Hoe gaat racisme

Er groeit allerlei in Europa, de economie en de verantwoordelijkheid voor de wereldvrede, het aantal drenkelingen in de nationale wateren, de emissie van CO2 en de verwaarlozing in de voorsteden, de dakloosheid van de “working poor” en de rijkdom van de rijken; een buitengewoon hoog groeipercentage maakt EU-justitiecommissaris Franco Frattini bekend, namelijk de massale toename van vreemdelingenhaat en racisme in de staten van de Europese Unie: ten opzichte van verleden jaar een stijging van racistische incidenten met 25 tot 40, in sommige lidstaten zelfs met 70 percentpunten (Financial Times 21.02.07).

De democratie, het beroemde bolwerk tegen intolerantie en fascisme, wellicht een voedingsbodem voor vreemdelingenhaat en racisme? – uiteraard een retorische vraag.

1.
De aversie tegen vreemdelingen – die in extreme gevallen met de dodelijke selectie volgens racistische criteria eindigt – veronderstelt aan de eigen kant een nationale identiteit, een saamhorigheid die niet samenvalt met het lidmaatschap bij een natie, veeleer van het werkelijke bestaan in een kapitalistische maatschappij, van de werkelijke rechten en plichten abstraheert en de ondergeschiktheid aan een politieke, juridische, economische dwangverhouding ophemelt tot een “nationale gemeenschap”, een wij. Daarin doet iedereen met zijn middelen overeenkomstig zijn stand – overheid, bedrijfsleven, arbeiders – zijn morele plicht en dient zo het grote geheel.

a)
De “verschillen” tussen arm en rijk, ondernemers en arbeiders, grondbezitters en daklozen zijn daarmee goedgekeurd; de rangschikking en verdeling van de mensen op de bestaande hiërarchie van “sociale onderlaag” tot “elite” is niet wat ze is, een nationaal georganiseerde ordinaire kapitalistische klassenmaatschappij, maar realiseert de doelstelling iedereen het zijne toe te wijzen, zodat elk lid van een goede volksgemeenschap dat bereikt wat hij in zich heeft, althans in principe: een passende verantwoordelijke taak binnen de gemeenschappelijke arbeid voor het algemeen welzijn. Om deze overtuiging te staven moet niemand het “succes-gen” voor miljonairs, schoenmakers en politici hebben ontdekt; het is al voldoende dat zo’n waanidee in pedagogische kringen en proletarische kroegen op belangstelling stoot. Uit het geaccepteerde resultaat, de maatschappelijke hiërarchie, wordt middels een gevolgtrekking de bekwaamheid van de volksleden afgeleid: talent, intelligentie…, uiteindelijk ziet de voltooide kapitalistische maatschappij eruit als de perfecte gebruikmaking van de verscheidenheid van begaafdheid en aanleg.

- Dit is de eerste variant van het racisme: de interpretatie van de maatschappelijke karakters als door de natuur bepaalde verschillen van het geslacht mens.

b)
Ofschoon de maatschappelijke wereld zoiets is als de natuurlijke orde van dingen en mensen gaat toch niet alles naar wens. De eigenlijk harmonieuze gemeenschap ontbreekt het onmiskenbaar aan harmonie. De sociale partners vechten, iedereen heeft klachten en bezwaren, de partijen zijn verdeeld in plaats van eensgezind – wat is hier aan de hand? De brave mens weet het antwoord al voor de vraag: binnen alle rangen en standen, groepen en klassen is er verschil in gezindheid, het plichtsbesef is zoek; overal zijn er goede mensen die de gemeenschap samen houden en vooruit brengen en slechte mensen die met hun egoïsme de sociale vrede storen. De overbodige vraag waarom die er zijn, is door het factum dat ze er zijn reeds beantwoord: zoals het talent voor timmerman of wiskundegenie, zo ligt het karakter in het bloed. Misdaden komen voort uit de criminele energie; en die heeft iemand of niet. Deze “eigenschap” is echter, in tegenstelling tot andere talenten, onaanvaardbaar.

- Dit is de tweede variant van het racisme: de ondersoort kwaadaardige mensen moet met harde hand tot de orde worden geroepen of hoort achter slot en grendel.

c)
In elk geval behoren zelfs de slechte en kwaadwillende mensen, in zekere zin als genetisch grondsop, nog tot “ons”, de volksgemeenschap die zich in principe harmonieus organiseert en iedereen de passende positie toewijst. De zaak ligt anders ten opzichte van “de anderen” op wie de blik van de brave volksleden – via de media, op vakantie aan verre stranden of midden onder “ons”, daar de staat ook vreemden een verblijfsrecht verleent – steeds opnieuw valt. De vreemdelingen zijn vreemd – niet omdat de maatschappelijke verhoudingen in hun thuisland volstrekt anders zijn dan de “onze” of wegens ongepast of afwijkend gedrag hier te lande, maar omdat uit hun paspoort blijkt dat zij leden van een ander volk zijn. Aan de vreemde gemeenschap en haar waarden zijn ze gebonden, daar doen zij hun plicht en krijgen wat hen toekomt; arm of rijk, goed of kwaad – zij horen simpelweg niet hier te zijn maar elders. Wie deze fundamentele ideële grens tussen “wij” en “zij” trekt, beschouwt de natie als moreel hoogstaande gemeenschap en is ver verwijderd van het banale besef, dat de scheiding tussen binnen- en buitenlanders haar enige oorzaak heeft in de beperkte reikwijdte van de staatsmacht. Dit inzicht zou immers betekenen dat men de morele instemming met de natie en haar maatschappelijke “orde” op de voeten dus recht zet en bijgevolg laat varen. De brave burger ziet zich echter niet als lid van een dwanggemeenschap, maar hij waant zich erelid van een exclusieve vereniging die eigenlijk niemand heeft opgericht, de naam “volk” draagt en een bij haar “volkse aard” passende staat heeft gesticht.

- Dit is de derde, fundamenteelste variant van het racisme: het toebehoren tot een volk deelt het geslacht mens – nog voor de ondersoorten van verschillend begaafden en goeden – in nationaal verschillende soorten; dit soortkenmerk heeft ieder mens, als het ware als eerste gave van de natuur, zowel aan zijn buiten- als aan zijn binnenkant. Zoals kroeshaar of huidskleur of waaraan dan ook de zoöloog de ene homo sapiens van de andere onderscheidt.

2.
Racisme: dat is politiek-morele, volks- en andere zedelijke karakters onderscheidende blik op de van overheidswege georganiseerde en gesorteerde mensheid. Het is het mensenbeeld van de vaderlandse gezindheid, daarom inherent aan elk staatsburgerbewustzijn, dus zelf het product van de politieke dwangvereniging die het als zodanige niet wil kennen. Wat deze blik waarneemt, wanneer en hoe radicaal deze morele houding haar polemische kwaliteiten openbaart, of uit het lijden onder buitenlanders een lynchen van buitenlanders voortvloeit, dat is afhankelijk van de aanleidingen tot nationaal ongenoegen die de staatsburger ontdekt.

a)
Zijn actuele slagwoorden haalt het patriottisme altijd uit de toestanden waarmee het ontevreden is, niet uit bevredigd materialisme, maar uit ontevredenheid ontwikkelt het zijn elan. En meteen wordt duidelijk dat het aandringen op plichtsbesef en intacte moraal vorderingen stelt en doortastende maatregelen eist, en wel – anders kunnen brave burgers de moeilijkheden die zij in de volksgemeenschap ondervinden überhaupt niet verklaren! – tegen mensen die schuldig zijn aan allerlei “misstanden” omdat zij de eigenlijk toch lofwaardige samenwerking van regeerders en geregeerden, van investeringen en werkwilligheid, van school en ouders… storen.

b)
De schuldige figuren die het beledigde patriottisme verzint, ontdekt het doelbewust. Binnen zijn volksgemeenschap ziet het een wijdverbreid egoïsme dat de eerlijke selectie van mensen oneerlijk maakt, de faire concurrentie doorkruist, onverdiende voordelen haalt, gemeen- schapsmiddelen eist maar vereiste tegenprestaties weigert – en de brave volksleden, alle fatsoenlijke burgers lijden onder bedriegers en profiteurs. Niemand blijft buiten schot, ze zijn op elke plek te bespeuren: tussen miljonairs bevinden zich parasiterende speculanten naast vlijtige werkgevende werkgevers, tussen daklozen schuldloos in nood geraakte medemensen naast waardeloze klaplopers die niet willen werken…

Dergelijke verschillen tussen goed en kwaad verbleken echter naast de ontdekking die menig lid van de volksgemeenschap steeds opnieuw moet maken: er zijn sommigen die hier helemaal niet thuis horen. Zij nemen een grote ruimte in, niet omdat zij meer ruimte innemen dan anderen, maar omdat de ruimte niet van hen is. Zo bekeken zijn ze schuldig aan elke misstand die de burger stoort: zij pikken van de inboorlingen arbeidsplaatsen, vrouwen en woningen, zij zaaien verwarring en stichten onvrede, zij brengen verdovende middelen in het land en veroorzaken zedenverwildering. Zij krijgen alles waar een nationale burger óf niet om vraagt, óf waarvoor hij heel lang in de rij moet staan. Zulke mensen moeten niet eens de wet overtreden (en zo ja, is dat bij hen veelzeggend genoeg) om zich aan de eerste fundamenteelste staatsburgerlijke plicht te vergrijpen, namelijk een lid van de volksgemeenschap te zijn. Zonder lidmaatschapskaart, dus zonder recht op aanwezigheid, zijn ze hier en storen daarmee de eensgezindheid van diegenen die het over niets eens moeten worden om een eenheid te zijn. Zeer praktisch dat de sensibele inboorling de vreemdelingen onmiddelijk herkent: aan raskenmerken in de banale zin van een toevallig uiterlijk dat met de morele inhoud van het racisme, de scheiding van mensen in volksgemeenschappen, niets te maken heeft.

c)
Dat is de kern van het staatsburgerlijke racisme: de morele zoektocht naar veroorzakers van de treurige toestanden in het voorbeeldige vaderland doet een vondst. Uiteraard kan het ontevreden patriottisme tussen inheemse misdadigers en vreemdelingen onderscheiden; maar als het om de intacte volksgemeenschap gaat zoals de burger zich zijn natie voorstelt, wordt snel duidelijk welke afgrenzing de fundamentelere is. De ene soort is het uitschot dat in elke vereniging bestaat, “tot ons” behoort en op gepaste wijze wordt behandeld; de andere soort brengt niet eens de eerste voorwaarde mee: erbij te horen. Kunnen “volksvreemde elementen” überhaupt iets anders zijn dan een stoornis – zelfs als men hen persoonlijk misschien niets kwalijk kan nemen?

d)
Kwalijk nemen moet men in ieder geval zijn eigen regering dat zij in plaats van een zuivere scheiding en selectie toe te passen de storingsfactor toelaat en zo het verlangen naar harmonie van haar ontevreden volk teleurstelt. Wie een dergelijk schandaal niet accepteren wil, staat voor een keuze. Óf hij vermant zich, drinkt zich moed in en demonstreert daadkrachtig samen met gelijkgestemden wie baas in eigen huis is door de vreemdelingen te verduidelijken waar zij thuis zijn, namelijk niet “bij ons”; zo’n eigeninitiatief komt echter in conflict met het geweldsmonopolie, en een wetsovertreding is niet voor iedereen weggelegd. Óf hij kiest de succesvollere weg en gaat de politiek in – want zo effectief als het openbare gezag met zijn vreemdelingenwetgeving kan het privé-geweld toch nooit optreden.

3.
De overheid maakt haar politiek weliswaar niet afhankelijk van de morele meningen en interpretaties die haar burgers verzinnen, maar zij gebruikt deze ter legitimering en verscherpt en actualiseert zodoende het “gezonde volksgevoel”. Wie van de regering niets anders eist dan de bevestiging van het geloof dat zij geen hogere opdracht heeft dan de – desnoods gewelddadige – handhaving van de harmonie binnen de nationale vereniging wordt door geen politicus afgewezen, integendeel. Het racisme van de politici is niet slechts een product van de statelijke dwanggemeenschap met haar politiek-morele gemeenschapsgeest, het is ook het officieel gepraktizeerde statelijke credo. Zoals de ontevreden staatsburger een patriottische dadendrang voelt, zo voert de staat, als hij het nodig vindt, een beleid dat het racisme gelijk geeft en adequaat toespitst.

a)
De ontevreden staatsburger met zijn vreemdelingenhaat, een uitvloeisel van zijn patriottische partijdigheid, vindt bij de regenten altijd gehoor. Die horen terecht niets anders dan het echo van hun belofte het welzijn van hun volk te bevorderen en zij tonen begrip – zelfs als zij de haatgevoelens sussen. Strikt bekeken oriënteert de staatsburgerlijke ontevredenheid zich toch alleen maar aan de “onderwerpen” die de nationale publieke opinie beheersen en voornamelijk bepaald worden door de regeringskringen; daarmee is min of meer gewaarborgd dat de burger zijn racisme in overeenstemming met de openbare mening mobiliseert – zelden of nooit omgekeerd.

b)
Hoeveel politieke actie daaruit volgt – of ook: hoe ver iemand komt die de gevestigde partijen plichtsverzaking tegenover het volk verwijt danwel een eigen partij opricht – dat is afhankelijk van de successen en tegenslagen van de natie die de regeerders definiëren. Als zij een nationale noodtoestand constateren, laten zij het volk offers brengen, verergeren de levenssituatie van de verschillende rangen en standen en vergroten hun ontevredenheid. Vandaar dat de burgers in dergelijke situaties bijzonder goed begeleid worden: juist in “moeilijke tijden” mag de stemming in het land niet negatief beïnvloed worden door de aanwezigheid van buitenlanders, en de goede verstandhouding tussen volk en regering mag onder geen beding lijden onder de provocatie van een “onopgelost vreemdelingenprobleem”. Hoe meer de nationale regering een beroep doet op de moraal van het volk, dus materiële offers voor de noodlijdende natie eist, des te sterker benadrukt zij de exclusiviteit van het nationale “wij” door ongewenste buitenlanders te chicaneren en weg te sturen. Een staat in nood moet zich op de onvoorwaardelijke “solidariteit” van zijn volksgemeenschap kunnen verlaten; daarom verwijdert hij “volksvreemde elementen” –als ware het geloof in de incompatibiliteit tussen nationale mensensoorten daadwerkelijk de waarheid. In die zin realiseert de staatsmacht, als zij het nodig vindt, het racisme van haar burgers, hun zelf verzonnen “nationale identiteit”.

c)
Dit nationale bewustzijn wordt uiteraard voortdurend theoretisch bewerkt. Het verdraaide wereldbeeld dat een volk uitsluitend daarom een volk is omdat een bijzonder slag mensen met een bijzonder karakter een onverbrekelijke gemeenschap heeft gesticht, is een vast bestanddeel van elke moderne staatsdoctrine evenals de op praktische consequenties doelende conclusie: dat een natie alleen dan sterk is en ook “moeilijke tijden” doorstaat als het volk zich op zijn oorspronkelijke aard en deugd bezint (VOC-mentaliteit…).

De propaganda van het volksidee kent vele vormen; een onmisbaar hoofdstuk van elke politieke ideologie is in ieder geval het “historische bewustzijn”: een merkwaardige leer die beweert dat de huidige vrije staatsburger op een of andere manier aan de leiband van het verleden loopt. Dit bewustzijn heeft generlei kennis nodig maar wel historische musea, herdenkingsplechtigheden en manifestaties die uitbuiting en oorlog in het verre en nabije verleden verheerlijken tot levensgeschiedenis, generatie na generatie, van een onverwoestbare volksgemeenschap. Er is geen staatsmacht die zich ter onderbouwing van haar actuele voornemens niet op het historische recht van dit fictieve volkslichaam beroept. Hoe militanter haar plannen, hoe meer gaat het daarbij op z’n minst om een historische missie, en complementair tot het beeld van het eigen voortreffelijke volk krijgt het andersoortige van de buitenlander zijn specifieke trekken. De vreemdelingen hebben immers vaak de pech de grootse nationale plannen in de weg te staan; soms omdat ze zijn waar ze niet horen te zijn, soms omdat hun staat een storende historische missie op de agenda heeft. Dan wordt al gauw duidelijk wie bij het mediocre mensensoort hoort, en vijandschap en vijandbeeld passen wonderwel perfect bij elkaar – en de democratische vrijheid vecht tegen socialistische ondermensen, het verlichte avondland tegen middeleeuws islamterrorisme en Afghaanse barbaren, de West-Europese zedelijkheid tegen Balkanslavische haatcultuur…