ARBEID en RIJKDOM V

Opmerkingen over de kapitalistische verhouding tussen

ARBEID en RIJKDOM

V.

De ondernemers concurreren wereldwijd om winst. Zij kopen in het buitenland alle soorten handelsartikelen als ze voor hun calculatie bevorderlijk zijn; zij verkopen hun producten en gebruiken voor hun omzet buitenlandse koopkracht. Door de internationalisering van de handel hangt de rentabiliteit van een bedrijf ervan af of zijn producten de vergelijking met waren uit alle landen en op alle markten kunnen doorstaan. De maatstaf voor de rentabiliteit die van de arbeid geëist wordt, is het internationale aanbod aan goedkope waren; daaraan lezen de kapitalisten dagelijks af wat een arbeidskracht ten opzichte van kosten en productiviteit te presteren heeft om de loonstukkosten die ze veroorzaakt te rechtvaardigen. Als ondernemingen over de vrijheid beschikken om naar eigen goeddunken in de gehele wereld investeringen te doen, onderwerpen zij hun loonarbeiders uitdrukkelijk – hierbij volstrekt zonder vooroordelen tegenover “buitenlanders” – aan deze globale concurrentie om de prijs van de arbeid. Of en in welke mate hun werk noodzakelijk is, wordt bepaald aan de hand van een universele vergelijking waaraan de heren over de arbeid hun loonarbeiders blootstellen.

De vrijheid om grensoverschrijdend zaken te doen genieten de kapitalisten dankzij de overeenkomst tussen nationale staten die de territorialiteit van het zakendoen als beperking beschouwen. Het economische bestaan van staten die hun samenleving verplichten het kapitaal te vermeerderen, is immers erop gebaseerd dat zij zich hun financiële middelen uit de omzetten en inkomsten van hun burgers verschaffen. Hun belang aan zoveel mogelijk werk binnen de landsgrenzen correspondeert met de behoefte van zakenlieden om productie en handel door gebruikmaking van buitenlandse rijkdom uit te breiden.

De internationalisering van zijn bronnen maakt de rijkdom van de naties, hun geld, tot voorwerp van hun concurrentie. Ten behoeve van de buitenlandse handel besluiten de staten de convertibiliteit van hun nationale valuta’s die daarmee in principe de kwaliteit van wereldgeld krijgen; aan de andere kant relativeren zij de gelijkstelling van hun lokale geldsoorten met universeel geld. Uit de wisselkoersen en uit hun balansen lezen zij af hoeveel wereldgeld de concurrentie van de kapitalisten hen, de staten, heeft opgeleverd; en in de permanente bezorgdheid over de stabiliteit van het nationale geld – die zij volgens alle criteria voor kapitalistische bruikbaarheid definiëren – vatten zij het succes samen dat zij tegen de anderen willen veilig stellen.

Het patriottisme van het geld is ten eerste het kapitalistische staatsprogramma en staat daarom altijd op de agenda. Ten tweede maakt het af en toe veel ophef over zichzelf, namelijk als de calculaties en prestaties van de kapitalisten niet (meer) de resultaten opleveren die de staat verwacht en waarvoor hij hun zakendoen bevordert. Dan completeert de nationale leiding het uitgebreide toezicht over het mondiale markteconomische zakenleven met extra ingrepen, het vestigingsbeleid (Standortpolitiek). Deze maatregelen gelden als nationale reactie op de “globalisering” en beogen het land in zijn hoedanigheid als vestigingsplaats (weer) attractief te maken.

Dat heeft uitwerkingen op de arbeid, en geen goede, omdat het uitdrukkelijk om deze – vanzelfsprekend als rendabele – gaat. De sterke wil tot “verandering” richt zich weliswaar onverholen tegen het buitenland, maar hij houdt zich bezig met de binnenlandse “sociale verhoudingen”. Als politici met hun vestigingsbeleid het welzijn van hun volk bevorderen, accepteren zij namelijk het oordeel dat de internationale zakenwereld over hun arbeidsvolk heeft geveld. De loonafhankelijken moeten wat prijs en prestatie betreft aan de globale maatstaf voldoen – en dankzij zijn macht over het nationale loonniveau beschikt de sociale rechtsstaat over het middel om deze voorwaarde teweeg te brengen. Hij onderwerpt de werkende klasse aan het globale rentabiliteitsgebod daar de rijkdom van de natie nu eenmaal op rendabele arbeid berust.

Als staatsburgers zijn de getroffenen opgeroepen het nationale vestigingsbeleid niet alleen maar te aanvaarden en offers te brengen: de offensieve dreiging tegen de rest van de wereld dienen zij zich ook nog eigen te maken.

1.

a) De mensen met het productieve eigendom die in tegenstelling tot de minder welgestelde rest van de samenleving de werkgeversrol innemen, behandelen hun loonafhankelijke productiefactor – zeer zakelijk, zonder extra kwade bedoelingen – al miserabel genoeg. Voor een loon dat net de noodzakelijke reproductiekosten van de benodigde arbeidskracht dekt, eigenen zij zich haar productiekracht toe. Voor hun concurrentiestrijd om marktaandelen verlagen zij de loonstukkosten, organiseren dus voor minder loon meer geld opleverende prestaties. De investeringen die zij aan dergelijke “technische vooruitgangen” besteden, moet de niet bespaarde arbeid ook nog in aanzienlijke proportie rendabel maken; anders wordt er helemaal niet meer gewerkt. Van de winsten die de arbeid teweegbrengt, profiteren bovendien talrijke financierskapitalisten die zowel met hun warenproducerende collega’s alsook onderling uitgebreid zaken doen ter wederzijdse zelfverrijking, alsof de enige bron van de rijkdom, dus van hun eigendom, geen enkele rol van betekenis zou spelen. Maar uiteraard moet de loonarbeid ook daarvoor instaan – en wel succesvol en tot volle tevredenheid van de kredietbranche – om ook voortaan zijn aanwending en betaling te rechtvaardigen. Vele loonarbeiders worden daarbij overbodig, hun werkende collega’s in verhouding tot de rijkdom die uit hen wordt gehaald eveneens steeds armer. En als de gehele zakenwereld daarbij in een crisis geraakt is, dan saneert ze zich natuurlijk ten koste van haar zo verachtelijk behandelde bron.

Behoorlijk armzalig dus, het bestaan als “factor arbeid” dat de “arbeidsmaatschappij” de meerderheid van haar leden oplegt – maar toch! Als zou dat helemaal niets voorstellen wat het kapitaal tijdens zijn gewone gang van zaken door alle bijbehorende conjuncturen heen met zijn loonafhankelijk personeel uithaalt; als zou het de aan hun werkgevers overgeleverde massa’s nog veel te goed gaan; als zouden zij door hun extensieve welvaart de markteconomische samenleving voortdurend in gevaar brengen: juist zo bemoeit zich ook nog de democratische staatsmacht, de hoeder van het algemeen belang en een alzijds florerende maatschappelijke ontwikkeling, zeer nadrukkelijk met de loonkwestie: tegen het loon. Als zouden de loonafhankelijken de rijkdom die dan als eigendom van hun onafhankelijke werkgevers bestaat niet produceren, maar omgekeerd, indien de staatsmacht niet voldoende oplet, op kosten van de werkgevers leven en hun eigendom opmaken: juist zo kiest de neutrale instantie van de klassenmaatschappij partij tegen het interesse van loonarbeiders aan een redelijk inkomen. Tegen elk loonbestanddeel, tegen de exorbitante loonstukkosten in totaal en tegen het in totaal catastrofale gebrek aan exploiteerbare prestatiebereidheid van werknemers – in de paar jaren tussen opleiding en “VUT” – wordt van regeringszijde dermate hevig gepolemiseerd dat zelfs de meest ingrijpende bezuinigingsmaatregelen daarbij vergeleken een halfslachtige indruk maken. De polemiek van overheidswege tegen de “welvaartsmaatschappij” eindigt dus nooit en het beleid tegen de “overdreven levensstandaard” van het proletariaat gaat permanent door. Zodat een onvooringenomen waarnemer zich zou kunnen afvragen wat ook het staatsgezag eigenlijk daaraan stoort dat de loonarbeid een begin en een einde, een beperkt prestatievermogen en daarnaast ook nog een prijs heeft.

b) Het antwoord daarop wordt tegenwoordig onder de economische en politieke codenaam “globalisering” gegeven. Zij – “de globalisering van de markten” of ook “van de concurrentie” – verbiedt met de autoriteit van een natuurwet “op de oude weg door te gaan”, namelijk met de hoge loonkosten en vooral met het weelderige werkgeversaandeel waardoor de factor arbeid onbetaalbaar wordt – voor de kennersblik blijkt dat direct uit het grote aantal werklozen dat maar niet wil afnemen. Medische zorg en loondoorbetaling tot de zieke mensen weer functioneren; werklozenuitkering tot de weinige kansen op werk verkeken zijn; ouderdomspensioen boven het bijstandsniveau na gemiddeld 40 jaar loonarbeid: dat alles en nog meer “kan zo niet langer” sinds de kapitalisten wereldwijd met hun waren concurreren en bij hun investeringsbeslissingen “het zakenklimaat” in alle werelddelen en naties kritisch vergelijken en uitsluitend de beste gelegenheden benutten. Er wordt zelfs een toenemende onmacht van de nationale soevereinen verkondigd, hun ontmachting door de vrije calculaties van de ondernemers – enkel om zo onweerlegbaar mogelijk te beredeneren dat juist deze nationale soeverein de exploitatie en verarming van zijn loonafhankelijke massa onder geen beding alleen aan de calculerende werkgevers mag overlaten; dat hij veeleer, om het economische en sociaal-politieke initiatief terug te winnen, de concurrentiebehoeftes van de ondernemers aan een verlaagd levensonderhoud van de arbeidskrachten vooruitlopend moet vervullen – daarvoor is zijn macht blijkbaar nog groot genoeg. 21)

In hun poging de doelstellingen van de nationale loonpolitiek als reactie op onontkoombare objectieve wetmatigheden te rechtvaardigen, hechten de “globaliserings”-theoretici echter niet eens bijzonder veel waarde aan hun stelling over de machteloosheid van de enkele staten en de schijn van tegenstrijdigheid tussen beste sociaal-politieke bedoelingen en onoverwinnelijke ongunstige omstandigheden. Natuurlijk, sommigen willen ongetwijfeld de boodschap verkondigen dat de rest van de wereld hun eigenlijk buitengewoon arbeidersvriendelijke voornemens verijdelt – juist zo als zou de staat, die in zijn samenleving voor ordentelijke eigendoms- en loonarbeidsverhoudingen zorgt, ooit een goede en zekere verzorging van de werkende klasse beogen; als zou de staat zich ooit van voornemens die hij werkelijk vitaal acht door enigerlei omstandigheden laten afbrengen en tot een beleid dwingen dat in strijd is met zijn bestaansreden; en als zou de globale objectieve dwang van de kapitalistische concurrentievrijheid überhaupt van kracht zijn zonder dat de staat deze tot bestaansvoorwaarde van zijn samenleving maakt. Maar de meeste ontdekkers van de “geglobaliseerde” concurrentie van de kapitalisten en haar dwingende gevolgen voor het economische en sociaal-politieke beleid van de naties zien af van dergelijke huichelarij en laten er geen twijfel over bestaan, dat zij de als onvermijdelijk voorgestelde “aanpassingsdwang” helemaal niet beklagen, maar zonder enig voorbehoud billijken. Datgene wat volgens hun theorie de “globalisering” de regeringen opdringt, proclameren deze theoretici als het absoluut verstandigste politieke en economische beleid; wat de “globalisering” onmogelijk maakt, heeft toch nooit iets gedeugd. De bewering dat de staten tot nu toe, zonder de dwangmatigheden van de globale concurrentie, voor hun loonafhankelijke burgers een steeds comfortabeler bestaan zouden hebben georganiseerd, bekritiseerd onverbloemd een wangedrag van overheidswege dat al lang had moeten worden beëindigd en nu terecht niet langer zou kunnen worden voortgezet. Dus wat de naties thans onder dwang moeten uitvoeren, is niets anders dan het realiseren van het correct begrepen algemeen belang waartoe de overheid toch al verplicht is en wat zij eindelijk doortastender en vooral succesvoller dan tot dusverre kan doen.

Want dat het staatsgezag louter uit respect voor de vrije concurrentie alles gewoonweg zou moeten laten gebeuren of uit werkelijke onmacht de kapitalisten hun gang zou moeten laten gaan: dat is beslist niet de politieke boodschap van de “globaliserings”-ideologie. De dogmatische adhesiebetuiging aan de globale vrije concurrentie van de ondernemers behelst de politieke opdracht aan de regering de uitwerkingen van deze concurrentie op het bruto nationaal product te corrigeren – echter zonder vergrijp tegen de principes waarvan ze het gevolg zijn; veeleer dient de overheid met haar politieke macht de belangen van de concurrerende kapitalisten zo effectief door te zetten dat deze helemaal niet anders kunnen dan op de politieke maatregelen met succesvolle zaken te reageren. Het dogma van de geglobaliseerde concurrentie definieert het heil van de natie door een wereldeconomisch criterium, namelijk door de aantrekkingskracht die het land dankzij zijn “vestigingsklimaat” op de internationaal disponerende ondernemers uitoefent en eist van de machthebbers een vestigingsbeleid dat aan deze definitie voldoet. Daarmee moet de natie haar concurrentie tegen andere naties winnen: deze imperialistische imperatief doen de nieuwe staatshervormers gelden als zij tegen “het nationale” polemiseren dat in het tijdperk van de “globalisering” al lang obsoleet zou zijn. 22) Het “geglobaliseerde” marktgebeuren moet het strijdtoneel vormen waar de naties hun vuurproef moeten doorstaan; in die zin is het “ons aller lot”.

Voor deze imperialistische lotsbestemming kiezen de theoretici en practici van een modern vestigingsbeleid partij – en verkondigen zonder spijt, veeleer als vanzelfsprekende eis van de nationaal-economische logica de noodzaak om van staatswege tegen looneisen op te treden. Het feit dat de kapitalisten zelf al uit eigenbelang wereldwijd groeiende werklozenlegers creëren en het proletarische levensonderhoud steeds armzaliger laten uitvallen, dient als bewijs dat dat nog lang niet volstaat: omwille van zijn succes binnen de concurrentie om de attractiefste vestigingsplaatsen moet de staat de kapitalisten van de wereld in de strijd tegen het “goede leven” van zijn loonafhankelijke burgers evenaren en overtreffen – opdat de ondernemers zich bij hem beter thuis voelen dan elders.

Dat de levensbehoeftes van de maatschappelijke arbeidskracht onverenigbaar zijn met het succes van de natie is tegenwoordig het strijdprogramma van alle staten, zowel van de hoofdrolspelers van het imperialisme alsook van degenen die in het rijk van de markteconomische vrijheid eerst nog willen reüsseren. Dan zal het dus ongetwijfeld zo zijn dat het algemeen belang van de moderne nationaalstaat zijn eigen, politieke concurrentieredenen behelst om de factor arbeid slecht te behandelen.

Het zijn de volgende.

2.

a) De staat krijgt de noodzakelijke middelen van zijn macht uit de kapitalistische uitbuiting van de arbeid.

De staat leeft van het geld dat zijn burgers verdienen. De abstracte rijkdom die zij verwerven is het reservoir waar hij uit put. Daarmee staat hem voor al zijn behoeftes en noodzakelijke opgaven het benodigde en toereikende materiële middel ter beschikking: rijkdom in stoffelijke en tevens abstracte, universeel bruikbare vorm. De private en abstracte natuur van de als eigendom bestaande maatschappelijke rijkdom maakt zijn directe politieke bruikbaarheid uit.

En deze rijkdom vermeerdert zich als het ware vanzelf als het staatsgezag zijn burgers het private eigendom als bestaansvoorwaarde sine qua non, het geld verdienen als exclusief middel voor welk nut dan ook heeft opgelegd. Doordat de leden van de maatschappij zich daarnaar richten en in overeenstemming met hun respectievelijke middelen, dus als werkgevers of werknemers, het eigendom dienen, fungeren zij als maatschappelijke machinerie ter geldproductie en daarmee als automatische bron van zowel de kapitalistische alsook van de rijkdom van de staat. De kapitalistische natuur van de maatschappelijke productie en haar nut voor de politieke macht vallen samen.

De staat is dus de profiteur van zijn eigen prestatie die daaruit bestaat dat hij zijn burgers aan het eigendom onderwerpt en het geld tot “reële samenleving” maakt: tot automatisch functionerende commandomacht over de maatschappelijke arbeid en tot het eigenlijke product ervan. Door zijn burgers de vrijheid van het geld verdienen voor te schrijven, subsumeert hij hen onder een systeem dat hun bruikbaarheid voor zijn macht voortbrengt. Dat hij alles doet om dit systeem van kapitalistisch gecommandeerde loonarbeid en de groei van zijn opbrengsten te bevorderen, ligt voor de hand – en ook dat hij uitgebreid en onbeperkt de systeemconforme technieken bezigt om zich middelen te verschaffen.

b) De staat draagt toonaangevend en grootschalig bij aan de vermeerdering van aanspraken op de opbrengsten uit kapitalistisch aangewende arbeid, claims die zich in het kredietwezen accumuleren.

De staat financiert zich namelijk ook met geld dat hij tegen rente bij de zakenwereld leent. Dat lukt probleemloos daar hij zijn schuldeisers de best denkbare garantie biedt: als “bank der banken” crediteert hij met zijn allerhoogste autoriteit de schulden waarmee de kapitalisten al hun ondernemingen beginnen, garandeert de verandering van serieuze betalingsbeloftes in echte, namelijk wettige betaalmiddelen en staat op deze wijze ook voor zijn eigen obligaties in. Zo waarborgt hij de kredietschepping van het financierskapitaal, laat het aan zijn geldbehoefte verdienen en participeert in de zakensuccessen van de haute finance.

Bij deze manier van zelffinanciering door zelfgecreëerd en zelfgegarandeerd krediet gaat het staatsgezag ervan uit dat het niet enkel de hoeveelheid schuldbrieven vermeerdert die binnen de kredietbranche circuleren, maar dat het door voortdurende verbetering van het “zakenklimaat” ook meer kapitalistische groei initieert; zodat uit het krediet dat het aan de financierskapitalisten verstrekt en zelf opneemt werkelijke, als verdiend geld telbare abstracte rijkdom ontstaat. Van de kapitalistische ondernemingen eist de staat dat ze uit zijn schulden een concurrentiebestendige productie, dus zich vermeerderend kapitaal maken en in totaal een “economische groei” tot stand brengen. Hij stelt deze eis in de vorm van een zelfgecreëerde dwang: hij voorziet de particuliere geldbezitters van een groeiend aantal rentedragende papieren, van geldvorderingen op zijn schatkist die net als elk ander kredietpapier een aanspraak op te producerende, als privé-eigendom beschikbare rijkdom verlenen. Daarmee beschikt de staat samen met alle financiële speculanten van de natie vooraf over de opbrengsten uit de kapitalistische uitbuiting van de arbeid, nog voordat de arbeid in de praktijk heeft bewezen dat zijn technisch geperfectioneerde productiekracht de al lang verdeelde winst überhaupt oplevert.

Omdat en naarmate de arbeid dat niet teweegbrengt, ontwaarden de schulden van de staat – (die immers niet simpelweg als misinvestering afgeschreven en uit het financierskapitalistische vermogen geschrapt worden, maar tot het extreme geval van een geldhervorming geldig blijven) – de door de overheid gecrediteerde kredietpapieren van de zakenwereld in hun geheel en daarmee het wettige betaalmiddel zelf dat de waarde van de nationale schulden representeert. De schade wentelen de ondernemers door hun vrije prijsvorming op het deel van de samenleving af dat met zijn verdiend geld niet opnieuw geld verdient, maar de prijzen voor zijn levensonderhoud moet betalen. Met de automatisch verlopende trend tot verarming, die bekend staat onder de namen “inflatie”, “geldontwaarding” of – al treffender – “duurte”, laat de staat zijn loonafhankelijke massa’s voor de vrijheid betalen waarmee hij zich van financiële middelen en de financiële wereld van zakelijke middelen voorziet.

En dit complex van zakenpraktijken beperkt de nationale staatsmacht geenszins tot haar eigen soeverein gebied.

c) De staat vergroot zijn voorraad aan financiële middelen door het geld dat zijn kapitalisten met hun grensoverschrijdende zaken in het buitenland verdienen. Hij ageert derhalve als belanghebbende hoeder van een concurrentie die de aanwending en betaling van de factor arbeid enkel onder de voorwaarde toelaat dat de geproduceerde waren zich wereldwijd als lonende handelsartikelen bewijzen.

De ondernemers doen zaken over de gehele wereld. Zij verdienen met waren uit hun moederland in het buitenland geld, confronteren dus de producenten elders met hun productiekosten, voeren met hun loonstukkosten een mondiale concurrentiestrijd om marktaandelen en verlagen zodoende wereldwijd de marktprijzen. Omgekeerd profiteren zij van de producten van rendabele buitenlandse arbeid, verlagen daardoor hun productiekosten en dwingen hun leveranciers adequaat aangepaste rentabiliteitscriteria op. De resultaten van hun concurrentie over alle nationale grenzen heen maken zij tot voorwerp van hun eigen calculaties: uitdrukkelijk vergelijken zij de gemiddelde lonen en prestatiestandaards in de verschillende kapitalistische landen en laten hun investeringsbeslissingen daarvan afhangen. Met al deze maatregelen zorgen de ondernemers ervoor dat de arbeid uitsluitend dan nog lonend is, dus aangewend wordt, als hij aan de wereldwijd geldende hoogste rentabiliteitseisen voldoet. De verworvenheden in een natie maken zij tot maatstaf voor loonbetalingen elders, verlagen op globale schaal de prijs van de factor arbeid en globaliseren tegelijkertijd de kapitalistische overbevolking.

Deze internationalisering van de kapitalistische bron van rijkdom berust op de doelbewuste inzet van de nationaal-statelijke macht. De staat die in het systeem van het geld verdienen het adequate bestaansmiddel van zijn macht bezit en met al zijn middelen de groei van de kapitalistische rijkdom bevordert, tolereert noch binnenlandse, noch buitenlandse beperkingen van deze groei. Hij staat polemisch tegenover de geografische grenzen die vreemde soevereinen aan zijn nationale economie stellen en eist hun functionele opheffing – aprioristisch ervan overtuigd dat door een uitgebreid zakenleven automatisch meer geld in zijn handen komt. 23) Zo’n onbeduidend detail als het maatschappelijke systeem, namelijk dat de naties wereldwijd hun samenlevingen aan het eigendom en de principes van zijn vermeerdering onderwerpen, dus op hun gebied voor de vrijheid van het geld verdienen zorgen, geldt als vanzelfsprekende elementaire voorwaarde voor het zakendoen – maar er is verreweg meer nodig: voor de kapitalisten die vanuit zijn territorium zaken doen eist de staat van vreemde mogendheden de beste succesvoorwaarden; onverschillig wat dat voor het levensonderhoud van de mensen betekent die daar ter plaatse voortaan óf voor de succesvolste ondernemers werken óf helemaal geen werk meer hebben. Even rücksichtslos treedt hij tegenover zijn eigen bevolking op: hij weet en wordt door zijn partners erop geattendeerd dat de grensoverschrijdende concurrentie geen “eenrichtingsverkeer” is en juist dan staatssteun nodig heeft als ze een grote hoeveelheid nationale arbeid onrendabel maakt.

De staat is dus allesbehalve een passieve toeschouwer van het grensoverschrijdende zakenleven. Hij bewerkstelligt de inter- nationalisering van het kapitalistische zakendoen uit eigenbelang: hij verwacht een toenemende groei van nationaal beschikbare abstracte rijkdom. Opdat deze verwachting uitkomt, stelt hij vergaande eisen aan de arbeid, namelijk aan de kapitalistische aanwending ervan: hij maakt de aanwending en betaling afhankelijk van nationale successen waarvan de criteria nog iets complexer zijn dan die van het kapitalistische zakensucces. En dat de realisering ervan definitief buiten de competentie van deze armzalige productiefactor valt, bereidt hem geen enkel probleem.

d) De staat onderwerpt de arbeid aan de succesmaatstaf voor de buitenlandse handel: stabiel geld.

Als de staat de internationalisering van de kapitalistische concurrentie uitvoert, streeft hij een volstrekt eigen concurrentiebelang na: van het geld dat in de kapitalistische wereld wordt voortgebracht, moet zoveel mogelijk bij hem worden verdiend. Onder dit aspect maakt hij de balans op over “naar binnen” en “naar buiten” stromend geld; deze balans is weliswaar gebaseerd op de succesbalansen van de ondernemingen die op zijn grondgebied actief zijn, maar ze valt daarmee geenszins samen; de nationale balans bevat extra gezichtspunten.

Allereerst en vooral het belang dat de overschotten uit de buitenlandse handel de deviezenvoorraad voldoende aanvullen die de centrale bank als “reserve” en garantie voor internationale solventie, als ’s lands schatkist oppot en beheert. De staat eist en heeft een dergelijk resultaat nodig om voor het betaalmiddel dat hij in zijn natie als exclusief geldend geldteken laat circuleren en als financieringsmiddel voor zijn behoeftes gebruikt internationale waardering te krijgen, de erkenning dat het daarbij om werkelijke, wereldwijd geldende abstracte rijkdom: om wereldgeld gaat. Dat is namelijk nog geenszins volbracht door het besluit van de wereldhandelspartners om hun respectievelijke lokale geldsoorten in principe als representanten van de kapitalistisch geproduceerde waarde en als materie voor de internationale zelfverrijking te laten gelden en tijdens de ruil praktisch gelijk te stellen. De afgesproken convertibiliteit van de valuta’s beoogt veeleer dat het respectievelijke nationale geld zich ook waarmaakt in de praktijk van het internationale kapitalistische zakenleven – als middel voor en als geldig resultaat van het zakendoen, dus als solide “belichaming” van de abstracte rijkdom waar het de kapitalisten en staten uiteindelijk om gaat. Wat haar economische natuur betreft is een nationale valuta immers niets anders dan het tot betaalmiddel “benoemde” nationale krediet waarmee de zakenwereld succesvolle zaken dient te doen; haar lucratieve aanwending en verandering in kapitaal, en wel op nationale schaal, is dus vereist om de valuta daadwerkelijk de beweerde waarde te verschaffen waarvoor ze geaccepteerd wil worden; en dit succes moet binnen het internationale zakenleven worden behaald om internationaal bestendig te zijn. Het door de staat als financieringsmiddel gecreëerde en gebruikte nationale geld heeft de bevestiging door de wereldhandel nodig; zaken die de balans van de natie summa summarum positief laten uitvallen – haar dus rijkdom uit de gehele wereld opleveren – moeten rechtvaardigen wat de staat aan krediet opneemt, de zakenwereld garandeert en per wet tot betaalmiddel maakt. De deugdelijkheid van het nationale geld als wereldgeld en daarmee ook als effectief financieringsinstrument van de overheid – en omgekeerd – hangt af van het nationaal opgetelde zakensucces van het internationaal actieve bedrijfsleven.

In feite worden de naties tegenwoordig niet failliet verklaard als hun balansen, zelfs over langere periodes, negatief uitvallen en hun geld aan waarde verliest, dus een onzekere representant van de globale kapitalistische rijkdom blijkt te zijn. Doordat de staten in hun begeerte naar het geld dat in het buitenland te verdienen valt hun eigen en vreemd geld ruilbaar, dus in bepaalde proporties identiek verklaren en zo ook laten gebruiken, geven zij elkaars valuta’s krediet, garanderen namelijk met hun kredietgeld de principiële kredietwaardigheid van het financieringsmiddel dat een andere regering in haar natie tot wettig betaalmiddel heeft benoemd. Zo verschaffen zij elkaar allerlei vrijheden om hun valuta’s op tweevoudige wijze te gebruiken: als onuitputtelijk instrument voor de kredietfinanciering van overheidswege enerzijds, als wereldgeld en middel voor de toe-eigening van de abstracte rijkdom van andere naties anderzijds. Daaruit volgt echter dat een natie met haar globale handelssuccessen, met een positieve balans inzake de internationale transfer van rijkdom, voortaan dit krediet moet rechtvaardigen: opdat haar kredietgeld internationaal kredietwaardig blijft, moet ze voor zijn stipte inlossing instaan, dus door successen in de buitenlandse handel de kredietschepping die ze zich heeft gepermitteerd en dankzij de kredietwaardigheid van haar kredietgeld ook heeft kunnen permitteren als het ware ongedaan maken.

Deze dwang wordt, krachtens besluit van de wereldhandelspartners, door de kapitalistische kredietbranche uitgevoerd. Door de “vaststelling” van passende wisselkoersen tussen de nationale kredietgeldsoorten onderwerpt ze deze aan een permanente test op hun relatieve wereldgeld-equivalentie; 25) en via de dagelijkse fluctuatie heeft ze al lang een fundamentele scheiding gemaakt tussen de vele internationaal volledig onbruikbare lokale geldsoorten en de weinige echte wereldgeldsoorten en bij laatstgenoemde het interessante verschil tussen “sterke” en “zwakke” valuta’s tot stand gebracht. Dus zulke valuta’s zijn “stabiel” die op grond van doorslaggevende nationale successen binnen de concurrentie om de toe-eigening van wereldgeld algemene erkenning als geldige “belichaming” van de abstracte rijkdom genieten: ze worden door de andere naties als “reservevaluta” en door de particuliere geldbezitters als materie voor het behoud van waarde benut, en zijn derhalve goed als kredietmiddel te gebruiken zonder dat hun opblazing hun waarde ondermijnt. “Zacht” geld daarentegen financiert onproductieve staatsschulden die wegens gebrek aan nationale handelssuccessen niet gerechtvaardigd zijn; de waardering van een “zwakke” valuta als voorwerp van de internationale zelfverrijking is van speculatieve aard en blijft afhankelijk van het krediet van betere valuta’s. 26)

Voor de naties die om de toe-eigening van de wereldwijd geproduceerde kapitalistische rijkdom concurreren is derhalve het bezit van een “solide” valuta het cruciale bewijs voor het beoogde succes en tegelijkertijd het criterium en cruciale middel voor hun concurrentie. Want dankzij “goed” geld beschikken zij over de meest solide speculatieve aanspraken op de toekomstige waarde die de kapitalistisch gecommandeerde en rendabel aangewende arbeid van de gehele wereld voortbrengt. Vandaar dat om het bezit resp. verkrijgen van een stabiele valuta tussen de leidende wereldhandelsmachten een concurrentiestrijd van bijzondere aard woedt.

e) De staat concurreert om zijn succes als kapitaalvestigingsplaats; zijn concurrentiemiddel is de goedkope nationale arbeid.

Als de staat bezorgd is over de stabiliteit van zijn geld, beoordeelt hij zijn nationale economie direct onder het aspect van de internationale prestatievergelijking. In zijn calculaties beschouwt hij loonarbeid en kapitaal in zijn land niet als nationaal begrensde geldmachinerie die van de buitenlandse handel en van investeerders uit het buitenland extra profiteert, maar enkel als deel: als bestanddeel van het globale kapitalisme. Zijn aanspraak op hem beschikbaar staande wereldgeldopbrensten en een nationale balans die zijn kredietschepping rechtvaardigt, is verankerd in het geïnternationaliseerde zakenleven en wordt waargemaakt doordat kapitalisten uit de gehele wereld zijn nationaal geld als zakelijk middel en solide belichaming van hun eigendom waarderen en gebruiken – en juist zo tot waardevast kredietmiddel maken.

Natuurlijk behelst dit programma, dat de rijkdom van de natie uit haar wereldmarktsuccessen afleidt, het risico op de wereldmarkt te falen. Maar zelfs voor het geval van dergelijke mislukkingen overwegen de hedendaagse staatsmachten geen terugtrekking uit het mondiale zakendoen, bijvoorbeeld op een nationale overlevings- en handvavingsstrategie waarmee het soevereine gezag zijn macht over de maatschappelijke arbeid zou doen gelden om een andersoortige nationaal nuttige arbeidsdienst te verordenen. 27) Veeleer bekrachtigen alle naties – zowel degene die met hun concurrentie-inspanningen en ambities slechts een fractie van de wereldwijde rijkdom behalen alsook de toonaangevende economische grootmachten – opmerkelijk eenzijdig steeds opnieuw het bindende karakter en de algemene geldigheid van de vereisten en criteria van de vrije kapitalistische concurrentie voor hun economisch beleid. Gedecideerd en volstrekt soeverein komen ze ervoor uit dat hun nationale rijkdom afhankelijk is van de concurrentie van de kapitalisten en dat ze daarvoor als vestigingsplaats willen dienen.

Zeker, kapitaalvestigingsplaatsen in de algemene betekenis – namelijk dat kapitalistische productie en circulatie steeds onder toezicht van een soevereine overheid, als haar economie op het door haar geoccupeerde gebied met de daar beschikbare middelen en volgens de daar geldende voorwaarden plaatsvinden – zijn de naties altijd en ze maken er geen ophef van – dat is in de huidige statenwereld normaal. Als men er zoveel nadruk op legt en de geschiktheid van de natie als vestigingsplaats tot zijn-of-niet-zijn-kwestie opblaast dan gaat het dus niet om deze trivialiteit, maar om een polemische houding van de natie tegenover het buitenland en een daarbij passend consequent binnenlands “hervormingsbeleid”: de resolute oriëntatie van de natie op het enige doel wereldmarktaandelen te veroveren. Met deze succesmaatstaf confronteren de staten die zich zo vastberaden als vestigingsplaats definiëren hun binnenlands bedrijfsleven: het moet zich als middel ter verovering van wereldmarktaandelen bewijzen, tegen andere naties en ten koste van hen. 28) Als separaat onderdeel, enkel en alleen als enigszins winstgevende afdeling van het nationale zakenleven is het nog helemaal niets waard; een bijdrage tot de rijkdom van het vaderland levert het bedrijfsleven uitsluitend door zijn overwinningen over de buitenlandse concurrentie. Slechts dusdanig succesvolle ondernemingen – en daaronder vallen zowel de traditioneel in het land zetelende bedrijven die de geëiste successen nastreven en behalen alsook de toch al zegevierende wereldconcerns die zich in de natie vestigen – gelden als bestanddelen van de nationale concurrentiemachinerie en kunnen derhalve aanspraak maken op staatssubsidies; de rest wordt wegens gebrek aan globaal doorzettingsvermogen als ballast voor de nationale balansen beschouwd en onder de posten gerekend die de nationale economie – als ware ze één groot kapitalistisch consortium – moet “wegsaneren”. 29) Want uitsluitend op wereldschaal florerende afdelingen van de moderne vestigingsplaatseconomie dienen hun staatsmacht als deugdelijke instrumenten voor de toe-eigening van grotere, aanzienlijkere, in de wedstrijd van de naties concurrentiebeslissende delen van het internationaal te verdienen wereldgeld en daarmee als middel voor een “sterke” valuta.

Onder dit functionele aspect wordt de natie rücksichtslos als conglomeraat van factoren voor de vestigingsplaatskeuze geïnspecteerd en omgevormd; met de eenduidige doelstelling de ondernemers ten eerste in het algemeen en überhaupt en ten tweede in het bijzonder wat de prijs van de arbeid betreft gunstigere condities te bieden dan degene die zij toch al zelf teweegbrengen met hun van overheidswege gewaarborgde privé-macht over de factor arbeid. Het onder de trefwoorden “globalisering” en “vestigingsplaats-concurrentie” samengevatte staatsprogramma beoogt echter nog meer dan alleen maar de moderne strijd om stabiel geld.

3.

 Onder de leus “globalisering” voeren de staten tegenwoordig een concurrentiestrijd om de afwikkeling van een wereldwijde crisis van de kapitalistische groei. Dat zij deze concurrentiestrijd in eigen land als “werkgelegenheidsbeleid” uitvoeren, zegt genoeg over “werkgelegenheid” en het belang dat de staat daaraan hecht.

a) De kapitalistische staten klagen sinds geruime tijd over een gebrek aan “werkgelegenheid”. Ook staten die bij de toonaangevende mogendheden van de wereldeconomie horen, lijden onder een werkloosheidspercentage dat de vroeger hooguit als tolerabel beschouwde cijfers ver overstijgt en alsmaar niet wil dalen.

Het probleem dat zij daarmee hebben, betreft in eerste instantie hun staatshuishouding: in plaats van regelmatig circa de helft van hun inkomsten af te staan aan belastingsdiensten en sociaalverzekeringsinstellingen eisen steeds meer burgers met lage of zonder inkomens hun recht op verzorging en levensonderhoud – dat in betere tijden werd toegekend en eigenlijk niet bedoeld was voor massaal gebruik. Met dergelijke eisenstellers weet de sociaal-politiek weliswaar moeiteloos raad; het blijft echter bij minder opbrengsten voor de schatkist. De daaruit resulterende gevaren voor de stabiliteit van het nationale geld leiden onvermijdelijk naar het veel ernstiger eigenlijke, namelijk economische probleem: de vermeerdering van de abstracte rijkdom, de kapitalistische gang van zaken waar de staat van leeft, laat te wensen over.

Het feit dat alle belangrijke wereldeconomische mogendheden aan dezelfde deficiëntieverschijnselen laboreren, is een eenduidige aanwijzing voor een wereldwijde crisis van de economische groei: er wordt in totaal minder geld verdiend dan zakenwereld en staten aan aanspraken op groeiende abstracte rijkdom hebben geaccumuleerd en voor hun respectievelijke balansen – de privé-bezitters voor hun speculatieve winsten, de staten voor de stabiliteit van hun valuta’s – nodig hebben. De verantwoordelijke politici beoordelen de “situatie” echter iets anders, namelijk direct als verscherpte concurrentie: zij constateren zelfkritisch dat de werkgelegenheid, dus het zakendoen op hun territorium stagneert of zelfs achteruitgaat, terwijl er elders weliswaar ook niet meer maar tenminste überhaupt nog geld wordt verdiend; op markten die dankzij de “globalisering” toch eigenlijk – dit is de ware en definitieve betekenis van het trefwoord – gepredestineerd zijn tot bron van inkomsten van de eigen natie.

b) De oplossing waarover de vestigingsplaats-bestuurders het overal ter wereld eens zijn, is opmerkelijk eenzijdig: de strijd om meer opbrengsten uit de wereldhandel voor de eigen natie is via kostenverlichting voor alle lucratieve zaken in het algemeen en via verlaging van de nationaal gebruikelijke prijs van de arbeid in het bijzonder te voeren. Een van staatswege doorgezette schamelere betaling van de arbeidskrachten – een groot deel van de loonsom beheert de moderne sociaalstaat toch al zelf – is het gekozen middel om de gevolgen van de tegenvallende gang van zaken op andere naties af te wentelen.

De steeds actuele eis naar rendabele arbeid is daarmee gereduceerd tot één zijde van een vergelijking: minder loon moet de arbeid rendabel maken – als zouden in de kapitalistische calculatie de kosten niet in verhouding staan tot het effect dat de aanwending van arbeid op de ondernemingsbalansen heeft; en als zou niet de productiviteit van de arbeid het doorslaggevende wapen in de strijd om dalende loonstukkosten zijn. In het nationale hervormingsbeleid ter overwinning van de crisis is dit “aspect” echter een onderdeel van het op te lossen probleem: de verdere verhoging van de effectiviteit van de aangewende arbeid is voor de concurrentiestrijd van de kapitalisten weliswaar nog steeds onontbeerlijk; ze gaat dus ongetwijfeld door – met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid – en juist omwille de verovering van wereldmarktaandelen moet ook de staat daarvoor al het mogelijke doen, maar tot meer werkgelegenheid leidt de uitvoering van deze aartskapitalistische dwang hoogstwaarschijnlijk niet; de succesvolle verovering van wereldmarktaandelen wordt sterk gerelativeerd als de totale economische groei vermindert. Een grotere kapitaalinzet kan zelfs de winst van een enkele onderneming verhogen, maar voor de rijkdom van de natie, dus voor de winstmakerij in het geheel is dat niet lonend: daarvan gaan de “globaliserings”-strategen uit als zij het heil voor hun vestigingsplaats door meer lucratieve zaken via de pure verlaging van de prijs van de arbeid willen bereiken; en zij bekennen daarmee dat het met de mogelijkheden voor lonende kapitaalinvesteringen in het algemeen slecht gesteld is. Bezorgd over zijn geld registreert de staat de onproductiviteit van verdere kapitaalaccumulatie, dus het onvermogen van zijn zakenwereld om in totaal rendabele zaken te doen; en de staat zelf verdiept de economische crisis, waarvan hij de gevolgen constateert, doordat hij als ultieme bron en garantie-instantie van het nationale krediet, verontrust over de kapitalistische kwaliteit ervan, daarmee restrictief omgaat. Blijkbaar heeft zich de tegenstrijdigheid binnen de kapitalistische uitbuiting van de bron van elk eigendom – steeds minder loonarbeid moet door steeds hogere uitbuitingspercentages steeds grotere hoeveelheden aanspraken op groeiend geldvermogen bevredigen – (weer eens) tot een algemene precaire situatie ontwikkeld waarin de nationale rijkdom krimpt terwijl de rentabiliteitseisen aan de nog aangewende arbeid stijgen. En dat moet, omdat er geen ander probaat middel is, door de prijsverlaging van de arbeid ongedaan worden gemaakt.

c) Het is ongetwijfeld een absurde calculatie dat de verlaging van de prijs van de arbeid de tot crisis ontwikkelde tegenstrijdigheid van de kapitalistische geldvermeerdering zou kunnen oplossen. Zo goedkoop kan de toch al in prijs verlaagde nationale arbeidskracht helemaal niet worden dat samen met de daardoor verbeterde winstmarges ook de hoeveelheden nationaal verdiend geld naar de gewenste grootte groeien en de crisis zonder gevolgen blijft voor de voortgang van het zakendoen. Deze concurrentiestrategie ter afwenteling van de nadelen van de kapitalistische vooruitgang op andere naties verdubbelt veeleer op internationale schaal de praktijk van de om winst concurrerende kapitalisten: op het eigen personeel bezuinigen, het personeel van de concurrente als “markt” oftewel koopkracht gebruiken. Zo beperkt elke natie in feite door haar fanatisme inzake winstproductie de massakoopkracht waarop iedereen voor de realisering van zijn winsten is aangewezen.

Deze tegenstrijdigheid is echter geen reden om de poging af te breken. De managers van de nationale crisisconcurrentie trekken daaruit twee volstrekt andere conclusies: ten eerste moeten zij met hun beleid tegen het loon onverminderd doorgaan en ten tweede mogen de getroffenen niet de “valse hoop” koesteren dat hun situatie voelbaar verbeterd. Zij organiseren dus parallel met de massawerkloosheid, die de kapitalisten in het kader van hun concurrentie om wereldmarktaandelen produceren, de bijbehorende algemene verarming van de nationale arbeidskracht, die van de nog aangewende als die van de overbodig gemaakte; en naast het alternatiefloze vooruitzicht op verpaupering hebben zij hun burgers één belofte te bieden: dat de natie alleen zo in de globale concurrentie tussen nationale vestigingsplaatsen een kans maakt.

Als passief kiesgerechtigde democraten trachten zij bovendien hun actief kiesgerechtigd volk op te vrolijken door een crisisideologie. Hun ideeën zijn echter aan de magere kant. De herinnering aan de legendarische naoorlogse wederopbouw is misplaatst als het kapitaal net weer in verband met zijn rentabiliteitseisen massaal arbeidskracht op non-actief stelt. “De handen uit de mouwen steken” is om dezelfde reden geen pakkende leus. “De broekriem aanhalen” past weliswaar beter bij een beleid dat meer armoede tot nationaal concurrentiemiddel maakt, maar het nationale succes en enkele verslagen concurrenten wil een offervaardig volk dan toch niet missen – en dient in plaats daarvan in de EU-staten een hart voor Europa te hebben, uitgerekend! Daarnaast mag het, echter onder allerlei voorbehoud, zijn aandacht op immigranten uit nog armere wereldregio’s richten en uitgebreid zijn patriottisch rechtsgevoel tonen, maar een nationaal reveil komt daardoor ook niet echt op gang. Zo blijft het vooralsnog bij de politieke methodische vermaning van het volk het moge een dergelijk reveil aan de dag leggen – en bij het oppositionele bezwaar in naam van het volk dat de regering daarvoor te weinig zou doen… Dat zij hun burgers met valse beloftes misleiden: dat kan men de officiële voorstanders van het globale kapitalisme in ieder geval niet verwijten.

*

21)

De “globaliserings”-ideologie die het internationalisme van het kapitaal gelijkstelt met de onvermijdelijke ontmachting van de nationaalstaat stemt spiegelbeeldig, namelijk met een omgekeerd voorteken opmerkelijk exact overeen met de fascistische diagnose: waar fascisten hun kostbaarst goed, de natie, door internationaal agerende kapitalisten leeg geplunderd, verzwakt en – als de voorziening niet op tijd een sterke leider stuurt – in het verderf gestort zien en hun patriottisch rampenscenario met de ellende van de brave volksmassa’s illustreren, waaraan in hun ogen niet het kapitalisme maar zijn internationalisme schuldig is, daar constateren de voorstanders van de globale markteconomie het welverdiende einde van de nationale “isolering” en verbinden daarmee vooral – als wilden zij de fascistische gelijkstelling tussen nationalisme en “socialisme” uitdrukkelijk gelijk geven – de door het nationale protectionisme gewaarborgde “hoge lonen” en sociale “welvaarts”-voorzieningen uit het verleden. Daarbij denken zij geenszins minder nationalistisch en imperialistisch dan hun fascistische antipoden: ook zij willen, echter op het civiele slagveld van de kapitalistische concurrentie, de eigen natie op het niveau van de onverbiddelijk geldende nationale succesvoorwaarden tillen, zodat zij zich in de globaal uitgebreide “economische oorlog” kan handhaven en doorzetten; daarover straks meer. Het is buitengewoon pijnlijk dat uitgerekend linkse theoretici, die zich daarbij ook nog op Karl Marx beroepen, in de zegetocht van de “globaliserings”-ideologie een aanleiding zien om het voorbije beleid van de nationaalstaat terugblikkend over het algemeen positief te beoordelen. Zo bijvoorbeeld de Duitse sociaal filosoof en overtuigde criticus van de staat Oskar Negt; in zijn opiniestukken rond dit onderwerp laat hij zich uit over een “soevereiniteits- en functieverlies van de nationaalstaat” – waar hij niets anders registreert dan het tegenwoordig geëiste en gewone optreden van de staatsmacht: omdat hij het daarmee niet eens is, meent hij dat maar liefst de gehele politiek in strijd is met het ware wezen van de nationale soevereiniteit. De linkse staatstheoreticus gaat simpelweg door met zijn traditierijke fout, ongeacht de onmiskenbare politieke praktijk van de democratische klassenstaat de “eigenlijke” principes van juist deze staat te waarderen: als belofte – althans in kiemvorm – van een antikapitalistisch perspectief. Daarbij wil hij in dit geval met zijn verkeerde gedachten geen hoop meer wekken op een betere toekomst, maar op een vermeend beter verleden terugkijken, namelijk: “… hoe repressief en door kapitalistische klassenbelangen deze burgerlijke staat en het door hem belichaamde geweldsmonopolie dan ook geweest waren (…), hij was steeds tegelijkertijd ook een instrument voor de maatschappelijke regulering en domesticering van de ongeremde werking van de markt- en kapitaallogica”. Linkse theoretici als Negt vinden het hoogst lofwaardig dat de burgerlijke staat bij de onderwerping van de maatschappij onder de “ongeremde werking van de markt- en kapitaallogica” ook altijd zijn eigen gezichtspunten behartigde – welke en of het niet voornamelijk de belangen van zijn soevereine macht waren, maakt dan ook niets meer uit. Kortom: als idealistische apologeten van de staat houden dergelijke denkers onder verwijzing naar de gevolgen van de “globalisering” een rooskleurige retrospectieve met de titel: de goede oude nationale klassenstaat.

22)

De stelling over de “onmacht van de nationaalstaat” bedoelt dus heel banaal de – liefst vrijwillige – zelf-ontmachting van andere staten.

Het is niet zonder ironie, misschien ook alleen maar onthullend, dat deze stelling weerklank vindt bij ecologisch en pacifistisch gezinde burgers die menen ontdekt te hebben dat de “werkelijke problemen” al lang niet meer “aan de nationale grenzen stoppen”. Een kritiek op staatsgrenzen zonder kritiek op het staatsgezag – dat, wanneer het hem uitkomt, voor zowel afgrenzing en uitsluiting zorgt alsook de problemen veroorzaakt die vervolgens door hun grensoverschrijdende gevolgen ook nog louter rechtstitels verschaffen op onbeschroomde inmenging in vreemde bevoegdheden – leidt onvermijdelijk, volk en regering verenend, tot begrip voor de noodzaak dat de eigen natie zich in de concurrentie van de nationale mogendheden doorzet om buitenlandse regeringen effectief voorschriften te kunnen maken.

23)

Dat is ook daar de enige doorslaggevende reden voor actieve deelname van een kapitalistische natie aan de wereldhandel waar de bevolking vanaf de basisschool naast de klacht over “grondstofgebrek” het compliment te horen krijgt, dat haar “vlijt” de belangrijkste nationale “ressource” zou zijn: juist daar moet een volk zich niet laten inspannen voor zo’n bescheiden doelstelling als de betaling van de nationale aardolie- en bananenrekening; die is niet meer dan een deelpost van de totale som die het vergt om een land doelmatig tot “exportnatie” om te vormen. De grensoverschrijdende grondstofhandel zit überhaupt zo in elkaar dat noch de importerende natie daardoor verarmt, noch het exporterende land daardoor rijk wordt: de lucratieve zaken worden altijd daar gedaan waar de “geschenken van de natuur” als zakelijk middel productief, namelijk voor de productie van groeiend eigendom worden gebruikt. Daar is het wellicht van voordeel als de belangrijkste grondstofbronnen binnen de landsgrenzen liggen: niet omdat er geen importrekeningen moeten worden betaald, maar omdat een dergelijke gril van de natuur de vrijheid van het handelskapitaal vergroot om kosten te vergelijken en van de verschillen te profiteren.

24)

Door de praktijk van hun buitenlandse handel weerspreken de naties de dwaze definitie van de burgerlijke economische wetenschap dat geld alles zou zijn “wat als geld functioneert”. Dat geld niets anders dan een conventioneel teken zou zijn, namelijk voor waren om hun ruil te vergemakkelijken, weerleggen zij overduidelijk door hun begeerte naar het geld dat in het buitenland te verdienen valt, en dat juist daarvoor meer moet zijn dan slechts een “conventioneel”, wettig voorgeschreven ruilmiddel. De rijkdom van de andere natie wil men bemachtigen; niet in de vorm van mooie dingen, maar in de abstracte gestalte waarvan de eigenlijke economische inhoud door het conventionele geldteken alleen maar wordt aangeduid: de als economisch ding bestaande gekwantificeerde beschikkingsmacht van het eigendom.

Daarom wordt zelfs in het tijdperk van de geniaalste financiële producten het goud als inbegrip – als de materiële bestaanswijze van de abstracte rijkdom – nog steeds niet afgeschaft: daarmee beschikken de naties over de abstracte rijkdom in een uiterst solide, namelijk aan de willekeur van statelijke kredietschepping onttrokken, echter juist daarom geen rente afwerpende vorm.

In hun waardering voor goud als geld-“materie” bewaren de naties trouwens een vaag besef van de economische natuur van het geld waarvan zij anders – waarvoor ook?! – verder niets willen weten: dat een uitgekozen product van menselijke arbeid de economische bestemming ervan, namelijk afhankelijk van de graad van verrichting eigendom te produceren, niet alleen representeert maar praktisch behelst. Dat dit edelmetaal met het hoge atoomgetal deze economische “eigenschap behelst” is echter uitsluitend waar op grond van de bepaling van overheidswege dat het eigendom voorrang heeft boven elk nut, dat de gebruikswaarde van de producten ondergeschikt is aan hun ruilwaarde als waren en dat het goud hoofdzakelijk de maatschappelijke gebruikswaarde heeft de ruilwaarde als zodanig te “belichamen”. Aan dit fetisjisme dat een voorwerp de “eigenschap” toeschrijft zijn bezitter private beschikkingsmacht te verlenen, zijn de goudbaren onschuldig.

25)

Dit onderwerp in detail in het artikel “Wereldmarkt en geldmarkt. De valuta en haar waarde” in Gegenstandpunkt 4-94.

26)

Stabiliteit van een valuta is dus niet hetzelfde als haar hoge waardering, instabiliteit niet hetzelfde als een lage wisselkoers; niet eens een meer opwaartse of meer neerwaartse trend van de koersontwikkeling valt eenduidig samen met “sterkte” of “zwakte”. Doorslaggevend is of een omvangrijk duurzaam gebruik van het bewuste geld door de internationale zakenwereld, incluis de centrale banken, een dusdanig sterke vraag teweegbrengt dat speculatieve vraag-en-aanbod-schommelingen niet van invloed zijn – dus ook niet op touw worden gezet; in het andere geval is het geld de speelbal van “pure” speculatie die de staat wegens gebrek aan stabiele balansen geen betrouwbare condities te bieden heeft, maar met dure en derhalve net zo onzekere als kortstondige maatregelen ter stimulering van geldbeleggingen moet bejegenen. Of de wisselkoersen van een valuta die op de ene of de andere wijze tot stand komen (te) hoog of (te) laag uitvallen, is een andere kwestie die afhankelijk van het gebruiksdoeleinde van het geld tegenstrijdig wordt beantwoord: exporteurs calculeren anders dan importeurs en geldbeleggers beslissen afhankelijk van de verwachte trend van de speculatie.

Als “sterke” en “zwakke” valuta’s grondig gescheiden zijn, dan becijferen de enkele posten van de nationale handelsbalansen, die overal volgens dezelfde regels worden opgemaakt, zeer verschillende economische feiten. Dat geldt vooral voor de kapitaalbalans: een negatief saldo kan in het ene geval een zegetocht van het nationale geld als zakelijk middel, reservevaluta en voorwerp van internationale geldbelegging betekenen; in het andere geval staat het voor “kapitaalvlucht” die de staat met de noodzaak confronteert om met deviezen, die hij niet heeft, grote hoeveelheden eigen waardeloos kredietgeld te kopen. Om welk geval het gaat, blijkt echter pas uit het resultaat dat zelden eenduidig uitvalt en nooit onveranderlijk is.

27)

Een dergelijk alternatief hoort altijd bij het politieke repertoire van de klassenmaatschappij; in het geval van een echte nationale noodtoestand is er voor burgerlijke politici uiteindelijk geen andere “oplossing” dan de militante mobilisatie van het volk voor een staatsdienst die dan echter verdergaande eisen stelt dan de pure geldverschaffing, veeleer – afhankelijk van de grootte van de natie en haar imperialistische ambities – de geweldzame correctie van de internationale machtsverhoudingen beoogt: daarop zijn de globaal geldende zakenvoorwaarden in laatste instantie immers gebaseerd. Als de meest consequente, maar uiteindelijk falende voorstanders van dit alternatief zijn de fascisten, vooral de Duitse Nationaalsocialisten, de geschiedenis in gegaan: zij hebben het kapitalisme dan ook niet afgeschaft maar getracht met niet-economische, namelijk militaire middelen de bestaande wereldpolitieke machtsverhoudingen om te wentelen, daar onder deze verhoudingen een  (her-) opstanding van hun natie uitsluitend via de wapens van de kapitalistische concurrentie en het statelijke krediet niet te bewerkstelligen was. In plaats van “de markten” hebben zij “het slagveld” als cruciale imperialistische vuurproef van hun natie gedefinieerd en – als passende aanmoediging van hun volk – het racisme van het harde geld door de ideologie van de volkse strijdlust vervangen die ook op het wereldeconomische vlak alles in orde zou brengen. Dit voor regerende en geregeerde patriotten altijd aantrekkelijke aanbod is tegenwoordig alleen daarom niet actueel, omdat de belangrijkste staten zowel de controleurs van de wereldwijde machtsverhoudingen alsook de relatief grootste profiteurs van de wereldeconomie zijn. De naties die zich een herziening van de imperialistische orde met kans van slagen zouden kunnen voornemen, hadden daardoor meer te verliezen dan te winnen.

28)

Dat alle staten in dit opzicht hetzelfde doen; dat alle staten tegenwoordig niets anders zouden moeten doen: dat is na de eindzege van de markteconomie de globale normaliteit. Evenzo normaal zijn daarom echter ook de verschillen tussen de naties die uit de voorwaarden en middelen resulteren waarmee ze aan de wereldwijde concurrentie deelnemen.

Duitsland bijvoorbeeld heeft in de concurrentie om wereldmarktaandelen veel te verdedigen. Dankzij vroegere exportsuccessen werd het uitgebreide krediet van deze natie een toonaangevend bestanddeel van het internationale financiewezen en haar valuta een wereldwijd gebruikt financieringsinstrument en “waarde-bewaarmiddel”. Het opgeblazen nationaalkrediet en het extensieve gebruik van de Duitse valuta als kredietmiddel hebben thans een rechtvaardiging door wereldeconomische successen nodig die uit zich vermeerderende schulden een werkelijke kapitaalaccumulatie maken en zo voor de verdere stabiliteit van het Duitse wereldgeld zorgen; dit temeer daar de subsumptie van de voormalige DDR onder de veeleisende wereldmarktconcurrentie tot verreweg meer deficit op de begrotingen dan tot positieve balansen heeft geleid.

Er zijn andere naties – bijvoorbeeld de zogenaamde “kleine tijgers” en ook, op zijn manier, de nieuwe “grote tijger”, de VR China – waarvan het gehele nationale kapitalisme uitsluitend uit enkele wereldwijd succesvolle ondernemingen bestaat die zich op hun territorium hebben gevestigd resp. met veel overheidssteun hun zaken zijn begonnen. Deze staten streven het ontwikkelingsideaal na hun marginale successen op de wereldmarkt zo uit te breiden dat een groeiend kapitalistisch zakenleven geleidelijk de gehele samenleving gebruikt en organiseert. Inmiddels strijden zij tegen elkaar om hun kleine kapitalistische eilanden tenminste te handhaven.

De staten van het voormalige Oostblok tot slot – om dit speciale geval nog te noemen – hebben zich volledig aan de concurrentie om wereldmarktaandelen onderworpen, de nieuwe basis van hun nationale economie; en met hun dringend verzoek om kapitalistische exploitatie door buitenlands kapitaal bekennen zij uitdrukkelijk hun onvermogen om op eigen kracht een positie in deze concurrentie te veroveren laat staan succesvol te handhaven. Vandaar dat hun nieuw begin vooralsnog geen stabiel economisch fundament heeft opgeleverd maar slechts tot een enorme demontage heeft geleid die – volgens de strenge maatstaf die de buitenlandse kredietgevers onverbiddelijk hanteren: de gehele economie onder het aspect van succesvolle deelname aan de globale concurrentie nieuw construeren – alsmaar niet ver genoeg gaat. De verwoesting van hun op reëel-socialistische manier coöperatief georganiseerde economie is in ieder geval gelukt; de vooruitzichten op vervanging door een alomvattende kapitalistische productie zijn niet beter dan de ontwikkelingsperspectieven van de zogenaamde “drempellanden”.

Zo verschillend zien ze dus eruit: de “problemen” die de naties moeten overwinnen bij hun poging om zich in de eindelijk op globale schaal ontwikkelde vestigingsplaats-concurrentie te handhaven – en ter “oplossing van de problemen” uiteindelijk op een en hetzelfde middel bouwen: dat bij hen de effectiefste arbeid het goedkoopst te krijgen zou zijn.

29)

Dit standpunt is ongetwijfeld net zo geborneerd als ieder protectionisme uit het verleden. Vaak ignoreert hij de simpelste samenhang, namelijk dat sommige branches uitsluitend daarom wereldwijd prachtig kunnen floreren omdat daarnaast op minder succesvolle wijze, maar ook door kapitalistisch winstgevend aangewende arbeid geld verdiend, gelegenheid tot geldverdienen geboden en krediet in kapitaal veranderd wordt. Vandaar dat sommige gewaagde concepten ter reducering van een alomvattend kapitalisme tot zijn mondiaal succesvol agerende branches niet meteen automatisch de onbetwistbaar geldende staatsraison worden. Maar door hun “bezuinigingsbeleid” brengen de hervormingsgezinde, zelfs revolutionair gestemde vestigingsplaats-politici zeer wel een behoorlijke “afslanking” van hun economie teweeg – en door de parallelle ontwikkeling van stijgende werkloosheidscijfers  (incluis armzalige uitzendjobs) en belangrijkste nationale aandelenkoersen kunnen zij zich in hun succesvolle koers gesterkt voelen.

© Gegenstandpunkt Verlag, München 1996/97