaal op basis van het kredietsysteem “verschijnt”. Dat deze verschijningsvorm in de absurde wereld van het kapitaal geen bijkomstige illusie is, maar immanent is aan de economische natuur van deze wereld waarin überhaupt alles “verkeerd verschijnt”, is bij de hegeliaans geschoolde criticus van het kapitaal vanzelfsprekend.

*

2. De kapitaalmarkt en zijn handelsartikelen

    Over obligaties, aandelen en andere “producten”

 Op de kapitaalmarkt worden schulden als zich vermeerderend geldkapitaal verhandeld. En als de krediet-business zelf, zo is ook het veranderen van schulden in winstgevende papieren een rechtsaangelegenheid: de kapitaal-“eigenschap” van een waardepapier is een product van het eigendomsrecht, bestaat namelijk uit de rechtsgeldige definitie van schuldverhoudingen als rechtsaanspraak op geldwinst uit andermans zaken. Wat anders in het kapitalistische productie- en circulatieproces gebeurt: het behoud en de vermeerdering van een geldvermogen, dat behelst het waardepapier in de vorm van wettelijke condities die de ontvangst, eventueel de restitutie alsook de rentebetaling of andere waardetoenamen van de belegging regelen. Bij het definiëren van schuldverhoudingen als geldkapitaal hebben de financiële kapitalisten, het eigendomsrecht creatief gebruikend en verder ontwikkelend, tal van varianten gecreëerd die in wezen hoe meer van elkaar verschillen hoe minder ze gelijkenis met de pure kredietverhouding vertonen. Daarbij komt in de plaats van de schuldeiser-schuldenaar-betrekking de concurrentieverhouding tussen emittent resp. verkoper en belegger; deze verhouding beslist in de praktijk over de kapitaal-“kwaliteit” van het verhandelde papier; principieel daarover of het überhaupt als een stuk geldkapitaal erkenning krijgt. Daarbij wordt over de prijs van de waar gemarchandeerd; en dat betekent hier dat in de concurrentie tussen aanbieder en vrager over de grootte van het geldkapitaal – waarvan het waardepapier de vermeerdering belooft – en daarmee over het daaraan verbonden rendement of ook over de grootte van de beloofde opbrengst en daarmee over de te investerende geldsom wordt beslist – dus over de kwaliteit van het schuldpapier als gewaarborgd vermeerderingsproces en daarmee tegelijk over de kwantiteit van de waarde die dit proces van wettelijk geregelde vermeerdering doorloopt. Afhankelijk van de constructie van de belegging gebeurt dat op verschillende wijze en met verschillende consequenties.

- Aan het ene einde van de scala, nog dicht bij de krediet-business van de banken, staan de obligaties die door potente kredietnemers – grootondernemingen, staten 7), de banken zelf – worden “uitgegeven”. In hun elementaire vorm beloven ze een vaste rente voor een vast beleggingsbedrag en worden op een vaste termijn voor de nominale uitgifteprijs teruggenomen. Het verschil met normale schulden is echter ook eenvoudig te herkennen: formeel wordt er geen geldsom tegen rente verkocht – zoals bij de verstrekking van krediet – maar een aanspraak op opbrengst tegen een geldsom. Handelsobject is een rentegevende belegging die als zodanig tot de vervaldag steeds kan worden doorverkocht. Soms verwijst de emittent met zijn obligatie naar bijzondere economische activiteiten die hem regelmatig inkomsten opleveren of die hij als zekere en lonende investering beschouwt; dat moet dan de geloofwaardigheid van het recht op opbrengsten onderstrepen dat hij als een echt stuk geldkapitaal wil verkopen. De banken hebben technieken ontwikkeld om door hen verstrekte kredieten, reeds weggegeven geld, onder verwijzing naar hun rechtsaanspraak op stipte schuldenaflossing in de vorm van zich vermeerderende waarde te veranderen en als instrument te gebruiken voor de herfinanciering van hun zaken door dat ding te verkopen. In ieder geval wordt met een obligatie de rentebetaling gedegradeerd tot vanzelfsprekende voorwaarde voor de definitie van een schuld als geldvermogen en de kredietwaardigheid van de emittent verzilverd. Daarom beslist de seriositeit van het aangeboden papier over de hoogte van het rente-rendement waarvan de emittent zijn obligatie moet voorzien om investeerders aan te trekken. En de kritische vergelijking – qua hoogte en zekerheid – van de beloofde opbrengsten met alternatieve geldbeleggingen beslist reeds bij de emissie van het papier en vervolgens bij elke verdere verkoop over de dagkoers ervan, dwz. over de actuele werkelijke grootte van het gerepresenteerde kapitaal in verhouding tot de nominale uitgifteprijs en daarmee over het werkelijke rente-rendement in tegenstelling tot het beloofde. 8 )

- Aan het andere einde van de scala wordt dezelfde berekening nog veel extremer doorgevoerd. In de handel met aandelen – waardepapieren zonder terugnameplicht van de emittent – die als eigendomsaandeel in de emitterende onderneming gelden en blijvende participatie in de opbrengsten ervan garanderen. De onderneming beoogt hierbij vreemd geld onherroepelijk tot haar eigen kapitaal te maken, ze wil dus de (juiste) indruk wegnemen dat het hierbij om andermans, zelfstandig voortbestaand geldvermogen gaat en het ontvangen krediet het karakter van een schuldverhouding heeft. Deze tegenstrijdigheid realiseert het aandeel via de wettelijke kunstgreep tussen het object van de eigendomstitel, het stamkapitaal van de onderneming, en de eigendomstitel zelf en het nut ervan, de participatie in de winsten van de onderneming, te scheiden. Het geld dat door de emissie van aandelen wordt ingezameld, staat de onderneming als haar eigen kapitaal ter beschikking. Omgekeerd wordt de reële grootte van het geldkapitaal, dat het aandeel representeert, niet bepaald door het kapitaalvoorschot waarmee de onderneming haar zaken doet, maar in eerste instantie door de opbrengsten die de aandeelhouders in het vooruitzicht worden gesteld: hun toekomstige inkomsten worden geanticipeerd en “gekapitaliseerd”, dwz. als rentes van een kapitaalsom berekend; daarbij dienen de algemeen gebruikelijke rentevoet alsook de rendementen van kapitaalbeleggingen, die ter vergelijking worden aangevoerd, als aanwijzingen en aanknopingspunten. Vermoedens over de conjunctuurontwikkeling in het algemeen en de vergelijkende inschatting van de winstvooruitzichten van de onderneming in het bijzonder, de speculatie op verandering van het renteniveau en vele andere extra gezichtspunten maken deel uit van de berekeningen waarmee aanvankelijk de emittent en de markt, maar dan ook verkoopwillige aandeelhouders en geïnteresseerde investeerders met elkaar concurreren. Uit hun handelsactiviteiten resulteert de aandelenkoers die op moderne beurzen om de paar seconden wordt vastgesteld en medegedeeld omdat de koersverloop zelf een belangrijk, als niet het belangrijkste fundament vormt voor de speculatie op de verdere ontwikkeling van het kapitaalvermogen, dat het aandeel behelst, en daarmee op de waardeontwikkeling van het aandeel zelf. Zo leidt het aandelenkapitaal een eigen leven naast de gang van zaken van de onderneming die de papieren heeft “uitgegeven”: op basis van louter speculatieve prognoses en circulaire invloedfactoren – en juist deze eigenbeweging is de alles bepalende economische factor. Want die beslist bindend, voortdurend en steeds opnieuw over de waarde en de rendementvooruitzichten van de eigendomsaandelen in de onderneming waarin de aandeelhouders hun geld hebben geïnvesteerd, dus daarover wat de sommen die de beleggers in de speculatie op aandelen hebben gestoken als belegd kapitaal deugen, en daarom ook over hun grootte. Daarmee wordt ook bepaald wat de onderneming zelf met haar kapitalistische vermogens en hun commerciële aanwending – met haar fabriekshallen en kantoren, haar machines en magazijnen, haar patenten en marktaandelen, haar rendabele arbeidsplaatsen en al haar  personeel – daadwerkelijk waard is, namelijk als verrijkingsmiddel voor haar bezitter deugt. De beurswaarde – de waarde van alle aandelen van de onderneming volgens de beurskoers – becijfert, permanent dalend en stijgend en voortdurend schommelend, de prestatie die de onderneming voor de kapitaalmarkt levert; de beurswaarde meet de financiële macht waarmee de onderneming zelf zaken doet en de macht waarover de bezitters ervan, de aandeelhouders, beschikken. 10)

Niet alleen van de “gewone” kapitalistische zakenwereld, maar ook van de sfeer van het grondeigendom heeft het financierskapitaal zich meester gemaakt, en dat op een zeer speciale wijze. Dat de grond, waarop ook in de markteconomie alle activiteiten plaatsvinden, van overheidswege onderworpen is aan de privé beschikkingsmacht en dat het gebruik door vreemde belangstellenden voor de bezitter grondrente afwerpt, moesten de bankiers niet uitvinden. Bruikbaar vonden ze het feit dat de geldsommen die op deze basis uit een koopkrachtig interesse aan het gebruik van een grondstuk te behalen zijn, net als de renteopbrengst van een kapitaal kunnen worden gekapitaliseerd en zich – even goed als schuldverhoudingen – als geldkapitaal laten verhandelen. Dienovereenkomstig hebben ze aan hun diverse kapitaalmarkten een vastgoedmarkt toegevoegd waar zij en andere kapitaalkrachtige geïnteresseerden door de koop van grondeigendom hun geld in een belegging met een specifiek speculatief potentieel kunnen steken. Dergelijke investeringen gelden namelijk enerzijds als uiterst zeker daar de speculatie hier van het triviale feit profiteert dat het economische leven en het menselijke bestaan überhaupt een plek nodig hebben waar ze plaatshebben en de bevrediging van deze elementaire behoefte als alles in de markteconomie geld kost. Anderzijds tendeert deze markt, volgens de experts, in bijzondere mate naar “bubbelvorming” hetgeen, zolang de “bubbel” niet “barst”, geen nadeel en bovendien helemaal niet verwonderlijk is. De speculatie richt zich hier immers niet op de toekomst van lopende zaken met enigszins voorspelbare opbrengsten, maar op de mogelijke toekomstige belangstelling van uiteenlopende investeerders voor een heel bijzonder zakelijk fundament, namelijk een bepaalde standplaats. De grondprijzen die ze voortbrengt zijn daarom ten eerste extreem afhankelijk van de algemene en lokale conjuncturen van het kapitalistische zakenleven – gelden derhalve onder experts als gevoelige seismograaf om conjuncturele schommelingen waar te nemen – en ten tweede extreem rekbaar: naar duizelingwekkende hoogten wanneer het bouwrijp maken van een terrein voor een dringend zakelijk belang in het vooruitzicht staat of zou kunnen staan, en omgekeerd. Dus een enorme verlokking voor de kapitaalmarktprofi’s via vastgoedfondsen en soortgelijke constructies de hele wereld te laten deelhebben aan het creëren en vermeerderen van geldkapitaal dat met onroerend goed speculeert: gelegenheid voor een nieuwe soort waardepapierhandel. 11)

Met deze en andere varianten volbrengt het financierskapitaal steeds dezelfde prestatie. Aan de ene kant verandert het schuldverhoudingen in geldkapitaal door betalingsverplichtingen van schuldenaars – dus de eigen of die van begeleide emittenten – tot basis van een speculatieve “kapitaliserings”-berekening te maken en als resultaat de kredietwaardigheid te verhandelen die het zich en zijn goede klanten toekent. Dit aanbod dat het zo creëert richt zich wederom tot het financierskapitaal: dat fungeert aan de andere kant in opdracht of zelf als investeerder die niet simpelweg rente opstrijkt, maar met zijn betalingsbereidheid over de kapitaalkwaliteit en -kwantiteit van de te koop gestelde kredietverhouding beslist.

*

7)

De bijzonderheden van staatsobligaties worden in deel 3 van dit opstel besproken – binnenkort in: Gegenstandpunkt.

8) Voor de spaarklant die bij zijn beleggingsadviseur aandelen heeft gekocht, zijn de meestal marginale veranderingen van de dagkoers van zijn bezit onbeduidend: als die onder de uitgiftekoers daalt, kan hij zich daarmee troosten dat hij op de vervaldag zijn gehele investering terugbetaald krijgt – mits de emittent niet failliet gaat. Maar om te sparen zijn aandelen werkelijk niet gemaakt. Voor de profi’s van de aandelenmarkt echter zijn ook minimale koersschommelingen, evenals geringe renteverschillen tussen alternatieve “producten”, commercieel van belang en zelfs de basis voor een enorme bovenbouw van derivaten – daarover meer onder punt 5.

9)

De uitgifteprijs van een aandeel wordt tegenwoordig meestal via een “bookbuilding”-methode bepaald: de onderneming presenteert in een “roadshow” haar succesverwachtingen en laat dan belangrijke marktdeelnemers als op een veiling op de koers bieden: vervolgens wordt de intekening-koers vastgesteld – en in spanning afgewacht hoe men op de eerste beursdag daarop reageert.

10)

De talrijke hybride mengvormen tussen obligatie en aandeel die dankzij de financieel-kapitalistische inventiviteit op de kapitaalmarkt te koop zijn, zijn voor professionele beleggers uitermate belangrijk, maar theoretisch maar beperkt interessant; vandaar dat ze hier niet worden besproken.

11)

Een verhaal apart is het gebruik van hypothekenkredieten als basis voor dit soort derivatenhandel, waarvan de crash de momentele financiële crisis heeft veroorzaakt.

*.

Aanvulling 2: over het “fictieve kapitaal” (Marx) en zijn reële macht

 Marx kenmerkt de handelsartikelen van de kapitaalmarkt als “fictiefkapitaal. Daarmee schrijft hij hen de bestemming en prestatie toe als bron van geld te fungeren – dus: kapitaal te zijn. Tegelijkertijd maakt hij een onderscheid tussen dit kapitaal 12) als een soort ideëel surrogaat en zulke geldvermogens (met dezelfde bestemming en prestatie) – hij noemt ze in dit verband het kapitaal van de “reproductieven” – die als beschikkingsmacht over productiemiddelen en als commandomacht over arbeidskrachten worden ingezet om winstgevende waren te produceren en hun eigenlijke waarde, namelijk de ruil-waarde door de verkoop te “realiseren”. Een dergelijk vermeerderingsproces is in zoverre niet “fictief” als het gebruik maakt van de arbeid, de productiemiddelen en producten waarmee de maatschappij zich reproduceert. Dankzij deze manier van aanwending heeft dit geldvermogen de eigenaardige erenaam “reële economie”gekregen en het kapitaal in het algemeen het compliment het instrument te zijn waardoor “wij met z’n allen” in het genot komen van welvaart en vooruitgang. Realiteit is deze fictie echter slechts in een cynische zin: waar de kapitalistische productiewijze heerst, zijn de productie, het gebruik van nuttige goederen en de reproductie van de maatschappij zelf volledig afhankelijk van hun respectievelijke functie in het kapitalistische vermeerderingsproces. Krachtens de macht die het eigendom toekomt – en die de wetgevende geweldmonopolist garandeert – is elke welvaart tot het laagste overlevingsniveau aan de privé-macht van het geld en het doel onderworpen van geld meer geld te maken. Het regime van het kapitaal degradeert arbeid en rijkdom tot bronnen van de macht over arbeid en rijkdom: tot bronnen van de waarde die als geld stoffelijk bestaat. In deze cynische zin is het loflied op het voorgeschoten geld echter volkomen terecht: omdat in de reële markteconomie alles voor het maatschappelijke levensproces materieel noodzakelijke voor geld – en zonder geld helemaal niets – te krijgen is en omdat het materieel nuttige wat daar gebeurt in dienst staat van het geld, namelijk van zijn vermeerdering, draait in dit systeem inderdaad alles om kapitaal en om niets anders. Al het produceren en consumeren zijn functionele elementen in het economische proces waarvan aan het begin als noodzakelijke en toereikende voorwaarde een hoeveelheid geld en aan het einde als doel en resultaat van het proces een grotere hoeveelheid geld staat, dus waarin de potentie van het geld tot zelfvermeerdering zich verwezenlijkt. 13) Het economische succes van dit proces is volgens de grondregels van deze economie uitsluitend een kwestie van de daarvoor ingezette hoeveelheid geld.

Daarmee is het financierskapitaal aan zet. Juist deze banale kwintessens van de kapitalistische productiewijze – door Marx samengevat in de formule G-G’ (geld - meer geld) – is immers het standpunt van waaruit de kredietsector actief wordt. Deze sector gaat er nu eenmaal van uit dat voor het enige economische succes dat in dit systeem telt niets anders nodig is – maar dat absoluut – dan datgene waarover hij als bevoegde eigenaar van het geldvermogen van de maatschappij beschikt: voldoende geld. Hij fungeert als instelling voor het toebedelen van dit cruciale middel aan de zakenwereld en stelt zich daarbij onverschillig op tegenover alle materiële voorwaarden, noodzakelijkheden en noden van het reële kapitalistische vermeerderingsproces: hij reduceert ze tot de essentie, en wel zo “eendimensionaal” als het hoort, namelijk tot een kwantum geldbehoefte. Hij heeft uitsluitend belangstelling, als elke kapitalistische onderneming, voor de grootte van de geldbehoefte en het uitzicht op een behoorlijk rendement; in tegenstelling tot de ondernemingen uit andere branches is het hanteren met deze twee grootheden echter zijn enige economische activiteit. Dat tussen “G” en “G’” enigerlei productie en handel moet plaatsvinden, veronderstelt een geldkapitalist als een vanzelfsprekendheid; deze activiteiten worden door anderen afgewikkeld en liggen buiten zijn bevoegdheid; hij is wel bevoegd om middels het doorgeven van de potentie van het geld waarover hij beschikt, zijn eigen vermeerdering te bewerkstelligen. Deze macht van het geld is voor hem een economisch feit; daarvan lucratief gebruik te maken is zijn economisch métier.

Het ligt in de logica van dit zakendoen dat het niet blijft bij het acquireren en verstrekken van beschikbare geldsommen. Wanneer de financiële ondernemingen de beschikkingsmacht over het geaccumuleerde geldvermogen van een markteconomie in handen hebben en als onontbeerlijke kredietgevers voor de “reële economie” fungeren; als de economische wereld alleen nog uit behoefte aan kapitaal en uit geld bestaat dat erop wacht kapitaal te worden en de financiële ondernemingen beide zo succesvol samenbrengen dat ze zich in staat achten iedereen voor veelbelovende zaken krediet te verschaffen en aan elke geldsom een recht op vermeerdering toe te kennen; als de macht van het geld tot zelfvermeerdering in hun balansen een betrouwbaar economisch feit is geworden: dan is voor hen niets vanzelfsprekender dan hun macht over de kapitalistische potentie van elk geld zelf tot voorwerp van hun zaken te maken. Uit hun betrouwbaarheid inzake kredietkwesties, hun toegang tot geld en bronnen van geld slaan ze – letterlijk – munt doordat ze geld dat hen werd toevertrouwd of dat door of via hen wordt weggegeven op basis van de daarmee verbonden renteplicht de kwaliteit van een zichzelf vermeerderend geldvermogen toekennen en waardepapieren op de markt brengen die deze kwaliteit quasi stoffelijk en kwantitatief becijfert representeren. Met deze operatie vervangt het financierskapitaal de prestatie die het geld anders daardoor volbrengt dat het als voorschot voor het creëren van rendabele werkgelegenheid – dus: voor winstmakerij door uitbuiting – wordt gebruikt. Vergeleken met dit “reëel-economische” vermeerderingsproces is het proces dat het financierskapitaal wettig bindend belooft “slechts” gefingeerd. De macht die het zo toepast is echter helemaal niet fictief. En het resultaat is zo reëel als het eindproduct van alle kapitalistische vermeerderingsprocessen: toegangs- en beschikkingsmacht belichaamd door geld.

Want de macht van het financierskapitaal – dat hoort immers ook bij de vergelijking met het reële “reproductieve” kapitaal – beperkt zich niet tot het commando over een onderneming waarvan het personeel het voorgeschoten kapitaal winstgevend vermeerdert. Deze macht berust op de wettelijk geoorloofde toegang tot de prestaties van het verstrekte geld in alle ondernemingen van alle branches, en ze bewerkstelligt een reële samenvatting van de in het markteconomische systeem ingezette macht van het geld in de balansen van de financiële sector. Daarin verschijnt de totale economische potentie van een kapitalistisch zakenleven als de economische prestatie van het geldkapitaal. De succescijfers die de ondernemingen van de “reële economie” produceren, verschijnen als deelfactoren van de gehele zelfvermeerderingsmacht van het geld waarover de financiële instellingen beschikken: als alternatieven voor de aan materiële voorwaarden, marktcondities en dergelijke gebonden realisering van deze potentie.

*

12)

In deel 3 van “Het kapitaal” behandelt Marx uitvoerig de argumenten waarmee de Britse financiële lobby destijds de identiteit van hun zakenbelangen met de behoeftes van het productieve kapitaal en van het handelskapitaal beweerde en de wetgeving in die zin wilde beïnvloeden. In dit verband legt Marx uit dat de geldvermogens die in de vorm van waardepapieren bestaan pure creaties van de bankenbranche zijn, die niets toevoegen aan het productieve vermogen van de maatschappij en waarvan de toename en vermindering noch de accumulatie van het industriële kapitaal weerspiegelen, noch overeenkomen met de behoeftes – hetzij naar betalingsmiddelen, hetzij naar leenkapitaal –  van de producerende en handel drijvende ondernemingen. Bij dit soort rijkdom gaat het dus om het noodzakelijke product van de financiële branche. ( Na te lezen in “Het Kapitaal”, deel 3, pagina 482 en volgende)

13)

In de “reële economie” is deze absurde consequentie van de productieverhouding – de productiekracht van het geld – algemeen erkend als het cruciale succescriterium voor “de economie”: als economische grootheid ( hetzij dat men over “winstvoet”, hetzij dat men simpelweg over de “rentabiliteit” van het kapitaal praat) meet ze de opbrengst uit elke economische activiteit aan het voorgeschoten geld – en beslist of en in welke mate een productieve handeling “markteconomisch zinvol” is. De nieuw geproduceerde rijkdom verschijnt als “spruit” van de voorgeschoten geldsom; wat een onderneming en een “nationale economie” überhaupt aan consumeerbare rijkdommen en aan groei tot stand brengen, wordt het kapitaal als zijn productiviteit toegerekend. De berekening dat meer inzet van kapitaal tot stijging van de winstvoet leidt, klopt weliswaar slechts tijdelijk en alleen als een onderneming door prijsverlagingen van haar waren concurrentievoordelen behaalt; en op den duur en in totaal treedt het tegenovergestelde effect op – Marx noemt dat “de tendentiële daling van de winstvoet” – en blameert de opvatting dat de productiekracht van het kapitaal werkelijk en uiteindelijk uit de hoeveelheid aangewend geld bestaat (en niet, ter herinnering, uit de daarin gematerialiseerde en gekwantificeerde commandomacht van het eigendom over de tot bron van inkomsten gemaakte maatschappelijke arbeidsprestatie). Maar daarmee is de schijn van de zelfstandige productiekracht van het geld niet verdwenen: er wordt immers daadwerkelijk uitsluitend onder het commando en voor de vermeerdering van het eigendom gewerkt. En in de volledig absurde wereld van het financierskapitaal is het behaalde rendement werkelijk niets anders dan een wettelijk gefundeerde, naar de grootte van de geïnvesteerde geldsom en het overeengekomen opbrengstpercentage berekende hoeveelheid financiële beschikkingsmacht.

*

3. Het vermeerderingsproces van het financierskapitaal op de kapitaalmarkt:

    Over portefeuilles en hun optimalisering

De rijkdom van de zakenwereld die in de financiële sector actief is of haar vermogen laat “werken”, verschijnt als een kolossale opeenhoping van waardepapieren; het verhandelen ervan is haar belangrijkste bron van inkomsten. Want elk enkel waardepapier belooft weliswaar rente, dividend of soortgelijke opbrengsten, maar de profi’s van de effectenhandel nemen er geen genoegen mee om de uitbetalingen ervan af te wachten en de binnenkomende sommen te verbruiken of opnieuw te beleggen. Als beheerders van eigen en vreemd geldvermogen houden ze zich voortdurend bezig met de herschikking van waardepapier-portefeuilles. Om hun waarde te verhogen, veranderen ze permanent de samenstelling van kapitaalbeleggingen.

De stof voor dit zakendoen wordt regelmatig in rijkelijke hoeveelheid nageleverd. Want aan de ene kant van de kapitaalmarkt concurreren de emittenten van waardepapieren om bijval voor hun aanbod. En omdat allen in principe met dezelfde waar handel drijven – met schulden als geldkapitaal – proberen ze door verschillen in de condities hun respectievelijke producten bijzonder attractief te maken. Daarvoor kiezen ze het soort waardepapier waarmee ze van plan zijn om hun zaken te (her-)financieren; binnen het gekozen segment trachten ze enerzijds met de hoogte van de beloofde opbrensten, anderzijds met de zekerheid ervan, dus met de grootte en betrouwbaarheid van hun financiële macht indruk te maken op investeerders en concurrerende aanbiedingen te overtreffen. Zij stoten daarmee op congeniale geldbeleggers – het zijn immers steeds dezelfde financiële genieën die afwisselend als aanbieders en vragers optreden. Die leggen de aanbiedingen langs dezelfde meetlat en vergelijken ze met elkaar; en waar emittenten, investeerders en vermogensbeheerders het eens worden over koop en verkoop, daar fixeren ze de grootte en het rendement van het verhandelde geldkapitaal, om beide gegevens in de loop van hun handel voortdurend te wijzigen.

Deze permanente vaststelling en verandering van de verhandelde vermogenswaarden betreffen niet alleen de nieuwe waar, maar ook elke voorhanden collectie papieren. Ook daar telt namelijk alles als verliesbrenger wat minder rendement belooft dan een koopbaar alternatief; omgekeerd waarderen slechtere alternatieven, die niettemin kopers vinden, de betere op. Zo nemen alle waardepapieren ononderbroken ideëel deel aan de handel in kapitaalbeleggingen en ze zijn dan ook door de permanent veranderde resultaten zelf getroffen: de door de handel “vastgestelde”, namelijk voortgebrachte koersen veranderen direct de waarde van alle portefeuilles en confronteren hun bezitters resp. beheerders met de vraag of de te boeken winsten en verliezen – die daarom ook “boekwinsten” resp. “boekverliezen” heten –  door de daadwerkelijke uitruil, namelijk door verkoop van voorhanden en koop van nieuwe papieren “gerealiseerd” moeten worden of niet. Afhankelijk van de beslissing groeit en krimpt de financieel-kapitalistische rijkdom. De vermeerdering en accumulatie ervan gebeurt dus in en door de handel met zijn elementen. Dat de beloofde opbrengsten stipt binnenkomen, is een factor van dit vermeerderingsproces: in principe als zeker verondersteld, maar soms ook, afhankelijk van de stand van zaken omtrent de speculatie, ontbeerlijk, in ieder geval niet meer en niet minder dan een belangrijk factor – en de uitbetaalde opbrensten zijn niet meer en niet minder dan een bruikbaar middel: voor de actieve optimalisering van het totale kapitaal waarover een geldkapitalist beschikt. Dat hij de groei van zijn vermogen niet zijn schuldenaars toeschrijft, maar aan zijn bekwame speculatie wijt, is dan ook gerechtvaardigd. 14) Want zo vindt in deze branche inderdaad kapitaalgroei plaats: door de circulatie, de accumulatie en de herschikking van vermogenstitels; via hun verkoop herfinanciert de speculatie zich om vervolgens weer en op grotere schaal te speculeren. “Fictief” kapitaal accumuleert door een handel die aan de ene kant de financiële macht van de waardepapier-emittent bevestigt en aan de andere kant die van de investeerder versterkt; een handel die dus de rijkdom van speculerende aanbieders door speculatieve vraag, en omgekeerd de rijkdom van de vragers door lonende aanbiedingen laat groeien; die zodoende alle deelnemers in staat stelt om nieuwe en grotere zaken te doen. In de verhoogde omzet met groeiende kredietsommen en met papieren met stijgende koersen, in het cirkelachtige verkeer tussen steeds meer en vooral steeds potentere marktdeelnemers, in het behalen van handelswinst, provisies en groeiende vermogenswaarden viert de macht van het geld tot zelfvermeerdering hoogtij: kapitaalproductiviteit in reincultuur. 15)

*

 

14)

Potente kapitaalmarktspelers ondersteunen hun speculatieve vooruitziende blik graag met “insiderkennis” en “marktinterventies”: met koop en verkoop van waardepapieren op basis van niet algemeen toegankelijke informatie over de commerciële ontwikkeling van de emittent van de betreffende waardepapieren resp. met transacties die hun koers in de gewenste richting brengen; na het realiseren van de behaalde boekwinsten mag dan weer “de vrije markt vrij spel krijgen”. Het belang aan dergelijke – door de concurrenten en een neutraal toezicht als “oneerlijk” gehekelde, wellicht zelfs strafbare – methoden en hun toepassing nemen aanzienlijk toe in verband met de termijnhandel die onder punt 5 wordt besproken.

15)

De grenzen van de koopkrachtige behoefte van de maatschappij vormen geen belemmering voor de groei van de financiële zaken. De belangstelling voor geldkapitaal uit schulden, zowel voor het voortbrengen als voor het verkrijgen, is principieel nooit verzadigd; en dat hoe minder, hoe kritischer ze ageert en omzichtig geconstrueerde waren eist waarin de tegenovergestelde “eigenschappen” hoog rendement en betrouwbare zekerheid met elkaar verbonden zijn. En omdat de financiële instellingen als aanbieders en als vragers optreden, heerst er ook geen geldschaarste: zij moeten per slot van rekening het geld van de maatschappij winstgevend gebruiken; en in overeenstemming met hun publieke opdracht de zakenwereld van zakelijke middelen te voorzien, “scheppen” ze altijd en overal koopkracht waar lonende zaken dat vereisen en rechtvaardigen. Welke sommen aan dergelijk “giraal geld” noodzakelijk zijn om de omzet van groeiende hoeveelheden “fictief” kapitaal te bewerkstelligen, is een kwestie van de – op dit gebied in ieder geval enorm hoge – omloopsnelheid van dit geldmiddel.

De accumulatie van het “fictieve” kapitaal wordt door de “tendentiële daling van de winstvoet” niet geraakt. Bedoeld is het paradoxale effect dat het kapitalistische gebruik van steeds grotere geldsommen een stijging van het kapitaalrendement beoogt, maar tegelijkertijd de groei van de winstvoet tegenwerkt omdat het geld zijn winstvoet nu eenmaal toch niet – in de zin van de grondstelling van dit systeem dat het geld zijn eigen bron vormt – uit zichzelf behaalt, maar uit de rendabele aanwending van vreemde arbeid die het juist daarom voortdurend reduceert (in het hoofdstuk over de kapitalistische crisis wordt deze paradox nog iets nader toegelicht). Deze tegenstrijdigheid kent de commerciële ruil van geld tegen een gewaarborgd recht op meer geld, de creatie van kapitaal uit schulden – logischerwijs – niet. In het hoofdstuk over “geldkapitaal en werkelijk kapitaal” in deel 3 van ‘Het kapitaal’ noemt Marx het geval dat de accumulatie van het fictieve kapitaal zelfs gestimuleerd kan worden door een effect van de tendentiële daling van de winstvoet: “Hun waardebedrag” – bedoeld zijn aandelen in naamloze vennootschappen – “dwz. hun koersnotering op de beurs, heeft met het dalen van de winstvoet, voor zover dit, onafhankelijk van de specifieke bewegingen van het geldkapitaal, het eenvoudige gevolg is van de tendentiële daling van de winstvoet, noodzakelijkerwijs de tendens tot stijging, zodat deze imaginaire rijkdom, qua waardeuitdrukking van elk van zijn aliquote delen ten opzichte van de oorspronkelijke nominale waarde, alleen al om die reden in de loop van de kapitalistische ontwikkeling expandeert.” (l.c. pagina 494)

*

 

4. De beurs, de “reële economie” en het maatschappelijke totaalkapitaal

 De accumulatie van het financierskapitaal door het permanente speculatieve kopen en verkopen speelt zich grotendeels in het openbaar af. Op de beurs krijgen de aandelen van de ondernemingen van een enigszins afgegrensde kapitaal-vestigingsplaats hun koers. Daarnaast leveren officiële aandelenmarkten gegevens en aanknopingspunten voor de dagkoers van de respectievelijke papieren alsook voor de voorwaarden inzake rendement en zekerheid waaraan de schuldpapieren moeten voldoen om als geldkapitaal geaccepteerd te worden. Indices waarin de koersen van verschillende papieren volgens bepaalde rekenregels zijn samengevat, vermelden voortdurend hoe het gesteld is met de kapitaalkwaliteit en dus met de waardekwantiteit van uiteenlopende soorten en aggregaten van investeringen; ze becijferen de mate waarin de circulerende kapitaalbeleggingen resp. de daarin belegde geldsommen zich in hun zigzag-vormig gedocumenteerde veranderingen als verrijkingsmiddel hebben waargemaakt, “indiceren” dus de momentele stand van de accumulatie van afdelingen van het “fictieve” kapitaal en leveren daarmee een cruciaal aanknopingspunt voor een volgende ronde van hun waardebepaling.

Het vermeerderingsproces van het financierskapitaal op de kapitaalmarkt impliceert de financieel-kapitalisch doorslaggevende beoordeling van alle ondernemingen en vermeerderingsprocessen op het gebied van productie en handel: de beslissing over hun – actuele en toekomstige – bruikbaarheid als geldbelegging. De desbetreffende test beoogt voor stof voor de handel in waardepapieren te zorgen; in verband daarmee acht men speculatieve voorzichtigheid opportuun. Het inspecteren van de zakelijke behoeften op het gebied van industrie en commercie volgens de criteria van de handel in waardepapieren komt daarom in sommige gevallen tot een negatief oordeel, maar heeft in het algemeen helemaal geen restrictieve effecten. Veeleer komt het overeen met een algemene mobilisatie die niet zelden alles overtreft waartoe zakenlieden of ondernemingen zich op basis van de kredietlijnen van hun huisbanken in staat zouden hebben geacht. Allereerst en vooral wat de groei van hun kapitaal betreft: toegang tot de kapitaalmarkt betekent toegang tot nagenoeg onbeperkte investeringsmiddelen voor rationaliseringen; daarmee kunnen concurrentievoordelen en extrawinsten worden behaald voor de verovering van nieuwe markten alsook voor het oprichten van nieuwe vestigingsplaatsen overal ter wereld. Dergelijke investeringsoffensieven verwacht de kapitaalmarkt dan ook van de waardepapier-emittenten uit de “reële economie”; deze markt kijkt kritisch naar het voorbije zakensucces en beslist doorslaggevend over het actuele en toekomstige gebruik dat de ondernemingen van hun bedrijfsvermogens maken. En zulke ondernemingen die groei zonder werkelijke groei willen bewerkstelligen: door overnames van en fusies met andere ondernemingen 16), zijn zonder het belang en de middelen van de kapitaalmarkt al helemaal kansloos. De toegang tot deze groeimiddelen is de cruciale hefboom voor het concurrentievermogen van de ondernemingen; als zodanige radicaliseert hij de eerste en voornaamste deugd van de kapitalistische groei: bedrijfsgrootte op zichzelf is helemaal niets waard, ze eist veeleer per se efficiëntie. De speculatie levert de maatstaf waaraan het zakelijke gebruik van productiemiddelen en arbeid moet voldoen: de “performance” van de onderneming heeft de creatie van het “fictieve” speculatieve geldkapitaal en zijn creatieve accumulatie te rechtvaardigen. Ten opzichte van naamloze vennootschappen luidt het trefwoord: “shareholder value”; daarmee wordt op Angelsaksisch directe en compromisloze wijze duidelijk gemaakt dat de zelfverrijking van geldbeleggers de traditionele calculatie met “reëel-economische” markten relativeert; het beleggersbelang kan dan ook af en toe in conflict komen met de successtrategieën van een management dat gehecht is aan vertrouwde producten en markten, en soms ook met staatsbelangen op  industriepolitiek gebied. Daarbij hebben moderne ondernemingen uit alle branches sowieso zelf al het doel om met hun “reëel-economische” activiteiten de belangstelling van speculatieve investeerders te wekken; het belangrijkste succescriterium is een goede beoordeling van de papieren die ze emitteren; de aanvallen van branchevreemde opkopers die in de onderneming ongebruikt speculatief potentieel ontdekken en het management willen nopen dit “vrij te maken” – “sprinkhanen” – 17) weren ze af met een strategie die de methoden van de “private equity fondsen” anticiperend kopieert. Innovatie en mobiliteit zijn dus noodzakelijk: de kapitaalmarkt biedt gevestigde ondernemingen de kans om uit hun traditionele métiers te stappen en nieuwe sectoren te veroveren; zo kan het bijvoorbeeld gebeuren dat een staalfabrikant tot communicatieonderneming wordt etc. Bedrijfsoprichters met nieuwe zakenideeën vinden op de kapitaalmarkt speculanten die zelf voortdurend op zoek zijn naar winstgevende idioterieën waarin ze geld kunnen steken, het liefst vreemd geld, in de hoop dat in het ideale geval uit een software-knutselaar een wereldconcern wordt. Om te groeien heeft de handel in waardepapieren steeds opnieuw dit soort investeringen nodig. 18) In de catalogus van eisen van het financierskapitaal staat daarom ook de roep om privatisering van zulke dienstverleningen die volgens traditie bij het takenpakket van de overheid horen: een investeerder hoeft niets te begrijpen van geneeskunde of waterleidingen, treinverkeer of pedagogiek om in dergelijke sectoren altijd hetzelfde, namelijk een onverzadigbare kapitaalbehoefte te ontdekken en uit universiteiten, verpleeginrichtingen en autosnelwegen lonende geldbeleggingen te vervaardigen.

Ervan overtuigd dat economische “landschappen” om te “bloeien” niets anders nodig hebben dan kapitaal, daarvan echter een hoop, storten de hoofdrolspelers van de kapitaalmarkt zich niet alleen op ondernemingen waarvan ze het vermogen tot emissie van geldkapitaal in papiervorm nog niet ten volle benut achten, maar ook op naties waarvan volgens hun competente diagnose de economie onder kapitaalgebrek lijdt. Zij weten, eisen en offreren wat voor de therapie noodzakelijk is: de oprichting van een kapitaalmarkt waar geld – van buiten, maar ook al het geld dat zich dankzij hun expertise ter plaatse laat mobiliseren – in vrij verhandelbare opbrengstbeloftes kan stromen. Die moeten dan uiteraard, afhankelijk van de stand van zaken, bijzonder hoog uitvallen – juist als het slecht gesteld is met de economische potentie van het land – en door de verantwoordelijke overheid gegarandeerd worden – juist als die slechts over weinige en schaarse financiële bronnen beschikt – opdat een waardepapiermarkt opbloeit. Op deze wijze maakt het financierskapitaal heuse naties tot speculatie-object, en het creëert zo voor zich óf een nieuwe basis – een alles omvattend, functionerend, winstgevend commando van het geld over de maatschappelijke arbeid – omdat de betreffende natie erin slaagt zich en haar volk tot vestigingsplaats voor financieel-kapitalistisch lonende “reëel-economische” zaken om te vormen, óf het reduceert het object van zijn speculatie tot bruikbare puinhopen. De resultaten van de “openlegging” heten dan in sommige gevallen “ transformatielanden”, in andere gevallen “ontwikkelingslanden”; als de financiële wereld haar optimisme behoudt, praat ze over staten als “emerging markets” en bedoelt met “market” niets anders dan haar zakendoen: geldkapitaal genereren uit schulden.

Zo is het niet verwonderlijk dat de managers van het financierskapitaal de hele wereld als een opeenhoping van beleggingen beschouwen, betere en slechtere, gedane en mogelijke. Daarbij gaat het helaas niet om het geborneerde standpunt van mensen wier professie het nu eenmaal is om alle mogelijke kredieten te creëren en deze winstgevend te verhandelen. De economische activiteiten op de kapitaalmarkt waardoor de kredietinstellingen vermogenswaarden accumuleren, stoot in de gehele zakenwereld op een behoefte die uit de gehele maatschappelijke productie, verdeling en consumptie van enigszins bruikbaar spul een aanwendingsgebied maakt voor de technieken van het financierskapitaal.

De behoefte richt zich op de beschikking over extra, vreemd geld, waarmee de prestatie van het kapitalistisch aangewende privé-eigendom – de vermeerdering ervan – te verhogen valt. En deze behoefte beperkt zich geenszins tot handelskrediet en leenkapitaal, maar ontdekt nog in elke uitvinding van de geldeconomie een instrument dat toegang tot vreemd geld verschaft en de concurrentiestrijd om winst helpt te winnen. De bekende prestaties van een “concurrentiebestendige onderneming” komen allemaal tot stand door de absoluut noodzakelijke gebruikmaking van deze instrumenten; ze behaalt haar successen als object en als subject van de speculaties die vindingrijke bankiers uitbroeden. In beide rollen – als object en als subject van financieel-kapitalistische berekeningen – “bekennen” industrie en handel voortdurend dat ze uitsluitend uit zijn op vergroting van hun kapitaalmacht 19), en ze documenteren de identiteit van het doel dat een bank net zo nastreeft als een levensmiddelen- of autoconcern.

De uitgebreide medewerking van alle noemenswaardige ondernemingen van de “reële economie” aan de kapitaalmarkt waar ze als aanbieders en vragers optreden, laat overduidelijk zien wat “het verschaffen van vreemd geld” in deze sector van de economie betekent: onder gebruikmaking van de vergelijking geld = krediet in alle geëtableerde varianten participeren de privé ondernemingen in de zakensuccessen van alle andere kapitalisten; de eigen kapitaalvermeerdering is het middel tot verrijking via de groei van de concurrenten; de kapitaalmarkt verschaft toegang tot alle winstgevende manieren om geld te investeren. Met hun regie over de handel in beleggingen fungeren banken en beurzen als trustees van het kapitaal van de maatschappij; en ze vervullen deze functie in de vorm van een eigen business waarvan de omvang hen in staat stelt om “voor eigen rekening” mee te doen aan de door hen georganiseerde concurrentie om aandelen aan de totale groei van “de economie” 20). Zo nemen ze deel aan de concurrentie waarin hun collega’s uit de “reële economie” proberen het cruciale bewijs voor hun concurrentievermogen te leveren: ze concurreren om de gunst van allen die kapitaal verhandelen.

Dit gebeuren bekrachtigt omgekeerd de opdracht aan de financiële instellingen om het beheer van het “fictieve” kapitaal gewetensvol uit te voeren en uit te breiden.

*

16)

Over “Mergers & Acquisitions – kapitaalconcentratie op globale schaal”: Gegenstandpunkt 4-98

17)

Dit soort zaken doen “private equity ondernemingen”: ze kopen ondernemingen op krediet om deze, belast met het opgenomen krediet en eventueel vakkundig uit elkaar genomen, naar de beurs te brengen, de waardepapieropbrengst op te strijken en de volgende onderneming in het vizier te nemen. Deze branche en detail in: Gegenstandpunkt 2-06

18)

De door Marx en Engels in deel 3 van “Het kapitaal” becommentarieerde praktijk van vindingrijke zakenlieden om “reële” ondernemingen voor te spiegelen om aan geld en krediet van speculatieve investeerders te komen, sterft daarom niet uit.

19)

Dat zou eigenlijk het vermelden niet waard zijn in een door overtuigde markt-bewonderaars overbevolkte wereld die een ding zeker weten: de zegenrijke productie van alle mogelijke waren en de daarmee verbonden werkgelegenheid moet renderen om plaats te vinden. Naar aanleiding van een crisis gaan deze slimme mensen echter op een andere toer en ontdekken een object en slachtoffer van financieel-kapitalistische “hebzucht”, namelijk de “reële economie”; haar prestaties zouden in tegenstelling tot de pure zelfverrijking van de bankenwereld als enige weldaad te waarderen zijn. Ze ontkennen daarmee dat industrie en haute finance hetzelfde doel beogen en schetsen een beeld van het verkeer tussen de twee afdelingen van het zakenleven dat het kapitalistische karakter van beide betwist.

20)

Het loont de moeite om hierover bij Marx na te lezen: “Het kapitaal”, deel 3, het 27. hoofdstuk: “De rol van het krediet in de kapitalistische productie”.

Deze prestatie van het financierskapitaal – de centralisatie van het kapitaal als middel van de concurrentie – wordt uiteraard in de moderne markteconomie met haar pluralisme waargenomen.

- Als de publieke opinie, hevig geschrokken over de crisis, voortdurend een irreëel beeld schetst van de verhouding tussen de afdelingen van het kapitalistische zakenleven en zo het idee van de tegenstelling tussen “het graaiende en het scheppende kapitaal” politiek correct varieert, dan wordt de goede reputatie van de kredietbranche als dienstverlener voor de “reële economie” met haar behoefte aan investeringen niet weersproken, maar gecompleteerd met een verwijt dat een constructieve bijdrage levert aan het totaalbeeld: namelijk dat zelfs de meest miserabele minimumloon-werkgelegenheid afhankelijk is van de “prestaties” van de geldbranche.

- Ook de treurige waarheid dat het bij de prestaties van de kredietbranche eerder om de uitoefening van macht over arbeid en bestaan gaat dan om trouwe diensten, heeft een vaste plek veroverd in de opvattingen van experts en leken. Aan de indices over de stand van de speculatie leest immers iedereen de gezondheidstoestand van “de economie”af – een kijk die gegarandeerd geen bezwaar behelst tegen dit soort algemeen belang, en al helemaal geen kritiek op de markteconomie met haar werkgevers en -nemers als wettelijke en economische basis.

- Wanneer ten slotte overtuigde aanhangers van een vrije maatschappij zich verplicht voelen om van het vrije economische leven ook een stuk rechtvaardigheid te eisen, dan leggen ze zich graag toe op een kritiek die aan de bankenzaken en de “mobiliteit” van het kapitaal die de banken organiseren, de zijde van het privé-bezit benadrukt. Diagrammen over de verdeling van kapitaalbezit, die voor anderen slechts “de vervlechting van ondernemingen” documenteren, zijn dan de reden om bezwaar te opperen tegen ongelijke verdeling, soms ook tegen de ondermijning van de concurrentie – ook een manier om de tegenstrijdigheid van de “opheffing van het kapitaal als privé-eigendom binnen de grenzen van de kapitalistische productiewijze zelf” (Het kapitaal, deel 3, pagina 452) ter kennis te nemen.

*

 

5. De speculatie op de speculatie: over de handel in derivaten

 De kapitaalmarkt is voor de ondernemingen die in de financiële sector actief zijn het perfecte middel voor hun groei. Hier herfinancieren ze hun zakelijke activiteiten; hier accumuleren ze kapitaalbeleggingen; hier creëren ze uit eigen kracht kapitaal door schulden als geldkapitaal te verhandelen. Deze bruikbaarheid van de kapitaalmarkt heeft een prijs: de handel die ze daar drijven is voor de financiële ondernemingen de voorwaarde voor hun groei. En deze voorwaarde hebben ze niet in de hand. Wanneer ze geld beleggen dan speculeren ze op toekomstige opbrengsten uit vreemde zaken; wat ze als zelfgroeiend vermogen noteren – waaruit het grootste deel van hun bedrijfskapitaal samengesteld is – dat staat of valt en verandert zijn waarde met de concurrentiesuccessen en -tegenslagen van de emittenten van hun investeringen. Bovendien zijn er nog andere speculerende geldbeleggers; door hun beleggingen wordt de waarde van een portefeuille voortdurend veranderd, verhoogd of aangetast. Hetzelfde gebeurt door nieuwe aanbiedingen op de markt en veranderde randvoorwaarden die de opgehoopte investeringen er beter of slechter laten uitzien, zonder dat de zaken en de kredietwaardigheid van de emittenten van de getroffen papieren veranderd moeten zijn. Omgekeerd onderwerpen de financiële instellingen de obligaties en aandelen die ze zelfstandig of in opdracht verhandelen aan een test, die alles wat de waarde van een waardepapier beïnvloedt als kritische maatstaf hanteert; zij creëren kapitaalbeleggingen en laten het “aan de markt” over hoeveel en of die überhaupt iets waard zijn. Met hun vraag en aanbod doen ze hun macht gelden als bevoegde zaakwaarnemers van de kapitalistische potentie van het geld; het succes van hun activiteiten als concurrerende solo-ondernemingen, de waardegroei van hun respectievelijke portefeuilles, is er echter op aangewezen dat hun speculatieve beslissingen “juist” zijn en profiteren van de circulatie van het “fictieve” kapitaal waaraan ze met hun emissies en investeringen deelhebben. Ze ageren alsof ze hun zaken autonoom en soeverein in de hand hebben, en zijn toch niet meer en niet minder dan een onderdeel van de algemene gang van zaken.

Bij de krediet-business in het algemeen, bij de ruilhandel in rechtmatig als geldkapitaal gedefinieerde schulden in het bijzonder hoort dus onvermijdelijk het kredietrisico en het risico van afwaardering en ontwaarding van het “fictieve” kapitaal. Financiële ondernemingen moeten voorzorgsmaatregelen nemen voor het permanent dreigende gevaar slachtoffer te worden van de oordelen die de markten over hun vermogens vellen. Vandaar dat ze het beheer van hun portefeuilles, namelijk de speculatieve omgang met het aanbod van en de vraag naar investeringen, met maatregelen completeren die – te grote – verliezen vermijden resp. compenseren. Met de behoefte naar bescherming breidt deze risicozoekende gemeente haar economische activiteiten uit.

Voor deze behoefte zijn er de passenden aanbiedingen: door gespecialiseerde bedrijven uit dezelfde branche. Van cruciale betekenis – en exemplarisch voor de overgangen die de speculatieve branche hier tot stand brengt – is de termijnhandel, een complete bedrijfstak met een enorm hoge omzet. De gewoonte om contracten af te sluiten voor levering van een waar op een toekomstig tijdstip maar tegen een actueel vastgestelde, bij levering te betalen prijs om als koper of verkoper van waren met sterk schommelende prijzen zekerheid te creëren voor de eigen calculaties, is niet pas met de waardepapier-speculatie ontstaan; in de handel in grondstoffen – waarvan de marktprijs weinig te maken heeft met de productiekosten, maar vooral afhankelijk is van de verhouding tussen vraag en aanbod – zijn dit soort contracten algemeen gebruikelijk. Op deze methode grijpen de financiële ondernemingen terug waarvan de portefeuilles louter risico’s behelzen en die bij het beheren van hun portefeuilles voortdurend nieuwe risico’s ingaan. Ook zij kopen en verkopen kapitaalbeleggingen met schommelende koersen op termijn om hun verantwoordelijk beheerde geldvermogens tegen waardeverlies te beschermen resp. een beoogde waardegroei voortijdig veilig te stellen 21). Natuurlijk verminderen dergelijke zaken ter bescherming van de accumulatie van het “fictieve” kapitaal de waardegroei wanneer die hoger is dan in de desbetreffende “beschermingszaak” werd beraamd, dus wanneer de gevreesde waardevermindering daadwerkelijk kleiner uitvalt; of het indekken kost in het geval van een “optie” – een koersbeschermingszaak die de “verzekeringsnemer” bij een voor hem gunstige waardeontwikkeling niet verplicht het contract na te komen, waarbij hij dus het eventuele voordeel behoudt – een vaste premie, de optieprijs. In ieder geval gaat de bescherming ten koste van de groei waarvan de bescherming toch beoogd wordt.

Deze tegenstrijdigheid vindt haar passende geavanceerde oplossing in het feit dat de termijnhandel – overigens ook daar al waar reële goederen als aardolie of koffie op termijn worden verhandeld – al lang tot stof van een specifieke speculatie geworden is. Want hetgene dat voor het simpele commerciële belang een bedreiging vormt, namelijk de “volatiliteit” van de marktprijs van een binnen afzienbare tijd benodigde of te verkopen waar, en hetgene dat daartegen beschermt, namelijk een termijnhandel van het soort “future” dat voor beide zijden, leveranciers en kopers, bindend is, dat behelst een interessant risico voor een contractant die niet de waar zelf ontvangen wil maar het verschil tussen de afgesproken koop- resp. verkoopprijs – de “future”-prijs – en de daadwerkelijke marktprijs op het overeengekomen tijdstip. Want dit verschil in bedrag is zijn winst wanneer de dan werkelijk geldende prijs ten aanzien van de koop hoger uitvalt dan de “future”-prijs en ten aanzien van de verkoop daaronder ligt. Zo niet, dan ontstaat natuurlijk een navenant verlies, maar dat stoort financiële kapitalisten blijkbaar nauwelijks. Dit risico gebruiken ze in ieder geval van oudsher als zakelijk instrument, en wel op alle markten waar ze een waar met koersrisico vinden, dus vanzelfsprekend ook op hun eigen markt voor hun eigen uiterst speculatieve waar kapitaal. Daar wordt in de regel niet meer de “fysieke” afwikkeling van het termijncontract bedongen, maar het recht op het geldbedrag dat het verschil uitmaakt tussen de oorspronkelijk afgesproken prijs en de op de termijn geldende marktprijs 22); en een dergelijke zaak wordt merendeels niet meer met een handelaar gedaan die het prijsrisico voor zijn waren wil uitschakelen resp. met een waardepapierbezitter of -manager die zijn vermogen tegen koersschommelingen wil beschermen, maar het is een zaak tussen speculanten die beide, echter met tegengestelde bedoelingen, op het verschil tussen “future”-prijs en marktprijs op het overeengekomen tijdstip speculeren. Van meet af aan moet er geen moeite meer worden gedaan voor het verschaffen resp. het leveren van de waar – hetzij aandelen, hetzij koffiebonen – waarop de termijnhandel betrekking heeft. De waar fungeert met haar kenmerken en vastgestelde hoeveelheid alleen nog als oriëntatiepunt voor de “future”-prijs die actueel wordt afgesproken en de marktprijs die op de termijn zou moeten worden betaald als het om koop en verkoop zou gaan. Daarom hebben het aantal en de omvang van de contracten niets meer te maken met de hoeveelheid waarin de bewuste waar daadwerkelijk te koop staat of überhaupt bestaat 23); ze zijn uitsluitend begrensd door de bereidheid van de speculantengemeente om dergelijke zaken met elkaar te doen. Opdat deze bereidheid in praktijk gerealiseerd kan worden, is er een instelling nodig waar de belanghebbenden samenkomen. Die is er in de vorm van – op bijzondere “underlyings” gespecialiseerde – termijnmarkten. Hun cruciale prestatie bestaat daarin dat ze in zeer ruime zin als bemiddelende instanties ageren – vanzelfsprekend tegen een behoorlijke vergoeding – : ze brengen de tegengestelde inschattingen over de ontwikkelingen van een prijs of koers samen door op een soort permanente veiling, dus volgens de regels van de beurshandel, de “future”-prijs vast te stellen, waarbij – in dit geval niet vraag en aanbod, maar – speculanten die op stijgende resp. dalenden cijfers speculeren met elkaar tot zaken komen. Daarbij brengt de beurs geen handelsbetrekking tussen de verschillende speculanten tot stand, maar ze ageert tegenover beide zijden als verdragspartner en zorgt voor alle voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de permanente gang van zaken: zij definieert de kenmerken van de waar die als referentiepunt dient, de hoeveelheden waarover gecontracteerd kan worden, de geldbedragen die ingezet kunnen worden, de tijdstippen waarop de contracten regelmatig afgewikkeld moeten worden; voor basiswaarden, “underlyings” –  die zelf geen waar zijn en geen prijs, maar wel een koers hebben en voor de termijnhandel in financieel-kapitalistische risico’s van bijzondere betekenis zijn – namelijk voor beurs- en andere indices stelt ze geldwaarde per indexpunt vast. De zo perfect genormeerde zaken verlopen dan volgens een vast schema: een onderdeel van de beurs, het “clearing house”, beheert voor elke klant een clearingrekening waarop voor elke zaak een bedrag als garantie en bewijs van de seriositeit van de speculant gestort moet worden, namelijk een deel van de “future”-prijs dat, afhankelijk van de kredietwaardigheid van de zakenman resp. de grootte en solvabiliteit van de betrokken financiële onderneming, tussen de 5 en 15 procent ligt; deze verhouding tussen de “future”-prijs en het werkelijke stortingsbedrag heet in het jargon van de branche “hefboom”; zijn cruciale betekenis zal nog blijken. Op deze rekeningen worden op elke beursdag de winsten en verliezen geboekt die voor elk afgewikkeld contract uit het feit ontstaan dat de speculatieve transacties van elke volgende dag een nieuwe – hogere of lagere – “future”-prijs” voortbrengen 24): als die stijgt, krijgt de speculant die bij een lagere prijs op koop gespeculeerd heeft, de stijging als winst bijgeschreven, de verkoper de stijging als verlies afgetrokken; en vice versa; bij grotere verliesboekingen moet eventueel een nieuw garantiebedrag bijgestort worden. Voor het overige worden de contracten zo voortgezet als zouden ze voor de telkens actuele “future”-prijs afgesloten zijn; enzovoort. Bovendien biedt de termijnmarkt haar klanten het grote voordeel dat ze uit hun contracten altijd eenzijdig kunnen uitstappen, namelijk door op hetzelfde tijdstip over hetzelfde voorwerp voor de dan geldende “future”-prijs een complementair contract af te sluiten; het eerste contract is daarmee “gladgestreken” dwz. geannuleerd. Op de rekening blijft de inleg plus winst resp. verminderd met verlies, en verkleind door allerlei vergoedingen. Een winst – en daarmee wordt de aangelegenheid economisch belangrijk – komt voort uit de verandering van de “future”-prijs, namelijk, ter herinnering, van de ideëel overeengekomen koopprijs voor het ideëel als oriëntatieprijs fungerende waardeobject. Voor de speculant heeft de winst echter betrekking – dankzij het “hefboom-effect” –  op de 5 tot 15 procent van het bedrag dat hij per deposito in zijn “financiële weddenschap” moest investeren. Elk procent verandering van de “future”-prijs komt dus voor de contractant, als rente voor zijn inleg gerekend, neer op een groei van circa 7 tot 20 procent; hoe groter de kredietwaardigheid van de klant, hoe groter de groei, waaruit op jaarbasis rendementen van 100 procent of zelfs het meervoudige hiervan kunnen resulteren.

Daarmee is de transactie vooreerst afgerond; ordentelijk genormeerd en perfect georganiseerd; en wie zich competent daarover uitlaat, wordt niet moe om ophelderend en met een waarschuwende ondertoon erop te attenderen dat bij deze speculatie tegenover elke winst een complementair, exact even grote verlies staat, dat dus geen waarde ontstaat maar een “nul-som-spel” plaatsvindt. Deze ongetwijfeld juiste constatering werpt echter een vraag op die door de kritisch goedkeurende voorstelling van zaken geenszins bevredigend wordt beantwoord: hoe een puur “nul-som-spel”, waarvan het uitvoeren ook nog enigerlei kosten veroorzaakt, kon uitgroeien tot een groot en serieus onderdeel van de achtenswaardige financiële sector – want dat het beschermingsbelang van kooplieden en managers van waardepapierportefeuilles daaraan de kleinste bijdrage leveren – het speculatiebelang hier veeleer voor zichzelf een zelfstandig “werkterrein” heeft gecreëerd – maakt deel uit van het informatiepakket. In een globaal nationaal-economisch overzicht worden dan welgemeende functionalistische vermoedens over het nuttige effect van deze branche geuit, bijvoorbeeld over de mooie bijdragen van de termijnmarkten tot de transparantie van de “spot-” en “kassamarkten” en tot een navenant “eerlijke” prijsvorming van de basiswaarden; centrale banken laten de brandende kwestie onderzoeken of de derivatenmarkt de markt voor obligaties en aandelen vooruitsnelt of achteraan hinkt. Maar dat een enorme, opvallend drukke, zeer wel ook dure, omdat perfect georganiseerde financiële speculatie plaatsvindt om de speculanten duidelijkheid te verschaffen over de parameters van hun speculatie – dat wil dan toch niemand beweren. En waar is aan dergelijke aanduidingen sowieso iets heel anders, namelijk de tegenovergestelde strekking: de termijnmarkten zijn een centrum voor de permanente poging van experts om van de onzekerheden over de marktontwikkeling, de informatievoorsprongen en meningsverschillen, de eigen als juist beschouwde en andermans misinschattingen over verloop, richting snelheid en effecten van het speculatieve gebeuren op de uiteenlopende terreinen van de financieel-kapitalistische winstmakerij te profiteren: volatiliteit is daarbij voordelig, ja onontbeerlijk, transparantie schadelijk voor de speculatie. Wat per se benodigd wordt om uit deze georganiseerde speculatieve onzekerheid per saldo een bron van inkomsten te maken, zijn middelen en personeel voor de permanente presentie op de markt om altijd aan zaken deel te nemen en ook weer uit te stappen, van elke nog zo kleine en kortstondige koersvariatie te profiteren, ook verliezen te realiseren en slechte contracten te annuleren voordat groter onheil geschiedt; alsook, ten tweede, een toereikend geldvermogen om verliezen te kunnen incasseren en niet meteen te moeten stoppen met de speculatie.

Met deze werkelijke zakelijke omstandigheden wordt al iets duidelijker waarom deze speculatie op termijncontracten als aanzienlijke branche van het financierskapitaal bestaat; namelijk voor wie dergelijke activiteiten überhaupt lonend uitpakken. Natuurlijk voor de organisatoren, de beurzen en financiële ondernemingen die er achter staan; maar hun streven naar inkomsten uit vergoedingen verklaart niet de zaken waarvoor vergoedingen worden gevraagd. Natuurlijk staan de termijnmarkten in principe voor iedereen open; maar de privé-belegger die zijn geluk ook een keer met een “financiële weddenschap” beproeft is niet de speler aan wie deze branche haar grootte en stabiliteit te danken heeft. Natuurlijk zijn daar alle kooplieden en vermogensbeheerders vertegenwoordigd die de “futures” daadwerkelijk voor beschermingsdoeleinden gebruiken, maar dat maakt naar verluidt slechts drie procent van de omzet uit. Misschien zijn de profi’s “ter plekke” al belangrijker, de makelaars en brokers die heel kortstondig voor eigen rekening meedoen aan de speculatie die ze in vreemde opdracht en met vreemd geld draaiend houden; maar daarmee is hun beperkte betekenis ook al duidelijk. De eigenlijke hoofdrolspelers van de branche zijn financiële ondernemingen die over het personeel en de middelen beschikken om uit “futures” een van hun reguliere bronnen van inkomsten te maken; die bij de “clearing-house” permanente grote clearingrekeningen hebben en slechts kleine percentages van de “future”-prijs moeten deponeren. Dat de winsten die ze behalen bij de een of andere tegenspeler even grote verliezen veroorzaken en in zoverre “slechts” een herverdeling van speculatie-inzetten plaatsvindt, laat deze protagonisten van het gebeuren volledig koud: zij doen immers hun best om diegenen te zijn waar de “slechts herverdeelde” geldbedragen naar toe stromen en bij wie in ieder geval meer winsten dan verliezen belanden. Voor hen is dat geen vergrijp tegen de regels van de financieel-kapitalistische waardeschepping, maar het inbegrip ervan, de kwintessens van al hun accumulatieprestaties: hier maken ze heel direct en zonder omhaal hun speculatief oordeel over de koersontwikkeling van speculatieobjecten tot bron van geld. Juist dat doen ze eigenlijk ook in alle andere gevallen: als ze kredieten verstrekken, als ze waardepapieren verhandelen, als ze opgehoopt “fictief” kapitaal beheren opdat het groeit. Maar op die terreinen heeft hun speculatieve competentie nog steeds betrekking op bestaande vermogenswaarden waarvan de ontwikkeling hen zorgen baart, daar ze van hen zijn of een aan hen toevertrouwde rijkdom voorstellen; en wat ze met hun speculatieve beslissingen teweegbrengen, is niet meer dan de participatie in een waardegroei die door hun handel in waardepapieren tot stand komt. Met hun “futures”-speculatie daarentegen genereren de financiële ondernemingen volledig autonoom inkomsten – of de basiswaarden waarop ze hun “financiële weddenschappen” afsluiten stijgen of dalen, is voor de waardegroei die ze zo behalen volkomen onbeduidend; van cruciale betekenis is enkel en alleen dat ze met hun inleg op hun clearingrekeningen op de juiste zijde inzetten; uitsluitend daarvan en uiteraard van de hoogte van hun inzet zijn hun inkomsten afhankelijk. Voor de profi’s van het speculatieve geldverdienen is dat de ware vrijheid.

En daarmee gaat voor deze financiële ondernemingen een heus rijk der vrijheid open. Want hun activiteit bestaat niet enkel daarin op de termijnmarkt door inzet van veel geld en personeel een positief saldo uit plus en min tot stand te brengen. Dankzij de “hefboom” van de speculatieve geldinzet die ten opzichte van ondernemingen met uitstekende kredietwaardigheid en gewaarborgde solvabiliteit enorm effectief is, ontstaan uit de verhouding tussen “voorschot” en winst aanzienlijke tot geweldige rendementen; en die zijn voor financiële ondernemingen heel iets anders dan pure rekengrootheden. Alleen al het vooruitzicht op dergelijke rendementen roept veeleer om de professionele inzet van vreemd geld. Want uit de “renteopbrengst” die via een (enigszins) succesvolle investering van het ingezamelde geld in “futures” te behalen valt, kunnen voor schulden probleemloos bijzonder hoge renten worden betaald; omgekeerd leveren de ontvangsten, die voor investeerders attractieve rentes afwerpen, gekapitaliseerd probleemloos een “fictief”geldkapitaal op dat veel groter uitvalt dan de geldbedragen die een potente onderneming moet opbrengen voor haar engagement op de termijnmarkt. De verkoop van dergelijke vermogenstitels – in de vorm van aandelen of fondsen – stelt de emittent in staat om grootschalig te speculeren en belooft tevens de geldbeleggers zo grote winstmarges dat niet alleen lichtgelovige privé-klanten maar ook scherp calculerende geldondernemingen graag ook een hoger verliesrisico op de koop toenemen; uit een modern en effectief gemanagede portefeuille zijn dergelijke waardepapieren niet meer weg te denken. Daarbij profiteren hedgefonds resp. banken die zulke beleggingsinstellingen runnen van het feit dat met elke vergroting van de financiële macht de kredietwaardigheid van de onderneming groeit, daarmee het “hefboom”-effect van de investering in termijncontracten toeneemt en daarmee tevens de macht van de onderneming om door de uitgifte van fondsaandelen en soortgelijke waardepapieren nieuwe financiële middelen aan te trekken. Natuurlijk geldt hetzelfde ook andersom: indien een financiële ondernemer op zijn termijnmarkt aan boniteit verliest en een bijstorting op zijn clearingrekening vereist is, dan gaat zijn rendement zelfs dan automatisch achteruit als zijn “financiële weddenschappen” merendeels nog steeds succesvol zijn; het “fictieve” kapitaal dat hij aan investeerders is kwijtgeraakt, komt in gevaar, wordt wellicht teruggegeven en verergert de financiële situatie van de emittent nog meer 25). Maar dat is de prijs van de vrijheid die het financierskapitaal zich hier verschaft heeft en waarvan het ruimschoots gebruik maakt; en elke onderneming doet haar best opdat de concurrenten deze prijs moeten betalen.

Zo creëert de gemeente van potente speculanten door pure speculatie – uitsluitend met hun uiterst gedifferentieerde en razendsnel in praktijk gebrachte inschattingen over de koersontwikkelingen op grondstof-, kapitaal- alsook op deviezen- en andere markten, volkomen onafhankelijk van alle betalingsstromen tussen kredietnemers en schuldeisers en van elke verrijking door de groei van financieel-kapitalistische vermogenswaarden – autonoom en in eigen regie rendementen uit geldinzetten en daaruit nieuw kapitaal dat de omzetten van de financiële sector en zijn vermogens enorm laat groeien. En wat ze door de handel in “futures” teweegbrengt, dat produceert de branche even zo goed door de speculatie op alle onzekerheden – over koersontwikkelingen, over risicotoeslagen op uiteenlopende aandelen, over de kredietwaardigheid überhaupt… – die ze zelf creëert: uitsluitend op grond van haar eigen accumulatiebehoefte en met inzet van krediet, onafhankelijk van de speculatieve beschermingsbelangen waarop het respectievelijke zakenmodel gebaseerd is en die ze en passant bevredigt, genereert ze complete afdelingen van een business waarvoor het jargon het etiket “risicotransfermarkt” heeft uitgevonden, en vele soorten “afgeleide” kapitaalvormen 26).

Deze veelsoortige derivaten die de financiële industrie produceert, worden op de diverse “spot-“ en “kassamarkten”, waaruit ze “afgeleid” zijn, het voorwerp van een interesse van hogere orde. Juist omdat de in derivatieve producten gematerialiseerde, geldvermogens stichtenden speculatie geen participatie in een waardegroei beoogt die op de handel in waardepapieren berust en daarin tot stand komt, maar heel direct en niets anders dan de plaatsvindende veranderingen zelf tot inhoud heeft, is alles, namelijk de gehele inzet afhankelijk van het juiste resultaat. De financiële instellingen die de termijnhandel en soortgelijke ondernemingen bedrijven, laten het daarom niet bij de steeds actiebereide observatie van het gebeuren op de markten van “lagere” orde, maar ageren daar doelbewust zo, dat uiterlijk op de vastgelegde vervaldag van hun contracten een beweging in de gewenste richting ontstaat. De derivatenbusiness wordt zo tot extra, tenminste tijdelijk dominerende invloedfactor op de handelsplaatsen waarvan de ontwikkeling de inhoud vormt van de speculerende derivatenbusiness. Specifieke technieken als de tijdelijk in kwade reuk staande praktijk van “leegverkopen” brengen het gewenste verband tot stand; en dat het er in de obligatie- en aandelenhandel voor de vervaldagen van termijncontracten druk aan toegaat, omdat de tegenspelers proberen de koersen in hun voordeel te manipuleren, is niet alleen algemeen bekend maar in het geklets over de “heksendag” als commerciële gewoonte erkend. Zo krijgt de speculatie op derivaten macht over de speculatie waarop de derivaten zich betrekken.

Aan de andere kant gebruiken de financiële ondernemingen hun vrijheid om steeds nieuwe afdelingen van hun “risicotransfermarkt” te creëren – deels zeer wel bewust – op een wijze dat de nieuw gecreëerde risico’s in hun veelvuldigheid en “complexiteit” überhaupt niet meer gemakkelijk te hanteren en nauwelijks nog te overzien zijn – beheersbaar zijn ze sowieso niet; dat is immers de blijvende zakelijke basis. Dat beschouwen de financiële instellingen die deze waanzin toonaangevend organiseren dan weer als gelegenheid en uitdaging voor een nieuwe, extreem zwaarwegende business: ze runnen rating-instanties die zich professioneel – en vanzelfsprekend tegen vergoedingen – bezig houden met het doorlichten en de inschatting van de risico’s die het object van de diverse “afgeleide” speculaties zijn en de basis vormen van het “fictieve” kapitaal dat als fondsaandelen, certificaten en soortgelijk spul een plek in de portefeuilles van de zakenwereld en zelfs in de “depots” van de gewone spaarbankklanten heeft veroverd. Daarbij is de classificatie die deze “rating-bedrijven” aan alle mogelijke investeringen toekennen niet alleen maar als hulp bij de besluitvorming voor investeerders van belang. Ze heeft een “reële”, direct praktische betekenis: de classificatie beslist namelijk zowel over de boniteit van de emittent en dus over diens macht om zijn schulden als geldkapitaal te verhandelen, alsook over de kwaliteit van de portefeuilles van de investeerders en daarmee over hun financiële macht en goede reputatie die ze binnen de financiële sector genieten. Dat wordt direct relevant bij de herclassificaties: betere beoordelingen stellen de aanbieder en de bezitter van dergelijke papieren in staat om verbeterde balansen te tonen, hetgeen de toegang tot vreemd geld vergemakkelijkt; slechtere beoordelingen maken voor de getroffene niet alleen nieuwe kredieten en de rentes voor nieuwe leningen duurder, maar bedreigen en ontwaarden het reeds geëmitteerde “fictieve” kapitaal, dwingen de onderneming wellicht geld op haar clearingrekening bij te storten; beschadigen tegelijkertijd de bezitters van de geëmitteerde papieren, nopen hen eventueel tot herschikking van hun portefeuilles etc. Zo blijken de “rating agencies” een behoorlijk centrale machtsinstantie te zijn in het rijk van de financieel-economische vrijheid. En uiterlijk sinds de crisis in deze sector heeft elke expert het altijd al geweten, dat binnen het geheel van de beslissingen die daar worden getroffen de “oriëntatiehulp”, de nuttige bijdrage ter regulering van het speculatiewezen en de baatzuchtige manipulatie van het marktgebeuren moeilijk van elkaar te scheiden zijn.

Met de vrijheden van de derivatenbusiness en met de initiatieven ter regulering ervan groeit logischerwijze de behoefte naar neutrale controle – enerzijds; en de overheid acht zich ook meteen uitgedaagd, alleen al vanwege het vele geld dat daar in precaire producten geïnvesteerd en op het spel gezet wordt, en ook omdat ze bezorgd is over het eigendom dat daar aan vreemde handen wordt toevertrouwd; ze houdt toezicht en piekert over het probleem van de juiste hoeveelheid ervan. De financiële branche die een zekere regelgeving voor de gang van zaken weet te waarderen, laat anderzijds haar vrijheid tot mateloosheid niet “kapot regelen”. Waar ze zich stoort aan de regelgeving omtrent het solide speculeren, die ze in wezen zelf besteld en gecreëerd heeft, daar completeert ze haar “gereguleerde” business met een handel ver van alle restrictieve voorschriften: “OTC”, “Over The Counter”, zoals dat in het Angelsaksische vakjargon van de vakwereld heet. De sommen die daar worden geboekt, zijn welhaast geëxplodeerd sinds de imperialistische statenwereld haar financiële kapitalisten hun gang laat gaan 27). De omvang van de sommen bewijst dat de branche hier definitief in het rijk van haar vrijheid is aangekomen.

*

21)

Om de vraag “hoe gaat dat” niet onbeantwoord te laten, citeren wij de Duitse Bondsbank: “Door een future verzekert de koper zich van de prijs waarvoor hij de basiswaarde later kan ontvangen, en de verkoper verzekert zich van de prijs waarvoor hij de basiswaarde later zal leveren.” Dit “instrument” wordt niet alleen gebruikt bij de koop van nieuwe en de verkoop van eigen papieren; het dient ook ter bescherming van de waarde van een aandelenvermogen: om “bijvoorbeeld een breed gediversifieerd portefeuille van aandelen” tegen waardeverlies te beschermen, verkoopt men een “future op een aandelenindex die de aandelen van de portefeuille afbeeldt. Dat uit aandelen resulterende risico wordt door de future-verkoop gereduceerd, daar aandelen-winsten door verliezen uit de verkochte future en aandelen-verliezen door winsten uit de future gecompenseerd worden.”

22)

“In de regel worden future-contracten echter niet door de fysieke levering van de basiswaarde afgewikkeld, maar het verschil tussen de overeengekomen future-prijs en de marktwaarde van het basisinstrument wordt door contante betaling vereffend.” Over de ruilbaarheid van beschermings- en winstbelang bij dit soort zaken schrijft de Bondsbank: “Een prikkel voor de handel in derivaten kan er enerzijds uit bestaan met een relatief kleine inzet van kapitaal bovenproportioneel in de koersontwikkeling van het basisinstrument te participeren of van koersdalingen te profiteren. Anderzijds worden derivaten ook ter bescherming tegen koersschommelingen van het basisinstrument aangewend.” Beetje naïef dit “enerzijds/anderzijds”.

23)

De Duitse Bondsbank lapidair: “Als het nakomen van een derivatencontract niet gebonden is aan de levering van het basisinstrument” – en dat is immers de regel – “kan het handelsvolume nagenoeg onbeperkt worden uitgebreid.”

24)

In principe gaat dat zo door tot de vervaldag. Dan is de “future” geen future meer en zijn prijs zou samenvallen met de marktprijs van de basiswaarde.

25)

Bij de absurditeiten van dit zakendoen hoort ook dat deelnemers met lage boniteit, die voor dezelfde “future”-prijs veel grotere waarborgbedragen moeten storten dan ondernemingen met uitstekende ratings, bij dezelfde winst een lagere winstquote, bij hetzelfde verlies echter ook een navenant lagere verliesquote moeten boeken; daarom kunnen ze weliswaar ook minder “fictief” kapitaal emitteren, maar ook minder vernietigen dan hun potentere collega’s. Dat verandert weliswaar niets aan het feit dat winsten en verliezen, in absolute getallen gerekend, in overeenstemming zijn – niet meegerekend het aandeel dat de beurzen zelf ontvangen, van de winnaars en de verliezers – maar kapitalistische investeerders rekenen niet in absolute getallen maar in opbrengst per investering of in rentepercentages. Dat relativeert in de praktijk van deze branche aanzienlijk de betekenis van de theoretisch zo belangrijk geachte symmetrie van de risico’s en “nul-sommen”, die op de profi’s van de branche toch al geen indruk maakt.

26)

De constructie van swaps, CDO en andere verworvenheden van de speculatieve uitvindergeest bespreken wij hier niet; de behandeling van de “future-speculatie” lijkt ons toereikend; en wat betreft de beruchte “Asset Backed Securities” waarmee de sinds twee jaar escalerende financiële crisis begon toen investeerders daarin geen goede investering meer zagen – daarover hebben wij ons uitvoerig geuit in: Gegenstandpunkt 4-07. Wij beperken ons tot de algemene verklaringen van de Duitse Bondsbank uit 2006: “de handel in financiële derivaten is in de afgelopen twee decennia sterk gegroeid. Nadat hij aanvankelijk overwegend betrekking had op aandelen- en grondstofmarkten, werden de daar beproefde concepten later ook op renterisico’s en wisselkoersen toegepast. Een betrekkelijk nieuw segment zijn kredietderivaten waarmee kredietrisico’s van de te gronde liggende krediethandel kunnen worden gescheiden en separaat verhandelbaar kunnen worden gemaakt resp. nieuw gecreëerd kunnen worden”. Nog in 2008, in een artikel over “Nieuwe ontwikkelingen in het internationale financiële systeem” is de Bondsbank vol lof over dit soort zakendoen: “De variëteit aan bancaire diensten en financiële producten werd uitgebreid met innovatieve en deels complexe financierings- en risicotransfertechnieken”. “In deze ontwikkelingen komt vooral de grotere vraag naar profitabele portefeuillediversificatie tot uitdrukking…” En over de hoofdrolspelers van deze zaken schrijft de Bondsbank: “Innovatieve financierings- en risicotransfertechnieken worden voornamelijk door grote en complexe, internationaal agerende financiële instellingen intensief gebruikt. Deze financiële conglomeraten bestrijken een breed aanbod aan financiële diensten. In het kader van hun eigen handel in kredietrisicotransferproducten treden ze zowel als aanbieders alsook als vragers op.”

27)

In juli 2008 schrijft de Bondsbank daarover, volkomen onbevooroordeeld: “De sterke expansie van de financiële markten in de industrielanden is vooral uitdrukking van een intensieve gebruikmaking van innovatieve risicotranferinstrumenten en -technieken. Op de voorgrond staan daarbij derivaten die in gestandaardiseerde vorm op beurzen worden verhandeld of als specifieke, op klanten toegesneden contracten (Over-the-counter: OTC) individueel worden afgewikkeld. De nominale waarde van de uitstaande beursverhandelde derivaten bedraagt eind 2007 meer dan 80 biljoen US-$; ze is daarmee sinds 1993 vertienvoudigd. De nominale waarde van de uitstaande OTC-contracten steeg alleen in de G10-landen sinds 1998 met circa het achtvoudige en bedroeg eind 2007 ongeveer 525 biljoen US-$. Rentecontracten domineren de markt voor derivaten, op grote afstand gevolgd door deviezencontracten en kredietderivaten. Hoofdbestanddeel van de markt voor kredietderivaten in de G10-landen zijn zogeheten kredietverzekerings-swaps (Credit Default Swaps: CDS) waarvan de nominale waarde eind 2007 58 biljoen US-$ bedroeg, nadat ze in 2001 nog circa 1 biljoen US-$ had belopen.” Met de geboden terughoudendheid merkt de Bondsbank daarover op: “Sommige waarnemers zien in deze dynamische ontwikkeling aanwijzingen van een zekere verzelfstandiging van de financiële sector.”

*

  

6. Over de crisisgevoeligheid van het financierskapitaal

 

Dat ze riskante zaken doen weet niemand beter dan zijzelf, de protagonisten van de financiële markt; hun zaken zijn immers ondenkbaar zonder risico’s: door op de toekomst te speculeren bewerkstelligen zij de accumulatie van geldvermogens. En wat het identificeren van risico’s betreft, de criteria voor de inschatting ervan en de aanleidingen voor hun herbeoordeling is al helemaal niemand zo competent als zij. Zij vergelijken immers voortdurend de toekomstige rendementen en zekerheden van alle verhandelde en geaccumuleerde titels en de betrouwbaarheid van hun emittenten, registreren kritisch elk succes en elke commerciële mislukking van enige betekenis, elke grotere insolventie inclusief voorafgaande geruchten, elke verandering van relevante economische condities, daarom ook elke zich aftekenende verschuiving van de machtsverhoudingen binnen en tussen de staten etc. en ze reageren zowel daarop als op de reacties van hun concurrenten. Met hun desbetreffende speculatieve berekeningen brengen zij zelf, als emittenten en investeerders, beweging in de markten en dragen bij aan de verandering van de prijzen van hun handelsartikelen waarop ze speculeren. Het gehele uit commercie, geweld en verkeerd bewustzijn samengestelde wereldgebeuren beschouwen ze als een combinatie van invloedfactoren waarmee hun calculaties rekening moeten houden; juist zo, op oncalculeerbare wijze, laten zij hun speculaties commercieel effect sorteren.

Het alledaagse calculerende omgaan van de kapitaalmanagers met deze wereld uit risico’s en hun poging de daarin liggende kansen te herkennen en sneller dan de concurrentie te grijpen, gaat echter gepaard met een volledige desinteresse voor de reden voor de risico’s waarmee ze zo constructief omgaan. Want die is identiek met hun economische basis: ze verrijken zichzelf en hun klanten met vreemd geld aan vreemde zaken op een manier als zou hun legitieme beschikkingsmacht het succes van hun disposities over eigen en vreemde schulden quasi automatisch garanderen. Ze veranderen schuldverhoudingen in “fictief”geldkapitaal en bevestigen door geen andere operatie dan door koop en verkoop van hun constructies het kapitaalkarakter van de verhandelde schulden. De vermeerdering van geldkapitaal die ze teweegbrengen is alleen nog afhankelijk van de marktontwikkeling – van de erkenning die hun producten in de waardepapierhandel krijgen en van het succes van hun eigen investeringen – maar juist daarvan is ze dan ook absoluut afhankelijk. En met hun speculaties hebben de protagonisten van het financierskapitaal in ieder geval zoveel bereikt, dat met hun creaties alles te beginnen valt wat in de markteconomie met geld en kapitaal überhaupt te beginnen is – maar ook, dat  nagenoeg alles wat de zakenwereld en haar menselijke aanhangsels aan zakelijke middelen en koopmiddelen ter beschikking staat op schulden berust, waaraan de speculatieve handel kapitaalkwaliteit toekent.

Van dit precaire succes en van de principiële houdbaarheid van hun prachtige prestatie schulden in geldkapitaal te veranderen, gaan de protagonisten van de financiële sector als van een gegeven en vaststaand feit uit wanneer ze hun lucratieve “risico’s nemen”. Ze grijpen simpelweg hun kans om door goede transacties de financiële macht van hun onderneming permanent te vergroten. Als de zaken toch slecht gaan – emissies mislukken, investeringen gaan de mist in, onverwachte koersontwikkelingen en geflopte derivaten ontwaarden de portefeuilles – dan behandelen ze de aangelegenheid als calamiteit waarvan de uitwerkingen te beperken en zo snel mogelijk goed te maken zijn. Onder geen beding mogen verliezen gevolgen hebben voor de balansen van de instellingen of zelfs hun liquiditeit beschadigen. Want dan – en zo wordt het precaire karakter van de economische basis van hun branche nu eenmaal toch merkbaar – staat hun potentie op het spel om überhaupt te kunnen instaan voor de kapitaalkwaliteit van hun handelsartikelen. Met de illiquiditeit dreigen faillissement en waardeverlies van de waardepapieren die het stempel dragen van de bankroetier. En daar de financiële ondernemingen via hun krediet- en vooral via hun kredietmarktactiviteiten allemaal afhankelijk zijn van elkaar – van de erkenning van hun respectievelijke eigen producten door de concurrenten, maar evenzo van de door de handel bevestigde steekhoudendheid van de waardepapieren die de concurrenten gecreëerd hebben – omdat ze allemaal delen van het maatschappelijke totaalkapitaal zijn en derhalve uitsluitend dan functioneren als “het systeem” functioneert: daarom brengt een dergelijke insolventie, afhankelijk van de grootte en betekenis van de kapot gespeculeerde instelling, misschien de vermeerdering en daarmee de totaalwaarde van het “fictieve” kapitaal in zijn geheel in gevaar. Zoals in het kader van de accumulatie van de financiële vermogens de zakensuccessen van de ene kapitaalmarktdeelnemer de balansen van vele andere niet alleen belasten maar ook verbeteren, namelijk ook hun investeringen in waarde laten groeien en nieuwe omzetten in waardepapieren genereren, zo verspreidt de ineenstorting van een belangrijke emittent zich via de aaneenschakeling van waardevermindering en waardeverlies en richt een schade aan die door het wegvallen van een concurrent niet gecompenseerd wordt. De aanleiding die een dergelijke neerwaartse spiraal kan doen ontstaan, kan nagenoeg elk risico zijn dat de branche neemt – de reden daarvoor is dat het financierskapitaal dankzij zijn prestatievermogen zo groot en sterk is geworden dat de betrokken instellingen ondanks alle concurrentie en wederzijdse beschadiging via hun speculatieve investeringen met elkaar vervlochten zijn.

Wanneer een dergelijke golf van waardeverlies uitmondt in een crisis, dan begrijpt men natuurlijk nog steeds niet de economische natuur van de zaken die er successievelijk kapot gaan. Juist wanneer aan het licht komt dat de bruikbaarheid van schuldpapieren als geldkapitaal over de hele linie niet meer te handhaven is en de mooie vermogenstitels terugvallen op de status van schulden die wegens gebrek aan renteopbrengsten, krediet en investeerders niet meer betaald kunnen worden, poogt de financieel-kapitalistische zakenwereld des te dringender de schade te beperken en zo veel mogelijk “fictief” kapitaal te redden. Daarbij neemt men onvermijdelijk en allereerst alle wetten in het vizier die de voorwaarden voor het rechtsgeldige definiëren van schulden als geldkapitaal en de condities voor de handel in dergelijke papieren bepalen. Want deze wettelijke regels behelzen voorschriften over de waardebepaling van vermogenstitels die de door de crisis geraakte instellingen dwingen de ontwaarde waardepapieren ook werkelijk af te schrijven. De tanende financiële macht van de kredietinstellingen krijgt zo weliswaar alleen maar haar wettelijke vorm, maar de getroffen bankiers zijn de laatsten die bereid en in staat zouden zijn op dit gebied tussen de wettelijke vorm en de inhoud van hun nood te onderscheiden. Ze insisteren erop en worden het ook altijd eens met de verantwoordelijke overheidsinstanties dat de aaneenschakeling van waardeverliezen door een verandering van de balansvoorschriften te stoppen zou zijn – in het ergste geval door het omdopen van “giftige” waardepapieren in het “vermogen” van een “Bad Bank”. En voordat samen met de kredietbusiness en de identiteit van schulden en kapitalistische rijkdom de markteconomie inclusief staatsfinanciën volledig ineenstort, moet de overheid de licentie tot schepping van geldkapitaal uit schulden, die ze aan de bankensector verleent heeft, door een garantie onderbouwen en door haar eigen geldschepping instaan voor het behoud van deze schuldeneconomie om zo voor haar eigen vrijheid van handelen te zorgen.

Aan deze existentiële plicht voldoet de overheid – niet zonder de financiële branche dringend te verzoeken bij het speculeren met gekapitaliseerde schulden en het nemen van risico’s toch voortaan solide te werk te gaan. Dat is een legitieme behoefte gelet op de crisisgevoeligheid van het onontbeerlijke financierskapitaal, die deel uitmaakt van het “algemene bestaansrisico” dat de markteconomie voor haar ingezetenen in petto heeft.

Aanvulling 3: over de kapitalistische crisis in het algemeen en in het bijzonder

Boom en crisis wisselen elkaar af: dat hoort bij de algemeen bekende ervaringsfeiten in het markteconomische systeem. Op een meerjarige hausse van het kapitalistische zakenleven volgt een fase waarin de totaalbalans van de omzet van “goederen en dienstverleningen” tijdens meerdere maanden en kwartalen in plaats van positief negatief uitvalt: een recessie laat tal van ondernemingen failliet gaan, vergroot drastisch het werklozenleger en doet de beetje levensstandaard van de loonafhankelijke bevolking vervluchtigen. En natuurlijk lijden de markteconomische industrieën en handelsondernemingen in zo’n geval niet onder gebrek aan materiaal of werkwillig personeel, integendeel zelfs: in de crisis is er van al het benodigde – productiemiddelen, producten, arbeidskrachten – meer dan voldoende. Wat er steeds opnieuw stagneert, is niets anders dan de afzet: er zijn te veel waren om nog winstgevend of ook alleen maar kostenneutraal te kunnen worden verkocht. En dat is in de meest menswaardige van alle productiewijzen geen verheugend voordeel, maar voor de markteconomische hoofdrolspelers een probleem en voor het voetvolk een nadeel: omdat de markt, waar dit economische systeem haar naam aan dankt, helemaal faalt, dus onbruikbaar is voor de enige en cruciale doelstelling van de zakenwereld: de verandering van haar “goederen en dienstverleningen” in telbare rijkdom in abstracte vorm: in geld.

Dat het zover komt, is in zo verre verbazingwekkend als de ondernemingen niets anders doen dan voor de markt te produceren en handel te drijven; zij ondernemen alles om daarmee succes te boeken; en als hun gang van zaken in de crisis belandt, dan zijn ze in de voorbije boom-jaren blijkbaar succesrijk geweest. Dat geldt weliswaar niet voor alle actieve marktdeelnemers daar de onderlinge concurrentie altijd ook verliezers produceert, maar dat betekent aan de andere kant: de recessie raakt de succesrijken die de selectie op en door de markt hebben doorstaan en zich tegen hun concurrenten hebben doorgezet. Ergens, zo lijkt het, moet in de toegepaste successtrategieën van de markteconomische winstmakerij een verborgen fout zitten.

Voor een dergelijke tegenstrijdigheid hebben de beheerders, hoofdrolspelers en profiteurs van dit economische systeem uiteraard geen belangstelling; de beheerde en geëxploiteerde inzittenden evenmin. En voor het onderzoek naar de systeeminherente reden voor de regelmatige ontsporing van het marktgebeuren hebben ze ook geen tijd. Ze vinden het veel belangrijker dat de crisis snel voorbij is en de volgende boom weer begint. Vandaar dat de experts zich toeleggen op het opnoemen van de economische condities waarvan de verbetering de algemene winstmakerij weer op gang zou brengen; zakenwereld en economische politiek eisen nadrukkelijk nieuwe successen. Daarbij staan voorstellen over de “stimulering van de vraag” –  wanneer ze van de overheid “impulsen”, wellicht met schulden gefinancierde steunprogramma’s eisen – onder de verdenking uiteindelijk alleen maar nutteloze strovuren te willen ontsteken. En de bekende, echter nooit werkelijk serieus bedoelde eis van de vakbonden naar verbetering van de “koopkracht van de massa” via loonsverhoging is weliswaar systeemconform wanneer ze het levensonderhoud van de loonafhankelijke meerderheid als eigenlijke zin en economisch doel de functie toeschrijft het zakensucces van de zakenwereld te dienen; maar deze eis belandt onvermijdelijk op de mestvaalt van onbruikbare recepten omdat hij indruist tegen het algemeen geaccepteerde hoofdrecept ter overwinning van de crisis. Dat behelst veranderingen van bedrijfsinterne factoren: bescheidenheid ten opzichte van de lonen, ook in die vorm dat voor het betaalde loon langer dan afgesproken wordt gewerkt; royale inzet van kapitaal, geholpen door goedkopere kredieten, voor “rationaliseringen”, dus om door de inzet van de nieuwste productietechnieken en de besparing van personeel weer “in de zwarte cijfers te komen”. Dat zijn weliswaar juist de concurrentiemethoden die de door de recessie geraakte ondernemingen sowieso altijd toepassen en tot aan het begin van de crisis met succes hebben toegepast, maar dat juist die weer uit de recessie helpen, lijdt voor de deskundigen geen twijfel. Die kennen toch al geen andere markteconomische succeskoers: ondenkbaar dat het kapitaal juist daarmee steeds opnieuw grenzen stelt aan zijn groei.

Daarbij heeft men voor dit inzicht werkelijk geen occulte wetenschap nodig.

 

1.

De ondernemingen voeren hun concurrentiestrijd met de inzet van kapitaal overeenkomstig  het ongetwijfeld vaststaande ervaringsfeit dat meer geld meer winst belooft; en dat niet alleen in de banale zin dat meer omzet de hoeveelheid winst navenant laat groeien. Bedrijfsmanagers weten dat toereikend grote investeringen geschikt zijn om hun rendementen te verhogen: technische innovaties, nieuwe machines en methoden zijn – als alles in de markteconomie – te koop; naarmate de kostprijs van de te verkopende waar daardoor te verlagen is, stijgt bij gelijkblijvende marktprijs het winstpercentage, en in de concurrentie met andere aanbieders groeit de macht van de onderneming om via verlaging van de marktprijs, dus afziend van winststijging per stuk, marktaandelen te veroveren en navenant meer winst te behalen. Daarbij weet elke ondernemingsleiding waarvoor ze aanzienlijk veel geld nodig heeft en investeren moet om de stukkosten van haar waren permanent en op concurrentiebeslissende wijze te verlagen en de productiviteit van het ingezette kapitaal in vergelijking met andere concurrenten duurzaam te verhogen: het productieproces moet technisch en organisatorisch geoptimaliseerd, de productiviteit van de aangewende arbeid verhoogd worden. Daardoor wordt betaalde arbeid op den duur ontbeerlijk; de loonstukkosten dalen. Als men er bovendien in slaagt de vernieuwde dure machinerie zonder extra arbeidskosten ten volle te benutten zodat de investering snel amortiseert, dan is het succes compleet.

Dit succes duurt echter slechts zolang voort tot de concurrentie het voorbeeld heeft gevolgd, de kostenvoordelen van de succesrijke onderneming ongedaan heeft gemaakt en voor een nieuw algemeen prijsniveau heeft gezorgd, waardoor van de extra winsten uit de eerste fase niets overblijft – een effect dat alle betrokkenen incalculeren; vandaar dat de desbetreffende concurrentiepogingen ook nooit ophouden. Wat dan blijft is aan de ene kant de verlaging van de arbeidskosten per verkoopbare waar, aan de andere kant de verlaging van haar verkoopprijs – en aan de derde kant de verhoogde inzet van kapitaal voor arbeidsplaatsen die voor de “output” van prijsverlaagde waren zorgen. De stijging van het rendement wordt zo weer teniet gedaan, door de verschuiving in de verhouding tussen voorschot en permanent haalbare winst zelfs in het tegendeel verkeerd; de verhoging van de productiviteit van de arbeid ten behoeve van hogere rendementen en versnelde groei werkt het beoogde effect tegelijkertijd tegen.

De directe oorzaak voor dit paradoxale resultaat is dus de markt – namelijk de concurrentie om de koopkracht die door de pogingen tot het goedkoper maken van de productie en de producten geenszins wordt verhoogd. Ten eerste vermindert de “arbeid besparende vooruitgang” met het aantal loonarbeiders – via rationalisering in de succesrijke, via bedrijfssluiting in de inferieure ondernemingen – en met de druk op de lonen door de tendentieel groeiende werkloosheid ook het inkomen waarover de klandizie beschikt. Ten tweede verdwijnt met de failliete concurrenten ook hun koopkracht van de markt voor kapitaalgoederen; en zelfs als ze overleven, maken de algemeen hogere standaards voor de productie vele voorhanden capaciteiten onbruikbaar voor een concurrentiebestendige winstproductie, dus waardeloos en vernietigen daarmee het geldvermogen dat in deze productiecapaciteiten geïnvesteerd werd en nu niet meer terugstroomt uit succesvolle verkopen. Wat de avant-garde van de kapitalistische vooruitgang ten minste in het begin bovenop haar gebruikelijke groeipercentages verdient, dus aan extra koopkracht accumuleert, dat zoekt en vindt zijn weg naar beleggingssferen waar nog bovenproportioneel wordt verdiend en draagt daar bij tot het verlagen van het winst- en groeipercentage naar het markteconomische normaal niveau. In totaal hebben de winstverhogende investeringen in ieder geval een negatief effect op de marktcondities waaronder de winst gerealiseerd moet worden. En daarin doet de zo graag geïgnoreerde markteconomische systeemnoodzakelijkheid zich gelden, dat over de verdeling van de geldvormige rijkdom, die het kapitaal laat produceren, reeds met de wijze van zijn productie beslist is. De markt zelf confronteert haar spelers met de economische waarheid over hun productiewijze en over de bron van de winst waar alles om draait.

Want het is zo: de verhoging van hun winstvoet bewerkstelligen de ondernemingen door besparingen op de kostenfactor arbeid; hoofdzakelijk en duurzaam daardoor dat ze geen kosten schuwen om de arbeid, die ze nodig hebben, als productiefactor winstgevender te maken, zodat ze minder loon moeten betalen in verhouding tot de beoogde opbrengst. Voor de ondernemingscalculatie zijn arbeid als kosten- en arbeid als productiefactor dus volstrekt commensurabele grootheden; dat is ook niet verwonderlijk: het product dat ze van de betaalde arbeid willen krijgen, is immers de in geld gemeten opbrengst, en wel meer dan de arbeid kost. Om dit rendement te verhogen maken ze de arbeid technisch, dus in die zin productiever dat elke hoeveelheid betaalde arbeid meer verkoopbare producten oplevert – om dan toch niet navenant meer geld op te strijken, maar om de concurrenten door prijsverlagingen te onderbieden, en om uiteindelijk, wanneer een nieuw lager prijsniveau zich gestabiliseerd heeft, te ondervinden dat uit de vergrote hoeveelheid producten per kwantum arbeid helemaal geen navenant verhoogde geldopbrengst resulteert. Ten slotte hebben ze dus met hun “rationaliseringen” niet alleen de kostenfactor arbeid verminderd, maar daarmee tegelijkertijd de bron van de warenwaarde verkleind die via de verkoop van de waren gerealiseerd moet worden. De ondernemingen ageren volgens het beginsel dat de eigenlijke bron van hun winst hun kapitaal is en dat ze met hun investeringen zijn productiviteit, zijn effectiviteit als bron van winst vergroten; alle ingezette technische en organisatorische hulpmiddelen zijn immers ook hun eigendom, bestanddelen van hun kapitaal. Daadwerkelijk kortwieken ze daarmee echter de productiekracht van de arbeid; en uit het resultaat blijkt dat de productiviteit van hun eigendom op de tegenstrijdige aanwending van arbeid als kosten- en productiefactor berust waarvoor de wetenschap van de politieke economie van het kapitaal het begrip uitbuiting gebruikt. 28)

2.

Dat alles functioneert op basis van de samenwerking tussen “reële economie” en financiële sector, dus op krediet; en uitsluitend daardoor verloopt de inherente tegenstrijdigheid van de kapitalistische succesmethode in de vorm van een zogeheten “conjunctuurcyclus”. Bij hun banken en op de kapitaalmarkt voorzien de bedrijven uit de “waren en diensten” producerende branches zich van financiële middelen die ze voor investeringen in hun concurrentievermogen en een veelbelovende groei nodig hebben; hier komen ze kredietgevers en investeerders tegen die toch al ervan uitgaan dat geld uit geld en commerciële intelligentie ontstaat, en dat de vruchtbaarheid van deze bron van geld een kwestie van hoeveelheid is. Het krediet wakkert dus de concurrentie om winst aan. En vooral: het krediet helpt bij het overwinnen van het paradoxale effect dat de ondernemingen steeds opnieuw tot stand brengen, namelijk dat tegenover een groeiende inzet van kapitaal een tendentieel dalend rendement staat: vanuit hun onwrikbare overtuiging dat een kapitaalvoorschot alleen maar toereikend groot moet zijn om absoluut en relatief hogere winsten op te leveren, verleggen kredietnemers en kredietgevers, ondernemingen en kapitaalbeleggers de zelf geproduceerde grenzen van hun op versnelling geprogrammeerde kapitaalgroei steeds verder en verder. Met de schulden groeien weliswaar de aanspraken op de rentabiliteit van de ondernemingen: kredietgevers willen met rente, speculanten met goede performances en groeiende shareholder values bevredigd worden; maar vooral verkrijgen de ondernemingen door de beschikking over vreemd geld de potentie om hun rendementen te verhogen en elke dramatische winstdaling door investeringen in een ooit weer betere toekomst te verdoezelen.

De tegenstelling tussen doel en resultaat van dit streven naar onbeperkt toenemende groei wordt dus door de prestaties van het financierskapitaal op een behoorlijk tegenstrijdige manier “overwonnen” – tegelijkertijd gerelativeerd en toegespitst. De bruikbaarheid van de ondernemingen voor hun kapitalistische doelstelling wordt niet direct op de markt bepaald, door de behaalde of niet behaalde rendementen, maar door het oordeel van de financiële sector over hun kredietwaardigheid resp. door de handel in de door hen geëmitteerde financiële titels en de gebruikmaking ervan als stof voor de accumulatie van speculatief geldkapitaal. Negatieve beoordelingen over enkele bedrijven evenals positieve beslissingen over vele andere ondernemingen maken daar deel uit van het alledaagse zakendoen; successen en nederlagen in de concurrentie om winst worden op de beurs niet zozeer vastgesteld, als wel beschikt. Een onderneming waarvan de winstverwachting geen vertrouwen meer wekt bij huisbanken en geldbeleggers is overbodig en wordt failliet verklaard. In de regel gaan de financiële instellingen er echter van uit dat succes in de concurrentie een kwestie van juist aangewende en vooral toereikend grote hoeveelheden kapitaal is en de winstvermeerdering eigenlijk onbeperkt kan doorgaan of zou kunnen doorgaan. Wanneer de markt begint te krimpen, zijn in eerste instantie krachtige investeringen het passende antwoord. Het consequente resultaat is de groei van schuldvorderingen en vermogentitels, tot te eniger tijd – in de geschiedenis van de kapitalistische productiewijze met zo’n regelmaat dat de “conjunctuurcyclus” deel uitmaakt van haar repertoire – de financiële sector zijn eigen speculatie niet meer vertrouwt. Hij weigert niet alleen het verdere verstrekken van krediet aan het gewone percentage aan verliezers, maar wantrouwt het eigen uitgebreid en succesvol gerealiseerde standpunt dat de hoeveelheid verstrekte kredieten en die van het speculatieve “fictieve”kapitaal een goede basis zouden zijn en de garantie zouden bieden voor de verdere groei met het speculatief geanticipeerde percentage en de verwachte snelheid. Banken beperken hun kredietverstrekking; de hoofdrolspelers op de kapitaalmarkten zijn terughoudend bij het verhandelen van investeringen en reduceren hun vraag naar kapitaalgoederen; de handel in kapitaal stagneert. Dat vermindert de waarde van de circulerende en van de in de portefeuilles geaccumuleerde waardepapieren; de kapitaaleigenschap van de als waren verhandelde en als financiële vermogens fungerende schulden komt in gevaar. Bij de ineenstorting van de speculatieve interesse komt het verlies aan financiële macht; wederom met negatieve gevolgen voor de kredietverstrekking en de handel in waardepapieren.

En daarmee begint ook voor die ondernemingen die het materiële reproductieproces van de maatschappij tot hun bron van winst hebben gemaakt de “recessie”. Doordat kredietgevers en kapitaalbeleggers niet meer, in ieder geval niet meer zo omvangrijk als iedereen verwacht, in de toekomst van de winstvermeerdering met “waren en diensten” investeren, leggen ze bloot wat ze ook in deze sector tot stand hebben gebracht: een gigantische hoeveelheid kapitaal die niet langer door voldoende lucratieve zaken als acceptabel kredietrisico of interessante investering te rechtvaardigen is. Een tot nu toe rijkelijk gefinancierde en navenant sterke groei verklaart de speculantenbranche tot overaccumulatie, tot veel te veel kapitaal: simpelweg door het vertrouwen in haar eigen financiële producten op te zeggen en daarmee ook aan alle andere branches de benodigde financiële middelen te onttrekken. De zakenwereld heeft behoorlijk lang met haar kredietmacht de consequentie uit de tegenstrijdigheid van het streven naar stijgenden winsten uit de uitbuiting van arbeid uitgesteld, heeft de “tendentiële daling van de winstvoet” afgewenteld op verliezers in de concurrentie door hen geen krediet meer te geven, en heeft in verwachting van verder opbloeiende zaken schulden als kapitaal geïnvesteerd en geaccumuleerd. In de crisis degradeert dezelfde zakenwereld door het weigeren en afschrijven van kredieten en de ontwaarding van haar “fictief”geldkapitaal de nog tot gisteren geboekte winsten tot de status van een fictie, die uitsluitend dankzij de daadkrachtige macht van het kredietkapitaal werkelijkheid was. Ze “bekent” dat ze te veel krediet in omloop heeft gebracht en daardoor te veel kapitaal in stand heeft gehouden, en zet flink het mes in beide, krediet en kapitaal – “min-groei”, noemt de markteconomische deskundigheid dat. Als bijeffect van de vernietiging van vermogens worden bronnen van materiële rijkdom gesloopt, gebruiksgoederen verrotten, en de niet meer benodigde loonafhankelijke massa van de maatschappij maakt kennis met een portie verpaupering – dat alles echter voor een goed doel. Want volgens de absurde logica van dit systeem is de crisis niet alleen de ontmaskering van de systeeminherente tegenstelling tussen de kapitaalaccumulatie en de absolute ontwikkeling van de productiekrachten als haar middel, maar ze is tevens de panacee, de tijdelijke oplossing van deze tegenstrijdigheid: wanneer op een gegeven ogenblik voldoende kapitaal te gronde is gegaan, dan is weliswaar de aangerichte schade aan het mensenmateriaal van het systeem niet meer goed te maken, maar voor het zakenleven zijn de succesvoorwaarden op gereduceerd niveau weer aanwezig. 30) Concurrentie en speculatie kunnen weer beginnen.

3.

Wanneer en waardoor, in welke fase van de kapitaalaccumulatie en om welke reden de kredietbranche aan haar eigen prestaties en producten zo diep twijfelt dat daaruit een alles omvattende, wellicht globale terugslag van het totale zakenleven ontstaat: dat is, bij alle regelmaat, in elke “cyclus” anders en toont zich als een dermate bijzondere samenloop van omstandigheden dat de getroffene verantwoordelijken en de bezorgde uitleggers van het gebeuren met al hun markteconomische levenswijsheid telkens weer de recessie als toevallig en achteraf gezien als vermijdbaar beschouwen. Helemaal niet willekeurig, maar behoorlijk stereotiep verloopt dan de crisis als ze op gang is gekomen. Voor beide, de meningen en het verloop, is de momentele crisis een voorbeeld.

Het bijzondere aan de crisis die tegenwoordig het mondiale kapitalisme raakt, is – zoals altijd – het uitgangspunt. De handel in “Asset Backed Securities” – een soort van obligaties ter herfinanciering van door speciaal opgerichte ondernemingen (“special purpose vehicle”: SPV) gekocht “fictief” kapitaal uit specifieke kredieten, meestal zulke met groot risico, en uit daaruit vervaardigde nieuwe risicopapieren – stagneert omdat de basis daarvan, de kredieten aan arme Amerikaanse huizenbezitters daadwerkelijk in grote aantallen slecht blijken te zijn, de speculatie op continu stijgende vastgoedprijzen mislukt en de solvabiliteit van de obligaties-emittenten twijfelachtig lijkt. Zoiets bestond om een simpele reden voordien nog nooit: deze bijzondere stof voor speculatieve zaken werd pas rond 2002 uitgevonden en tot massaproduct op de derivatenmarkt gemaakt. Zonder voorbeeld is ook de omstandigheid dat de financiële branche gedurende anderhalf jaar alleen maar bij stukjes en beetjes liet blijken dat het merendeel van haar speculaties met derivaten tamelijk onsolide was: een markt voor “afgeleide” waardepapieren van zo’n reusachtige omvang en dermate ingewikkelde vervlechtingen en impliciete verplichtingen is er immers ook nog niet zo lang; wat nu stuk voor stuk “ontvlochten” wordt en teloor gaat, is een verworvenheid van de nieuwe kapitalistische eeuw. Gelet op deze bijzonderheden staat voor de markteconomische deskundigheid achteraf vast, dat het met dit soort kapitaalgroei op den duur sowieso slecht moest aflopen, maar dat de crisis beslist vermijdbaar geweest zou zijn als de financiële branche zich beperkt zou hebben tot haar sociale opdracht, alles juist gedaan en de grenzen van haar zelfverrijking gerespecteerd zou hebben. Dat die onmiskenbaar overschreden werden, bewijzen de gigantische cijfers uit de wereld van de haute finance waarop tot dan toe enkel kritiek werd geleverd die met het voorvoegsel “turbo” begint – tot welke bedragen de door de banken opgehoopte vermogens hooguit nog als solide hadden mogen gelden, dat heeft natuurlijk geen expert gedurfd te becijferen. Een soort van maat waartegen de financiële industrie in haar mateloosheid zou hebben gezondigd, weten hooguit linkse crisistheoretici te noemen: ze wijzen op de absurde wanverhouding tussen de door speculanten verhandelde volumes en de beperkte hoeveelheid winst die in de “reële economie” door waardescheppende arbeid geproduceerd wordt. Voorlichting over de kwestie hoe deze branche een zodanig drukke handel in en een dermate grote accumulatie van vermogenstitels op basis van schulden teweegbrengt dat de omvang ervan de gehele globale warenomzet ver overstijgt, is uit deze hoek echter niet te krijgen, evenmin als over de macht die dit “fictieve” kapitaal over de rest van de markteconomie uitoefent; en er wordt ook geen steekhoudend antwoord gegeven op de vraag hoe en waar bij de ineenstorting van de derivatenhandel de beperkte hoeveelheid winst – of, waarop men ook soms zinspeelt, de zelfgeproduceerde grens van de winstvermeerdering die zich toont als “tendentiële daling van de winstvoet” – van invloed was. 31)

 Blijkbaar is het zo dat de financiële branche sinds circa 2 jaar over steeds grotere delen van het door haar gecreëerde en speculatief gebruikte geldkapitaal het oordeel uitspreekt: te heikel, voor het speculatieve interesse teveel, daarom tot nader order zonder waarde. De branche zelf bekent een reusachtige overaccumulatie van financiën en laat er geen twijfel over bestaan welke maatstaf zij daarbij hanteert: de vraag neemt af en brengt een deelmarkt na de andere tot stilstand omdat de scheppers van deze markten en de daar verhandelde producten elkaar wantrouwen, dus niet langer in staat achten de kapitaal- “kwaliteit” van hun producten te waarborgen. De volgorde van de adequate conclusies is voor de speculerende gemeente volkomen logisch: uit liquiditeitsproblemen die eerst bij de SPV’s optreden waar de banken hun nieuwe zaken met “Asset Backed Securities” hebben ondergebracht, concluderen de financiële managers de onbetrouwbaarheid van deze gehele deelsector. Daarbij gebruiken ze dezelfde parameters die ze voorheen bij de creatie van dergelijke “vehicles” en desbetreffende producten en het verhandelen ervan gehanteerd hebben: de verhouding tussen risico en rendement. Logischerwijze is iets marginaals voldoende – een paar verontrustende meldingen over “subprime”-hypotheken aan naïeve privé-klanten, de basis van dit soort innovaties –  om een positieve inschatting te laten omslaan naar voorzichtigheid en terughoudendheid; de herfinancieringsproblemen waarin de “ABS”-emittenten daardoor geraken, bevestigen en bekrachtigen de beslissing om zich terug te trekken. De gevolgen zijn zo dat de momentele crisis qua omvang met elke kapitalistische recessie verschilt: de krediet- en derivatenhandelaren herzien hun beoordelingen over de zekerheid van bepaalde waardepapieren als kapitaalbelegging; ze reduceren hun activiteiten en leggen de handel in uiteenlopende producten gedeeltelijk stil; de niet-erkenning van deze waar als kapitaal maakt ze waardeloos, vermindert in ieder geval haar waarde en daarmee de macht van de geëngageerde financiële instelling om als emittent en garant van kapitaal op basis van schulden op te treden: ze bezorgen elkaar liquiditeitsproblemen. Daarmee dwingen ze elkaar tot noodverkopen van hun waardepapieren waardoor hun waarde verder daalt of zelfs kapot gaat. In deze destructieve cirkel is de gehele overige economie geïnvolveerd: de financiële sector verliest ook de bereidheid en het vermogen om op de toekomstige accumulatie van kapitaal op het gebied van warenproductie en -handel te speculeren en daarvoor zo omvangrijk krediet en “fictief” kapitaal in te zetten als de ondernemingen uit deze branches nodig hebben voor de voortgang en de onmisbare verscherping van hun concurrentie om winst. De aangelegenheid verloopt dus niet zo dat het financierskapitaal met zijn aanspraken vanwege het beperkte prestatievermogen van de kapitalistische uitbuiting of vanwege de “tendentiële daling van de winstvoet” zou falen, juist omgekeerd: de representanten van het “fictieve” geldkapitaal vellen over nagenoeg het totale reproductieproces van de maatschappij het oordeel: als kapitaalbelegging niet lonend; wat daar kapitalistisch bezig is, is al lang onbruikbaar, dus teveel en moet worden stilgelegd. Het accumulatieproces van het “reproductieve” kapitaal wordt daardoor – tijdelijk – tot stilstand gebracht dat de financiële kapitalisten zich de financiering van zijn voortgang niet meer willen en kunnen veroorloven; zo beoordelen ze het bereikte zakenvolume als te omvangrijk – en bevrijden de kapitalistische zakenwereld van de last van deze overmaat zodat ze op een “afgeslankte” basis weer doorstarten kan.

Zoals elke crisis, zo kent ook de momentele enkele bijzonderheden. Extravagant zijn dit keer soort en omvang van de verwoestingen in de financiële sector – een consequentie uit zowel de omvang die deze sector heeft aangenomen alsook uit zijn soort zakendoen. Buitengewoon zijn de diepte en de mondiale reikwijdte van de recessie die productie en handel dramatisch doen inzakken – een gevolg van de perfectie die het ondergeschikt maken van alle andere branches aan de accumulatiebelangen en -technieken van de financiële branche heeft bereikt. Een extra hoofdstuk zijn tot slot de interventies van de staten in het crisisgebeuren: hun omvang, hun tegenstrijdigheden en, die vooral, hun imperialistische doelstellingen.

*

28)

In de woorden van deze wetenschap: “De winstvoet daalt niet omdat de arbeid onproductiever, maar omdat hij productiever wordt. Beide, het stijgen van de meerwaardevoet en het dalen van de winstvoet, zijn slechts bijzondere vormen waarin de groeiende productiviteit van de arbeid zich kapitalistisch uitdrukt.” In hun poging om permanent stijgende winst uit de uitbuiting van betaalde arbeid te behalen, brengen de kapitalistische ondernemingen de “tegenstrijdigheid” in de praktijk “…dat de kapitalistische productiewijze een tendens naar absolute ontwikkeling van de productiekrachten behelst, afgezien van de waarde en de daarin ingesloten meerwaarde, ook afgezien van de maatschappelijke verhoudingen waarbinnen de kapitalistische productie plaatsvindt; terwijl ze anderzijds het behoud van de bestaande kapitaalwaarde en haar zo groot mogelijke vermeerdering (dwz. steeds versnelde groei van deze waarde) tot doel heeft.” “Het middel – de absolute ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten – raakt voortdurend in conflict met het beperkte doel, de vermeerdering van het voorhanden kapitaal.” (Marx in deel 3 van “Het kapitaal”, MEW 25, pagina’s 250, 259, 260)

De markteconomische deskundigheid interesseert zich ook in de crisis vooral voor fouten – ten opzichte van het productpalet, van de marketing, van de prijsvorming, van het omgaan met het personeel… – die de het zwaarst getroffen ondernemingen zouden hebben gemaakt. Voor zover de experts het algemene effect van de concurrentie om maximale uitbuiting van betaalde arbeid ter kennis nemen, duiden ze de crisis als een probleem van de juiste maat waartegen in de ijver van de concurrentie, die op zich een zegen is, “ergens” werd gezondigd: alles had goed kunnen gaan als managers niet overdreven hadden en overcapaciteiten opgehoopt. Marx beweert over de concurrentie en haar effecten iets anders; en omdat wij dat als correct en belangrijk beschouwen, willen wij het nog eens benadrukken: overaccumulatie is geen kwestie van de veronachtzaamde juiste maat, maar een tegenstrijdigheid van de kapitalistische accumulatie zelf, namelijk dat de methoden ter verhoging van de groei van kapitaal deze groei tegelijkertijd remmen. Deze tegenstrijdigheid verloopt – dankzij de zegenrijke effecten van het “loanable capital”, zoals zal blijken – in de vorm van opleving en recessie.

29)

Om het bedoelde aan de hand van de – momenteel ja bijzonder geraakte – auto-industrie te veraanschouwelijken: uit het vergelijk van de technisch mogelijke “output” van de autofabrieken wereldwijd met de gemiddelde verkoopcijfers berekenen experts reeds sinds jaren aanzienlijke “overcapaciteiten” in de branche. Dat betekent echter in eerste instantie (jarenlang!) alleen maar dat de ondernemingen altijd rijkelijk over geproduceerde waren beschikken die ze bij elke passende gelegenheid in concurrentiemanoeuvres als speciale prijsacties kunnen inzetten of zelfs af en toe met verlies van de hand doen om marktposities te handhaven of te veroveren – de verandering van geproduceerd warenkapitaal, de “realisering” van zijn waarde is nu eenmaal een cocurrentieaangelegenheid. Daaruit wordt een afzetcrisis als de financiële sector – en daarbij kan zeer wel ook de financiële afdeling van het autoconcern zelf horen – een praktische kritiek levert op de gang van zaken van de onderneming door zich terug te trekken uit de verdere financiering. Daardoor worden verkoopbare waren onverkoopbaar: een warenvoorraad die niet langer kapitaalwaarde – Marx noemt het W’ – representeert, maar de voor de productie gebruikte en nu niet meer verlengde, maar ingevorderde schulden van de onderneming. Voor het aflossen wordt liquiditeit benodigd. In zo’n situatie zijn noodverkopen noodzakelijk die, zelfs als ze iets opleveren, alleen maar documenteren dat zonder krediet ook de producten van de onderneming ophouden kapitaal te zijn. Hun warenwaarde krijgen ze uitsluitend en pas dan terug wanneer een investeerder bereid en in staat is om het bedrijf van een nieuwe financiële basis te voorzien, dus krediet te verstrekken; zo niet, dan is het gebeurd met de “gematerialiseerde waarde” en de onderneming gaat failliet. Tot een werkelijke crisis – van de branche of van het totale kapitalistische reproductieproces – wordt de kritiek van het financierskapitaal op zijn beleggingen naarmate dat de kredietgevers en investeerders niet alleen de ene of andere onderneming wantrouwen, maar het vertrouwen in hun eigen zaken en hun dagelijks uitgevoerde financiële kunsten verliezen. Dan worden ook de berekende overcapaciteiten van de autobranche heel anders beoordeeld.

30)

De vernietiging van rijkdom in de recessie is voor het duurzame functioneren van het markteconomische systeem niet alleen steeds opnieuw noodzakelijk, maar nuttig. Marx kenmerkt ze zelfs als middel: “De periodieke ontwaarding van het voorhanden kapitaal, die een aan de kapitalistische productiewijze immanent middel is om de daling van de winstvoet te remmen en de accumulatie van kapitaalwaarde door vorming van nieuw kapitaal te versnellen, stoort de gegeven verhoudingen waarbinnen het circulatie- en reproductieproces van het kapitaal zich afspeelt en gaat daarom gepaard met plotselinge stagnaties en crisissen van het productieproces.” (l.c. pagina 259) Crisissen zijn af en toe nodig om het kapitaal van de contraproductieve gevolgen van zijn accumulatie te bevrijden en door alles omvattende verpaupering de bruikbaarheid van het maatschappelijke levensproces als zakelijke basis voor behoorlijke winstmakerij te herstellen.

31)

In sommige pogingen tot uitleg staan de Amerikaanse huizenbezitters – wier insolvabiliteit twee jaar geleden mede aanleiding was voor de crisis – plaatsvervangend voor de “reële economie” resp. voor de “grenzen van de markt” die haar accumulatie in de weg zouden hebben gestaan. Deze interpretatie past echter eerder bij de verkeerde vraag naar een juiste maat van de kredietverstrekking, waartegen men op de huizenmarkt zou hebben gezondigd – waarom en wie dan ook, en bij het antwoord dat burgerlijke theoretici op de schuldvraag geven waarin ze het “maatprobleem” graag veranderen: “Amerika” zou “boven zijn stand” hebben geleefd. Deze interpretatie past in ieder geval niet bij de samenhang waar het om draait in de kritiek op de politieke economie van dit systeem, namelijk om de samenhang tussen de reden voor de tegenstelling tussen productie en realisering van de warenwaarde: de tegenstelling binnen de technieken van de kapitaalaccumulatie door rendabele arbeid, en de verhouding tussen financierskapitaal en “reproductieve” kapitalisten die in de crisis zo onverzoenlijk tegenover elkaar staan.

Een uitvoerige kritiek op de “linkse” crisistheorieën in: Gegenstandpunkt 1-09

*

Er volgt nog het hoofdstuk:

III. De staat en zijn verhouding tot de financiële sector

© 2009 Gegenstandpunkt Verlag, München