Het financierskapitaal I

I. De basis van het kredietsysteem: over de kunst van het geld uitlenen

Een ding heeft de banksector met elke andere kapitalistische bedrijfstak gemeen: ook daar wordt beoogd van een hoeveelheid geld meer geld te maken en daarvoor vraag en aanbod van “de markt” te gebruiken. Meer gelijkenis met de andere branches is er echter niet; en in feite weet ook iedereen dat het financiewezen in het economische leven een speciale positie inneemt. Zijn “markt” is de handel met geld: niet met willekeurige waren of enigerlei materieel nuttige dienstverleningen, maar met de abstracte rijkdom die alle métiers van deze productiewijze willen verdienen. Het geld, het algemene toegangsmiddel, wenden de banken anders aan dan alle andere ondernemingen die productiemiddelen kopen, industriecomplexen, warenhuizen, internetfora of restaurants oprichten en arbeidskrachten betalen om uiteindelijk meer geld uit de klanten te halen. De kredietinstituten lenen geld uit opdat anderen daarmee iets productiefs ondernemen en meer terugbetalen dan ze hebben geleend. Hun interesse in en medewerking aan de economie beperken zich uitsluitend tot de kapitalistische doelstelling ervan. Zonder ruilwaarde te produceren en via verkoop te “realiseren”, dwz. in geld te veranderen, dus zonder zelf dit productie- of handelsproces te doorlopen, maakt het bankkapitaal van een hoeveelheid geld meer geld.

Dit wonder vindt iedereen normaal; in ieder geval zolang het functioneert; des te meer verdient het een natuurlijke verklaring.

*

 1. Het notoire geldgebrek van de kapitalistische zakenwereld en zijn overwinning en gebruikmaking door de eerste basisvergelijking van het financierskapitaal: geld wordt als kapitaal tot waar en daardoor zelf kapitaal

a)

De behoefte waarin de banksector voorziet, ontstaat in het gewone markteconomische zakenleven waar door aanwending van loonarbeid iets verkoopbaars wordt geproduceerd en verhandeld opdat het daarvoor voorgeschoten geld, vermeerderd met winst, naar de onderneming terugstroomt. Hoe langer de opbrengst op zich laat wachten des te meer geld is er nodig om de onderneming continu draaiende te houden, des te lager valt dus de winstvoet uit; en als de reserves opgemaakt zijn, staat met elke vertraging van de omloop van het geïnvesteerde kapitaal de existentie van het bedrijf op het spel. Het grillige van de omloop gaat gepaard met de druk van de concurrentie om marktaandelen die elke markteconomische onderneming op haars gelijken uitoefent en zelf moet weerstaan. De adequate succesmiddelen zijn – als alles in het kapitalisme – te koop; ze hebben echter hun prijs en staan dus hoe omvangrijker ter beschikking hoe groter de kapitaalsom is die een bedrijf kan investeren.

Om beide redenen kampen de producenten en handelaren temidden van de wereld van de markteconomische overvloed voortdurend met de krapte van het essentiële zakelijke middel: er heerst gebrek aan geld. Over deze nood ontfermt zich de financiële branche.

Aanvulling 1.

Het moderne kredietwezen verschilt reeds qua uitgangspunt met de geldverleners uit het verleden. Het tekort waarvan het op grote schaal profiteert, is niet de nood die uit armoede voortvloeit, maar een noodzakelijkheid van de kapitalistische groei; de geldmiddelen die het ter beschikking stelt, zijn voor de ondernemingen die ze nodig hebben geen lapmiddelen, maar dienen tot zelfverrijking; doel en resultaat van de leenzaken zijn niet verderf en ruïnering van de schuldenaar, maar de participatie in diens waardeschepping en accumulatieproces. Daarnaast verdienen de banken uiteraard ook door krediet te verstrekken aan de grote massa’s die gewend zijn schulden als duur hulpmiddel te gebruiken om rond te komen met hun eigen beperkte solvabiliteit; en ook de woeker is geenszins uitgestorven. Voornamelijk doelen de diverse consumentenkredieten echter niet op de ruïneuze gebruikmaking van een uitzonderlijke noodsituatie, maar op de permanente uitbuiting van de systeeminherente tegenstrijdigheid die daaruit bestaat dat het betaalde loon enerzijds, volgens de “wet” van rendabele arbeid, in vergelijking met de geproduceerde rijkdom abominabel laag uitvalt, maar anderzijds voor de verkoop van het grootste deel van de geproduceerde waren onontbeerlijk is. De financiering van de consumptie van de armlastige consumenten bevordert in zoverre eveneens de omloop en de groei van het kapitaal, ten nadele van de “minderbedeelden” wier behoeften het kapitaal voor zijn zaken gebruikt. 1)

Aanvulling 2.

Voor hun behoefte naar extreme versnelling van de kapitaalomloop hebben de fabrikanten en kooplieden zelf al een oplossing ontwikkeld: zij overhandigen aan de leverancier van een waar, die verder bewerkt of definitief verkocht moet worden, een termijngebonden betalingsbelofte die de ontvanger zijnerzijds als betalingsmiddel aan zijn leveranciers kan doorgeven. In de “klassieke” vorm van de wissel fungeert een schulderkenning als geld; echter slechts voorlopig: op de vervaldag moet iedereen die het papiertje als betalingsmiddel heeft gebruikt voor de verschuldigde som instaan en aan de laatste toonder echt geld betalen. In dit commerciële krediet hebben de geldhandelaren zich ingeschakeld: zij kopen wissels op, veranderen dus beloofde betaling vervroegd in onbeperkt bruikbare liquiditeit en laten zich deze dienst met een deel van de verschuldigde som, berekend uit de vastgestelde rentevoet en de resterende looptijd van het papier, betalen. In de praktijk van de kredietzaken zijn mettertijd in de plaats van het disconteren van wissels diverse vormen van handelskredieten - voor kopers en verkopers - gekomen die voor de zekerheid en versnelling van de kapitaalomloop dienen, maar eigenlijk niet verschillen met leenzaken voor de vergroting van het kapitaalvoorschot. 2)

b)

De gebruikswaarde waarmee de financiële branche de geldbehoefte van de zakenwereld bevredigt, is net zo paradox als de behoefte van kapitalistische bezitters om meer eigendom dan ze hebben te investeren voor de productie van eigendom. Zij krijgen een geldsom overgedragen – echter niet het eigendom eraan, maar het recht om tijdelijk beperkt daarover als over hun eigen bezit te beschikken: het geld als middel ter vermeerdering van hun geldeigendom te gebruiken. De kredietzaken scheiden de potentie van het geld – als kapitaal te fungeren – van het eigendom, waarvan de macht in geld wordt gemeten, en maken dit vermogen tot waar.

De handel met de kapitaal-“eigenschap” van het geld vooronderstelt dat de gebruikmaking van geld als middel voor het commando over de productie van geldswaardig eigendom tot economische normaliteit ontwikkeld is; dat dus het geldeigendom de maatschappelijke productiekrachten heeft weten te bemachtigen. Waar het geld als zijn eigen bron optreedt daar is de werkelijke bron ervan – de voor het produceren van eigendom aangewende arbeid – zo volledig onder het regime van het eigendom gesubsumeerd dat zij van meet af aan tot beschikbare bron van de koper, tot deel van de potentie van zijn eigendom wordt gerekend en waarvan de vermeerdering helemaal niet meer gerelateerd is aan de daarvoor aangewende arbeid, maar uitsluitend aan het noodzakelijke voorschot. Met de degradatie van de maatschappelijke arbeid tot productiemiddel en kostenfactor van het kapitaal, dat zich in de winstvoet als zijn eigen schepper voordoet en opwerpt, belasten de geldhandelaren zich niet: zij gaan ervan uit. 3)

Met hun aanbod dat de kapitalistische vermeerdering van het geld tot verkoopbare eigenschap ervan maakt en als waar in omloop brengt, hebben de banken echter wezenlijk ertoe bijgedragen dat het regime van de abstracte rijkdom over de productiekrachten van de maatschappij en het maatschappelijke levensproces wordt voltooid. In hun ogen verschillen de diverse branches waarin de materiële rijkdommen van de samenleving, de voorwerpen van het eigendom, gereproduceerd en vermeerderd worden van meet af aan uitsluitend qua hoogte en zekerheid van de rentewinsten die zij uit de respectievelijke ondernemingen kunnen halen. Door het cruciale bedrijfsmiddel geld onder dit aspect toe te delen, zetten de banken als heersende dwang door dat alle materiële noodzakelijkheden en behoeften van de maatschappelijke productie en consumptie uitsluitend langs de meetlat van winstgevende geldvermeerdering worden gelegd. Dat impliceert de economisch belangrijke prestatie dat de ondernemingen niet alleen van de grenzen van de reeds bereikte grootte, maar bijgevolg ook van de beperkingen door hun traditionele métiers worden bevrijd en de waren en dienstverleningen definitief en zonder uitzondering tot middelen voor de winstmakerij worden gemaakt, waardoor de kapitalistische concurrentiestrijd pas werkelijk een algemeen karakter krijgt. Zodoende verscherpt de kredietbranche aanzienlijk de maatstaven voor het concurrentiesucces waaraan de ondernemingen moeten voldoen, vergroot dus hun geldbehoefte – en verzekert zich zo van de voorwaarde voor haar eigen groei.

c)

De gebruikswaarde van het geld die de kredietgevers aan de zakenwereld verkopen, gebruiken zij immers op deze manier voor zichzelf. Alleen door het uitlenen, een eigendomsrechtelijke handeling waardoor zij het recht op teruggave en rentebetaling verkrijgen, veranderen zij geld direct in geldkapitaal. Het vermeerderingsproces bestaat uitsluitend uit de duur van de rechtsverhouding tussen kredietinstelling en kredietnemer; het heeft verder geen economische inhoud. Zelfs van de operaties die de klant met het geleende geld uitvoert, en daarvan wat hem tot teruggave en rentebetaling in staat stelt, wordt volkomen geabstraheerd. De zaak berust weliswaar in de regel erop dat met behulp van het krediet nieuwe, additionele geldwaarde geproduceerd wordt, maar de rentewinst wordt niet daaraan gemeten of dat lukt danwel überhaupt geprobeerd wordt. Het rendement wordt berekend als percentage van de uitgeleende som – alsof het van deze zou afhangen dat ze groeit – alsook naar de looptijd van het krediet; dat de groei van de geldsom juist toch ervan afhangt hoe lang ze gebruikt wordt, wordt ingecalculeerd en tegelijkertijd wordt van het waarvoor geabstraheerd. 4)

Reeds op dit elementaire niveau valt de zaak van de banken onder de rubriek speculatie: opbrengsten uit de markteconomische productie en handel waarvan zij de resultaten weliswaar toonaangevend beïnvloeden, maar tegelijkertijd volledig aan de renteplichtige onderneming overlaten; opbrengsten die zij helemaal niet in de hand hebben en bovendien ook voortdurend in twijfel trekken – per slot van rekening gaat het om de resultaten van de door hen extreem uitgebreide en enorm verscherpte concurrentiestrijd!: die boeken zij als hun eigen, al bij voorbaat vaststaande opbrengsten bij. Vreemde winsten schrijven zij als hun baten bij – alsof het in hun macht zou liggen daarvoor daadwerkelijk te zorgen. In feite plaatsen zij met hun kredietzaken hun – van overheidswege gewaarborgd – recht op vermeerdering van uitgeleend geld boven de economische basis waarop het nakomen van deze wettelijke verplichting werkelijk berust; boven de substantie van de rijkdom die zij zich toe-eigenen.

En deze tegenstrijdigheid maakt de bankenbranche niet tot haar privé-aangelegenheid; veeleer involveert zij iedereen die geld bezit en daarvan op moderne wijze gebruik wil maken.

*

1)

De financiering van de kapitalistisch onproductieve staatsconsumptie waarmee de geldkapitalisten van oudsher veel geld verdienen, is een extra hoofdstuk en wordt in het geplande derde deel van dit vertoog behandeld.

2)

Het begrip van het kapitaal in het algemeen beïnhoudt o.a. de absurde consequentie dat de periode tussen de productie van een product en het gebruik ervan nadelig voor de maatschappelijke rijkdom blijkt te zijn: omdat het hierbij om de tijd gaat die tussen het afgeronde meerwaarde producerende werkproces en de realisering van de meerwaarde behelzende warenwaarde ligt, geldt deze fase als onderbreking van het kapitalistische waardevormingsproces en is in strijd met de ware zin en doelstelling van de gehele onderneming. Uit deze tegenstrijdigheid concludeert Marx: “De noodzakelijke tendens van het kapitaal daarom circulatie zonder circulatietijd, en deze tendens is het hoofddoeleinde van het krediet en van de credit contrivances [kredietinstellingen] van het kapitaal.” ( K. Marx, Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie, MEW 42, pagina 560)

3)

In de “bijlagen” tot het derde deel van de “Theorieën over de meerwaarde” over “Revenue and his sources. De vulgair-economie”, hoofdstuk 1 “Ontwikkeling van het rentedragende kapitaal op basis van de kapitalistische productie”, redeneert Marx andersom: “Daar op basis van de kapitalistische productie een bepaalde waardesom die zich als geld of waren manifesteert – eigenlijk als geld, de veranderde vorm van de waar – de macht verleent om een bepaald kwantum arbeid gratis uit de arbeiders te halen, bepaalde surplus value, surplus labour, surplus produce zich toe te eigenen, is dus evident dat het geld zelf als kapitaal kan worden verkocht, echter als een waar sui generis, of dat kapitaal in de vorm van waar of geld kan worden gekocht.” (MEW 26.3, pagina 447)

In de navolgende redeneringen maakt hij herhaaldelijk erop attent dat de gebruikswaarde van het geld dat een kapitalistische onderneming leent voor deze juist uit dezelfde potentie tot zelfvermeerdering bestaat die in werkelijkheid de gebruikswaarde van de arbeidskracht uitmaakt waarvoor de ondernemer arbeidsloon betaalt: “Als bij het arbeidsvermogen wordt de gebruikswaarde van het geld, hier: ruilwaarde te creëren, grotere ruilwaarde dan het zelf beïnhoudt. Het wordt als zichzelf vermeerderende waarde uitgeleend…”(pagina 450)

4)

In het eerste deel van “Het kapitaal”, hoofdstuk 4, concludeert Marx uit de irrationaliteit en economische onhoudbaarheid van de abstracte basisformule van het kapitaal – volgens welke geld meer geld creëert – de specifieke gebruikswijze van een geldsom waardoor het doel geldvermeerdering uitsluitend kan worden gerealiseerd: arbeid, de enige werkelijke bron van het eigendom, wordt aangewend, zijn product verkocht, dus in geld veranderd en de arbeidskracht die de inspanning levert, wordt met een deel van de geldopbrengst betaald omdat zij immers de status van waar heeft waarvan de gebruikswaarde juist uit het vermogen bestaat meer geldwaarde te creëren dan ze kost. In het derde deel, hoofdstuk 24, komt Marx terug op de kort gevatte formule “G – G’” en houdt vast dat in het rentedragende kapitaal op basis van het kapitalistische gebruik van de maatschappelijke arbeid, de economie van de uitbuiting van loonarbeid, de abstractie van de substantie van het proces ter kapitaalvermeerding tot economische realiteit wordt: tot een praktijk die de irrationaliteit van deze economie in de “schrilste” vorm weerspiegelt:

“ In het rentedragende kapitaal bereikt de kapitaalverhouding haar meest inhoudloze en meest fetisjachtige vorm. Wij hebben hier G – G’, geld dat meer geld creëert, zichzelf vermeerderende waarde zonder het proces dat de beide extremen verbindt… Het kapitaal is geen eenvoudige grootheid. Het is een verhouding van grootheden… Het is de oorspronkelijke en algemene formule van het kapitaal, samengetrokken tot een zinloos resumé… In G –G’ hebben wij de begriploze vorm van het kapitaal, de verdraaiing en verdinglijking van de productieverhouding in de hoogste potentie: rentedragende vorm, de eenvoudige vorm van het kapitaal als het uitgangspunt van zijn eigen reproductieproces; het vermogen van het geld, resp. van de waar om haar eigen waarde te vermeerderen, onafhankelijk van de reproductie – de kapitaalmystificatie in de schrilste vorm.” (MEW 25, pagina 404 en volgende)

*

2. Het scheppen van krediet en geld door de tweede basisvergelijking van de bankenbranche: schulden fungeren als kapitaal en creëren solvabiliteit

a)

Het financierskapitaal bewerkstelligt zijn groei voornamelijk niet met eigen geld. Het verdubbelt zijn kredietzaken in omgekeerde richting: het verschaft zich vreemd geld door vrijwel iedereen die geld heeft de beschikkingsmacht daarover tegen rentebetaling af te kopen. 5) Dit geld gebruikt het voor zijn leenzaken als ware het zijn eigendom. Banken maken dus uit schulden geldkapitaal. Wat zij uit eigen geldvermogen voorschieten, dient er vooral toe om een grote hoeveelheid financiële verplichtingen op te hopen en daaruit krediet voor de zakenwereld te scheppen. Met de middelen die zij zo verdienen verrijken zij zichzelf en staan tevens garant voor het geld (plus rente) dat de geldbezitters hen toevertrouwen. Het zakensucces van hun schuldenaars vooronderstellen zij daarbij: zij maken schulden als ware de werkelijke kapitaalvermeerdering, die hun rechtsverhouding tot de “reële economie” belooft, reeds zo goed als gerealiseerd.

Zo beweegt de speculatie van het financierskapitaal zich in een cirkel: door de beschikkingsmacht over vreemd geld te kopen, verkrijgt de kredietbranche de middelen om voor eigen rekening geld als kapitaal te verkopen; door de verkoop van deze waar en erop vertrouwend dat uit de potentie van het geld werkelijke opbrengsten worden, is zij in staat om zich de beschikkingsmacht over vreemd geld toe te eigenen. Door deze cirkel bewerkstelligt het financierskapitaal zijn groei.

Aanvulling 3

Dat de bank het ingelegde geld bewaart tot de inlegger het nodig heeft en het tussendoor altijd zou kunnen tonen, gelooft tegenwoordig zelfs de naïefste spaarder niet meer. Maar dat hun gehele schuldeneconomie in wezen alleen daaruit bestaat het geld dat iemand over heeft daarheen te brengen waar het actueel benodigd wordt om daarmee nuttige dingen, vooral werkgelegenheid te financieren, en de ontstaande opbrengsten rechtvaardig aan de productiefactor kapitaal toe te wijzen, dat geldt onder experts als tamelijk goede benadering van de kern van bancaire zaken. Daarbij laat deze eufemistische zienswijze buiten beschouwing dat de bankenbranche voor eigen rekening speculatieve zaken uitvoert: met eigen en vreemde schulden, met eigen garanties en vreemde uitbuitingsprestaties, met risico’s en een wettelijke dwang tot succes.

Aan de andere kant doet deze branche zich graag voor als een industrie die als elke kapitalistische onderneming geld in productiemiddelen steekt – dat zou in dit geval het van de klanten geleende geld zijn – om daarmee door rechtvaardig betaalde arbeidskrachten verkoopbare producten, op dit elementaire niveau kredietaanbiedingen voor industrie en handel, te laten vervaardigen en verkopen. Dit toonbeeld van rechtschapenheid moet het creëren van eigendom suggereren – bij voorkeur heeft men het over “waardeschepping” – waar in waarheid niets anders plaatsvindt dan het te gelde maken van de per krediet wettelijk verkregen beschikkingsmacht over vreemd eigendom en elders geproduceerde winst. Zo spreekt de branche op ideologische wijze het pararasitaire en speculatieve karakter van haar zaken tegen.

b)

Bij het gebruik van vreemd geld voor de eigen kredietzaken stellen de banken zich allerminst tevreden met het ingelegde geld dat hun tijdelijk en onherroepelijk is toevertrouwd. Hun beschikkingsmacht bestrijkt alle soorten deposito’s, van spaargeld met korte of lange opzegtermijnen tot altijd beschikbare en opvraagbare deposito’s op girorekeningen, waarmee het grootste deel van het maatschappelijke betalingsverkeer wordt afgewikkeld. Het door de klanten ingelegde geld wordt door een creditnota vervangen en gebruikt om kredietnemers van de benodigde solvabiliteit te voorzien wat eveneens door een bijschrift op hun rekeningen geschiedt. De betalingen die de deponenten en schuldenaars eisen, wikkelt de bank meestal zo af dat zij intern en in het onderlinge bankenverkeer de inkomende en uitgaande betalingen met elkaar verrekent. 6) Zo verwerkt zij het door haar kredietschepping groeiende betalingsverkeer zoveel mogelijk op banktechnische manier: door debitering en creditering, waarbij het niets uitmaakt dat zij geen voorhanden, maar uitgeleend of anderszins gebruikt geld kenmerkt omdat het om betalingsbeloftes van de bank gaat die hun functie als betalingsmiddel daardoor vervullen dat zij onderling worden verrekend. 7) Door deze kunst van het “giroverkeer” vermindert de kredietbranche niet alleen voor zich en haar clientèle de kosten voor geldtransporten; maar zij verschaft zich zo vooral de macht om in principe al het geld dat in de markteconomie wordt verdiend en uitgegeven en op de een of andere wijze in haar handen terechtkomt voor speculatieve kredietzaken te gebruiken.

Aanvulling 4

Banken kunnen zoveel krediet geven als ze willen: zodra het betalen begint, het uitbetalen van krediet of tegoed, het bijschrijven of overmaken, dan moet tegenover het uitgaande geld een plus staan: een deposito of een geldstorting, een creditnota of de betalingsverplichting van een zakenpartner, eigen geld of eigen schulden van het geldinstituut die bij andere banken of schuldeisers als openstaande vorderingen genoteerd staan. In zoverre kunnen zij in feite alleen maar uitlenen wat zich bij hen als beschikbare solvabiliteit ophoopt. Niettemin is de kredietbranche erg trots op haar vermogen om geld – “giraal-geld”, dus betalingsmiddelen die in het cirkelachtige verkeer tussen de banken als geld fungeren – te scheppen, dus meer solvabiliteit dan het reeds op andere manieren verdiende geld. En ook dat is niet verkeerd. De noodzakelijke balans van plus en min in het betalingsverkeer impliceert namelijk een grote vrijheid: kredietinstellingen beschikken over de – door voorschriften van overheidswege beperkte – licentie en als managers van de maatschappelijke geldcirculatie over de – door de noodzaak van reserves begrensde – middelen om alles wat zij als plus bijschrijven voor betalingen te gebruiken; vanzelfsprekend ook het geld waarmee een kredietnemer zijn rekeningen betaalt, dus de bankrekening van een zakenpartner aanvult. Daarom vormt het omgekeerd voor een respectabele kredietinstelling geen probleem om zich bij behoefte hetgene weer te verschaffen wat zij op basis van het beschikbare ingelegde geld aan krediet heeft geschapen en in opdracht van haar schuldenaars heeft uitbetaald – in het ideale geval uit binnengekomen stortingen op de rekeningen van haar eigen klanten, anders per kredietopname bij andere banken die betalingen uit geschapen krediet hebben ontvangen. Het vermogen van de bank om met haar krediet het geldgebrek van haar klanten te verhelpen, wordt dus niet beperkt door het gegeven niveau van de deposito’s, maar het is feitelijk zo groot als haar macht om de afvloeiende betalingsmiddelen, het gevolg van haar kredietschepping, een beschikbare hoeveelheid financiën en de groei van eigen schulden tegenover te stellen, hetzij nieuwe deposito’s, stortingen op de girorekeningen van haar klanten, uitgestelde betalingsverplichtingen van zakenpartners of wat dan ook. “Giraal-geldschepping” betekent niets anders dan dat de kredietverstrekking niet gelimiteerd wordt door de technieken ter herfinanciering van de gecreëerde solvabiliteit, maar door de risicocalculatie van de bank – en die van de beleggers en kredietinstellingen waar zij herfinanciert wat zij aan krediet schept en aan solvabiliteit creëert. (Daarover meer in punt 3)

c) Door haar kredietzaken verschaft de bankenbranche zich de beschikkingsmacht over al het geld dat dankzij haar bemiddelingsprestaties in de samenleving circuleert; en zij bewijst in de praktijk dat vreemd geld dezelfde goede diensten doet als het werkelijke eigendom. Banken verdienen daardoor geld dat zij uit hun schulden geldkapitaal maken; en zij creëren solvabiliteit met betalingsmiddelen die gedekt zijn door de macht om schulden te maken die voortkomt uit hun manier van geld verdienen. Door de geldrijkdom van de samenleving te beheren, namelijk zijn kapitalistische potenties te ontplooien, maken zij enerzijds alle andere bedrijfstakken – inclusief de private consumptie die de geproduceerde waren verzilvert – van zich afhankelijk: er gebeurt niets zonder hun leenkapitaal; met krediet blijkt haast alles te kunnen. Anderzijds vooronderstelt deze gehele manier van zakendoen – en berust erop – dat de verstrekte kredieten zich werkelijk als geldkapitaal waarmaken, dus bevestigd worden door zaken die de in geld uitgedrukte abstracte rijkdom van de samenleving reproduceren en vermeerderen: de kapitaalvermeerdering die in de rechtsverhouding tussen kredietinstellingen en “reële economie” niet alleen nagestreefd wordt, maar zo genoteerd staat en verhandeld wordt als ware zij reeds gerealiseerd, moet “reëel” plaatsvinden; de ruilwaarde die gerepresenteerd wordt door de tussen de banken geruilde betalingsbeloftes en boekingen, moet tot stand komen en mag niet alleen door de circulatie van cijfers en papier worden voorgespiegeld. Anders groeien inderdaad uitsluitend de schulden, en de rijkdom die ze beloven en noteren, wordt in toenemende mate illusionair.

Door deze dubbele afhankelijkheid – de “reële economie” van de bankenzaken en de bankenzaken van de “reëel” behaalde winst – sticht de kredietbranche een paradoxe eenheid binnen de markteconomische concurrentie. Zij maakt de enkele kapitalisten die om krediet concurreren teneinde met krediet succesvol onderling te kunnen concurreren, afhankelijk van het concurrentiesucces van allen; namelijk door het feit dat zij hen involveert in haar speculatie op vermeerdering van het door haar verstrekte geldkapitaal. Waar het geld de “reële samenleving” in het algemeen is, daar is het krediet de reële eenheid van de klasse der kapitalistische bezitters.

*

5)

De in voetnoot 2 genoemde tegenstrijdigheid van het kapitaal in het algemeen – zijn omloop includeert noodzakelijkerwijze fases die zijn vermeerderingsproces onderbreken, dus in strijd zijn met zijn doelstelling – manifesteert zich op dubbele wijze: als braaklegging van het kapitaal wanneer het als geproduceerde waar op zijn verandering in weer te gebruiken geld wacht, en als braaklegging van de reeds gerealiseerde waarde en winst zolang deze nog niet de noodzakelijke grootte hebben bereikt om lonend geïnvesteerd te worden, of andere voorwaarden daarvoor ontbreken. Zoals de kredietbranche de eerstgenoemde tegenstrijdigheid door haar “credit contrivances” overwint, zo maakt zij het complementaire geval – in de omloop van het kapitaal ontstaande, maar kapitalistisch ongebruikte geldopbrengsten – vruchtbaar door deze als een van de bronnen van geld te gebruiken, bij zich te concentreren en zich zo de uitgangsbasis van haar groei te verschaffen.

6)

Deze handelwijze kent een lange traditie. Zij heeft haar oorsprong in de beproefde gewoonte van geldhandelaren om de transfer van geldvormige rijkdom van een bezitter naar de andere door geldtekens te bewerkstelligen. Dat waren ooit aanwijzingen op echt geld dat in de bank lag opgeslagen en daar ook bleef liggen, terwijl de betalingsaanwijzingen op zichzelf die de bank haar klanten had overhandigd voortdurend geldfuncties vervulden. Dat het laatste ook functioneert als het gedeponeerde geld niet passief in de bank ligt, maar zich actief nuttig maakt binnen de leenzaken hadden slimme financiers snel door; en door van overheidswege verleende licenties werd de verdenking van oplichterij ongegrond verklaard. Toen Marx zijn materiaal over het Engelse kapitalisme heeft verzameld, was deze kunst van verdubbeling van de macht van het geld al lang gebruikelijk: “De deposito’s zelf spelen een dubbele rol. Enerzijds worden zij (…) uitgeleend als rentedragend kapitaal en bevinden zich dus niet in de kassa’s van de banken, maar figureren slechts in hun boeken als tegoed van de depositeurs. Anderzijds fungeren zij als pure boekingsposten voor zover de wederzijdse tegoeden van de depositeurs (…) tegen elkaar opwegen en onderling worden verrekend; waarbij het volkomen onbeduidend is of de deposito’s bij dezelfde bankier liggen zodat deze de diverse rekeningen met elkaar verrekent, of dat dit door verschillende banken geschiedt die hun cheques onderling ruilen en elkaar slechts de differentie betalen.” (Das Kapital, deel 3, MEW 25, pagina 488 en volgende) Sindsdien heeft niet het principe zich verder ontwikkeld, maar de techniek van het verrekenen van betalingsaanwijzingen.

7)

Dat deze verrekeningswijze tot ieders tevredenheid verloopt, is uiteraard niet gegarandeerd en gebeurt niet vanzelf. Ook daarbij gaat het immers om een element van speculatie; en de banken zien zich voor de taak gesteld op betalingstermijnen en sommen te letten en geldmiddelen in een reservefonds achter te houden om bij economische schommelingen het evenwicht te kunnen herstellen. Wat dat betreft realiseert de branche door haar “giraal betalingsverkeer” echter alleen maar zeer consequent de iets paradoxe omstandigheid, dat in de markteconomie waar alles om geld draait het werkelijke geld niet werkelijk voorhanden moet zijn om de warenvormige rijkdom naar behoren te laten circuleren en daarmee geld te verdienen; integendeel: de uitgaven om de abstracte rijkdom concreet voor te stellen, verminderen zijn in het vermeerderingsproces profitabel aangewende hoeveelheid; het loont dus en vormt ook geen probleem om geld als betalingsmiddel door tekens te vervangen die betaling slechts beloven. In de kredietzaken van de banken dient het gebruik van dergelijke betalingsbeloftes, die in het betalingsverkeer tussen de instellingen onderling worden verrekend, echter niet slechts ter besparing van concreet voorhanden geld, maar het dient er vooral toe om het in de samenleving verdiende en circulerende geld vrij te maken voor zijn gebruik als leenkapitaal. Dat de door de banken beheerde betalingsverplichtingen zonder tussenkomst van werkelijk geld geregeld worden is geen “nul-som spel”, maar middel voor de kredietschepping, dus groeimiddel. Contant geld uit de circulatie te halen en tegen het circulatieproces te beschermen, is in dubbel opzicht ondoeltreffend: niet alleen een overbodige moeite – en in ieder geval zelfs dan overbodig als het bij het contant-geld niet meer om een zilveren of gouden geldwaar gaat, maar slechts om moeiteloos te hanterende wettelijke betalingsmiddelen uit papier – maar met elk geldbedrag dat een bank niet door een bijschrift vervangt, wordt aan de kapitaalaccumulatie een potentieel groeimiddel onttrokken en potentieel profitabel geldkapitaal tot een schaduwbestaan als nutteloze, onvruchtbare geldschat veroordeeld.

Dat betekent echter ook: de afwikkeling van het maatschappelijke betalingsverkeer via elkaar annulerende betalingsbeloftes van de banken is afhankelijk van het succes van dit verrekeningsproces dat door de kredietverstrekking van de banken is opgeblazen en steeds verder wordt opgeblazen – dus daarvan dat deze kredietzaken slagen en niet eindigen met de annulering van het geld dat de banken als teken laten circuleren. Formeel zijn de kredietzaken ondergeschikt aan de techniek van het girale betalingsverkeer en erop aangewezen dat de banken onderling de verrekening van hun betalingsbeloftes teweegbrengen; maar feitelijk is het op deze manier door de banken gemanagede maatschappelijke betalingswezen een derivaat van hun kredietzaken en ervan afhankelijk dat deze succesvol verlopen

*

3. De permanente poging om binnen de kredietbranche zekerheid te creëren door de derde basisvergelijking van de financiële sector: liquiditeit schept vertrouwen, vertrouwen schept liquiditeit

a)

De ondernemingen in de kredietsector zorgen voor hun groei door de overige economie in toenemende omvang van solvabiliteit te voorzien. Daarbij weten de financiers een ding zeker: zij kunnen ondanks alle zorgvuldigheid bij het schatten van risico’s nooit garanderen dat de door hen verstrekte kredieten en beschikbaar gestelde geldsommen in de beraamde omvang groei teweegbrengen. Vandaar dat zij erop moeten toezien dat zij bij de vergroting van hun financieel volume niet het slachtoffer van hun eigen speculatie worden en zich betalingsverplichtingen op de hals halen waaraan zij niet kunnen voldoen omdat de aanvoer van geldmiddelen stokt.

Het kredietmanagement van de banken omvat dus niet alleen de acquisitie van depositeurs en schuldenaars, het controleren van de boniteit van de clientèle, de afwikkeling van het betalingsverkeer en de accumulatie van rentewinst. Daarnaast heeft het bij het gebruik van de vrijheid tot expansie van de kredietzaken een zelfcontrole uit te voeren: met haar betalingsverplichtingen mag de bank niet in moeilijkheden geraken. Ook als de toevoer van deposito’s ooit eens afneemt en schuldenaars failliet gaan – zij moet per se solvent blijven.

b)

Cruciaal voor de solvabiliteit van een kredietinstelling is de herfinanciering van haar krediet- en geldschepping, dus het krediet dat zij zelf geniet; allereerst en vooral het krediet dat zij voor te betalen rekeningen bij haar concurrerende zakenpartners mobiliseren kan. Hun kritische controle moet zij als schuldenaar doorstaan: zij moet kredietwaardig zijn.

Deze eis vat de principiële tegenstrijdigheid van de gehele branche puntig samen en maakt duidelijk waarmee de financiële acteurs zich in de praktijk geconfronteerd zien. De bank moet hetgene in de hand hebben en succesvol managen dat zich aan haar controlemacht onttrekt: haar zaken moeten slagen – ongeacht het feit dat dit zakensucces afhankelijk is van het gebruik dat haar klanten in de strijd om marktaandelen van haar leenkapitaal maken. Het criterium daarvoor luidt: de bank als schuldenaar moet te vertrouwen zijn, in elke economische situatie. Daarom organiseert het verantwoordelijke management – naast het betalingsverkeer dat het voor zijn klanten afwikkelt en waarin de wisselvalligheden van de waren- en geldcirculatie, haar hoogten en diepten, de successen en mislukkingen van het met krediet gefinancierde zakenleven onscheidbaar vermengd zijn – een heel pakket zekerheden om onuitputtelijke solvabiliteit te garanderen: een voorraad contanten en andere reserves die door andere geldinstellingen probleemloos als betalingsmiddelen worden geaccepteerd; en dat in zo grote hoeveelheid dat alle denkbare fluctuaties van het zakenleven moeiteloos kunnen worden doorstaan. De macht van een bank om voor zichzelf als schuldenaar garant te staan en zich daardoor van herfinanciering en zo van liquiditeit te verzekeren, is inzoverre een kwestie van de hoeveelheid en (ongeveer) direct evenredig met de hoogte van de betalingsvorderingen die voor de bank nog onder de rubriek “peanuts” vallen. 8 )

c)

Alle zekerheden die een bank voor haar kredietwaardigheid te bieden heeft, zijn slechts zo veel waard als het krediet dat zij daardoor kan krijgen, en wel van haars gelijken. Haar kredietwaardigheid is inderdaad een kwestie van vertrouwen in haar solvabiliteit, hangt er dus van af hoe vertrouwenwekkend zij in de markteconomische jungle optreedt. Haar liquiditeit is dus nooit een objectieve grootheid, maar het resultaat van overtuigingswerk waarvoor de financiële instellingen een aantal experts in dienst hebben: het liquiditeitsmanagement. Zijn opgave is niet simpelweg de omzichtige afwikkeling van het betalingsverkeer, maar de geroutineerde enscenering van gewaarborgde kredietwaardigheid, de permanente demonstratie van onbetwiste solvabiliteit. Liquiditeitsrisico’s moet men op tijd herkennen en absoluut vermijden. Want als de verdenking ontstaat dat de bank met eender welke betaling zou kunnen achterraken, dan is een verlies aan vertrouwen en daarmee een werkelijke liquiditeitsklem haast onvermijdelijk; dan moet de bank daadwerkelijk haar zekerheden mobiliseren, dus vermogenswaarden – die haar betrouwbaarheid als schuldenaar moesten waarborgen – offeren om verder zaken te kunnen doen. Als de twijfels aan de liquiditeit van de financiële instelling hand over hand toenemen dan is zij ook al illiquide, en haar illiquiditeit bevestigt deze twijfels. Daarom is de bank er alles aan gelegen om niet eens in de buurt van geldverlegenheid te komen.

In het omgekeerde geval bewijst het succes van deze pogingen feitelijk alleen maar, dat de daarmee bezige experts de betalingstermijnen en verschuldigde sommen goed genoeg weten te manipuleren om problematische knelpunten in het betalingsverkeer te verhinderen; dat de speculatie op vreemde zakensuccessen waarin de bank geld geïnvesteerd heeft naar wens verloopt, is daarmee allerminst  bewezen. Maar daar gaat het ook niet om. Er wordt gepoogd om de schijn te wekken en geloofwaardig te bekrachtigen dat de bank haar bronnen van geld onder controle heeft en daarom zelf een zekere garant voor en betrouwbare bron van de solvabiliteit is die zij bij haar klanten schept en die deze van hun kant door winst te maken als werkelijke geldwaarde moeten bevestigen.

De schijn is absoluut noodzakelijk. Niet alleen voor de liquiditeit en daarmee voor de zaken van de enkele bank, maar voor het functioneren van de gehele branche. Want dat is gebaseerd op het krediet dat de geld- en krediethandelaren elkaar verstrekken voor hun creaties; het berust dus op de vooronderstelling dat hun zakelijke successen en mislukkingen daadwerkelijk in laatste instantie een kwestie van goed bankmanagement zijn. Van het functioneren van de branche is anderzijds de gehele zakenwereld afhankelijk die met krediet zaken doet en met het geld betaalt dat de banken zich praktisch hebben toegeëigend en door boekingstechnieken vervangen. Vandaar dat de bezorgdheid van de kredietmanagers over de liquiditeit van de kredietsector ook door anderen wordt gedeeld.

*

8)

Een belangrijke bijdrage aan de overtuigingskracht van een financieel volume levert trouwens – zo primitief gaat het er aan toe op de bovenste etages van de vrije markteconomie – het volume van de rijkdom dat een kredietinstelling in het openbaar kan tentoonspreiden. Om zowel depositeurs en kredietklanten alsook elkaar met hun kredietmacht te imponeren, pronken de banken met enorme luxe, op kleine maar vooral op grote schaal. Het terrein van openbare representatie, het stadsbeeld, domineren zij samen met de staatsmacht; en anders dan die kunnen zij er zeker van zijn dat hen deze opschepperij met wolkenkrabbers en bankpaleizen niet als verspilling wordt verweten, maar – althans in principe – als demonstratie van onverwoestbare zakensuccessen wordt beschouwd en daarmee als bewijs van seriositeit. Blijkbaar vrezen de bankmanagers allesbehalve het sceptische publieksoordeel dat hun zaak een dergelijke demonstratie wellicht dringend nodig heeft; veeleer rekenen zij op grote bewondering voor het feit dat zij zich zo veel glans kunnen veroorloven. Zelfs de sporadisch voorkomende sociale jaloezie ten aanzien van overbetaalde krediethandelaren hoeft in dit deel van de zakenwereld niet per se nadelig te zijn, integendeel: dit gevoel van afgunst komt vooral de les ten goede dat rijkdom, als die maar groot genoeg is, een uitstekende bron van rijkdom vormt en ongetwijfeld in goede handen is bij de succesvolle professionele experts voor de vermeerdering van rijkdom.

*

4. De legalisatie van de krediet- en geldscheppingen van het financierskapitaal door de vergelijking die de staatsmacht als “bank der banken” aan de drie andere vergelijkingen toevoegt: wat in het betalingsverkeer van de kredietinstellingen als geld functioneert, is een volwaardige vervanging voor de wettelijke geld-“waar”

a)

De staat die de kredietbranche het recht op gebruikmaking van andermans geld als eigen geldkapitaal toestaat en de licentie verleent om het gehele overige bedrijfsleven in haar speculatieve zaken te involveren, bekommert zich om de daaruit voortkomende probleemsituatie van de branche. Hij fungeert als bank – speciaal voor de door hem benoemde kredietinstellingen. Aan hen leent hij geld uit als deze erom vragen.

De banken maken enerzijds geen principieel onderscheid tussen deze bron en andere bronnen van herfinanciering. Zij vergelijken de condities, vooral de rentevoeten, en kopen wat ze nodig hebben en kunnen krijgen. Anderzijds is de van overheidswege geautoriseerde centrale bank niet alleen een bijkomend, maar een heel bijzonder adres voor het verkrijgen van liquiditeit. De geldsommen die zij uitleent, onderscheiden zich van het “giraal geld” van de banken door het feit dat ze niet slechts in het zakenverkeer tussen de kredietondernemingen ontstaan en vergaan en zodoende als functioneel geld-surrogaat dienen: ze zijn zelf de becijferde waarde die de banken als krediet laten fungeren en in de alledaagse bankzaken door hun “giraal betalingsverkeer” vervangen. Doordat de centrale bank “in ruil” voor de kredietpapieren van de zakenbanken haar “wettelijk betalingsmiddel” uitleent, stelt de wetgever zich achter de cirkel van wederzijds vertrouwen waar de krediet- en geldschepping van de branche op berust; met andere woorden: de staat als grondlegger en garant van het eigendom en schepper van het geld dat de macht van het eigendom becijfert, onderbouwt met zijn gezag de verdienstelijke taak van de banken: namelijk met behulp van zelfgeschapen geld-surrogaat het eigendom als krediet te gebruiken, te vermeerderen en zo de macht ervan te vergroten. Aan de formele machtiging tot kredietzaken voegt de staatsmacht de praktische ondersteuning van dit soort zakendoen toe en geeft daarmee de zaak de officiële zegen.

Aanvulling 5

Het geld dat de centrale bank aan de bevoegde zakenbanken uitleent is qua vorm niets anders dan het geld waarmee de kredietinstellingen onderling betalingen doen: geen geldwaar, dus geen ding dat onafhankelijk van zijn gebruik als algemeen equivalent – als transportmiddel voor een gekwantificeerd eigendomsrecht – een gebruikswaarde heeft en in zoverre een nuttige bijdrage aan de rijkdom van de samenleving levert, dus het product van maatschappelijk noodzakelijke arbeid is. Het is noch goud noch zilver noch een aanwijzing op gedeeltes van een ergens voorhanden en bewaarde zilver- of goudschat, maar het teken voor een soort geld waarvan de eerste functie die het binnen de circulatie vervult helemaal niet daaruit bestaat de ruilwaarde van een waar te “realiseren” dwz. als kwantum eigendom als zodanig voor te stellen. Het representeert veeleer de macht van de emittent om krediet te geven, dus de potentie van het geld als zodanig tot handelswaar te maken en daarmee de productie en realisering van de ruilwaarde te financieren waar het krediet op anticipeert. De macht die in de centrale bank aan het werk is en door haar papier- en giraal geld gerepresenteerd wordt, komt echter niet voort uit een dusdanig speculatief geanticipeerd zakensucces, maar uit de soevereine beschikkingsmacht van het staatsgezag over arbeid en rijkdom van de samenleving. Vandaar dat het centrale-bank-product ook geen betalingsbelofte is die haar functie als betalingsmiddel dan perfect vervult, als ze binnen het onderlinge verrekeningswezen van de banken verdwijnt en slechts in de vorm van af- en bijboekingen de sporen van economische effecten achterlaat. Het is zelf (onverschillig of als bankbiljet materieel voorhanden danwel als banksaldo bij de centrale bank geboekt) het definitief geldige algemene equivalent. Het fungeert niet slechts als vervanger van het becijferde eigendom, maar het is de zelfstandig bestaande belichaming ervan. Krachtens beschikking van de overheid geldt het als de materie waaruit de maatschappelijke rijkdom bestaat en waarop de boekingen en andere symboolachtige geld-surrogaten zich plaatsvervangend betrekken en overigens reeds met de geldnaam van de getransfereerde sommen – de maatgevende rekeneenheid en nationaal bindende maat van de waarde – naar de eigenlijke, bedoelde inhoud verwijzen.

b)

Als de staat met het geld van de centrale bank, waarvan de gelding niet mag worden betwijfeld, het liquiditeitsmanagement van de banken ondersteunt dan ruimt hij het precaire van hun kredietzaken – de tegenstrijdigheid tussen reeds bijgeboekte zakensuccessen en de afhankelijkheid van de concurrentiesuccessen van de klanten – niet uit de weg, integendeel: hij bepaalt hoogst officieel en algemeen bindend dat de speculatieve calculaties van de kredietbranche moeten blijven voortbestaan en dat de subsumptie van alle processen ter kapitaalvermeerdering onder het succes van deze calculaties precies datgene is wat de economische staatsraison eist.

Daarom doet de staat de kredietbranche ook niet alleen maar vrijblijvende aanbiedingen, veeleer wordt ze verplicht om daarvan gebruik te maken. De belangrijke zakenbanken moeten bij de centrale bank rekeningen hebben, financiële transacties via deze conto’s afwikkelen en daarbij controles accepteren, die de aspecten van wederzijds wantrouwen van de financiële instellingen en de criteria voor het demonstratief vertrouwen scheppende liquiditeitsmanagement tot een controleregime uitbouwen. 9) Zo insisteert de opperste geld-toezichthouder erop dat de bankenbranche bij de gebruikmaking van de haar toegestane vrijheden zich economisch waarmaakt als verantwoord volgens de regels der kunst speculerende, succesvolle multiplicator van de nationale geldrijkdom.

c)

Doordat de staat met het geld van zijn centrale bank als het ware economisch legaliseert wat hij de financiële branche per wet toestaat, verheft hij de speculatieve krediet- en geldschepping tot de status van nationaal opdrachtwerk en maakt ze zo pas echt vrij. Door de berekenende gebruikmaking van deze vrijheid brengt de branche steeds opnieuw het resultaat tot stand, dat ondanks alle kunstgrepen van het liquiditeitsmanagement en ongeacht alle zekerheidsmaatregelen van overheidswege het steeds waakzame wantrouwen tussen de instellingen hand over hand toeneemt en een liquiditeitscrisis het maatschappelijke betalingsverkeer bedreigt. Dan komt aan het licht wat de zelfstandige financiële managers van de natie met behulp van hun collega’s in overheidsdienst anders voortdurend tegenspreken: het is juist toch niet alles geld wat tussen hen als geld functioneert. De zekerheid waarmee zij hun recht op winst als bron van geld behandelen en schulden tot geldkapitaal maken, blijkt de levensleugen van hun branche te zijn.

Voor de redding ervan rekenen zij in zo’n ernstige situatie weer op de staat die per slot van rekening aan alle conjuncturen van hun zaken heeft meegewerkt. En de opperste geld-toezichthouders achten zich dan ook quasi automatisch uitgedaagd om helpend in te grijpen. Zij zetten de geldmacht van de staat in om het wederzijdse wantrouwen van de geldhandelaren op te kopen; door hun macht vervangen zij dit verloren vertrouwen om het te herstellen en de cirkel van speculatieve verrijking weer in gang te zetten. Zo overleeft de branche haar periodieke crashes – en beschouwt zich als gerechtigd en gemachtigd om opnieuw grote financiële daden te volbrengen.

*

9)

Bij deze condities inzake minimum reserve horen bijvoorbeeld eisen aan de kwaliteit van de kredieten die de banken als zekerheid voor het uitgeleende geld moeten overleggen aan de centrale bank, of ook bepalingen over het deponeren van geld van de klanten op rekeningen van de centrale bank… hetgeen de verknoping van het kredietbeleid van de banken met het geld en de regulerende voorschriften van de centrale bank moet waarborgen. – Belangrijker dan de diverse versies en details van de kredietcondities is echter hun dialectische natuur: zij bepalen beperkingen van de kredietzaken, beogen daarmee hun soliditeit en veroorzaken met de zekerheid die ze creëren het vrijmaken van de speculatieve geldschepping.

*

Er volgen nog de hoofdstukken:

II. De ontplooiing van de kredietmacht van het financierskapitaal

III. De staat en zijn verhouding tot de financiële branche

© 2008 Gegenstandpunkt Verlag, München