Ontslagen NedCar & Co.

1

Het is sinds jaar en dag routine: omdat hun concurrenten succesvoller zijn op de markt blijven bedrijven met hun overcapaciteiten zitten en sluiten afdelingen of het hele bedrijf; of een concern, bijvoorbeeld Beiersdorf, wil door “ingrijpende reorganisaties” zijn concurrentiepositie verstevigen: als gevolg daarvan gaat de fabriek in Almere dicht; of ondernemers klagen over te hoge kosten en zij bedoelen nooit de toeleveranciers- of olieprijzen maar de loonkosten; de mensen die hier te lande in fabrieken en kantoren werken zijn te duur: de productie van gloeilampen is niet meer rendabel in Nederland, aldus Philips, en de internationale concurrentie resp. “globalisering” gebiedt dus dringend naar de lagelonenlanden te verhuizen waar ondernemers niet delen van hun welverdiende winsten kwijtraken door exorbitante arbeidskosten.

Het bedrijfsleven spreekt duidelijke taal: de armoede van de bevolking is zoiets als een resource voor de rijkdom van de fabrikanten, hoe armer de mensen des te beter het investeringsklimaat, een mededeling die geen ruimte laat voor illusies. De heilige koe van de markteconomie – de winst van het kapitaal – is onverenigbaar met het levensonderhoud van de “medewerkers” of omgekeerd: het levensonderhoud van de werkende klasse is nadelig voor de rentabiliteit van de ondernemingen; de werknemers leven ten koste van de werkgevers, een schandaal die elke capabele ondernemer “helaas” dwingt, als “saneringen” niet helpen, óf zijn onderneming meteen te sluiten, óf zijn overlevingskansen in landen te grijpen waar hongerlonen regel zijn.

En ook de reacties volgen het bekende patroon: “Dit komt aan als een mokerslag”, aldus W. Criens van FNV Bondgenoten, een vakbond die ervaring heeft met het afweren en verwerken van dit soort mokerslagen, exemplarisch gedemonstreerd bij NedCar. In augustus j.l. werkte FNV nog mee aan het schrappen van ruim 600 arbeidsplaatsen in ruil voor gegarandeerde werkgelegenheid tot 2010; een half jaar later “voelen wij ons belogen en bedrogen”. Waarom? NedCar heeft zijn calculaties bijgesteld en kondigt massaontslag aan, maar de bonden weigeren pertinent de simpele les te leren dat arbeidsplaatsen uitsluitend behouden blijven als en zolang ze voor de onderneming renderen. In plaats daarvan kunnen de vakbondswoordvoerders wel moreel verontwaardigde volzinnen vlot declameren en militante mantra’s kennen ze uit hun hoofd: “Onze vakbond zal op geen enkele wijze meewerken aan het schrappen van arbeidsplaatsen zolang er geen duidelijkheid is over onze verdere toekomst”. Een dreigement waar de NedCar-chefs wakker van zullen liggen…

Alsof er principiële onduidelijkheid bestaat over de loopbaan van het proletarische voetvolk – (bijvoorbeeld “bij Philips, Klöckner, Pentaplast, DSM, Sphinx  en het regionaal openbaar vervoer waar ook de toekomst van het personeel en hun gezinnen op het spel staat”: FNV Bondgenoten) houden de vakbonden fanatiek vast aan hun theoretisch fundament, de 150 jaar oude levensleugen dat arbeidsplaatsen bruikbare bestaansmiddelen voor arbeiders, dat winstvoet en welzijn van de werkenden compatibel zijn.

Een constructieve rol spelen in de klassenmaatschappij, in overleg met uiterst klassenbewuste ondernemers competent loon en arbeidsvoorwaarden inleveren “om het ergste te voorkomen”, als quasi schaduwkabinet bij de regering gehoor vinden wat het sociale vraagstuk en de sociale vrede betreft: dat is nu eenmaal het beroepsprofiel van moderne vakbonden. Enkele maanden geleden bezorgde de kersverse FNV-voorzitter Jongerius een “persoonlijk getinte zorgbrief”over de situatie bij NedCar aan premier Balkenende. Als zo’strijdkreet niet baat…

En de getroffen arbeiders zelf? Zij tonen het moderne proletarische klassenbewustzijn van het nieuwe millennium: ook na hun eerste of laatste ontslag worden ze niet wijzer, maar vergaren nog meer levenswijsheid en realiteitszin; in de werkende klasse geldt heden ten dage diegene als geluksvogel die het lukt via een afvloeiingsregeling de VUT te halen; hij is tenminste verlost van concurrentie en zorgen om een arbeidsplaats en mag, arm maar eerlijk, van zijn levensavond in de vrije markteconomie genieten.

April 2006

2

Men kent het scenario: tal van mensen, zoals momenteel bij NedCar, verliezen hun banen, vakbonden strijden voor een sociaal plan, de politiek betuigt medeleven met de ex-medewerkers en hun gezinnen en de vrije pers vertelt treurige verhalen over een toekomst in onzekerheid – ergens in het achterstandsgebied tussen sociale voorzieningen en voedselbanken – die Limburgse arbeiders te wachten staat.

Natuurlijk, voor iemand die ontslagen wordt, dreigt in deze kapitalistische wereld een sociale catastrofe. In een samenleving waar nagenoeg elke ademhaling geld kost, heeft werkloosheid rampzalige gevolgen – en juist daarom, juist wanneer ontslagen vallen, zijn acties voor en adhesiebetuigingen aan werkgelegenheid verkeerd: voor het behoud van banen moet men beter niet pleiten:

Het feit dat een werknemer zo makkelijk werk en loon kwijtraakt en volgens welke maatstaven en criteria hij de laan wordt uitgestuurd, toont toch aan welk beroerd bestaansmiddel een arbeidsplaats is. Daar beslissen enkele managers dat zij moeten “herstructureren” en plotseling staat een aantal mensen zonder kostwinning op straat. En de verantwoordelijken die hun criteria realiseren, verdoezelen niet eens om welke redenen er gewerkt en ontslagen wordt: het zijn in beide gevallen dezelfde. Het is een publiek geheim en de mededeling ronduit primitief: arbeidsplaatsen zijn, en zijn altijd geweest, uitbuitingsplaatsen die de ondernemer voor zijn belang creëert en die zolang bestaan als ze voor het kapitaal winst opleveren, van zijn geld meer geld maken; de inkomens van werknemers zijn afvalproducten van de winst, dat is een arbeidsplaats.

Wie een pleidooi voor werkgelegenheid houdt – wat niet meer behelst dan het verzoek: maakt gebruik van ons! – onderschrijft daarmee het kapitalistische winstoogmerk; het is daarom absurd en tegenstrijdig arbeidsplaatsen te eisen en ontslagen af te keuren: als de ondernemer geen winst maakt, betaalt hij nu eenmaal geen loon. Een eenvoudige waarheid die niet alleen het NedCar-personeel duidelijk zou kunnen maken hoe met hen wordt gerekend, welke rol zij in de calculaties van de werkgevers spelen; een zeer armzalige, afhankelijke rol, ongetwijfeld – en dat is een goede reden voor het verlangen naar werkgelegenheid?

Een maatschappelijke organisatie van de arbeid die niet ondergeschikt is aan het winstbelang van ondernemers maar de levensbehoeftes van de bevolking als maatstaf hanteert, geldt in “the best of all possible worlds” sinds de teloorgang van de communistische arbeidersbewegingen als “onrealistisch”. De postmoderne globale realiteit is: de grote meerderheid van de mensheid heeft werkgelegenheid nodig; en wie stelt dit schaarse goed beschikbaar? Juist.

Men kent het scenario: een bedelaarsopera; heel het raderwerk staat stil als het management het wil, en de proletarische (vakbonds-) protagonisten met petities en petjes tonen de troosteloze farce van een proteststaking waarvan het resultaat van tevoren bekend is: de deelnemers krijgen nul op het rekest en maken hun schadebalans op. De NedCar-chefs begrijpen de emoties, ook Den Haag is aangedaan. De linkse of rechtse oppositie stelt Kamervragen, de regering geeft antwoord, sympatiebetuigingen uit het Binnenhof; loonafhankelijke burgers die om niets dan arbeid bedelen, zijn voorbeeldige onderdanen en kiezers.

April 2006

3

Masuko, een topman van het moederconcern Mitsubishi, ook een interessante baan, wilde “geen valse hoop wekken” bij het NedCar-personeel, maar wel garanderen dat geen enkele arbeidsplaats wordt geschrapt die nog winst afwerpt; een onverwacht blijde boodschap, desondanks stelt FNV Bondgenoten dat de besprekingen met Mitsubishi zijn uitgemond “in een donkere tunnel zonder lichtpuntjes”. Een poëtische maar erg pessimistische kijk op het mooie markteconomische milieu en een domper op de Limburgse levenslust.

Gelukkig is er nog een ander, bemoedigend geluid: de provincie Limburg, wellicht in herinnering aan de mijnwerkers, denkt toekomstgericht en doet nu al een beroep op het nog op te richten globaliseringfonds van de EU om de gevolgen van ontslagrondes, “een estafette van ontslaggolven” in de provincie op te vangen (d.w.z. om de plaatselijke uitkeringsinstanties, die daarvoor niet werden opgericht, tegen zo’n aanstorm van kansloze steuntrekkers te beschermen). Werknemers die hun baan naar een lagelonenland buiten de EU zien verdwijnen, kunnen uit dit fonds worden omgeschoold om ander werk te gaan doen; voor hen zou de enorme geldsom van 1000 euro per persoon beschikbaar komen.

Er zijn echter voorwaarden: het moet om minstens 1000 ontslagen in een keer gaan – bij NedCar geen probleem – en de globalisering moet van invloed zijn: dus de cruciale vraag stelt zich of het aanstaande massaontslag een gevolg van de globalisering is, “de discussie is nog gaande”.

Als de protagonisten en profiteurs van de “globalisering”, de overheden en ondernemingen, naar eigen zeggen altijd de slachtoffers zijn van dit raadselachtige mondiale gebeuren – waarom zouden de Limburgse lage standen dit lot niet mogen delen? Slachtoffers aller landen, verenigt u! De FNV met haar treurige tunnelvisie “staat op hetzelfde standpunt”. Met 1000 euro omscholingsgeld een nieuwe proletarische carrièrestart, Glück auf!

April 2006

4

Een loonarbeider kent een lastiger “levenslot” dan uitgebuit te worden, namelijk niet uitgebuit te worden; als wegwerpwerknemer dus niet eens de kans te krijgen om voor de winst van werkgevers te werken en zo zijn eigen levensonderhoud te verdienen, een pijnlijke gewaarwording. De gevolgtrekking uit zo’n belabberd bestaan is enigszins paradoxaal: de loonafhankelijke leden van de samenleving ondervinden hun absolute afhankelijkheid en worden op geen enkele wijze opstandig, maar tonen hun onvoorwaardelijke aanhankelijkheid: hoe meer mensen de werkgevers ontslaan, hoe minder werk zij geven des te groter hun reputatie werkgever te zijn; hun privilege om hele regio’s als onrendabel af te schrijven, dus onbewoonbaar te verklaren, kan hun aanzien en goede naam niet schaden.

Het lijkt een onwillekeurige reflex, dit zuchten en roepen om arbeid – (een absurde behoefte omdat ieder verstandig mens die de zinnen bij elkaar heeft, blij is wanneer de werkzaamheden gedaan en moeite en inspanningen voorbij zijn.) – en het zijn uiteraard uitsluitend arbeiders in het “reëel existerende” kapitalisme die noodgedwongen naar werkgelegenheid verlangen, mensen die het onmogelijk wordt gemaakt om de noodzakelijke arbeid volgens eigen besluit in overeenstemming met hun behoeften te verrichten; mensen die geen toegang hebben tot de productiemiddelen zodat zij erop aangewezen zijn voor de vermeerdering van andermans rijkdom te werken; zij moeten dus aan de condities en eisen van de ondernemers voldoen om een loon te ontvangen. Dat is de “realiteit” waarin de absurde behoefte naar arbeid ontstaat.

En, nog absurder, de roep om werkgelegenheid wordt hoe luider, hoe minder hij gehoor vindt. De opgedrongen behoefte om voor de rijkdom van de rijken te mogen werken, is voor miljoenen mensen op geen enkele manier te bevredigen. De bezitters van de arbeidsplaatsen hebben het grote aanbod aan arbeidskrachten helemaal niet nodig voor de rentabiliteit van hun investeringen; met veel minder personeel dan voorheen wordt er geproduceerd, verkocht en winst gemaakt.

De nood van talloze werklozen weerspiegelt geen algemene maatschappelijke armoede, geen tekort aan producten en gebrek aan productiemiddelen, maar overvloed: het bereikte technische niveau van de arbeidsproductiviteit. De vooruitgang ervan realiseert zich in het kapitalisme zo pervers omdat de ondernemers het werk van hun personeel steeds productiever maken – niet om hun arbeiders arbeidsmoeite te besparen, maar om op loonbetaling en daarmee op arbeidskrachten te bezuinigen. Zij maken de arbeid steeds rendabeler en gebruiken daarvoor steeds minder werknemers. De winst groeit gestaag, en de arbeiders hebben van de effectverhoging van hun arbeid niets anders te verwachten dan een onzeker en bedreigd bestaan. De zegen dat steeds minder arbeid voor de productie van de benodigde en gewenste goederen noodzakelijk is, wordt voor kapitalistische arbeidskrachten een vloek: hoe verder de ontwikkeling van de materiële bronnen van rijkdom voortschrijdt des te miserabeler moeten zij leven.

Tamelijk ruïneus en riskant dus een loonafhankelijk bestaan in de markteconomie, maar blijkbaar weinig weerzinwekkend; de werknemers en hun vakbonden doen theoretisch en praktisch alle moeite om de oude ontdekking te weerspreken: loonarbeid is slechts voor één zijde van de klassenmaatschappij een te waarderen levensmiddel.

April 2006

5

Wat te doen: afgezien van het vervelende feit dat men voor zoiets als een arbeidsplaats moet vechten – wat kan men als NedCar-loonarbeider, wat kunnen loonarbeiders in het algemeen ondernemen tegen het verlies van hun banen? Daarop is maar een eerlijk antwoord mogelijk: zolang zij niets anders willen dan loonarbeiders zijn en blijven – helemaal niets! Men kan uiteraard zijn beklag doen, zijn woede of teleurstelling tonen, men kan protesteren en ludieke of luidruchtige acties voeren, maar als dat ertoe moet leiden dat het bedrijf zijn ontslagbesluit terugdraait, dan bereikt zelfs het radicaalste protest helemaal niets. Want zolang arbeiders slechts dienst willen doen, zolang kunnen zij helemaal niets afdwingen. Hoe wil men dat ook teweegbrengen: een ondernemer dwingen voor hem te mogen werken? De mislukking ligt niet aan de gebrekkige middelen of methoden, maar aan de doelstelling van de strijd. De doelstelling is te bescheiden oftewel te realistisch: men wil het beste maken van de voorgegeven beroerde situatie; daarom kunnen arbeiders – van NedCar tot Philips… –  binnen het markteconomische kader weliswaar in alle toonaarden solidair smeken, maar niets doen aan het behoud van werk en inkomens; en proletarische bedelarij is helaas een zielige vertoning.

- Gaat het er in het kapitalisme, dat ook onder de naam markteconomie optreedt, in Limburg en elders om werkgelegenheid; gaat het er zelfs om preventie en bestrijding van armoede?

- Is het verstandig levenslang met huid en haar overgeleverd te zijn aan de calculaties van NedCar & Co.?

- Is loonarbeid een ware zegen zolang men werk heeft en is pas dan nood aan de man als de bedrijfsbalans van loonkosten verlost wil worden?

- Moet men zich juist dan aan deze afhankelijkheid vastklampen als men de vervelende gevolgen ervan bijzonder drastisch ondervindt?

- Zijn politici en vakbonden, SP-kaderleden en soortgelijke sociale werkers pleitbezorgers van de arme mensen?

- Vermijden of begeleiden zij slachtoffers als ze deze weliswaar betreurenswaardig maar noodzakelijk achten?

- Wat is eigenlijk bereikt als vakbonden en bedrijfsmanagers in vrije onderhandelingen overeenkomen hoeveel werknemers in Limburg en elders op straat worden gezet?

- Waarom kan men van loonarbeid eigenlijk niet fatsoenlijk leven?

- Alle protestacties en solidariteitsbetogingen eindigen altijd met hetzelfde loflied: het leve de overheid en het bedrijfsleven! Waarom? Omdat werknemers zonder hen niet ver komen?

- Hoe ver komen zij eigenlijk met hen?

Maart 2007

6

Onverschillig of bedrijven winstgevende marktleiders zijn of verlies boeken, onverschillig of ze hun concurrenten door middel van extra kostenverlagingen uit de markt willen drukken danwel hun eigen faillissement proberen te voorkomen – winnaars en verliezers stellen jaarin jaaruit zonder veel omhaal dezelfde diagnose: de werknemers in Nederland werken te weinig en verdienen te veel. “Dat personeel bij reorganisaties wordt gevraagd op hun salaris in te leveren om ontslagen te voorkomen is niet ongewoon. De afgelopen jaren gebeurde het bijvoorbeeld geregeld dat werknemers werd gevraagd langer te werken tegen hetzelfde loon.” (NRC 3.4.07) De vrije pers kan geen schandaal ontdekken; de stelselmatige verarming van arbeiders is geen ophef, hooguit een lapidaire melding waard; dat de lonen verlaagd, de arbeidstijden verlengd, de arbeidsvoorwaarden “versoberd” moeten worden, is een grondbeginsel van een nationaal collectief waarin iedereen en alles afhankelijk is van het succes van de ondernemingen die dankzij hun wettig eigendom het monopolie op “werkgeven” hebben.

De werkgevers onderbouwen hun bezuinigingsmaatregelen met hun credo concurrentie. De concurrentie dwingt met de autoriteit van een natuurwet tot “ingrijpende saneringen”; TNT Post, de grootste particuliere werkgever, kiest de “sociaal wenselijke” (Volkskrant 4.4.07) klassieke combinatie van “banenverlies en loonmatiging” – ten behoeve van haar concurrentiepositie tegenover “valse concurrentie” die unfaire middelen gebruikt door voornamelijk de bevolkingsgroep working poor * in dienst te nemen. Blijkbaar is de dwang van de concurrentie niets anders dan de dwang die bedrijven op elkaar uitoefenen als ze hun zakenbelangen nastreven; zij willen winst maken en de winstmakerij van de vijandelijke broeders komt nu eenmaal uitsluitend tot stand doordat de arbeidskrachten voor het bedrijf en niet voor zichzelf werken. Meer werk tegen minder loon is natuurlijk voordelig voor het rendement en bevordert het vermogen van de bedrijven om de concurrenten marktaandelen afhandig te maken.

* (In goed opgeleide kringen is deze term ingeburgerd, één van hun idoitiën – als ware armoede niet de noodzakelijke voorwaarde voor en het onvermijdelijke resultaat van “work” voor het kapitaal.)

Om zich op de markt te handhaven, moeten de bedrijven uiteraard succesvol concurreren, anders kunnen ze hun zaak vroeg of laat opdoeken en hun werknemers mogen de sociale instanties lastig vallen. Geen verleidelijk vooruitzicht gezien de uitkeringshoogte en regelgeving van overheidswege maar de slotsom is treurig; er zijn geen goede redenen voor de loonafhankelijken om jaarin jaaruit hun eigen materiële belangen te veronachtzamen en hun (bescheiden) levensstandaard op te offeren ten gunste van de “economische slagkracht” van hun werkgevers onder het onzinnige motto: het personeel garandeert door meer arbeid en minder loon de rentabiliteit van de onderneming, en het management garandeert in ruil daarvoor de werkgelegenheid. De voorrang van winstontwikkeling boven loon en werkgelegenheid maakt immers overduidelijk dat zij niet slechts afhankelijk zijn van enkele hebzuchtige kapitalisten die “de markt verzieken” (TNT over zijn concurrenten) maar van een systeem waarin in elk geval de werkgevers zeer zelfbewust voor hun belangen opkomen; hun chantages en dreigementen zijn zo oud als het kapitalisme: “Er verdwijnen banen of meer mensen leveren een deel van hun salaris in”(TNT); tot ze onzeker worden gemaakt zijn arbeidsplaatsen hoe zekerder des te minder ze de bedrijfseigenaar kosten, deze calculatie moet het proletarische personeel toch inzien en als loyale sociale partner voor zijn  bestwil aanvaarden. Terloops komt de waarheid over het loon boven tafel: als zij op geen noemenswaardig verzet stoten, verlengen de werkgevers naar goeddunken de arbeidstijd en verlagen tevens het loon; zijn hoogte heeft niets te maken met geleverde arbeidsprestaties maar is een pure machtskwestie; daarbij zijn de vele werkzoekenden – die hun ontslag door inlevering niet konden vermijden – een effectief strijdmiddel tegen de nog werkenden. Een resultaat van de concurrentie tussen loonarbeiders is in de tweejaarlijkse armoedemonitor (CBS en SCP) onder zo veelzeggende titels als armoederisico’s en armoede in hoofdlijnen na te lezen.

De vakbonden kiezen het probate mengsel van consternatie en begrip; “TNT zet ons voor het blok” – “hier moeten heel goede vertrekregelingen worden afgesproken”.  (CNV Publieke Zaak) Een goed geregeld vertrek in de werkloosheid, mede mogelijk gemaakt door…; dat de vakbonden resp. hun achterban de rollen omdraaien en de onderneming voor het blok zetten, is natuurlijk ondenkbaar in een “overlegeconomie” waar alleen de kapitalisten de klassenstrijd voeren. Klassenstrijd in het poldermodel? AbvaKabo FNV beschouwt de aangekondigde personeelsreductie niet eens als dreigement, laat staan als chantage, maar als een soort rekenmodel: “Het zijn serieuze voorstellen. TNT heeft de verschillende scenario’s doorgerekend, nu is aan ons de beurt om met onze voorstellen te komen” – opdat de uitruil tussen arbeidsvoorwaarden en aantallen ontslagen rechtvaardig verloopt. De bond zal de komende weken een groot aantal bijeenkomsten organiseren “om te peilen wat de wensen zijn van de werknemers.” – Wij wagen ons aan een prognose: goed geïntegreerd in een samenleving waarin zij niets dan schade ondervinden, vervullen de werknemers naast hun burger- ook toekomstig hun arbeidersplicht en laten helaas hun levensloop door de gang van zaken bepalen.

April 2007

P.S.

Drie maanden later zijn de bonden klaar met rekenen en “accepteren het verlies van 6000 banen”; uit een onderzoek van de Boston Consultancy Group blijkt immers dat TNT 300 miljoen euro – omgerekend 6 tot 7000 medewerkers – moet bezuinigen om de concurrentie met andere postbedrijven aan te gaan (hoeveel deze op hun beurt moeten bezuinigen om de concurrentie…is nog ongewis); een indrukwekkend getal dat ook bondsbestuurders overtuigt: “Wij moeten nu accepteren dat bij TNT banen zullen verdwijnen. Het risico is te groot dat het bedrijf anders over de kop gaat”, aldus A. Stevens van AbvaKabo. Daar de lange markteconomische praktijkervaring leert dat werknemers zonder werkgevers niet te benijden zijn, kan zo’n schrikbeeld de georganiseerde arbeidersvrienden niet onberoerd laten; voor het behoud van werkgelegenheid moet werkgelegenheid verdwijnen – betreurenswaardig maar volkomen logisch voor vakbonden die loonarbeid als een soort natuurlikje basisbehoefte beschouwen. Dus in overleg met TNT keiharde afspraken makend over “het afvloeien van medewerkers” gaan zij over tot hun meest beproefde actie: de sociaal-vreedzame afwikkeling van ontslagen – om opnieuw het ergste te voorkomen.

Op de werkvloer van TNT zijn de “medewerkers” nog niet helemaal overtuigd; naar verluidt heerst er boosheid, zelfs “grote onrust” over andere getallen en cijfers. Zij kunnen niet bevatten “dat er, ondanks de goede jaarcijfers van TNT, zoveel banen op de tocht staan”. Het gerucht gaat dat het personeel acties voorbereidt tegen het verlies van de banen die het bedrijf wil schrappen; ook voor het sensationele geval dat dit verzet serieus bedoeld is, dus afziet van vakbondspetjes- en praatjes en goed gedoseerde werkonderbrekingen: een bij voorbaat hopeloze onderneming gezien de machtsverhoudingen en de beperkte doelstelling ( zie NedCar 5). En wat betreft het onbegrip over de samenhang tussen jaarcijfers en banenverlies: is het werkelijk zo moeilijk te beseffen dat arbeidsplaatsen moeten renderen, dat rentabiliteit geen bovengrens heeft, dat jaarcijfers altijd verbeterd kunnen worden – vanzelfsprekend ten koste van loon en/of werkgelegenheid, dat het uitsluitend de zaak van ondernemers is hoe zij het bedrijf “voor de toekomst gezond houden”, kortom: dat werknemers volkomen overgeleverd zijn aan de winstcalculaties van werkgevers? Of anders gezegd, in het jargon van FNV en CNV die het prachtige proletarische perspectief formuleren: “Het personeel moet de gelegenheid krijgen om buiten de deur te solliciteren”. En er is toekomst voor mobiele, flexibele, door armoede goed gemotiveerde loonarbeiders; in ruil voor de versoepeling van het ontslagrecht beloven de kleine en grote werkgevers extra banen te creëren. Wat wil een mens nog meer.

Juni 2007

7

Ter afsluiting van onze korte serie over NedCar & Consorten enkele verhelderende illustraties: ook Unilever (“…bezig met een wereldwijde reorganisatie om concurrerend te blijven”) is het slachtoffer van de concurrentie die het concern wil winnen; het ziet zich gedwongen, de bekende litanie, eind volgend jaar circa 500 arbeidsplaatsen te laten verdwijnen, eenderde van het aantal fabrieksbanen in Nederland – tot ontsteltenis van de ondernemingsraad van de Calvé-fabriek in Delft: “En dat terwijl wij alles hebben gedaan om de efficiencydoelen te halen; in een poging sluiting te voorkomen, hebben de werknemers de kosten zoveel mogelijk beperkt, en nog vindt Unilever het niet genoeg”: een bijna tragisch geval van zelfopoffering waaruit vanzelfsprekend geen adequate conclusie volgt, maar een proletarische protestmanifestatie volgens het boekje van het poldermodel; de basis komt opdraven (“maar wat moet je ook als je 50 bent en hier 32 jaar van je leven hebt gewerkt”) als de bonden ten strijde trekken. Ruim duizend werknemers leggen het werk tijdelijk stil uit onvrede over de sluiting van drie fabrieken; de vakbonden die de staking organiseerden, zijn tevreden over de acties: “Het is hartverwarmend dat zovelen bijeen waren om een signaal te geven aan de directie”, directies, ontwaakt en hoort de signalen!, bijvoorbeeld de volgende: de CAO van 6 november die door Unilever is aanvaard, begint zo: “Werkgelegenheid. Wij (de bonden) zijn bereid onze eis voor een baangarantie voor alle fabrieken van tafel te halen. In plaats hiervan willen wij afspreken dat Unilever de garantie geeft dat er geen gedwongen ontslagen zullen vallen bij de medewerkers van de fabrieken waarvoor geen sluitingsplannen zijn…”; anders gezegd: de werkgever mag onder geen beding die mensen ontslaan die hij niet wil ontslaan, ongetwijfeld een mooi succes voor de vakbondsbeweging waarmee zij haar bestaansrecht weer eens indrukwekkend bewijst. En het succesverhaal duurt voort; op 21 november mogen de bonden verheugd melden: “De versoepeling van het ontslagrecht is van tafel – werknemers in Nederland kunnen opgelucht ademhalen!” – behalve natuurlijk in drie Calvé-vestigingen en de andere fabrieken waarvoor sluitingsplannen zijn. Tot slot, om de markteconomische idylle af te ronden, vindt of verzint de Volkskrant de volmaakte moderne werknemers (ontslagbrief op zak, kerst voor de deur): “Pindakaasmakers stappen huilend in auto”, inderdaad een hartverwarmend beeld in deze harde tijden voor het voetvolk van de natie.

November 2007