De loonkwestie - toen en nu

Van staatsbedreigende klassenstrijd tot vakbondsritueel

I.

Er was een tijd dat de leden van de loonafhankelijke klasse streden om van loonarbeid te kunnen leven. Ze waren niet langer bereid – vaak spontaan en plaatselijk, soms reeds op vakbondsniveau – om hun arbeidskracht onder de destijds heersende erbarmelijke omstandigheden in de fabrieken en voor miserabele lonen te laten gebruiken, omdat ze daarbij te gronde gingen. Steeds opnieuw spanden ze samen tegen de macht van het eigendom om de kapitalisten – die ze als uitbuiters en uitzuigers kenden en ook zo noemden – gewelddadig te dwingen met de elementaire arbeidersbelangen rekening te houden: als de fabriekseigenaren verder hun arbeidskracht wilden gebruiken, moesten er grenzen worden gesteld aan dit gebruik. Van het loon waarvan ze moesten leven, wilden ze ook kunnen leven. Met dit standpunt voerden ze – min of meer vastberaden, min of meer succesvol – een nooit eindigende strijd om verhoging van het loon en beperking van de arbeidstijd; tegen kapitalisten die met de grootste vanzelfsprekendheid in ruil voor het betaalde loon het recht opeisten om de arbeidskracht naar eigen goeddunken zo extensief en intensief mogelijk aan te wenden; die bovendien inzake loonbetaling allerlei redenen aanvoerden om het loon te beknotten of in te houden; die hun arbeiders dus kennelijk alleen maar als menselijk materiaal benutten waar ze zich door productieve uitbuiting aan verrijkten, en dit hoe beter, hoe meedogenlozer ze de primaire levensnoodzakelijkheden van de arbeiders negeerden. Die dus duidelijk lieten blijken wat het levensonderhoud van de klasse voor hen betekende: niets anders dan vermindering van de beoogde winst.

De arbeiders moesten de strijd om hun voortbestaan echter van meet af aan niet enkel tegen de fabrieksheren voeren. Ze kregen meteen te maken met de staatsmacht en zodoende met de politieke natuur van de productieverhouding waarin voor hen uitsluitend de rol van volgzame en willekeurig chanteerbare, extreem goedkope en gewillige dienstknechten van de kapitalistenklasse was weggelegd. De staat zag zich direct uitgedaagd door degenen die de loonkwestie aan de orde stelden en heeft zich dan ook zonder aarzeling tot zijn raison bekend: namelijk dat hij de bescherming van de economische en maatschappelijke orde – waarin alles erom draait dat een klasse van eigenaren zich zo succesvol mogelijk door de arbeid verrijkt die een klasse van bezitloze proletariërs verricht – als zijn voornaamste taak en opperste doelstelling beschouwde. Tegen de op loon aangewezen en voor een leefbaar loon strijdende arbeiders is de staat onverhuld als politiegeweld opgetreden, als overheid die in dienst staat van de uitbuiters, vakbonden verbiedt en arbeiders degradeert tot rechteloze, aan de uitbuiters weerloos overgeleverde onderdanen.

De staat heeft de aangelegenheid dus veel principiëler opgevat dan de arbeiders die begonnen waren voor hun overleven binnen het systeem van loonarbeid te strijden. Door zijn optreden heeft hij in de praktijk verduidelijkt dat de loonkwestie het systeem als zodanig betreft. Deze eenduidige les heeft echter slechts een minderheid van de arbeidersbeweging geleerd: communisten die de strijd voor meer loon en betere arbeidsvoorwaarden als een tegenstrijdige en daarom hopeloze poging bekritiseerden; ze begrepen dat het kapitalistische uitbuitingssysteem en de belangen van de uitgebuite arbeiders onverenigbaar waren, stelden van hun kant het maatschappelijke systeem in zijn geheel in vraag en probeerden hun klassenbroeders ervan te overtuigen dat ze zonder afschaffing van het systeem van het eigendom, dat hen onvermijdelijk tot slachtoffers maakte, nooit een fatsoenlijk bestaan konden leiden. Zoals bekend hadden ze geen succes; ze werden van overheidswege vervolgd en vernietigd. En hoe verging het de loonkwestie?

II.

Enkele decennia later en gedurende enkele decennia – we bevinden ons in de sociale markteconomie – is de situatie volledig veranderd; de loonkwestie lijkt werkelijk in goede banen geleid. De arbeiders, die nu werknemers heten, hoeven niet langer voor hun bestaan te vrezen en te vechten. Ze zijn al lang geen rechteloze onderdanen meer, met huid en haar overgeleverd aan de willekeur van hun fabrieksheren. Veeleer weten ze zich gesteund door talrijke behartigers van hun belangen die ze in de arm kunnen nemen telkens wanneer ze redenen tot ontevredenheid hebben of zich onrechtvaardig bejegend voelen.

In het bedrijf worden ze terzijde gestaan door een ondernemingsraad indien de werkgever hun legitieme aanspraken met voeten treedt of ze zich geconfronteerd zien met onredelijke arbeidsvoorwaarden en prestatie-eisen. Binnen het kader van de arbeids- en sociale wetgeving – die de ondernemer verplicht rekening te houden met de duurzame bruikbaarheid van het menselijke arbeidsmateriaal – en voor zover het volgens de Wet op de ondernemingsraden binnen zijn macht ligt, helpt de ondernemingsraad de werknemers tot hun recht te komen. In al deze gevallen mogen ze vanzelfsprekend ook naar de arbeidsrechtbank gaan. Zijzelf hoeven voor hun verzoeken helemaal niet meer te strijden. Met deze zaken houden zich officieel bevoegde instanties bezig – die dan echter ook over de billijkheid van de ingediende verzoeken soeverein beslissen. De overheid is zo bij elke omstreden principekwestie inzake loon en prestatie van huis uit mede betrokken, en ze oordeelt in naam van het algemeen belang erover of en in welke mate het noodzakelijke levensonderhoud van arbeiders zowel principieel als in concrete gevallen respect toekomt. De overheid heeft zich immers ingenesteld in de klassentegenstelling om de klassenstrijd, die ooit dreigde te ontaarden in ondermijning van de klassenmaatschappij, in vreedzame banen te leiden. Ze heeft daarvan een rechtsstrijd gemaakt en in het verloop van dit proces een behoorlijk aantal proletarische belangen in eigen hand genomen.

De vakbonden zijn al lang niet meer verboden, integendeel: ze genieten als quasi publiekrechtelijk lichaam met sociale opgaven erkenning van staatswege. De arbeiders betalen contributie en wat ze in ruil daarvoor van hun vereniging krijgen, mag er wezen. Over het loon en zijn regelmatige groei parallel met de economische groei hoeven ze zich niet langer het hoofd te breken. Dat regelt plaatsvervangend voor hen de vakbond in loonrondes, en de staat met zijn autoriteit verklaart het onderhandelingsresultaat bovendien algemeen verbindend. Deze opmerkelijke vooruitgang bij het vinden van een maatschappelijke consensus over het loonvraagstuk is te danken aan een leerproces dat beide zijden, burgerlijke klassenstaat en vakbonden, hebben doorlopen. De staat ontdekt het voordeel van arbeidersassociaties die alle met de loonstrijd onvermijdelijk gepaard gaande machts- en chantagekwesties ordentelijk regelen; vandaar dat hij hen de status van het algemeen nut beogende organisaties toekent, incluis de navenante rechten en beperkingen, het stakingsrecht en zijn regulatieven – om hun gewenst functioneren te garanderen. De vakbonden van hun kant trekken uit hun ervaringen met de burgerlijke staat de omgekeerde les: wanneeer ze als instellingen ter behartiging van arbeidersbelangen officieel erkend en geautoriseerd willen worden om de loonstrijd te voeren, moeten ze afzien van alles wat op klassenstrijd lijkt en uit de wettelijke voorschriften afleiden hoe ze voor de belangen van hun leden mogen opkomen. Naarmate ze daaraan wennen, mogen ze doen wat ze willen en als autonome onderhandelingspartners met de ondernemers overeenkomen welk maatschappelijk loonniveau in het land bindend te gelden heeft.

De moderne vakbonden zetten zich in voor rechtvaardige verdeling van de rijkdom die de arbeiders produceren. Ter rechtvaardiging van hun looneisen hanteren ze zo interessante hogere gezichtspunten als “de winst” - die de uitbuiters uit hun arbeiders hebben gehaald - en “de gegroeide productiviteit” - die daarbij goed van pas kwam – om met zulke of soortgelijke verwijzingen naar de voorbije of toekomstige zakensuccessen van het kapitaal de voorhanden “speelruimte” te vermelden voor de herverdeling van rijkdom ten gunste van hun leden. De vakbonden modereren, in zekere zin als derde partij tussen de klassen, de klassentegenstelling door het loon te gebruiken als onderhandelingsstof, waarover beide zijden, kapitaal en arbeid, een compromis dienen te bereiken: volgens hun overtuiging met een portie goede wil geen onmogelijke zaak. Zelfs als ze zich genoodzaakt zien af en toe met stakingen “druk uit te oefenen” – hun constructieve houding staat een eensgezinde oplossing van de loonkwestie niet in de weg, zodat er tussen de klassen loonrechtvaardigheid heerst: de ene klasse krijgt altijd zo veel bestaansmiddelen als de andere overeenbrengen kan met haar belang aan rendabele uitbuiting. Het loon is de geldsom waarmee de arbeiders moeten rondkomen, de cruciale factor voor hun bestaan – maar wat ze voor hun levensonderhoud werkelijk nodig hebben is allerminst de maatstaf als de moderne vakbonden hun loonstrijd voeren.

Wie wegens werkloosheid, ziekte of ouderdom in nood verkeert, belandt in een moderne markteconomie niet meer in de goot: hij kan terecht bij het arbeidsbureau of de sociale dienst waar men zich in het kader van de sociale wetgeving om zijn wensen bekommert. Ook op dit gebied toont de traditierijke burgerlijke staat zijn leervermogen en trekt een conclusie uit het feit dat het lastige “sociale vraagstuk” hem altijd voor ordeproblemen stelt. Dermate onverenigbaar met het levensonderhoud van de werkende massa’s hoeft het moderne kapitalisme in ieder geval niet te zijn dat er net als vroeger talloze onbruikbare doodarme figuren in portieken verkommeren en de binnenlandse orde – Weimar! Jordaan! – in gevaar dreigt te komen. De staat zorgt dus voor bestaanszekerheid van zijn minvermogende klasse en tevens voor sociale vrede; ook daarbij kan hij van het - nog vrij recente - optreden van bepaalde voorgangerstaten iets belangrijks leren: zo veel puur geweld als die nodig vonden, behoeft het helemaal niet voor de sociale pacificering van een kapitalistische klassenmaatschappij. Waar de fascisten met hun sociale voorzorg meteen alle arbeidersorganisaties ontmantelden, door overheids- functionarissen vervingen en een groot “arbeidsfront” oprichtten waarin ook ruimte was voor de bestaanszekerheid van kapitalistisch onbruikbare volksleden – onder de leus “arbeid en brood” moesten ze “arbeidsdienst” doen – daar brengt de democratische samenleving de als onvermijdelijk erkende ellende van haar arbeiders in het reusachtige bureaucratische apparaat van haar sociaalstaat onder. Ze organiseert een zelfstandig beheerd systeem van sociale verzekeringen dat, met geconfisqueerde loonbestanddelen van de arbeidersklasse gefinancierd, de notoire minvermogenden door de onvermijdbare wisselvalligheden van hun proletarisch bestaan loodst. Met het zodanig verdeelde en uitgesmeerde loon komt weliswaar geen tevredenstellend levensonderhoud van de enkele leden van de werkende klasse tot stand, maar met z’n allen zijn ze tenminste verzekerd van een subsistentie zodat de klasse in haar armoede zowel overleven als voor komende generaties van nuttige arbeiders zorgen kan.

De ellendige proletariërs hebben derhalve überhaupt geen reden meer om zich “rechteloos” of anderszins van hun samenleving buitengesloten te voelen. De leden van de klasse beschikken allemaal over aanspraken om in bepaalde noodsituaties door sociale instanties verzorgd te worden, en wat dat betreft mogen ze – qua uitkeringshoogte en -duur – van een bijzondere historische meevaller profiteren: de naoorlogse West-Europese democratie is net een front aan’t vormen tegen het communistische Oostblok en hecht daarom buitengewoon veel waarde aan het bewijs, dat arbeiders beter dan in het “reële socialisme” in een systeem kunnen leven dat hun productieve arbeid vrij en democratisch exploiteert. Er zijn dus twee maatregelen nodig: enerzijds het bestrijden van het (binnenlandse) communistische gevaar en anderzijds een zeer “sociale markteconomie” waar arme arbeiders zelfs zonder loon met uitkeringen kunnen rondkomen.

De regering treedt tegenover haar arbeidersklasse al lang niet meer op als repressieve overheid. Ze is democratisch gekozen, ook door het werkende deel van haar volk dat uiteraard stemrecht geniet. De staat ziet het nut in van het principe waarbij het gehele volk periodiek beslist door wie het geregeerd wil worden, en zo naast zijn duurzame politieke loyaliteit ook zijn bereidheid toont het kapitalistische reglement te aanvaarden. Juist ten opzichte van de klasse waarvan de productieve diensten zeer welkom zijn, hetgeen echter onvermijdbaar gepaard gaat met moeilijkheden, bewijst de democratische procedure haar grote waarde: ook die mensen die op grond van hun praktische levenservaringen voortdurend ontevreden zijn met de politieke regulering van hun behoeften, houden vast aan het grondbeginsel dat de maatschappelijke – dus ook hun eigen – levensomstandigheden door een overheid volgens een staatsraison moeten worden bepaald; en hetzelfde grondbeginsel biedt  het permanente proletarische ongenoegen over zijn leefsituatie een uiterst constructieve uitweg: het kiezen van een betere regering, en daar hebben ook arbeiders recht op!

Daarvan genieten ze dan ook met volle teugen. Waar de macht principieel in naam van het volk wordt uitgeoefend, willen de heersenden immers niet enkel kond doen dat ze de morele verplichting hebben om uitsluitend alle in de samenleving actieve belangen ten dienste te staan; ze laten bovendien het volk beoordelen hoeveel indruk hun mooie reclame voor zich en hun regeringskunst achterlaat, riskeren dus de ramp van niet-herkiezing; vandaar dat de partijen alle registers opentrekken om bij de kiezers goed over te komen: ook arbeiders, de “sociaal zwakken” met hun specifieke belangen, moeten zich door de politiek van de partijen, die voornamelijk volkspartijen zijn, goed vertegenwoordigd zien. Ze moeten hun chronische ontevredenheid over hun leefsituatie wijten aan nalatigheden en fouten die op regeringsniveau worden begaan – en met hun stem ervoor zorgen dat de staat beter bestuurd wordt. Zo is “het sociale vraagstuk” succesvol gepolitiseerd, namelijk volledig vertaald naar “goed regeren” van de samenleving en haar vaststaande politieke agenda - en daarom in goede handen bij degenen die om regeringsmandaten strijden.

Wie zijn christelijke of liberale regering alsmaar te onsociaal vindt – hoewel ook deze partijen “sociale vleugels” hebben – kan zijn teleurstelling kwijt door op de oppositie te stemmen: een sociaaldemocratische partij staat in de startblokken met de belofte bij het regeren vooral rekening te houden met het “sociale aspect”. Die partij wordt weliswaar vanaf het begin van haar parlementaire carrière ervan verdacht vanwege haar afkomst uit de arbeidersbeweging of het “linkse kamp” antipathie en zelfs vijandschap tegen het kapitalisme te koesteren, maar sinds haar overtuigende bewijsvoering dat ze niet slechts een “sterke oppositie” voert maar ook in elk opzicht “regeringsbekwaam” is, blijkt deze verdenking ongegrond; en de arbeidersklasse mag uit het partijenspectrum een partij kiezen die twee dingen tegelijk kan: het kapitalistische algemeen belang met al zijn systeemimmanente noodzakelijkheden regeren – en daarnaast hardnekkig de schijn wekken dat ze daarbij eigenlijk uitsluitend “het welzijn van de sociaal zwakken” beoogt. De sociaaldemocraten zijn ware meesters in het cultiveren van de legende uit hun begintijd dat alleen zij de steun en toeverlaat van alle arme en rechteloze mensen zijn; ze presenteren zich als de enige echte belangenbehartigers die de loonafhankelijken helpen tot “hun recht” te komen – en maken vervolgens, als ze regeringsverantwoording dragen, in de praktijk duidelijk dat dit recht parallel groeit met het succes van de natie, waar hun politiek naar eigen zeggen beter voor zorgt dan die van hun concurrentie. Zo raken de arbeiders eraan gewend hun eigen voortkomen en het welslagen van de nationale dwanggemeenschap, waarin ze hun dienst verrichten, te vereenzelvigen, en vice versa: het nationale succes kunnen ze zichzelf toeschrijven, ze hebben het (mede) bewerkstelligd en naarmate het toeneemt, neemt hun tevredenheid toe.

En last but not least wordt de moderne arbeider door nog een potente pleitbezorger bijgestaan: de vrije media vervullen ook ten opzichte van arbeidersbelangen hun democratische controlefunctie en verheffen elke “onrechtvaardigheid” tot publiek schandaal; hetzij dat ze een verantwoordelijke organisator van de alledaagse uitbuiting in de fabriek betrappen bij een laakbare handeling, hetzij dat ze de politieke hoeders van de sociale gerechtigheid plichtsverzuim verwijten: overal zijn ze present en hekelen dat iemand van het hooggeplaatste personeel te ver boven de mensen staat en te weinig oog heeft voor de problemen van “de gewone man”. Zijzelf daarentegen hebben voor diens nood niet alleen een open oor; ze weten ook hoe hij met zijn moeilijkheden moet omgaan en bieden hun proletarisch publiek de correcte geestelijke oriëntatiehulp bij het rondkomen met beperkte middelen. Ook op het geestelijke vlak wordt de arbeiders hun eigen belang uit handen genomen – door artikelen en commentaren ter open meningsvorming over de levensomstandigheden in de klassen- maatschappij, allemaal lessen die op dezelfde boodschap neerkomen: de “sociaal zwakken” moeten inzien dat hun situatie onveranderlijk is en dat dus hun gezeur erover in de praktijk zonder gevolgen blijft. Bijzonder leerzaam in dit verband is de scholing in de techniek van het vergelijk. Natuurlijk: het leven van een gewone arbeider is allesbehalve een pretje, maar vergeleken met de levens- omstandigheden van vroeger moet hij wel toegeven dat hij het behoorlijk goed getroffen heeft met zijn democratisch en sociaal vaderland: sociaal beschermd, deelgenoot van de economische groei en als lid van een welvaartsmaatschappij bijna overdreven goed ondergebracht.

*

Zo is de moderne arbeider perfect geïntegreerd in de kapitalistische samenleving; daar hij regelrecht omringd wordt door belangenbehartigers die voor hem actief zijn en zich over zijn verlangens ontfermen, ziet hij geen enkele reden meer om voor zijn eigen belangen tegen iemand op te treden; zelfs zijn uitbuiters zijn er om hem te dienen en heten werkgevers. Het lijdt geen twijfel: de staat heeft het gevaar voor de staatsveiligheid, dat hij zich met de arbeidersklasse op de hals heeft gehaald, succesvol afgewend: de klasse heeft het strijden afgeleerd.

III.

Heden ten dage – we bevinden ons in het tijdperk van een “globalisering” – is de situatie weer volledig veranderd. De loonkwestie is zo actueel dat elke dag naar passende antwoorden wordt gezocht; ze manifesteert zich echter niet als strijd van de arbeidersklasse voor de verdediging van haar bestaansmiddel, maar als hervormingsijver van de kapitalisten die voor de perfectionering van hun uitbuitingscondities strijden. In ruil voor de dienst waarmee ze hun arbeidskrachten verblijden – ze geven hen werk – eisen ze meer arbeid voor minder loon en vrije beschikking over de arbeidskracht, afhankelijk van de bedrijfsbehoefte en onafhankelijk van de levensbehoefte van de loonafhankelijken. Van de vakbonden verlangen ze een handtekening onder de arbeidstijdregelingen en loonkortingen die zij dicteren – met de dreiging hun onderhandelings- en consensuspartner anders helemaal buitenspel te zetten. Hun nagestreefd ideaal zijn decentrale loononderhandelingen op bedrijfsniveau.

De politieke hoeder van het algemeen belang ondersteunt zijn ondernemers in hun strijd. De “sociale verworvenheden” die decennialang onweerlegbaar moesten bewijzen dat het kapitalistische uitbuitingssysteem en het levensonderhoud van de massa’s volkomen verenigbaar zijn, worden thans als grote misstand aan de kaak gesteld: uitgerekend uit de explosieve groei van het aantal uitkeringsgerechtigden blijkt nu de “ondragelijke overbelasting” van het bestaande sociale stelsel. De afkeuring wordt consequent in de daad omgezet, en stap voor stap breekt men de bekende “verworven rechten” af, de enigszins solide bestaansbasis waaraan de arbeiders gedurende een halve eeuw mochten wennen. Daarbij worden ze geenszins teruggeworpen naar hun rechteloze toestand van weleer, integendeel: de sociaalstaat houdt hen streng onder controle; hij wendt simpelweg alle sociaalrechtelijke instrumenten aan – ooit beproefde middelen voor de pacificering van de klasse – om de inkomens van de arbeiders op alle fronten te korten. De vreedzame houding die de klasse aan de dag legt, wordt hierbij verondersteld en verwacht.

Dat alles gaat gepaard met een publieke propaganda die eveneens strijdt: tegen de dwaalleer dat het arbeidsloon voldoende moet zijn om het eigen levensonderhoud te bekostigen – en voor het inzicht dat met onmiddellijke ingang precies het omgekeerde dient te gebeuren: de kans om überhaupt voor een vaststaand loon te kunnen werken – is voor de loonafhankelijken vanaf nu een groot geschenk; überhaupt gebruikt en succesvol uitgebuit te worden, is het voornaamste nut waarop ze mogen hopen. Verdergaande eisen hebben ze niet te stellen, en van enigerlei verzet tegen de opgelegde nieuwe arbeidsvoorwaarden en “harde ingrepen” moeten ze afzien. Als staat en kapitalisten decreteren waar en hoe op de middelen voor hun levensonderhoud bezuinigd moet worden, dan krijgen de arbeiders blijkbaar slechts hetzelfde alternatief voorgelegd dat toenmaals de ellende van huns gelijken heeft veroorzaakt: iemand vinden die hen uitbuit – voor welke prijs dan ook.

*

De diametrale tegenstelling tussen de kapitalistische groei en het levensonderhoud van de producenten – de reden voor de toenmalige strijd van de arbeiders – is tegenwoordig het officieel verkondigde en in de praktijk gerealiseerde programma. En wat doet de gemaltraiteerde klasse? Ziet ze aanleiding om op de allerminst achterhaalde loonstrijd terug te vallen? Geen sprake van! Het blijft erbij: ze laat haar belangen behartigen door anderen, die weten wat binnen de grenzen van het mogelijke haalbaar is – en wacht lijdzaam af wat haar overkomt.

© Gegenstandpunkt Verlag, München