Opmerkingen over het loon

Het loon is, ondanks wijdverbreide geruchten, niet de in geld uitgedrukte tegenwaarde van de geleverde arbeid (als alle geleverde arbeid betaald zou worden, was er geen winstmakerij). Het loon is iets anders; loon is de geldsom waarmee kapitaaleigenaren zich het recht kopen de loontrekkende arbeiders volgens rentabiliteitscriteria te employeren. Het ruilkarakter van deze verhouding – loon voor arbeid – is inhoudelijk gezien pure fictie, loon koopt geen equivalente arbeidskwantiteit. Het gaat om een volstrekt eenzijdige deal waarbij de ondernemer van de loonafhankelijkheid van bezitloze mensen profiteert door de loonarbeiders een loon aan te bieden waarvan de hoogte overeenkomstig de kapitalistische calculaties vastgesteld wordt. Voor besteed loon wil de kapitalist, zoals bekend, zoveel mogelijk arbeid uit de mensen halen resp. voor een arbeidshoeveelheid zo weinig mogelijk betalen; daar kunnen de werkenden van meespreken; daarbij is altijd inbegrepen dat er geen loon wordt betaald als hij geen voordeel voor de ondernemer oplevert; daar kunnen de werklozen van meespreken. De eerste dienst, om het zo uit te drukken, levert het loon dus, nog voordat hij in de portemonnee van de loonarbeider terechtkomt, voor de kapitalist; die koopt zich het recht op, ouderwets gezegd, uitbuiting van de loonarbeider d.w.z de arbeider produceert de tegenwaarde van zijn loon tijdens een (klein) deel van de arbeidsdag, de rest van de dag werkt hij voor de ondernemer - gratis; zonder deze verhouding bestaat er geen loon, zonder deze verhouding wordt hij niet betaald. Daarmee staat al bij voorbaat vast dat de dienst die het loon voor de loonbetaler verricht, niets te maken heeft met de dienst die de loonontvanger van het loon verwacht. De loontrekker gaat naar de fabriek omdat hij geld voor zijn bestaan nodig heeft, en aan geld komt hij uitsluitend als hij de chanterende looncalculatie van een ondernemer aanvaardt. Daaruit volgt het zichtbare empirische feit dat loonarbeiders niet rijk worden en een leven lang moeite (moeten) doen om een loon te verdienen.

Overigens is deze eerste dienst van het loon zonder meervoudige interventies van de overheid niet te krijgen. Met zijn geweld, zijn wetgevende bevoegdheid legt de staat de arme maatschappijleden de verplichting op loon te verdienen, andere manieren om aan geld te komen, van particulier gelddrukken tot bankberoving, zijn er niet of ze zijn verboden. Maar ook de andere zijde moet aan verplichtingen voldoen. Met zijn gezag verplicht hij de kapitaalbezitters loon te betalen; daarmee wordt de willekeur van ondernemers, uit vroegkapitalistische tijden en andere landen bekend, aan banden gelegd; zij moeten regelmatig betalen en wel de overeengekomen hoeveelheid. Sinds het bestaan van deze beperking hebben de ondernemers echter geen nadeel opgelopen – want waaruit bestaat hun verplichting? Niet uit het betalen van een loon dat uit het levensverhaal van loonarbeiders een succesverhaal maakt, maar omgekeerd: zij moeten slechts een loon betalen dat hun zakensucces bevordert; en ook hier, waar het om de loonhoogte gaat, is de staat mee van de partij. Hij verleent de “sociale partners” het recht onafhankelijk, zonder politieke bemoeienis CAO’s af te sluiten, waarmee geenszins bedoeld is dat hij zich afzijdig houdt en zich verder niet met de loonkwestie bemoeit, integendeel: het recht op onafhankelijke onderhandelingen behelst namelijk een voorschrift met de strekking: de tegenstelling ten opzichte van het loonvraagstuk hebben kapitaal en loonarbeid, vertegenwoordigd door werkgeversorganisaties en vakbonden, door onderhandelingen op te lossen en met een overeenkomst af te sluiten; en dat impliceert nu eenmaal de erkenning van het voorbehoud waaronder loon überhaupt wordt betaald: kapitalisten betalen uitsluitend dan loon wanneer betaalde arbeid lonend is, en anders niet; een overzichtelijke speelruimte voor “gezonde” looneisen: de aanvaarding van het kapitalistische winstoogmerk is de noodzakelijk te vervullen voorwaarde voor onafhankelijke CAO-onderhandelingen. Het is geen geheim dat de staat voor zijn interventies die werknemers en werkgevers tot sociaal partnerschap verplicht zijn eigen beweegredenen heeft: uit het succes van de ondernemingen, de verdienste van de loonarbeiders inbegrepen, resulteert immers de economische groei van de natie, dus de rijkdom waarvan de macht en heerlijkheid van de staat, de dimensies van zijn voornemens afhankelijk zijn.

Hier begint de tweede dienst van het loon; want hij staat, nadat hij de ondernemers dienstbaar was, geenszins de arbeider voor de bevrediging van zijn behoeften en belangen ter beschikking; voordat de loontrekker zijn loon vrij besteden kan, annexeert de staat zijn aandeel. Hij incasseert belastingen (en niet weinig), behandelt de totale door het kapitaal beraamde loonsom dus als brutoloon, als beschikbare geldsom, zijn financiële grondstof waarover hij disponeert. Nauwelijks komen de mensen hun plicht na hun levensonderhoud door loonarbeid te verdienen, komt dezelfde staat die dit soort broodwinning afdwingt en onteigent een deel van de bestaansmiddelen. De loonarbeider moet de staat alimenteren die hem tot loonarbeider maakt. En dat is nog niet alles, de zelfbediening van de overheid oftewel de plundering door de staat houdt hier nog niet op.

Hij gebruikt de geïnde belastingen namelijk niet om zijn loonafhankelijke burgers een levensonderhoud te financieren, bijvoorbeeld wanneer het kapitaal hen overtollig of onbruikbaar verklaart (wat geregeld gebeurt, dus inherent is aan het begrip loonarbeid), dat zou belastinggeld verspillen. Anderzijds wil het staatsgezag de arbeidersklasse met haar verdiende loonsom, na aftrek van de belastingen, ook niet aan zichzelf overlaten en wel om een enkele reden: het individuele loon is bij lange na niet voldoende om de onderbrekingen van een arbeidersleven en de oude dag te bekostigen; omdat de moderne staat echter waarde hecht aan een verder inzetbare (en gewillige) klasse is hij op de verzorgingsstaat gekomen: het loon moet een derde dienst doen; de staat incasseert premies voor sociale verzekeringen etc. Hij belast het loon van de gehele klasse, de totale nationale loonsom, met de verzorging van werklozen, zieken, ouden… die het kapitaal uitgesorteerd heeft, kortom: met onteigende loonbestanddelen, met een functioneel armoedefonds moeten de loontrekkers ervoor opdraaien dat het loon niet voor een arbeidersleven maar uitsluitend voor een arbeidsleven voldoende is.

Voordat de loonarbeiders het welverdiende loon in handen hebben, heeft deze echter nog een vierde, thans obligate en niet onbelangrijke dienst te doen, namelijk voor het financierskapitaal. De dagen van het loonzakje zijn voorbij en doorgaans krijgt iedereen zijn loon op een giro- of bankrekening overgemaakt; samen met het beetje spaargeld voor “moeilijke tijden” vormen deze vele kleine sommen een flinke duit waarmee de banken hun kredietzaken doen.

Eindelijk is de loonarbeider heer en meester over zijn verdienste; die werd tussentijds bijna gehalverd, heet nu nettoloon (netto komt uit het Latijns en betekent glanzend, schoon, gezuiverd – daarvoor was hij dof, vies, vervuild) en staat de loontrekker dus schoon en glanzend ter beschikking; uiteraard niet als vetpot nadat hij de eerste drie diensten naar behoren heeft gedaan, maar als “rest-loon”, hetgeen het genot van het gelduitgeven aanzienlijk bederft. De loontrekker moet met het resterende loon zien rond te komen, de vrije beschikking erover is met een taak verbonden, een plicht die de noodzakelijkheden van een arbeidersbestaan behelst. Hij heeft zijn verdienste zo te besteden dat hij in staat is zijn inspanning voor een werkgever ook toekomstig te doen, dus dat hij kan wat hij moet: werken om geld voor zichzelf en zijn gezin te verdienen; en zodoende, uitsluitend aan zichzelf en zijn aanhang denkend, levert de loonarbeider zijn bijdrage dat het loon een vijfde dienst voor vreemde belangen, voor het functioneren van de kapitalistische maatschappij resp. de markteconomie verricht. Deze dienst heet reproductie en draagt zijn naam terecht; hij doet niets anders dan de geschiktheid van de loonarbeider voor de loonarbeid tot stand te brengen en te conserveren. Dat is de vijfde dienst van het loon en alweer, in de privé-sfeer van de werknemer, is de staat aanwezig. Daar de reproductie met sommige moeilijkheden gepaard gaat ( tot het einde van de maand zijn de behoeften te rangschikken, een paar euro’s voor harde tijden te sparen, het plezier is te rantsoeneren etc.) en menige familie moeite heeft om met een beperkte loonsom haar privaat proletarisch geluk te financieren, biedt de overheid een zekere “hulp”. De staat controleert of de kleine arbeidzame levensgemeenschappen hun reproductietaak uitvoeren; als iemand zijn huishoudgeld simpelweg verbrast en verzuipt, als hij niet financieel voor zijn zelfverwekte kinderen en hulpbehoeftige ouders zorgt, als hij zijn schulden en afbetalingstermijnen ignoreert, dan maakt de staat duidelijk waarop de inhoud van de reproductie neerkomt: in ieder geval niet op “veronachtzaming en verwaarlozing”, zo’n misverstand wordt beboet en bestraft. Zo biedt de staat op zijn manier bijstand bij het rondkomen met het loon, wat uiteraard veel proletarisch verantwoordelijkheidsbesef en onberispelijke opvoedingsmoraal teweegbrengt. Bijgevolg levert het reproductieve gebruik van het loon, quasi als gratisproduct, nog een resultaat op: wie zijn loon indeelt (dat niet voldoende is en daarom ingedeeld moet worden) die steelt niet, die plundert niet, die voedt zijn kinderen en maakt uit het schandaal van de loonarbeid geen strijdprogramma tegen kapitaal en staat. Het gratisproduct van de reproductiedienst is dus: rust en orde; een praktische fatsoenerende functie, of anders gezegd, zo wordt de arme mens heel automatisch een fatsoenlijk deel van het staatsvolk, een oogappel van zijn overheid.

Twee verdere diensten komen erbij. Dienst nummer zes en zeven verricht het loon wanneer de loontrekker hem uitgeeft. In zijn handen is hij koopmiddel, naar eigen smaak en goeddunken te besteden; maar hij wordt tegelijk door de zakenwereld als koopkracht beraamd, die geen andere taak heeft dan het warenkapitaal te verzilveren dat de ondernemer op de markt brengt en met rendabel gecalculeerde loonkosten liet vervaardigen. En ook hier wil de staat niet aan de kant blijven staan, aan elke koop neemt hij deel en incasseert BTW voor zijn schatkist. Weliswaar heeft de arbeider principieel de vrijheid aan welke warenproducent hij de voorkeur geeft, maar onverschillig of hij Aldi of Albert Heijn kiest, of hij auto rijdt of fietst…, zijn verdienste wordt altijd als maatschappelijke koopkracht getaxeerd en ten opzichte van haar belastbaarheid door indirecte belastingen jaar in, jaar uit door de regering onder de loep genomen.

Voor de loonarbeider is het loon vanwege zijn diensten of functies geen vetpot, laat staan een hoorn des overvloeds, maar een zeer beperkte en bovendien precaire ressource die zijn “levensstandaard” bepaalt; en volgens de vrije pers en verantwoordelijke leiders, deskundigen en vakbonden hoort dat bij “the way of life” in de moderne maatschappij, waarin de uitbuiting “werkgelegenheid creëren” heet. Er zijn twee mogelijkheden: of de loonarbeiders leren af dat zij behoeften en belangen hebben, zo’n zelfbeperking is dan hun privéprobleem; of zij leren de hoofdrolspelers van de markteconomie af voor eeuwig en altijd de behoeften en belangen van loonarbeiders te beperken en te beschadigen; andere alternatieven zijn er niet.