Beweringen van Marx over “v”

Het communisme is dood.

Het kapitalisme functioneert volgens het boekje

 

Door de triomftocht van het democratische kapitalisme worden de argumenten tegen dit systeem uiteraard niet onjuist en overbodig. Deze kritiek, die zichzelf ontmaskert als communistisch, betreft niet alleen het feit dat dit prachtige systeem op nationale en globale schaal landen en mensen ruïneert. Ze heeft betrekking op het hoe en waarom als het om de rijkelijk voorhanden armoede gaat die zo schril contrasteert met de reusachtige rijkdom van de markteconomie. Als communisten zich met “het sociale vraagstuk” bezighouden dan doen zij dat immers niet op de vervelende democratische manier die tegenwoordig gebruikelijk is. Zij nemen geen genoegen met de constatering dat er met een enorm groot aantal mensen schandalig wordt omgesprongen, hetgeen het recht geeft tot klagen en verbazing over sociale onrechtvaardigheden. Daarom komen zij ook niet op het idee om de “verantwoordelijken” in staat en samenleving te verzoeken voor meer rechtvaardigheid te zorgen. Wat betreft de opmerkelijke verschillen in inkomens en levensomstandigheden beschouwen zij de leidinggevende instanties veeleer als verantwoordelijke veroorzakers en zien dus geen aanleiding om hen plichtsverzaking te verwijten. Het dogmatisme van de critici van het kapitalisme wordt duidelijk door het ontbreken van het geloof dat het in dit systeem om het regelen van een (enigszins) rechtvaardige verdeling zou gaan; en evenmin maken zij een geheim van hun afwijkende opvattingen over de vaak aangevoerde “onontkoombare wetmatigheden” die alle goede voornemens en beste bedoelingen van de toonaangevende kringen teniet zouden doen. In plaats van deze “dwangmatigheden” als onschendbare natuurlijke grenzen van elk economisch leven te erkennen, ontdekken marxisten daarin simpelweg de noodzakelijkheden die door het kapitalisme in werking worden gesteld; noodzakelijkheden die definitief bepalen hoe de rijkdom van de samenleving geproduceerd en verdeeld wordt: daarmee staat onomstotelijk vast welke belangen bevredigd moeten zijn voordat andere iets kunnen verwachten, dus wie de dienst uitmaakt en wie bestemd is om te dienen, d.w.z. voor andermans zaken te werken –  in elk opzicht een ondankbare taak daar het werk allesbehalve lonend is en degenen die noodgedwongen de “arbeidsmarkt” bevolken niet eens op een zekere werkgelegenheid kunnen rekenen…

Zo komt de onbruikbaarheid van de “communistische ideologie” steeds opnieuw aan het licht. Bij het aanschouwen van de maatschappelijke ontwikkeling, de moeilijkheden, misstanden en vooruitgangen, moeten communisten telkens weer één ding constateren: net als destijds Karl Marx zien zij een tegenstelling van klassen waarvan de loonafhankelijken onvermijdelijk de dupe zijn omdat zij geen ander levensperspectief of “bestaanszin” hebben dan – zo cynisch zijn marxisten – als functioneel middel van het kapitaal te worden gebruikt. Vandaar dat de aanhangers van de “communistische ideologie” elke bijdrage tot oplossing van de urgente problemen weigeren. Het kan hen niets schelen of het bedrijfsleven gedijt en voldoende werkgelegenheid creëert, of het huisvestigingsbeleid van de overheid resultaten boekt, hoeveel vreemdelingen de natie kan integreren, of de begroting de sociale uitkeringen kan verdragen etc. Als ware de markteconomie nog steeds het kapitalisme uit de negentiende eeuw – en de sociale markteconomie geen weerlegging van de “Verelendungstheorie” en van de stelling over de “uitbuiting” – beschouwen marxisten zelfs de meest ingewikkelde monetaire stimuleringspakketten en fiscale besluiten als bewijs voor hun kritiek op het systeem: de loonafhankelijke klasse moet voor de rijkdom van de natie instaan. Daaraan houden marxisten dogmatisch vast –  hoewel de publieke opinie al lang de mening is toegedaan dat deze zogenaamde “klasse” op kosten van “het bedrijfsleven” en zijn successen leeft; en wel zo tevredenstellend dat de werkelijk armen van deze wereld – in het postcommunistische Oostblok en in het onderontwikkelde Zuiden – niets liever wensen dan hier te lande de kans op loonarbeid te krijgen…

*

 

 

 

De beweringen van Karl Marx over de loonarbeid

of

“v” – de economische grootheid in het kapitalisme waarop de productie, de groei en de verdeling van de rijkdom berust

 

1. De afkorting “v” staat in de kritiek op de politieke economie voor variabel kapitaal. Dus voor een deel van de waarde die door kapitalisten (tegenwoordig: industriëlen, werkgevers, ondernemers) in vorm van geld wordt geïnvesteerd opdat ze zich vermeerdert (tegenwoordig: de investering rendeert, het bedrijf zwarte cijfers schrijft…). Dit deel van het kapitaalvoorschot verschilt van het constante kapitaal “c” doordat het zijn grootheid en daarmee de totale door de onderneming voorgeschoten som verandert.

Over deze eigenschap – zich te vermeerderen – beschikt natuurlijk niet de geldsom, maar de daarmee gekochte waar: de betaalde arbeidskracht betreedt als arbeider (tegenwoordig: medewerker, werknemer) het bedrijf en onder gebruikmaking van arbeidsmiddelen en arbeidsvoorwerpen die het “c” representeren, brengt hij door zijn arbeid producten voort die hun wettige bezitter via verkoop meer geld opleveren dan de elementen van het productieproces hebben gekost. De reden voor deze als doelstelling van de vrije markteconomie algemeen erkende groei is volgens Marx het feit dat de arbeid producten fabriceert die de specifieke gebruikswaarde hebben in geld te veranderen, dat de arbeid dus waarde schept; en wel meer dan de ondernemer voor de arbeidskracht moet betalen.

2. Dit effect van “v” komt tot stand doordat de betaling van de arbeidskracht gekoppeld wordt aan de adequate gebruikmaking ervan.Want uit de verhouding tussen de loonkosten en de waarde die de arbeid schept door voor de verkoop bestemde producten te vervaardigen, resulteert de winst “m” (meerwaarde) waar het op aankomt.

Daarbij valt op dat de aan de arbeider toebedeelde loonsom, waarvan hij in zijn onderhoud voorziet, in eerste instantie niets te maken heeft met zijn arbeid en de opbrengst ervan. Dus om van de arbeidskracht variabel kapitaal te maken, worden beide, arbeid en opbrengst, op elkaar betrokken. In de prijs van de arbeid wordt de koop van de arbeidskracht aan de voorwaarde gebonden dat haar aanwending de vermeerdering van het kapitaal bewerkstelligt. De ondernemer betaalt met het arbeidsloon de waarde van de waar arbeidskracht opdat de loonarbeider productieve, dus meerwaarde scheppende arbeid verricht. Deze berust weliswaar altijd op de productiviteit van de arbeid – die afhankelijk van de prestatie van de arbeider en de aangewende arbeidsmiddelen varieert – maar ze wordt gedefinieerd door de “productiviteit” van het kapitaal, d.w.z., modern uitgedrukt: door het rendement dat de betaling van arbeid oplevert.

Het betalen van arbeid zorgt dus voor rentabiliteit door het loon in verhouding te zetten tot de prestaties van de arbeider. Deze doelstelling van het arbeidsloon is in het kapitalisme net zo gebruikelijk als ze voortdurend wordt geloochend. Als de procedure “geld naar prestatie” op brede schaal geïntroduceerd is, geldt ze als zinvolle uitvinding om vast te stellen wat een arbeider redelijkerwijze toekomt.

3. Marx heeft de gebruikmaking van de arbeid voor de productie van “muitbuiting genoemd en de verhoging van het exploitatiepercentage (meerwaarde/variabel kapitaal) bekritiseerd als het zakelijke middel waardoor de bezitters van kapitaal hun recht op winst uit hun vermogen doordrukken.

Dat heeft reeds in zijn tijd de voorstanders van het kapitalisme uit de slaap gehouden omdat zij dit soort sociale aanklacht wilden uitbannen. Hun praktische maatregelen tegen de opkomende arbeidersbeweging gingen gepaard met de theoretische verwerping; en de argumenten die toen bedacht werden, waren zo modern dat ze ook tegenwoordig nog bruikbaar worden geacht. Sommige “misverstanden” omtrent de “leer van Marx” hebben zelfs ingang gevonden in de arbeidersbeweging en aanzienlijk bijgedragen tot haar ondergang – wat heden ten dage echter geprezen wordt als geslaagde integratie en succesvol begin van de (politieke) medewerking aan het kapitalisme.

a)

De “uitbuiting”, begrippelijk uitgedrukt: de meerwaardevoet die voortkomt uit de loonarbeid is geen moreel denkbeeld over een “onrechtvaardig loon”, in de verste verte niet; en ook geen klacht dat de onrechtvaardige betaling van arbeiders getuigt van het ontbreken van de idealen “vrijheid en gelijkheid” in de wereld van het privé-eigendom.

b)

“Uitbuiting” typeert simpelweg de productieverhouding tussen kapitaal en loonarbeid; de bezitters van kapitaal resp. arbeid zijn vrij en gelijk – deze wettelijke verhoudingen vormen ook geen waarden die te verwezenlijken zouden moeten zijn; ze bepalen veeleer zeer reëel de rechtspositie van de staatsburgers en horen als politieke voorwaarde absoluut bij deze productieverhouding, waarvan niet enigerlei wettelijke verschillen maar de materiële tegenstelling, de antagonistische belangen van de klassen der kern uitmaken.

c)

De “toe-eigening van onbetaalde vreemde arbeid” is het gerealiseerde doel van het kapitaal – zo en uitsluitend zo geschiedt zijn vermeerdering. Een voorstel tot “rechtvaardige verdeling” van de in geld gemeten rijkdom wilde Marx met deze formulering natuurlijk niet indienen; hij benadrukte immers uitvoerig dat niet de arbeid, maar de arbeidskracht wordt betaald; de vorm van het arbeidsloon beschouwde hij als adequate kapitalistische manier om de productiviteit van de arbeid dienstbaar te maken voor “m” – en geenszins als reden om de leus “een rechtvaardig dagloon voor een rechtvaardig dagwerk” te propageren.

d)

Want zoveel wist Marx zeker: als de arbeid bestemd is voor de productie van waarde die als geld de maat van de rijkdom vormt en de exclusieve beschikking daarover garandeert; als deze rijkdom parallel met de inspanningen en de duur van de productie groeit – de productiekrachten van de arbeid dus helemaal niet voor de moeiteloze vervaardiging van  aanzienlijke hoeveelheden gebruikswaarde en ter verruiming van de “disposable time” worden ingezet – dan is de arbeid zelf niet met rijkdom verbonden. De loonarbeiders die vastzitten aan hun rol als afhankelijke variabele van de kapitaalvermeerdering – modern: van het bedrijfsleven en zijn groei – hebben samen met de productiviteit van hun arbeid ook de beslissing over hun levensonderhoud en de maat van hun welvaart overgelaten aan het kapitaal – dat hen aanwendt of juist niet.

e)

Wat ten slotte de ongetwijfeld kritische bedoeling van het woord “uitbuiting” betreft – uitsluitend de grootste domheden werden (en worden) tegen Marx aangevoerd om hem te weerleggen. Tegen de constatering dat de loonarbeiders van het kapitalisme temidden van de door hen geproduceerde rijkdom geen ander alternatief hebben dan zich als arbeidskrachten in leven te houden en zelfs dat (vaak) niet kunnen; tegen de stelling dat deze omstandigheid onvermijdelijk voorvloeit uit de productieverhouding waarin de “v”-mensen door werkgelegenheid of werkloosheid worden geruïneerd, wordt telkens weer op de primitiefste morele manier “geargumenteerd”: vergeleken met andere figuren uit de lage standen – vroeger en elders – staan ze er toch  prachtig voor! Het wijzen naar beklagenswaardige schepsels verduidelijkt niet alleen de maatstaf die nodig is om de loonarbeiders van het kapitaal tenminste ideëel van noemenswaardige welvaart te voorzien. Het “weerlegt” Marx door het verbod om de vragen te beantwoorden die tot de kritiek op het “systeem” leiden: of, hoe en waarom de rijkdom producerende loonarbeid eigenlijk als “bestaansmiddel” deugt. In plaats van te beweren dat de mensen tweehonderd jaar geleden en in verre koloniën net zo miserabel leven als de arbeiders van Philips heeft Marx juist dit gedaan: doorgrond welke wetmatigheden inherent zijn aan het kapitalisme. Om te beslissen wat tegen de veelvoudige ellende binnen de werkende klasse kan worden ondernomen.

4. Dat arbeiders naar de fabriek gaan om hun levensonderhoud te verdienen, ligt voor de hand. Daarbij treffen zij echter omstandigheden aan die niet bepaald bevorderlijk zijn voor hun doelstelling. De verhouding tussen loon en prestatie staat namelijk reeds vast voordat een loonarbeider onder grondige afweging van zijn behoeften becijfert welk inkomen hij per se moet verdienen. De prijs van de arbeid is onlosmakelijk verbonden met de arbeidsplaats: een hoeveelheid geld is gekoppeld aan een extensieve en/of intensieve prestatie (tijd- en stukloon) en deze prestatie-eis resulteert uit de calculaties van het kapitaal. In zoverre is elke arbeidsplaats een aanbod dat gepaard gaat met een dictaat. Ten opzichte van het geld is gedefinieerd hoeveel de arbeidskracht waard is; ten opzichte van de arbeid staat vast hoe de loonarbeider zich als variabel kapitaal moet bewijzen. Dat daarbij de calculatie van het eigendom, dat zo zijn recht op vermeerdering organiseert, in tegenstelling staat tot de belangen van de arbeidskracht is geen geheim. Veel prestaties voor weinig geld bevordert de “groei” – het omgekeerde past bij de behoeften van degenen die werken om (fatsoenlijk) te kunnen leven. De hoogte van het betaalde loon wordt weliswaar begrippelijk bepaald als “waarde van de waar arbeidskracht”: als hoeveelheid geld moet “v” de arbeidsgeschiktheid waarborgen, namelijk de arbeider in staat stellen de noodzakelijke levensmiddelen te kopen; deze bevatten een “historisch-moreel element”: op basis van de “natuurlijke eigenschappen van een land” en het “cultuurniveau” ontwikkelen de arbeiders gewoontes, behoeften en aanspraken waarvan de bevrediging cruciaal is voor de wil en het vermogen om regelmatig te werken. Maar tegelijkertijd vormt de hoeveelheid geld “v” voor de belangen van het kapitaal een beperking – in de calculatie van de onderneming zijn de noodzakelijkheden van het arbeidersbestaan kosten die volgens de regels van de substractie de winst verminderen, dus zoveel mogelijk zelf worden verminderd.

5. Voor de “waardewet” – de waarde van de waren is het product van abstracte arbeid en heeft haar maat in de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd – kunnen kapitalisten meer waardering opbrengen dan de burgerlijke economische wetenschap. Door hun maatregelen ter productie en verhoging van de meerwaarde brengen zij deze wet namelijk in de praktijk. Als reden voor hun maatregelen voeren zij de concurrentie aan waaraan zij “onderworpen” zijn – dat zij met hun kapitaal om de vermeerdering ervan concurreren, vergeten zij te vertellen: opdat de belangen van hun zaken als dwang worden beschouwd waaraan zij nolens volens moeten gehoorzamen.

Wat zij daarbij ondernemen komt allemaal op één ding neer: de verandering van de prijs van de arbeid – ten nadele van de arbeidskracht.

Om door de verkoop van de producten, die als prijsconcurrentie plaatsvindt, de nodige winst te behalen, ontdekken kapitalisten steeds dezelfde “economische hefboom”: zij veranderen het productieproces en wel zo dat de effectiviteit van de arbeid wordt verhoogd. Het beoogde effect betreft de verhouding tussen kosten en opbrengst; het wordt bereikt door gebruikmaking van de arbeidsproductiviteit waarover de bezitter van de productiemiddelen beschikt en waarmee de arbeider – die voor zijn arbeidskracht reeds loon heeft ontvangen – niets te maken heeft. De koppeling van het loon aan een “hoeveelheid arbeid” betekent immers niet dat de arbeiders hun eigen kosten-baten-berekening als maatstaf aan het productieproces aanleggen – integendeel: als “werknemers” zijn ze onderworpen aan de technische organisatie, de arbeidsdeling en de discipline die zij aantreffen. Net als over elk ander stuk eigendom beschikt de kapitalist door de betaling van de arbeidskracht over het gebruik ervan, en dat gebeurt nu eenmaal volgens de geboden van zijn kosten-baten-berekening. Deze koppelt de loonsom aan een prestatie – en daaraan is niets veranderd, zelfs als deze procedure 150 jaar na Marx “arbeidsplaats” heet.

De verhoging van de effectiviteit van de arbeid, die door twee elkaar aanvullende methoden voor de productie van meerwaarde plaatsvindt, heeft in de betaling van arbeidskracht het adequate instrument:

a)

De productie van de absolute meerwaarde begint op basis van een voorgegeven organisatie van de arbeid. In het bedrijf heerst orde, het samenspel van de deelfuncties van het personeel wordt net als de discipline door toezicht en routine geregeld en het loon van de werknemers is aan hun normale prestaties gekoppeld. De geproduceerde waren worden op de markt voor een prijs verkocht die het voorgeschoten kapitaal plus winst laat terugstromen. Door de koopkrachtige vraag krijgt de bezitter van het kapitaal het bewijs geleverd dat in zijn waren maatschappelijk noodzakelijke arbeid steekt, dat onder zijn regie nieuwe waarde wordt geproduceerd die hem in vorm van het verdiende geld ten deel valt. Elke verlenging van de arbeidsduur is dus het geschikte middel voor de toenemende vermeerdering van zijn kapitaal daar deze maatregel de omloopsnelheid verhoogt. De wijsheid dat binnen het zakenleven tijd geld is volstaat zonder meer als vervanging voor het studeren van Marx – deze commerciële vuistregel leidt ertoe dat in kapitalistische ondernemingen de wet geldt: er moet zo lang mogelijk worden gewerkt.

Het realiseren van deze wet – een tot op de dag van vandaag hooggehouden traditie – had tot gevolg:

- dat een reeks van arbeidersgeneraties reeds versleten was nadat ze amper had kennis gemaakt met de loonarbeid; de bezitters van de productiemiddelen hebben hun recht om het bedrijfsinterne rooster te bepalen zo toegepast dat voor de regeneratie van de arbeidskracht te weinig levenstijd resteerde;

- dat de staat – die met zijn macht de exploitatie van vrije loonarbeiders door het kapitaal als zijn economische basis heeft ingevoerd en sindsdien beschermt – zich genoodzaakt zag tot zijn eerste grote sociale daad: vanaf die tijd bestaat de wettelijk gegarandeerde normaalarbeidsdag;

- dat deze normale arbeidsduur tot in onze dagen gepaard gaat met opmerkelijk vele uitzonderingen; de arbeidsdag is niet alleen nagenoeg onveranderd gebleven (de enorme vooruitgang van de productiviteit heeft blijkbaar geen invloed), men kent ook voor overuren en extra ploegendiensten een doorslaggevende reden: de belangen van het bedrijf.

De andere reden voor het feit dat loonarbeiders aanzienlijk langer dan “normaal” werken, dus hun levenstijd in arbeidstijd laten veranderen, is net zo erkend: het normale loon voor de normale arbeidsduur is aan de magere kant. Daar de arbeidskracht in vorm van de prijs van arbeid wordt betaald – per uur of per stuk – is de loonhoogte nu eenmaal volkomen onafhankelijk van de waarde van de arbeidskracht. De noodzakelijkheden van het arbeidersbestaan, het op peil houden van de fysieke conditie, het ontstaan van nieuwe behoeften parallel met de ontwikkeling van de productie, de confrontatie met de marktvoorwaarden – dat alles speelt immers geen enkele rol als de loonhoogte als geld voor geleverde prestaties wordt vastgesteld. Deze onverschilligheid tegenover de levensbehoeften van arbeiders manifesteert zich in de praktijk wanneer de kapitalisten om de arbeiders concurreren. Gezien het krappe aanbod van bekwame handwerkslieden op de vroegkapitalistische arbeidsmarkt concurreerden de kapitalisten via de loonhoogte om de erkende vaklui voor hun manufacturen, het voorstadium van de industrie; en deze uitgesproken commerciële visie pasten zij – mutatis mutandis – op de grote aantallen arbeidskrachten toe die kennelijk niet meer te bieden hadden dan hun pure lichaamskracht. Het differentiëren van het loon (later met de “hoofdargumenten” opleiding en kwalificatie tot bloei gebracht) betekent ten eerste de waarde van de arbeidskracht te verlagen en ten tweede de meeste arbeiders deze waarde niet te betalen.

b)

De relatieve meerwaarde ontstaat doordat de opbrengst van de arbeid door de verandering van het productieproces wordt verhoogd, vooral door de invoering van arbeidsmiddelen die de arbeid productiever maken. Ook deze methode is een soort “gevolgtrekking” – om de concurrentie op de markt te winnen, concludeert het bedrijf dat daarvoor zijn productieproces moet worden veranderd: “…en de concurrentie legt elke individuele kapitalist de immanente wetten van de kapitalistische productiewijze als uiterlijke dwang op.”

De hier bedoelde wet luidt: er moet zo productief mogelijk worden gewerkt. Echter niet omdat er onvoldoende goederen zijn of te weinig levenstijd resteert, dus de arbeid te moeizaam is, maar uitdrukkelijk met het doel dat de productie van waren voor de markt de vermeerdering van het kapitaal teweegbrengt. In zoverre bewijst de “logische” verhouding tussen concurrentie en productie, tussen de markt, die de waren niet “absorbeert”, en de arbeidsproductiviteit in eerste instantie maar één ding: in de prijs van de waren die onverkoopbaar zijn en niets opleveren, steekt te veel arbeidstijd. De “maatschappij” met haar onverbiddelijke maatstaf van het geld deelt de kapitalist kennelijk mee dat voor de productie van zijn waren te lang werd gewerkt. Dit probleem lost hij op dankzij een productiviteit die zich als maatschappelijk noodzakelijk waarmaakt doordat daaruit producten voortkomen die zelfs dan rendabel te verkopen zijn als ze minder kosten dan hun voorgangers.

Dat is duidelijk genoeg – echter niet voor degenen die dit feit als noodzaak beschouwen en bovendien goedkeuren: als noodzaak om “de productiekosten te verlagen”. Deze voorstelling van zaken kan wellicht als leidraad dienen voor de calculatie in kapitalistische ondernemingen die enorme sommen uitgeven om het arbeidsproces zo om te vormen dat de geproduceerde waren (meer) winst afwerpen. Als alternatief voor, of zelfs als weerlegging van de analyse van de meerwaarde die Marx uitgevoerd heeft, is deze voorstelling onzinnig. Want in eerste instantie bestaat de verlaging van de “productiekosten” uit een reusachtige vermeerdering van het aangewende kapitaal, en “bezuinigd” wordt er uitsluitend op de loonkosten waarvan de verlaging echter zeker niet te verrekenen valt met de vergroting van het voorschot voor installaties en machinerie. Het beoogde en praktisch bereikte resultaat betreft een verbetering van de waar die met haar nuttige eigenschappen niets te maken heeft: de verhouding tussen de kosten die haar productie veroorzaakt en de winst die haar verkoop oplevert.

Deze lucratieve verhouding komt tot stand door de veranderingen in de productie die zo merkwaardig als “verlaging van de productiekosten” worden omschreven en tegelijkertijd als oninteressant terzijde geschoven. “Verhoging van de winst” zou immers net zo goed als titel van de maatregelen kunnen dienen, wat voor sommige mensen echter te dicht in de buurt van de leer van Marx lijkt te komen. De uitleg over de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd als bron en maat van de waarde, de differentie tussen de waarde van de arbeidskracht en de waarde van de geproduceerde waar als basis van de meerwaarde – dergelijke theorieën zijn op eigenaardige wijze “onbestreden”: tegengestelde uitleggen over de oorsprong van de winst worden namelijk niet gegeven omdat het vraagstuk wordt gemeden. In plaats daarvan presenteren de moderne economen een heleboel ideeën over de kwestie hoe gerekend wordt resp. gerekend moet worden opdat de groei tot stand komt. En voor het overige zijn ze van mening dat de verklaring van de meerwaarde gezien de “economische wetmatigheden” niet ter zake doet, maar de volledig misplaatste morele vraag stelt wie de eer toekomt… Dat lag zeker niet in de bedoeling van Marx toen hij uitlegde welke noodzakelijke gevolgen de relatieve meerwaarde voor de loonarbeid heeft:

- De manier waarop de kapitalisten de machinerie inzetten, verwijst de ongetwijfeld juiste bewering dat machines de arbeid kunnen verlichten naar het rijk der fabelen. Met de splitsing van het werk – dat nodig is om een product te vervaardigen – in reeksen eenvoudige deelhandelingen wordt niet het arbeidsgemak verhoogd maar het arbeidstempo. De intensivering van de arbeid, die de betaling van arbeidskrachten rendabel maakt, wordt onafhankelijk van de ambachtelijke omgang met gereedschap, dus op brede schaal ingevoerd.

- Terwijl de eenzijdige belasting waarmee de loonarbeiders als “aanhangsel van de machinerie” te kampen krijgen hun zenuwen, hersenen en lichamen ruïneren, klagen sociologen en andere kunstenaars over de “zinloosheid en leegte” van de moderne arbeid, wat tot films met de titel “modern times” leidt. Kapitalisten zien de aangelegenheid iets anders. Nadat het andere kenmerk van de waarde scheppende arbeid – abstracte arbeid te zijn, namelijk “pure inspanning van hersenen, spieren en zenuwen” – in de praktijk gerealiseerd is, nemen zij de prestatie van hun loonarbeiders onder de loep; en zij moeten constateren dat de betaling van de arbeid als maatstaf voor het loon serieus moet worden genomen. Dus er vindt een beoordeling (modern: functiewaardering) van de arbeidsplaatsen plaats die minutieus uitzoekt welke inspanningen en kwalificaties nodig resp. overbodig zijn als niet meer de individuele vaardigheid, maar de machinerie de productiviteit bepaalt. De vaardigheden bestaan alleen nog uit prestaties die als bewegingen en eenzijdige krachtsinspanningen meetbaar zijn en in hoogmoderne differentiëringen van de lonen resulteren. Door deze techniek van “adequate” loonsverlaging worden de arbeidskrachten via het loon verantwoordelijk gesteld voor het feit dat het kapitaal alleen maar een uiterst beperkte inzet van hun potenties eist. Dat zij daarbij moeite hebben – de slijtage neemt toe naarmate de intensieve eenzijdige belasting toeneemt  – als arbeidskracht te overleven, hoort bij de fenomenen van de “modern times”.

- De arbeid draagt echter ook in de traditionele zin de verantwoordelijkheid voor de rentabiliteit van de reusachtige investeringen: de “bedrijfsbelangen” eisen nog dringender de snelle omloop van het kapitaal; dus de arbeidsduur wordt op navenante wijze aan deze commerciële belangen aangepast. Ploegendiensten, overuren – überhaupt “flexibiliteit” – zijn door de “ontwikkeling van de productiviteit van de arbeid” net zo min achterhaald als de normaalarbeidsdag enigszins evenredig aan deze ontwikkeling korter wordt.

- Niet de moeite van de door de moderne industrie aangewende arbeidskrachten wordt gereduceerd, maar ten eerste het loon in verhouding tot de waardesommen die de arbeid bewerkt en vermeerdert; en ten tweede het aantal arbeidskrachten dat in het genot van werk komt en zijn levensonderhoud mag verdienen. Het kapitaal produceert in de klasse die door middel van loonarbeid moet leven een industrieel reserveleger. Niet omdat het nalaat of niet in staat is om “werkgelegenheid te creëren”, maar omdat het loonarbeid uitsluitend aanwendt als dat bevorderlijk is voor de kapitaalvermeerding. Het kapitaal ontwikkelt de productiviteit van de arbeid om de in geld gemeten rijkdom als privé-eigendom te vermeerderen. Marx heeft geconstateerd dat de werklozen die hun arbeidskracht niet mogen verkopen en gebruiken, maar toch enigszins in stand moeten houden, als bijbaan een functie vervullen: dat zij als werkzoekende arbeidskrachten die elke cent moeten omdraaien de onderlinge concurrentie om “werkgelegenheid” enorm verscherpen en de kapitalisten nog beter in staat stellen de prijs van de arbeid onder de waarde van de arbeidskracht te drukken. Deze constatering van de theoreticus van de meerwaarde is zelfs in de eenentwintigste eeuw nog acceptabel: wat Marx als noodzakelijk gevolg van de gebruikmaking van het variabele kapitaal beschouwde, geldt tegenwoordig als traditionele gewoonte die behouden moet blijven: vergeleken met het lot van het reserveleger is de arbeidskracht die geëxploiteerd en geruïneerd wordt in een geprivilegieerde positie – en met de werklozen voor ogen moeten de “werknemers” niet klagen noch eisen stellen.

6. Vanwege zijn meerwaarde-leer kon Marx afzien van een theorie over de “prestatiemaatschappij”; daar hij op de hoogte was van de onvermijdelijke uitwerkingen van de productie van meerwaarde op het arbeidersbestaan zag hij geen aanleiding om een theorie over de “consumptie- en vrijetijdsmaatschappij” op te stellen.

Als strenge waardetheoreticus heeft hij zich al vroeg gedistantieerd van de destijds voor de hand liggende, maar onjuiste leer dat het arbeidsloon niets anders zou zijn dan het bestaansminimum. Hij beperkte zich tot de bewijsvoering dat grote aantallen loonarbeiders noodzakelijkerwijze met het bestaansminimum moesten rondkomen en daarbij te gronde gingen. Hij wist natuurlijk dat de kapitalistische productie – juist vanwege de relatieve meerwaarde – ook de waarde van die waren verlaagt die een arbeidersgezin goed gebruiken kan, zodat een loonarbeider zich meer en gevarieerdere levensmiddelen kan veroorloven. Wat dat betreft heeft hij de moderne theorie geïnspireerd die benadrukt dat de arbeiders honderd jaar geleden noch over televisietoestellen, noch over toiletspoeling beschikten.

Ondanks dat wilde hij niet inzien dat daarmee de pure luxe zijn intrede doet in de klasse waarvan de bron van inkomsten de loonarbeid is. Voor dit geloof bieden de specifieke kenmerken van de waar arbeidskracht – het variabele kapitaal – geen enkel aanknopingspunt, integendeel: daarin ligt de reden voor het onmiskenbare feit dat loonarbeiders domweg niet van de grond komen.

a)

De onderwerping van de arbeid aan het belang van het kapitaal is de niets ontziende exploitatie van de arbeidskracht. De mens die zo gebruikt wordt moet allereerst, voordat de grote vrijheid begint, voor zijn herstel zorgen. Vrije tijd en kracht aan de ene kant, het verdiende geld aan de andere kant staan in dienst van de reproductie. Deze merkwaardige bezigheid is weliswaar uitsluitend een onderdeel van het privé-leven, maar ze betreft alle noodzakelijkheden die uit de inspanningen van het beroepsleven voortkomen. Wie deze noodzakelijkheden verwaarloost, besteedt geen zorg aan zichzelf, dus aan de bruikbaarheid van zijn arbeidskracht.

b)

De middelen, tijd en geld zijn beperkt. Niet omdat dat altijd zo is, maar vanwege de arbeidsprestaties voor het kapitaal en het daarvoor ontvangen loon. De techniek van het rondkomen met weinig inkomsten op het gebied van de levensnoodzakelijkheden bewijst vervolgens haar nut wanneer de eigenlijke vrije tijd begint.

c)

Bovendien heeft niet alleen de productieve werkzaamheid voor het kapitaal gevolgen voor het doen en laten in de vrije tijd; de “werknemer” is immers niet ontslagen uit de markteconomie en haar dwangmatigheden als hij het bedrijf verlaat. Hij ziet zich geconfronteerd met een goed georganiseerde commercie die zijn koopkracht opeist. Hij maakt kennis met het grondeigendom dat een groot deel van deze koopkracht als huur vraagt. Hij woont niet alleen in een woning maar ook in een staat die zowel voor het toezicht over de vruchtbare samenwerking tussen loonarbeid en kapitaal alsook voor grotere publieke opgaven een redelijke financiële bijdrage eist; vanzelfsprekend is de staat bevoegd om de loonarbeid ook voor naar buiten gerichte ondernemingen in te spannen (modern: interventiemacht, vredesmissies, verantwoordelijkheid voor de wereld). En natuurlijk zonder te informeren of de arbeider deze ondernemingen, waarvoor de overheid financiële steun verlangt, ook in opdracht heeft gegeven; en al helemaal niet of hij zich deze uitgaven ook kan permitteren. De staat doet gewoon waar hij recht op heeft: hij maakt gebruik van het historisch-morele element van het loon dat hij toch al grotendeels beheert.

*

Het is niet verrassend dat de lofredenaars van de kapitalistische welvaart op evenveel klagers treffen die financiële problemen en stress aanvoeren. De ene partij toont voortdurend haar (misprijzende) verbazing over het feit dat zoveel mensen – hoewel zij toch slechts loonarbeiders zijn – zich zoveel kunnen veroorloven. De andere partij geeft fijngevoelig in overweging dat het deze mensen niet makkelijk afgaat om hun welvaart te verdienen en te behouden. Marx zou heden ten dage ook aan deze open-end-discussie niet deelnemen. Want dat de loonarbeiders alleen maar zeer beperkt delen in de veelvuldige producten die het kapitaal tegen goed geld aanbiedt, is evident. Enerzijds zijn deze goederen en geneugten onbeperkt beschikbaar, ook voor het geld dat als circulatiemiddel de portemonnee van de loonarbeider passeert. Anderzijds laat de koopkracht van de portemonnee (incluis schulden maken en sparen) nooit meer toe dan de conjuncturen van staat en kapitaal toelaten. Ten derde worden alle pogingen om de krappe koopkracht in te delen belemmerd of teniet gedaan doordat de toonaangevende instanties van de markteconomie zich hun aandeel van het loon toe-eigenen. Vandaar dat, ten vierde, de “welvaart” noodzakelijkerwijze slechts als gemiddelde bestaat waar verbazingwekkend veel loonafhankelijken onder liggen. En last but not least: zelfs door het bezit van een auto plus surfplank wordt niet bewezen dat de reproductie van de arbeidskracht gelukt is. Wat Marx toen al beweerde, wordt door het huidige debat over “nieuwe armoede”, gezondheidskosten en milieu namelijk alleen maar bevestigd: “De kapitalistische productie ontwikkelt dus slechts de techniek en de combinatie van het maatschappelijke productieproces doordat ze tegelijkertijd de bronnen van alle rijkdom ondergraaft: de grond en de arbeider.”

7. Dat loonarbeiders niet werken om te leven, maar omgekeerd hun heel leven zo inrichten dat zij het werk en zijn gevolgen voor de reproductie van de arbeidskracht uithouden – daarvoor zorgt het kapitaal door hun exploitatie. Het feit dat er – afhankelijk van de conjuncturen – steeds loonarbeiders zijn die zoiets niet uithouden, blijkt uit de ontroerende reportages over “individuele lotgevallen”. Dat altijd en overal grote massa’s onvermijdelijk dit soort “noodlot” moeten ondergaan, is niet alleen Marx maar ook de overheid opgevallen.

Ook zonder de huidige sociale wetgeving te kennen, was de sociale kant van de staat voor Marx geen boek met zeven zegelen. De toenmalige arbeids- en fabriekswetgeving, de beperking van de arbeidsduur en bepalingen ten aanzien van veiligheid en gezondheid volgden namelijk dezelfde logica als de moderne sociale wetgevingen.

Principieel, d.w.z. allereerst gelden de commerciële calculaties, dus de vrijheden van het kapitaal. De gebruikmaking van de loonarbeid door het wettelijk beschermde privé-eigendom is tot economische basis van de natie gemaakt. Vervolgens heeft het verwezenlijken van het recht op meerarbeid, de behandeling van de bezitloze meerderheid als variabel kapitaal, gevolgen voor de arbeidskracht: ze wordt gaandeweg onbruikbaar. Dat spoort de klassenstaat tot sociale bedenkingen en daden aan; als sociaalstaat insisteert hij op het behoud van zijn economische basis. Daardoor heeft hij een goede reputatie gekregen omdat sommige voorschriften immers de rücksichtsloze behandeling van de loonafhankelijken beperkten. Op basis van deze goede reputatie werden tot sociaal denkende staatsmannen gepromoveerde socialisten voorstanders van de markteconomie: met een aantal “sociale weldaden” in hun programma.

Hun medelijden met de werkende klasse die niet eens tot reproductie van de arbeidskracht in staat was, werd actief zonder het kapitaal te hinderen. Voor alle voorspelbare situaties waarin de loonarbeiders individueel en massaal veroordeeld zijn tot onbruikbaarheid bestaat er in de sociaalstaat een van boven opgelegde, verplichte solidariteit. Ziekte, invaliditeit, ouderdom, reserveleger – dus alle soorten verpaupering waaraan de arbeidskrachten van het kapitaal blootgesteld zijn – kunnen op sociale steun rekenen. De bijdragen ter financiering van de “sociale verzekeringen” komen uit het loon van de werkende klasse; de hoogte en de duur van de uitkeringen bepaalt de staat waarbij hij steeds en vooral rekening houdt met zijn geld en zijn schulden. Daar is niks mis mee. Zoals het kapitaal met zijn fitte en bruikbare “werknemers” omspringt – (de bovengenoemde scheiding tussen betaling en behoeften door de vorm van het arbeidsloon) – zo behandelt ook de opperste toezichthouder de gehavende loonarbeiders. Zij worden door staatsteun in leven gehouden vanwege hun vermogen het geld te vermeerderen; als zij slechts geld kosten is deze maatregel niet langer doeltreffend. En de critici van de “sociale afbraak” wordt met verwijzing naar de schatkist de mond gesnoerd.

Allen die over de “vervanging” van de klassenstaat door de sociaalstaat enthousiast zijn, vinden een argument overtuigend: dat vele leden van de markteconomie zonder sociale voorzieningen er nog veel slechter aan toe zouden zijn. Hoe de onbruikbaren ervoor staan met sociaalstaat, daarover is weinig te horen. En hoe meer het reserveleger wordt uitgebreid des te groter wordt sowieso het medelijden met de noodlijdende staatskas.

8. Een andere grote sociale daad van de sociaalstaat is het toelaten van vakbonden. Ook over deze georganiseerde poging om loonarbeiders te helpen tot hun recht te komen, heeft Marx nagedacht. De logica van “zonder zou het nog erger zijn” vond hij ook op dit gebied niet acceptabel . Zelfs niet in zijn meest geciteerde uitlating over het “vakbondsvraagstuk”:

“Vakbonden doen goed werk als verzamelpunten van het verzet tegen de gewelddaden van het kapitaal. Zij slagen ten dele niet in hun opzet doordat zij van hun macht een onoordeelkundig gebruik maken. Zij slagen in het algemeen niet in hun opzet doordat zij zich beperken tot een guerrillastrijd tegen de uitwerkingen van het bestaande systeem, in plaats van tegelijkertijd te proberen dit systeem te veranderen, in plaats van hun georganiseerde krachten te gebruiken als een hefboom voor de definitieve bevrijding van de arbeidersklasse, d.w.z. voor het definitief afschaffen van het loonsysteem.”

De “verzamelpunten van het verzet” zou hij tegenwoordig met de beste wil van de wereld nergens ontdekken. Wat er resteert, is alleen nog het oneigenlijke machtsgebruik dat daarin bestaat dat de vakbonden altijd zo doen alsof de jaarlijks plaatsvindende onderhandelingen over de vaststelling van de prijs van de arbeid heel iets anders zouden zijn. Namelijk de correctie van de zonden die kapitaal, markt en staat (modern: arbeidsproductiviteit en inflatie) tegenover de waarde van de arbeidskracht hebben begaan. Daaruit blijkt niet alleen dat de moderne vakbonden een “rechtvaardig loon” zeer waarderen; deze organisatie van de werknemers in het kapitalisme beweert bovendien dat in de loonrondes over de verdeling van de rijkdom zou worden beslist. Als zou men onder het regime van het privé-eigendom, dat de arbeid gebruikt, verbruikt en ontslaat, nog moeten vaststellen welke klasse welk gedeelte van een – nergens voorhanden – rekening of financiële koek toekomt!

Daarbij berekenen de vakbonden het recht op een rechtvaardig loon uit de bedrijfsbalans van het kapitaal. De productiviteit van de arbeid die ze als goede reden voor een beter CAO-loon strijdvaardig aanvoeren, is echter de winstvoet van het kapitaal; zodat de basis van een loon dat zijn recht slechts uit de winst van de tegenpartij afleidt, is bezegeld. En ook de “onmacht” om de loonafhankelijken van werkgelegenheid en loon te voorzien zolang dat niet rendeert, wordt daarmee zonder meer erkend.

Daarom is het ook niet verwonderlijk dat de moderne vakbonden bij hun poging de verdeling van de rijkdom te regelen in staat zijn om grotere opgaven aan te pakken. Zij bekommeren zich in alle ernst om het vermogen van de kapitalisten om de arbeiders iets te laten verdienen, en werken mee aan het correcte management van de zaken – medezeggenschap en kritiek zijn hetzelfde – en dat alles uit naam van de loonarbeid waarvan de missie “de groei” te bevorderen niet ter discussie staat. Ten opzichte van het moeilijk te vertegenwoordigende grote aantal armlastige bijstandstrekkers – de “Verelendung”, het gebruikelijke pauperisme! – zijn deze organisaties van de arbeidersklasse en de staat congeniale partners. De vakbonden willen de overheid hooguit nog waarschuwen dat te veel werklozen de staatsveiligheid – zoals in het verleden – zouden kunnen bedreigen.

Zodoende werden de vakbonden toch nog “verzamelpunten” – van nationalisten. Die vinden het arbeidsloon onbeduidend, en voor de natie brengen zij nog andere en grotere offers dan slechts het historische en morele element van het loon.

*

Dit soort orthodox marxisme is hier te lande (en wereldwijd) dood; in plaats daarvan zijn “v”, de arbeidskracht, en de “gewelddaden” van kapitaal en overheid springlevend – helaas.

© 1992 Gegenstandpunkt Verlag, München