De moraal

Enkele oude, maar correcte gedachten over de moraal

Een aantal decennia voordat het hevige debat losbarste over gemeenschappelijke normen en waarden, opvoedingskampen voor jongeren en gedragcodes voor managers en speculanten enz. heeft Hegel zich over de aangelegenheid gebogen; en in tegenstelling tot andere filosofen – die tot op de dag van vandaag als “verlichters” worden bewonderd omdat zij de moraal hebben gepreekt – heeft hij de kwestie verklaard; enerzijds. Anderzijds liet hij het niet bij de uiteenzetting van de noodzakelijkheid dat het verstand zulke merkwaardige zinnen voortbrengt als: “dat is onverantwoord”; of dat de vrije wil ervoor zorgt dat zoiets als kennelijk nutteloze inzamelingsacties voor steeds meer ellendigen deel uitmaken van het alledaagse bestaan; hij heeft de morele handelwijze ook nog gebillijkt omdat hij de betekenis ervan voor het behoud van de burgerlijke samenleving waardeerde. Ten derde is hem opgevallen dat de morele gezindheid, deze voor de kapitalistische maatschappij onontbeerlijke basisbagage van elke staatsburger, “voortdurend kan omslaan in het kwade”. Daarvoor heeft hij gewaarschuwd. –

Als in een reusachtig medialandschap nagenoeg iedereen zijn zegje mag doen – de regering krijgt weliswaar gegarandeerde spreektijd, maar ook sporters, gedetineerden en de jeugd mogen hun mening zeggen – , als daarbij uiterst zelden belangen ter sprake komen, maar in plaats daarvan steeds vaker gerechtigde belangen, dan heerst vrijheid. Door het goed georganiseerde stemmengegons wordt in ieder geval de afwezigheid van despotisme bewezen, de nachtmerrie van alle democraten en lezers van Orwell. Bindende richtlijnen voor het denken en doen bestaan hier te lande inderdaad niet. Aan de andere kant wordt het veelstemmige, op alle toonhoogten gevoerde debat door een bepaalde cultuur gekenmerkt die het afglijden van de controverses over contraire belangen naar ordeloos geruzie voorkomt. Deze cultuur blijkt niet alleen uit het optreden van moderators, belangrijke personen uit politiek, wetenschap en diverse redacties die de toelaatbaarheid van de tegenovergestelde meningen en eisen beoordelen. De afweging of de geuite verzoeken ook erkenning verdienen, of een belang niet alleen bestaat maar ook billijk is, vormt een cruciaal onderdeel van het democratische menen, manen en eisen. Er is nauwelijks iemand te vinden die zijn aanspraken of klachten niet nadrukkelijk als “overeenstemmend met de regels van het recht en de plicht” naar voren brengt. Zonder de overtuiging die “iets als rechtmatig beschouwt”, dus niet indruist tegen de algemeen gedeelde maatstaven, gebeurt op dit gebied helemaal niets. Deze manier van oordelen en menen – die vervolgens aanspoort tot allerlei eigenaardige daden – is de elementaire vorm van de moraal waarvan de actieradius alle hoeken van de samenleving omvat; de moraal richt haar aandacht op een veelvoud van alledaagse, als normaal beschouwde handelingen van hoogstaande persoonlijkheden en onbeduidende figuranten – en zet ook aan tot excessen waarvoor alle moralisten dan plichtsgetrouw schrikken.

1. Dat het goedkeuren en afkeuren van handelingen als maatstaf het recht hanteert dat van overheidswege een onderscheid maakt tussen de toegestane en verboden wijzen om naar eigendom en geluk te streven, is onmiskenbaar. Wie zich de moeite getroost om tussen goede werken en boze daden te onderscheiden, ageert allereerst als juridisch amateur en beoordeelt  of het daarbij om naleving of overtreding van wetten gaat; iemand die zich door wetsovertredingen voordelen verschaft en anderen schade toebrengt, komt niet alleen met justitie in aanraking – hij verspeelt ook de erkenning door alle rechtschapen burgers. Dit soort mensen legt zich niet gewoon neer bij de regels volgens welke het geregeerd wordt en tracht binnen het kader van het toegestane zijn leven in te richten; zich noodgedwongen schikken in de verordende “omstandigheden” volstaat niet voor deze onderdanen. Zij ontwikkelen veeleer door een specifiek denkproces de wil om zich aan de macht van het heersende recht te onderwerpen: als voorwaarde om zo goed mogelijk hun eigen voordeel te kunnen zoeken, ontdekken ze aan het van boven opgelegde reglement een aantal positieve kanten – het naleven daarvan garandeert per slot van rekening dat men in alle mogelijke beroepsvelden actief kan zijn, althans daar waar men terecht is gekomen. Het begrip voor het nut van de beperkingen die het recht ongetwijfeld verordent, is uiteindelijk dan op zijn plaats als men met de buitenwereld kennis maakt en merkt hoezeer men erop is aangewezen dat anderen de wetten respecteren zodra men zelf probeert om aan geld en genot te komen. Vandaar dat het gezonde mensenverstand van de berekenende onderdaan ervoor kiest het respect voor de maatschappelijke omgangsvormen die het openbare gezag gebiedt, tot eigen behoefte te verklaren. Iedereen kenmerkt zich als rechtschapen mens doordat hij de objectieve voorschriften omtrent het maatschappelijk verkeer tussen de burgers verheerlijkt tot zijn recht, ze “verinnerlijkt”. Waarbij “verinnerlijken” niets anders betekent dan ze zich eigen te maken, de controle over hun naleving te eisen en te demonstreren dat men dit recht dankzij zijn eigen welgevoegelijk gedrag mag opeisen.

2. Door begrip op te brengen voor de noodzakelijkheid dat een functionerende samenleving berust op de door allen geleefde deugd van de zelfbeperking, verbinden de mondige burgers zich weliswaar principieel met het gezag waaraan ze onderworpen zijn. Dat zij het standpunt van de overheid delen en zichzelf tot profiteurs en controleurs van recht en orde benoemen, verschaft hen echter, zoals men weet, hoogst zelden een carrière bij de politie, justitie of in het bestuursapparaat. In plaats daarvan verruimen zij de actieradius waarin zij hun vrijheid uitleven.

Tot de conclusie gekomen dat zowel hun eigen wel en wee als dat van alle anderen staat of valt met het feit dat allen bij de behartiging van hun belangen rekening houden met elkaar en hun zelfzucht beteugelen, nemen ze hun eigen en andermans handelingen onder de loep; echter niet met verwijzing naar de politieke orde en het wetboek – dat is zaak van de rechtspleging – maar op basis van hun innerlijke overtuiging. Door de overname van het ambt dat de theoretische controle over het fatsoen binnen de samenleving uitoefent, verschaft een rechtschapen burger zich namelijk ook de definitiemacht over de maatstaven waarvoor hij respect eist. In het rijk van de morele gezindheid verkeren persoonlijkheden die hun volstrekt eigen opvattingen over de algemeen geldende normen uitdragen. Het voorwerp van observatie zijn alle kleine en grote, private en publieke aangelegenheden waarbij de mensen onderling concurreren en in conflict komen, dus slagen of mislukken: er wordt beoordeeld of de bedoelingen van de dramatis personae wel of niet overeenkomen met de aangelegde  rechtvaardigheidscriteria; of ze als realisering van een gezindheid die het goede nastreeft kunnen gelden.

Daar de uitoefening van dit ingewikkelde handwerk zo eenvoudig is dat iedereen daar aan kan meedoen, heerst in de modernste van alle samenlevingen op alle niveaus een permanente strijd, in school en familie, arbeidswereld en politiserende publieke opinie. Het ijveren tegen niet-morele handelingen vindt zowel in de wereld van de concurrentie met haar overwinnaars en verliezers voldoende aanleidingen alsook in de hiërarchieën van de politieke macht en in de sfeer van het privé-geluk. Morele ijveraars zoeken immers niet naar redenen voor de merkwaardige verdeling van voorspoed en tegenspoed, macht en onmacht, maar vragen naar de rechtvaardiging ervan. En waar de een achter grote inkomens even grote prestaties vermoedt, ontdekt de ander helemaal geen indrukwekkende daden maar onoorbare praktijken. Moralisten brengen waardering op voor succes en fatsoen; en verachting komt op zodra ze een deugd van hun keuze missen. Het opportunisme dat ze aan de dag leggen bij het aanleggen van hun morele maatstaven, is weliswaar evident – maar zij zien daarin wel degelijk een verstandige vorm van kritiek. Dat de vlijt die ze van iedereen verwachten bij ondernemers en politici volkomen andere prestaties beïnhoudt dan bij arbeiders en huisvrouwen kan hen geen moer schelen. Dat “correct gedrag” van bankiers en leerlingen uiterst verschillende resultaten teweegbrengt, vinden zij vanzelfsprekend – maar volkomen onbelangrijk. Dat hun volmondige eis die ze overal leuren – iedereen moge op zijn plek, in zijn maatschappelijke positie zijn plicht doen – alleen maar een ideëel aftreksel van de voorgeschreven orde is, betekent voor rechtschapen burgers namelijk slechts een ding: dat ze zodoende het recht hebben verdiend om op de handhaving van fatsoensnormen te letten – daar ze nu eenmaal geen belangentegenstelling kunnen uitstaan, en al helemaal niet willen uitvechten. Zelfs politici zijn niet gevrijwaard van hun smaakoordelen, wetten beschouwen zij af en toe als onrechtvaardig en vonnissen vinden ze vaak schandalig…

3. De ontevredenheid die zich uitdrukt in de onthulling van wandaden, onfaire concurrentiepraktijken, tussenmenselijke grofheid en diverse vormen van ambtsmisbruik is in tweeërlei opzicht bescheiden te noemen. Enerzijds gaat het daarbij om ideële onbevoegde ambtsuitoefening – moralisten verkondigen ononderbroken aan welke misdragingen van hun medemensen zij een einde zouden maken als zij het voor het zeggen zouden hebben. Voortdurend piekeren ze over het probleem dat in de werkelijke wereld velerlei is geoorloofd wat hun onberispelijke gezindheid verbiedt. Koppig en tegelijk berustend registreren zij steeds opnieuw dat de anderen volstrekt gewetenloos zijn; en niet zelden komen ze tot de zelfgerechte maar treurige constatering dat ze omsingeld zijn door gespuis dat door niemand tot de orde wordt geroepen. Als ze ten slotte ook nog in een opwelling van eerlijkheid bekennen dat ze zelf – onder de gegeven omstandigheden – ook niet altijd (kunnen) gehoorzamen aan hun morele imperatieven, kan de slotconclusie niet uitblijven dat goede daden en plichtbewust handelen in alle levenssituaties behoorlijk nadelig uitpakken.

Aan de andere kant is dat niet het einde van de morele maatschappijkritiek, laat staan het antwoord op de vraag wat de plichtvergeten bende zich dan wel voorneemt, van welke niet-morele imperatieven zij zich laat leiden als ze al alles veracht wat eigenlijk plicht is. Tegen de instellingen van het burgerlijke bestaan, tegen de voorgeschreven middelen en manieren om aan geld en goed  te komen, maar ook om zich van betrouwbare diensten en bevoegdheden te verzekeren, hebben zulke bezwaren als “onrechtvaardige voordelen”, “onverdiende verdiensten”, “verboden, dus boosaardige benadeling van anderen”, etc. zich immers sowieso nooit gericht – juist het misbruik van alle “zinvolle” instituties van ziekenfondsen tot vrije verkiezingen is het opsporingsgebied van de experts voor deugd en ondeugd*. Vandaar dat de teleurstelling over de aanhoudende vruchteloosheid van de morele vernieuwingspogingen consequent uitmondt in twee complementaire voortzettingen. De eerste betreft de personen die de ethische code van gepaste “zelfdomesticatie” permanent overtreden. Hun karakter wordt veroordeeld – niet omdat ze deze of gene plicht niet nakomen, maar omdat ze kwaadaardig  (van nature) zijn. De tweede betreft de instantie die bevoegd is om te excommuniceren: men eist van het staatsgezag en het geldende recht niet langer dingen te gedogen die de moraal als ondragelijk beschouwt.

Zo keert de moraliteit terug naar de samenleving waarvan ze de toonaangevende gezindheid wil zijn.

* (Ter verduidelijking: de klacht: “De rijken worden steeds rijker, de armen steeds armer!” maakt geen bezwaar tegen de hiërarchie van het geldbezit, maar verzoekt de verschillen – die men niet als tegenstelling beschouwt – af te vlakken. De steeds actuele klacht over de “verspilling van belastinggelden” heeft niets te maken met het beëindigen van de eenzijdige overeenkomst die de onderdanen verplicht om hun overheid te alimenteren en de belangen van de natie te financieren als zou het om een gemeenschap van gelijkgezinden gaan; er wordt uitsluitend correcte boekhouding geëist – het ideële loon voor diegenen die elke maand de helft van hun brutoloon moeten afstaan. Wie “parasieten van onze sociale voorzieningen” opspoort, heeft niet het wezen van de dwangverzekeringen begrepen – die hij niet heeft uitgevonden, noch mag opzeggen – maar arme stakkers tot vijand benoemd omdat ze zich ten onrechte zelf “verrijken”. Als men in verband met massaontslag “mismanagement” constateert, is dat geen kritiek op de calculatie van kapitalistische ondernemingen, maar gemopper over “onnodige fouten” op de directie-etage waardoor de werkgelegenheid van werkwillige werknemers wordt bedreigd. De “vrouwenkwestie” is inmiddels zo opgelost als de argumenten van het feminisme deden vrezen. Onder verwijzing naar de prestaties en offers van vrouwen en moeders mag deze helft van de mensheid de helft van de verantwoordelijkheid dragen die overheid en kapitaal te bieden hebben – een prachtige emancipatie: weinig loon, maar erkenning door de hoogste instanties. Moreel gesproken: de gerechte straf voor het feit dat ook de feministische vrouwen uit hun onderdrukking geen adequate “veranderingen” wilden afleiden.)

4. De filosoof Hegel die wij tot nu toe – vanwege zijn kennis – geciteerd en samengevat hebben, hechtte veel waarde aan deze prestaties van de vrije wil – zeer eigenaardig gezien zijn diepe inzichten. Hij beschouwde een samenleving waarin de wetten uitsluitend worden aanvaard en nageleefd omdat het daarbij nu eenmaal om het regelwerk van de machthebbers gaat die gehoorzaamheid eisen, als behoorlijk onvolkomen en bovendien instabiel. De burgers moesten zich aan de orde die de gezagdragers opleggen niet alleen maar onderwerpen. Alle onderdanen moesten zich – ongeacht hun stand of klasse, dus ook zonder rekening te houden met de resultaten van hun activiteiten – binnen de staat thuis voelen. De morele gezindheid was voor de filosofische voorstander van de burgerlijke staat identiek met de garantie dat de staatsburgers de rechtsorde en daarmee de macht van de overheid niet als dwang van bovenaf ondergaan; dus voortdurend beseffen dat zij met hun belangen contrair tegenover het staatsgezag staan en deze – uit het recht voortkomende – tegenstelling moeten uithouden. Het morele streven naar rechtschapenheid en rechtvaardige behandeling beschouwde Hegel als overwinning op het zelfzuchtige materialisme dat aan de geheiligde instituties van eigendom en familie, aan het recht in zijn geheel uitsluitend het beperkende karakter ontdekt. De ambitie om een rechtschapen bestaan te leiden “in ruil” voor het welgevoegelijke gedrag van anderen waarborgt immers de bereidheid om de instellingen van de burgerlijke wereld bruikbaar te vinden, deze als voorwaarden en middelen van alle economische activiteiten te waarderen. Dergelijke onderdanen die alle geboden en beperkingen van de geldende wetten – die een gehele productiewijze en een hiërarchie van behoeften organiseren – accepteren; die tegen de achtergrond van de omstandigheden die hen het leven zuur maken de brandende vraag stellen of allen zich ook zo gedragen en onderling verkeren als het “de mensen” toekomt en betaamt – dergelijke onderdanen die alle overwinningen en nederlagen op morele manier duiden, zijn niet alleen godgevallig. Zij vonden ook genade in de ogen van Hegel – kreeg toch de overheid door de gewoonte van de morele wereldbeschouwing een op zedelijke fundamenten rustend staatswezen “met immanente bestendigheid”. En natuurlijk heeft hij gelijk: de fatsoenlijke en gewetensvolle burgers – die zichzelf en elkaar lastig vallen door te hameren op goed menselijk gedrag  – dienden en dienen het staatsgezag bij de organisatie van de noodzakelijke gehoorzaamheid als betrouwbare officieuze handlangers.

Dat deze functie inherent is aan de morele denk- en handelswijze die verder gaat dan het recht en soms zelfs de gerechtigheid van het recht betwijfelt, komt voort uit haar zelf. Want alle uiteenlopende geleefde en geëiste deugden, van de hoffelijkheid en de beleefde omgang met vrouwen en andere afhankelijken tot het respect voor de “eigen” meningen van “andersdenkenden”, beïnhouden één immanente behoefte: die naar eendracht. Dat deze eerst door het verwezenlijken van de catalogus van goede zeden moet worden teweeggebracht, bewijst het negatieve karakter van de imperatief men moge door zedelijk gedrag tweedracht vermijden. In het tolerantiegebod is immers een verbod van strijd samengevat, het veronderstelt dus de onverenigbaarheid van de belangen en rechten die verbonden zijn met de kleine en grote geschillen van het democratische markteconomische leven. Ongeïnteresseerd in de oorsprong van de stilzwijgend veronderstelde tegenstellingen eist de moraal van alle strijdende partijen als het ware een bijkomend, extra belang – de ontbrekende overeenstemming dient qua vorm nietig te worden verklaard: door de schijn van eensgezindheid. De sommatie om “wijze” en “verstandige” zelfbeperking te tonen, beïnhoudt in ieder geval het matigen van de belangen en behoeften – wie daarbij de gedupeerden zijn, is trouwens geen raadsel: dat wordt niet bepaald door een nog zo vaste gezindheid, maar door de per recht verdeelde middelen – en komt neer op een brutale eis: allen die met elkaar confligeren, moeten niet het antagonistische van hun belangen registreren en begrijpen om daaruit hun beslissingen af te leiden. Zoiets geldt volgens het leerboek van de moraal als “boosaardig”: willens en wetens schade berokkenen aan anderen. Veeleer moeten zij als strijdende partijen “verdraagzaam jegens elkaar zijn”, dus inzien dat zij met hun respectievelijke bijzondere belangen van elkaar afhangen en hun tegenovergestelde belangen als onderdeel van een gemeenschappelijke zaak beschouwen en in de praktijk brengen.

Dat daarbij niet iedereen waar voor zijn geld krijgt, ligt voor de hand – maar dankzij hun “bereidheid tot compromissen” en “offervaardigheid” krijgen allen waar zij recht op hebben. Wat de “gemeenschappelijke zaak” betreft waarvan alle plichtsgetrouwe strijdende partijen menen deel uit te maken en waaraan zij met hun prestaties en offers bijdragen nog enkele opmerkingen:

Deze abstractie van hun belangen die de burgers voortdurend maken als zij met behulp van morele regels en respect voor elkaar hun conflicten uitvechten, is helaas geen theoretische hersenschim. Het is een “reëel existerende” abstractie in de hoedanigheid van een kant-en-klaar staatsgezag. Met het oog daarop – en niet op de moraliserende medeburgers – relativeren (niet) stakende arbeiders, huisvrouwen, huurders en nog ergere personages uit de normaliteit hun belangen. Daarbij zijn deze belangen alsook de middelen waarover ze beschikken kennelijk reeds het werk van de overheid die het kader “definieert” waarbinnen de moreel gezinde, zelfbewuste knechten hun plicht doen. Als het loon en de werkgelegenheid ondergeschikt zijn aan de rentabiliteit van ondernemingen dan zijn morele vakbondsleden niet zelden solidair met “hun” bedrijf en zorgen voor zijn voortbestaan en tevens voor de Nederlandse economische groei – door gedoseerd loon en werkgelegenheid in te leveren. Als de institutie gezin de belangen van de vrouw (die daaraan begint) aanzienlijk beknot dan willen vrouwen – geconfronteerd met abortus, echtelijk geweld, weinig huishoudgeld en echtscheiding – per se naar hun geweten luisteren en zich voor deze geïnstitutionaliseerde geweldsverhouding opofferen…De transformatie van de van boven opgelegde afhankelijkheden in een canon van waarden en plichten waaraan de burgers (m/v) met hun vrije wil verantwoordingsbewust willen gehoorzamen, brengt nu eenmaal niets anders teweeg dan de – weliswaar omslachtige maar – eenduidige bevestiging van de geldende orde. En daarvan dat de reële dwanggemeenschap de spil en het betrouwbare centrum van elke morele gezindheid is, maken dan ook noch de politici noch de burgers een geheim. Lange tijd voordat het patriottisme begrepen wordt als “bereidheid tot buitengewone opofferingen en daden” vinden de onderdanen iets anders heel normaal: omdat zij hun staat als positieve bestaansvoorwaarde beschouwen, waarderen zij de “gewone toestanden en levensomstandigheden van de samenleving als substantiële basis en doel” van hun bestaan. Het tegenovergestelde idee: dat de behoorlijk slecht behandelde burgers hun rol als flexibel voetvolk van de natie opgeven en zich voornemen een zelf bedachte, werkelijk gemeenschappelijke zaak tot “substantieel doel” te maken, is zeker hoognodig, maar extreem immoreel.

Een middenweg bestaat trouwens niet. Wie “ja” zegt tegen de samenleving waar hij toevallig is beland, wil niet afwegen of hij voor of tegen zijn vaderland is. Verbeteringsvoorstellen ten behoeve van een eigen beter bestaan betreffen dan uitsluitend de belangen van de natie en ze berusten op de abstractie van de eigen behoeften en wensen daar ze als argument aanvoeren dat daarvan toch ook en juist de samenleving zou profiteren…

“Het patriottisme berust echter niet op deze berekening, maar op het bewustzijn van de absoluutheid van de staat” –  meende Hegel en moderner kunnen wij het ook niet uitdrukken. Zo promoveert de natie namelijk naar het rijk van de waarden, deze morele gedachtecreatie die noch uit zelfzuchtige berekeningen resulteert, noch door zulke lage motieven in twijfel valt te trekken. En als zou Hegel in het moderne Nederland het debat hebben waargenomen over de georganiseerde criminaliteit, belastingontduikers en asielzoekers, mohammedanen en Marokkanen; als zou hij de verkiezingen hebben meegemaakt met hun personencultus en partijcongressen en buttons gelezen met de leus: trots op Nederland, zo levert de grote filosoof nog een bewijs van zijn diep inzicht in de raadselachtige geheimen van de moraliteit: “De absolute gehoorzaamheid aan de bevelen van de regering, de aanhankelijkheid aan de persoon van de vorst en aan de grondwet en het gevoel van nationale eer zijn de deugden van de burgers van elke geordende natie”.

5. Wie de moraal zo goed begrepen heeft als Hegel en ze vanwege haar grootste prestatie waardeert – de cultivering van de nationale gemeenschapszin – die ontdekt ook welke gevaren in het morele gedoe aanwezig zijn. Ook daarin onderscheidt hij zich van vroegere en hedendaagse moraalpredikers die slechts één ding hebben gesnapt: dat men zich met zijn vrije wil van een goede gezindheid moet voorzien om ze anderen op het hart te kunnen drukken. In elk geval waren toentertijd al mensen erop gespecialiseerd om zich de geldigheid van morele standpunten ten nutte te maken door de kunst van het “morele argumenteren”. Zij hebben een middel ter zelfpresentatie ontdekt en zijn als persoonlijkheden opgetreden die in alle levenssituaties hun geweten laten spreken. Altijd besluiten zij na rijp zelfberaad om het goede teweeg te brengen en naar een (enigszins) categorische imperatief te luisteren; steeds zijn ze verantwoordingsbewust en handelen nooit zomaar, omdat het normaal is, uit gewoonte, omdat iedereen het doet of uit berekening – deze functionalisering van de op zichzelf correcte behoefte naar rechtschapenheid heeft op de zenuwen van de oude dialecticus gewerkt: “De mens moet zich niet ervan overtuigen dat hij bij het gewone handelen van het individuele leven belangrijke, voortreffelijke bedoelingen heeft”.

En ook over de omgekeerde manier van moraliseren was de staatsfilosoof op de hoogte. Vooral de prestaties van staatsmannen en veldheren, die hij als bijdrage tot de vooruitgang van grote naties enorm waardeerde, moesten niet langs de meetlat van “het kamerdienaaroogpunt” worden gelegd. De betekenis van historische ondernemingen wordt namelijk niet verkeerd, maar helemaal niet beoordeeld als een afgunstige mens over de om hun daden bewonderde helden weet te vertellen dat ook zij alleen maar hun sokken vuil maken en vaak dronken zijn.

Als iedereen bezig is om te observeren welke goede bedoelingen aanwezig zijn in zowel het eigen doen en laten als in dat van de medemensen, dan begint onvermijdelijk het ongeremde fantaseren. De verlichte moderne mens weet namelijk wat hem betaamt en onderbouwt zijn handelingen met goede bedoelingen, maakt niet uit wat hij doet. Op alle maatschappelijke terreinen, van de intieme levenssfeer tot het parlement, wordt naar hartelust gehuicheld: “Huichelarij bestaat daarin, dat de mensen kwaad handelen maar tegenover anderen te schijn wekken goede bedoelingen te hebben, iets goeds te willen doen”. De namen en titels waaronder tegenwoordig het politieke beleid wordt uitgevoerd en het kapitaal wordt vermeerderd, worden al lang met de zaak zelf verward – en Hegel, die de staat en het eigendom zeer respecteerde, zou ongetwijfeld allerlei vormen van etikettenzwendel hebben ontdekt. Dat bij zoveel huichelarij – trouwens de stabiele basis voor de samenscholing van alle benefietartiesten – ook het woordenboek wordt beschadigd, mocht hij niet meer meemaken. Zo bleef hem tenminste niet alleen de kritiek van Marx bespaard maar ook de topprestatie van de moderne huichelarij die echte oorlogen omtovert in vredesmissies.

Misdadigers worden door Hegel minder welwillend beoordeeld daar zij bijzondere conclusies trekken uit hun zelfvervaardigde ideeën over goed en kwaad dat hen overkomt. Zij overtreden namelijk de geldende wetten en komen in aanraking met het gezag, politie en justitie. Ondanks dat moet ter rehabilitatie van een groot aantal wetsovertreders worden gezegd dat ze slachtoffers zijn van hun eigen diep morele instelling. In ieder geval beginnen de criminele dwaalwegen van velen – (het beroepsmatige vergrijpen tegen eigendom en personen wordt hier niet behandeld) – zeer onschuldig: gewone burgers gebruiken het recht van hun subjectieve wil en proberen de opgelegde maatschappelijke verhoudingen als goed in te zien. Net als vele anderen hebben zij daarmee af en toe moeite; zij missen al te vaak de uitvoering van de algemeen gebillijkte principes die zij als inhoud van hun rechtschapenheid koesteren. Hun gezindheid – een mengeling van goede en slechte meningen over de wereld en de mensen met wie zij te maken krijgen – functioneert naar behoren. Tot opeens een van de ingebeelde, maar welverdiende rechten aan hen wordt onthouden; en als zij de aandacht van hun baas, de genegenheid van hun echtgenote of ook de successen van hun nationale en lokale sportidolen als hen toekomende erkenning hebben beschouwd, voelen zij zich diep in hun eer gekrenkt. Dan zijn ze zeer verontwaardigd over Hegel’s spreuk dat het recht sommige dingen toestaat die de moraal verbiedt – en leveren min of meer spontaan het bewijs dat hun moraal meer toestaat.

De gepaste omgang met de moraal is dus niet zo eenvoudig, “overdrijvingen en ongewenste overgangen” liggen steeds op de loer. De behoefte van rechtschapen burgers naar fatsoenlijke behandeling, de gecultiveerde teleurstelling over het feit dat hun eigen rechtschapenheid niet adequaat wordt beloond, de woede over de “ellebogenmaatschappij” waarin iedereen maar aan zichzelf denkt en sommige parasieten er beter voor staan dan de eerlijke en vlijtige mensen – dergelijke bezwaren zijn immers niet te verwisselen met de simpele constatering dat de burgerlijke concurrentie om geld en macht nu eenmaal geen gemeenschappelijke onderneming is. De klachten over de onrechtvaardigheid van het recht en de politieke leiders zijn het tegendeel van het inzicht dat de reële samenleving, de staat, niets anders is dan de militante macht die de maatschappij samenhoudt, de tegenstellingen in werking stelt en er op toeziet dat alle burgers zich daarin bewijzen.

De moraal van rechtschapen burgers bekritiseert niet de economie, maar eist met haar zedelijkheidswaan van de bestaande staat, waarvan ze de “raison” in principe goedkeurt, de daadkrachtige kritiek op alle overtredingen die ze binnen alle klassen van de samenleving ontdekt. De moraal wil juist zonder veranderingen van de burgerlijke grondbeginselen de eenheid en de gemeenschappelijke dienst aan het algemeen belang door “de harde hand” laten afdwingen. Deze wens tot verandering is als democratische (en consequent verder ontwikkeld als rechts-radicale en fascistische) behoefte in het beste systeem aller tijden, markteconomie & democratie, altijd aanwezig.