Het volk: een verschrikkelijke abstractie IV

4. Nationale identiteit in het tijdperk van “globalisering”

a)
Democratische volksleiders, volkspedagogen en soortgelijke volksvrienden zijn uitermate ingenomen met hun methode die het volk bij zijn eigen beheersing betrekt. De “maatschappelijke systemen” vergelijkend – een zelfstandige discipline in het moderne wetenschapsbedrijf – prijzen zij de politieke vrijheid als het non-plus-ultra van de mensheidsgeschiedenis, zonder te verzwijgen dat zij de desbetreffende grondwetsartikels voornamelijk waarderen vanwege hun bijdrage aan de continuïteit en stabiliteit van de politieke heerschappij: tegen alle aanvechtingen van onderaf en ondanks alle personeelswisselingen. Aan de andere kant hebben zij geen hoge dunk van een “puur” grondwetpatriottisme: de partijdigheid voor de vaderlandse samenleving die de verleende vrijheid als het belangrijkste of zelfs cruciale argument aanvoert, vinden zij krachteloos, oppervlakkig en onbetrouwbaar, in ieder geval volstrekt onvoldoende. Niet dat zij een beter argument paraat zouden hebben: het bevalt hen niet dat de juiste instelling tegenover het vaderland überhaupt meent argumenten nodig te hebben. Zij eisen geen goed of slecht beredeneerde, maar een partijdigheid zonder enig voorbehoud, een partijdig standpunt dat zonder meer samenvalt met de nationaliteit. Voor zijn nationaliteit dient men niet partij te kiezen – alsof er een alternatief zou bestaan – door zijn nationaliteit moet men gegrepen zijn als door een natuurlijke emotie. Daaruit mag uiteraard geen (blind) “hoera-patriottisme” voortkomen dat zich zo makkelijk door on- of antidemocratische krachten laat “misbruiken” – onder controle van de bevoegde overheid moet dit diepmenselijke meeleven met het lot van het nationale kapitaalterritorium wel blijven; het mag geen lelijke kanten tonen die investeerders uit andere landen misschien afschrikken en überhaupt het imago van het vaderland zouden kunnen beschadigen. Enige trots is echter op zijn plaats: de gevoelsmatige totale affirmatie van de eigen persoonlijkheid – op grond van het uiterst onpersoonlijke feit dat men lid van juist die natie is waar men nu eenmaal lid van is. In dit verband is er zelfs sprake van de intiemste affirmerende emotie: van liefde – voor een door en door aseksueel maaksel als het vaderland. De instemming met op geweld berustende maatschappelijke verhoudingen op zowel bezonnen als spontaan emotionele wijze – deze absurditeit staat de democratisch-liberale volksopvoeders voor ogen: als bindende norm waaraan een fatsoenlijk volk moet voldoen. 7)

Om deze spontane emotie op te wekken, wordt het een en ander gedaan. Allereerst en vooral, namelijk permanent en onmiskenbaar, door een kritische publieke opinie die in haar liberaal-democratische variant, als autonoom agerende “vijfde macht”, alles in de schaduw stelt wat dictatoriaal gestuurde media aan stemmingsmakerij voor de heerschappij tot stand brengen. Volkomen vrij en uit eigen beweging staat ze reeds in haar neutrale, objectieve berichtgeving op het standpunt van de eerste persoon meervoud; dit “wij” omvat ideëel niet meer en niet minder dan de gehele natie: de publieke opinie ageert als waarnemingsorgaan van het volk en betrekt haar publiek met de grootste vanzelfsprekendheid bij een kijk op de wereld die al partijdig is voordat het oordelen en commenteren begint. Want de optiek van het collectieve subject impliceert als vanzelf zowel een genuanceerde betrokkenheid bij de onder de aandacht gebrachte loop der dingen als het belang dat “wij” er wel bij varen – bij gewapende conflicten of bij het weer –, dat “wij” succes boeken met “onze” projecten: de verhoging van het aantal geboortes per vrouw, de verlaging van de werkloosheid… – dat “ons” voetbalelftal en “onze” vliegtuigindustrie – enzovoort. Hoe de balans uitvalt, goed of slecht voor “onze” voornemens, daarover mogen de meningen (!) en situatie- beoordelingen vervolgens wel uiteenlopen; dat is het gebied waar de particuliere ontevredenheid zich van de passende kritische commentaren voorziet – over ongunstige omstandigheden, onfaire concurrenten, nullen in eigen gelederen… Het standpunt dat heel het wereldgebeuren uiteindelijk om “ons” voordeel moet draaien, wordt daardoor niet gerelativeerd; het is de gemeenschappelijke noemer van de vele vrije meningen, de vanzelfsprekende basis van alle serieus genomen oordelen en markeert zo de omtrek waarbinnen een opvatting als achtenswaardig geldt. 8)

De dagelijkse gewenning aan een partijdig vooringenomen vaderlandse kijk op de wereld stemt de pleitbezorgers van een onvervalst patriottisme echter nog lang niet tevreden; te meer daar zij in de diversiteit van opvattingen meteen weer het particularisme actief zien en tweedracht vrezen. Zij willen dat het volk zich eenduidig vanzelfsprekend en tegelijk uitdrukkelijk met de nationale zaak identificeert, dus een expliciete partijdigheid voor het nooit in vraag gestelde, aan elke partijdigheid ten gronde liggende nationale “wij” aan de dag legt. De tegenstrijdigheid die dit verlangen bevat stoort hen allerminst: zij realiseren haar op methodische wijze door propaganda te maken voor het tonen van een natuurlijke vaderlandsliefde; daarvoor ensceneren rasechte democraten gelegenheden en passen methoden toe die te allen tijde en overal in gebruik zijn waar een overheid haar identiteit met haar onderdanen bezweert. Zij presenteren aan het volk de hoogste ambtsdrager van de staat – het liefst een persoonlijkheid die boven de partijen staat – als representant van de algemene, diep in het volk zelf gewortelde staatswil en bedrijven met deze persoon een cultus die de steeds kritische publieke opinie in het geval van onbrekende overtuigingskracht – in andere landen sowieso – als “personencultus” doorziet en veracht; zij laten bijvoorbeeld hun topfiguur op hoge feestdagen toespraken houden die zij al van tevoren als “groots” verklaren, gebouwen van nationale betekenis inwijden, onderscheidingen uitreiken waarmee de samenleving verdienstelijke burgers en tevens zichzelf eert etc. Zo creëren de hoeders van de juiste nationale gezindheid een sympathieke symboolfiguur die de staatsmacht belichaamt; sommige moderne democratieën gunnen zich zelfs speciaal voor dit doel een monarchie met een lange familiegeschiedenis; in haar hoogte- en dieptepunten kan het burgerlijke familiedier zijn eigen privé-leven in verheven vorm, quasi als staatsaangelegenheid weerspiegeld zien en de heerschappij menselijk en zelfs beminnelijk vinden. Op nationale feestdagen, een onmisbaar evenement voor de patriottische volksopleiding, worden grote gebeurtenissen uit de nationale geschiedenis, bij voorkeur belangrijke overwinningen, zodanig voor het collectieve geheugen geprepareerd dat het publiek meent zijn eigen lotgevallen te beleven. De slachtoffers worden herdacht als zou men goede kennissen en vrienden herdenken; zo fungeren zij als bewijs voor de grootsheid van het vaderland – waarvoor zij niet geslachtofferd werden, maar zich hebben opgeofferd – dat men als nazaat alleen al vanwege de offervaardige voorvaders in ere moet houden: alles volgens het in de praktijk behoorlijk effectieve volkspedagogische maxime dat de demonstratieve uitvoering van eerbiedige rituelen – zolang niemand lacht – de gezindheid beïnvloedt en eerbiedige gevoelens opwekt. Tijdens dergelijke en andere gelegenheden wordt steeds hetzelfde loflied op de natie geïntoneerd en hulde bewezen aan de onverwisselbare landsvlag: allemaal activiteiten waarmee zo vroeg mogelijk moet worden begonnen zodat reeds in het stadium van naïeve onwetendheid, wanneer de kinderen aan alles mogelijke moeten wennen zonder de redenen te snappen, de juiste instelling wordt gevormd waar later ook de volwassen mens mee behept is.

De gevolgen blijven niet uit. Dat de burgers aan hun ondergeschiktheid aan een nationale staatsmacht wennen en met de voorgeschreven bestaansvoorwaarden uit gewoonte affirmatief omgaan, is pas het begin. Het “karakter” dat zo gecreëerd wordt en zich tot hun “tweede natuur” ontwikkelt, erkennen zij als hun collectieve gemeenschappelijke “volksaard” en deel van hun persoonlijkheid. Zij beschouwen zich als een bijzonder, door geschiedenis en landschap, taal en traditie en soortgelijke dingen verbonden en verheven slag mensen - naast en ongeacht hun allesbehalve gemeenschappelijke werkelijke sociale verhoudingen. De intellectuele elite geeft het volk daarin volkomen gelijk en zij is niet zuinig met aanmoedigingen en uitgebreide instructies. De grote geesten van de natie constateren een volkskarakter dat zich in allerlei specifieke deugden, maar ook ondeugden uitdrukt en tot een heel eigen leefwijze leidt. Daartegenover stileren zij zich graag als kritisch reflecterende representanten van de nationale cultuur; enerzijds diep verankerd in de vaderlandse bodem, vooral in de nationale taal - waarvan de onvertaalbare diepzinnigheden niemand anders dan zij intuïtief kunnen doorgronden - en überhaupt zowel in de continuïteit als in de tragische discontinuïteiten van de geestelijke traditie van hun volk. Anderzijds wordt de distantie tot de massa’s niet verwaarloosd: antbreken: mag de distantie tot de massahun volk. dan zij intu pteren, is pas het begin. aatsmacht belichaamt;l die prachtige woordsamenstellingen zoals volksuniversiteit en volksdans, volkszeden en volkstheater, volksbadhuis en volksbank maken al door het taalgebruik duidelijk dat het volk toch niet simpelweg een alle volksleden omvattende gemeenschap voorstelt maar – democratie of geen democratie – de lage klasse van een heerschappijsysteem. Voor zover dit voetvolk echter zijn indienstneming niet alleen aanvaardt maar tevens als zijn volksnatuur accepteert, komt hem veel eer toe. Zijn volkse gebruiken worden niet alleen in volkskundemusea tentoongesteld, maar evenals de met uitsterven bedreigde dialecten instandgehouden – de kleine ongerijmdheid ten spijt die de enscenering van oude gebruiken teneinde ze te behouden impliceert. Hoe minder de nationale klassenmaatschappij uit etniën bestaat – zelfs etnologen durven dit etiket vermoedelijk niet op een moderne “civil society” te plakken – des te intensiever koestert en bevordert de toonaangevende elite de volkscultuur: de schijn van een natuurlijke saamhorigheid van het volkslichaam.

En bij de pure schijn blijft het niet. Het staatsgezag zelf laat het niet bij de eis naar een volkseigen “Leitkultur” (dominante cultuur) en haar bescherming. Het beschouwt en behandelt zijn inboorlingen als zijn “geboren” basis; niet slechts in de zin van de wettelijke bepaling dat de afstammelingen van zijn staatsburgers (of de op zijn staatsgebied geboren kinderen) per se bij zijn volk horen en niet eerst moeten worden ingeburgerd. Zelfs de modernste democratische overheid hecht dermate veel waarde aan een nationaal kroost, een reproductie van haar volksgemeenschap uit eigen kweek, dat zij na kennisneming van problematische bevolkingscijfers gladweg voor het voortbestaan van haar eigen volk vreest en voor een “actieve bevolkingspolitiek” zonder aarzeling geld uit de schatkist aan wordende moeders en geworden ouders weggeeft. Zoals een fatsoenlijk volk op een eigen overheid insisteert, zo insisteert een nationale overheid op een eigen volk; alsof zij op haar burgers alleen dan voor honderd procent kan vertrouwen als deze via geslachtsgemeenschap tussen landskinderen tot stand zijn gekomen. 9) Ook de burgerlijke staat van de 21ste eeuw wil kennelijk niet uitsluitend door het gewoontegetrouwe meedoen van zijn burgers dag in, dag uit politiek en economisch worden gereproduceerd, maar ook biologisch door hun voortplantingsgedrag en gezinsleven; hij wil niet alleen het leefmilieu van zijn volk bepalen, maar in de genen verankerd zijn. Althans in die zin beïnvloedt hij zijn massa’s: wettelijk, financieel en agitatorisch sowieso.

Zo krijgt de burger zijn nationale identiteit die ook bezit neemt van zijn gevoel – uiterlijk dan als hij met vreemdelingen in aanraking komt.

*

7)
Ook in de Bondsrepubliek Duitsland vindt men zoiets weer absoluut noodzakelijk; het uitbundige nationalisme en “ongereflecteerde” enthousiasme over volk en vaderland waren decennialang – wegens het 12 jaar durende “misbruik” dat de nazi’s met hun wereldoorlog en genocide daarvan  hebben gemaakt – in het land van de “rechtsopvolger” van het “onrechtsregime” officieel in discrediet. Sinds de “hereniging” en het van regeringszijde geproclameerde einde van de “naoorlogstijd” zijn de tijden voorbij dat een bondspresident openlijk kon verklaren dat hij (niet van zijn vaderland maar) alleen van zijn vrouw zou houden. Thans tracht men in Duitsland de gedistantieerde houding tegenover het vaderland te overwinnen: de morele erfenis van de “68-generatie” en haar volk en natie ondermijnende cultuurrevolutie.

8)
Vandaar dat afwijkende meningen en kritische argumenten waaruit geen bezorgdheid over het wel en wee van de natie blijkt niet inhoudelijk bekritiseerd maar als “nestbevuiling” gedenuncieerd worden – een passend beeld voor het “wij-bewustzijn” dat de verantwoordelijke publieke opinie uitdraagt en haar goed geïnformeerd publiek bijbrengt: juist als de eigen natie beoordeeld wordt, dient men vanuit haar belang te oordelen; kritiek moet het standpunt van de natie innemen, de criticus moet laten blijken dat hij zich met haar zaak identificeert en bijdraagt aan het welslagen ervan.

9)
Wie immigreren wil, moet zijn juiste gezindheid door een inburgeringstoets bewijzen. Het belachelijke karakter ervan benadrukt alleen maar het principe dat daarbij wordt toegepast.

*

b)
Er is een tijd geweest dat de bevolking van een land leden van andere volkeren hoogst zelden te zien kreeg; misschien wist men niet eens dat er, behalve in de directe nabuurschap, andere volkeren bestonden en maakte met onderdanen van buitenlandse regenten pas nader kennis wanneer ze als krijgers langs kwamen of als men zelf door de eigen overheid op oorlogsavontuur naar verafgelegen landen werd gestuurd: de volkeren waren elkaar vreemd en met de vreemdheid gingen gevaar en vijandschap gepaard. Hoe dan ook, die tijden zijn in ieder geval voorbij. De grenzen zijn open; niet alleen voor waren, geld en kapitaal maar ook – restrictief en goed gecontroleerd – voor personen; soms worden buitenlandse arbeidskrachten zelfs officieel geworven, en zij vertonen zich niet alleen op hun werkplek maar ook in het openbaar. De volkeren weten van elkaars bestaan; men kent mensen met een andere nationaliteit, ontmoet hen in het alledaagse leven. De inwoners van de naties die in de wereldpolitiek een belangrijke rol spelen, worden over het gehele wereldgebeuren, zo nodig in “real time”, geïnformeerd; velen reizen voor hun plezier naar het verre buitenland en komen met video’s terug. En vice versa: de inboorlingen van minder belangrijke wereldgebieden weten in welke verre regio’s macht en rijkdom te vinden zijn; niet weinigen doen hun best om landen te bereiken waar het economische leven beter functioneert dan bij hen thuis en vormen, indien zij aankomen en mogen blijven, de laagste afdeling van het proletariaat. Enzovoort: van werkelijke vreemdheid kan er nauwelijks nog sprake zijn; en ervaringen met buitenlanders doet men ook niet meer voornamelijk tijdens oorlogen op. Nuchter bekeken kent de binnenlander “de buitenlanders” als zijns gelijken: druk bezig met de markteconomische strijd om het bestaan; door geldproblemen en andere welbekende individuele zorgen geplaagd; daarbij net zo over verschillende maatschappelijke milieu’s verdeeld als het in het inheemse cultuurgebied gewoonte is. Desnoods lukt zelfs met behulp van het infinitief en een mondje Engels de communicatie over het noodzakelijke.

Het standpunt dat burgers uit andere landen principieel vreemden zijn, is daarmee echter geenszins verdwenen. Van overheidswege sowieso niet: het vreemdelingenrecht beslist principieel over toegang en verblijf van mensen met een vreemd – of zelfs zonder – paspoort, en speciale overheidsorganen houden een waakzaam oog op dergelijke personen die aan een vreemde macht toebehoren. Het volk heeft dit standpunt evenmin opgegeven, veeleer de essentiële inhoud ervan op de spits gedreven: in de “buitenlanders” ontdekt de moderne binnenlander – hetzij dat hij hen in zijn directe omgeving identificeert, hetzij dat hij van hun bestaan alleen maar van horen zeggen weet – het andere “wij” dat in complementaire verhouding tot het eigen “wij” staat; een vreemd mensentype dat met het eigen mensenslag in feite slechts in een opzicht, maar daarin wezenlijk verschilt: de vreemdeling met zijn rechten en plichten, zijn gewoontegetrouwe verwachtingshouding en principiële partijdigheid staat buiten het algemeen belang en de samenleving waar de binnenlander lid van is. De “vreemdeling” is niet vreemd omdat hij een aparte leefwijze er op nahoudt – wat dat betreft verschillen bepaalde landgenoten veel meer van elkaar – maar omdat hij hetzelfde doet als men zelf, echter principieel partijdig voor een andere natie, onvoorwaardelijk gehoorzaam aan de orde die – niet veel anders dan de binnenlander van zijn thuisland kent, maar nu eenmaal: – een andere nationale samenleving reguleert en de mensen gebruikt als basis van een andere overheid. Onder dit andere “wij” met zijn eigen belangen in de wereld wordt de buitenlander, of hij wil of niet, gesubsumeerd: niet slechts het ene of andere eventueel daadwerkelijk afwijkende gedragspatroon of de vreemde tongval, maar de gehele mens. Als representant van een standpunt en een moraal die sprekend op de eigen lijken maar eenduidig niet de eigen zijn daar ze een andere nationale zaak toebehoren, is hij een vreemdeling. Om deze “bevinding” te onderbouwen, maakt de binnenlander ruimschoots gebruik van zijn nationale “Leitkultur” die voldoende illustratiemateriaal bevat over het eigenaardige soort mens met wie men in aanraking komt; en hij beschouwt de resultaten van zijn “staving” domweg als ervaringen die “men” met “hen” zou hebben opgedaan.

Dat moet niet meteen polemische vormen aannemen. Door ontmoetingen met buitenlanders ziet de geciviliseerde binnenlander zich aanvankelijk alleen maar uitgedaagd tot reflectie op zijn eigen nationaliteit. Hij beschouwt en voelt zich als partij, als representant van de eigen natie en haar mensenslag, en acht zich verplicht zich daarvoor sterk te maken – zelfs als hij het actuele regeringsbeleid of de vermeende karaktertrek van zijn volk volledig afkeurt en daarvoor ook geenszins wil instaan. Tegenover vreemdelingen neemt een fatsoenlijke burger het op voor zijn vaderland; wat er te bekritiseren valt, bekritiseert hij zelf en toont zo in hoogsteigen persoon de betere, namelijk zelfkritische deugden van zijn thuisploeg. Hij is überhaupt van mening dat men over zijn natie geen schande mag brengen en is in staat zich voor ongemanierde landgenoten te schamen. Aan de andere kant is hij oprecht trots op al die deugden, prestaties en heldendaden van zijn volk, op historische bouwwerken en inheemse kookkunsten, zelfs op landschappen en andere dingen die bijvoorbeeld het volkslied bezingt. Daarbij krijgt natuurlijk ook de buitenlander het recht toegekend zijn eigen vaderland hoog te waarderen; men zou zelfs uiterst verbaast zijn als hij geen principiële vooringenomenheid voor zijn natie liet blijken. 10) Maar een ding staat vast: door een vreemdeling laat men de eigen natie en nationaliteit niet door het slijk halen; en evenmin daardoor dat men bij een vergelijking tussen vaderlanden een slecht figuur slaat. Een fatsoenlijk volk heeft de stellige overtuiging – ook als het die bij wijze van uitzondering niet in de praktijk brengt – dat uiteindelijk geen ander volk, althans wat de essentiële dingen betreft, hem kan evenaren. In zover gaat de volkerenvriendschap tussen patriotten altijd gepaard met een flinke dosis verachting, een noodzakelijk gevolg en zeker geen ontsporing: doordat de volkeren hun respectievelijke samenlevingen in ere houden, zijn en blijven zij bevangen in onderlinge onverenigbaarheid.

Dat moet, als gezegd, niet per se meteen vreemdelingenhaat betekenen. Maar in laatste instantie meent elk volk gelijk te hebben, tegen de gehele rest. En dit rechtsbewustzijn is altijd bereid in vijandschap om te slaan.

*

10)
De vanzelfsprekende verwachting dat ook buitenlanders als fanclub van hun vaderland optreden, is de basis van het gerucht dat volksopvoeders in omloop brengen: het begrip voor de nationale trots van anderen zou enerzijds de ware vaderlandsliefde kenmerken en de scheidslijn vormen tussen het – goede – patriottisme en het – verwerpelijke – nationalisme; anderzijds zou men van zijn eigen vaderland moeten houden om werkelijk begrip voor vreemde volkeren te kunnen opbrengen en echte volkerenvriendschap te kunnen koesteren. In feite spreekt deze hartverheffende reflectie zich alleen maar uit voor de uiterst onkritische eis dat de pure nationaliteit de toereikende reden zou zijn voor de onvoorwaardelijke partijdigheid van de fatsoenlijke burger: iets anders willen patriotten zich ook ten aanzien van buitenlanders überhaupt niet voorstellen!

Voor een eventuele overgang naar het polemische is dit begrip dat patriotten voor elkaar opbrengen een solide basis.

*

c)
Wanneer, tegen wie en hoe: ook wat de vijandschap betreft luistert het volk, diep doordrongen van fundamentalistisch eergevoel en onwrikbaar partijdig realiteitsbesef, gewoontegetrouw naar de politieke voorschriften van zijn overheid. Die informeert haar burgers immers uitgebreid over haar voornemens en daden, verduidelijkt hen de noodzakelijkheid en rechtvaardigheid van de concurrentiestrijd die zij voortdurend omwille van haar wereldpolitieke rol en de materiële basis ervan – bronnen van rijkdom en machtsmiddelen – tegen andere naties moet voeren; hoe gewelddadiger hun acties, des te liever benadrukken politici dat zij alleen maar het recht realiseren dat hun volk toekomt op grond van zijn unieke positie, die het dankzij zijn natuur, met God’s zegen en in opdracht van de voorzienigheid heeft veroverd of binnenkort dient te veroveren. 11) De voldongen feiten die zij schept, begeleidt de overheid door partijdige, partijdigheid veronderstellende en verwachtende interpretaties en stelt zo een richtlijn op voor het naar buiten gerichte nationalisme van onderaf: de volksemoties omtrent het buitenland en de buitenlanders. En het volk zijnerzijds, in zijn verbeelding zowel een wedstrijd tussen volkskarakters te voeren als voor zijn recht op succes te vechten, reageert volgens verwachting – inzonderheid daar waar het door een vrije pluralistische “vijfde macht” vakkundig wordt geïnstrueerd – namelijk in meer of mindere mate als echo van de berekeningen, strategieën, successen en mislukkingen van zijn politieke leiders die tegenwoordig, vooral als zij een van de centra van het “geglobaliseerde” kapitalisme regeren, erg kieskeurig zijn wat betreft hun internationale vriend- en vijandschappen.

Heden ten dage concurreren de toonaangevende mogendheden tegen huns gelijken en  de talrijke minder succesvolle kapitalistische naties door middel van samenwerking, de berekenende wederzijdse “openstelling” van hun geld- en warenmarkten, waarbij tevens geen chantagemiddel wordt versmaad; de deelname van hun nationale zakenwereld aan de economische groei elders vinden zij een stuk veelbelovender dan de wederzijdse uitsluiting van zakenkansen – wat daarnaast uiteraard allerminst uit de mode is geraakt. 12) Voor de grote massa van hun volk, ook voor delen van de kapitalistenklasse, gaat dat gepaard met moeilijkheden, vandaar dat ze uitvoerig worden toegelicht; als voorwaarden voor lange termijn voordelen voor allen; als noodzakelijkheden waaraan nu eenmaal geen ontkomen is; en wat betreft de nadelen die de natie in haar geheel ondervindt: als onfaire manoeuvres van de concurrentie. Het volk laat zich voorlichten over de schuldigen, zijn concurrentiegeest wordt krachtig geprikkeld, maar het mag zijn nationalistische afkeer tegen per slot van rekening enigszins bruikbare buurlanden dan toch niet botvieren. Hetzelfde geldt in verscherpte vorm wanneer staten zulke buitenlanders het land binnenlaten die niet alleen geld meebrengen en uitgeven, maar geld willen verdienen. In de centra van de kapitalistische wereldeconomie gaat het daarbij weliswaar voor het merendeel om de armzaligste gelukzoekers van het “geglobaliseerde” kapitalisme; de onvermijdelijke wreedheden en economische wetmatigheden ervan zijn echter het laatste waartegen de afkeer en  kritische geest van een modern cultuurvolk zich richten. Veel liever laat het zich leiden door zijn grondovertuiging – door zijn volksvertegenwoordigers met passende aanwijzingen berekenend ondersteund – dat “vreemdelingen” “bij ons” in principe niets te zoeken hebben, verbeeldt zich dat “zij” met hun behoefte aan geld verdienen en een privé-leven de binnenlanders de werkgelegenheid, de vrouwen en überhaupt de levensruimte wegnemen – en wordt dan toch niet zonder meer door de overheid ondersteund in zijn “opkomende” vreemdelingenhaat, laat staan tot daden aangespoord; veeleer wordt het vermaand en moet respecteren dat zijn regering inzake toelating van buitenlanders van het nuttigheidsprincipe uitgaat, haar eigen economische en politieke maatstaven hanteert en particuliere eigenmachtigheid onder geen beding accepteert. Het volk moet zijn fundamentalisme dus intomen en toont – in overeenstemming met de politiek bindende, door de vrije media uitgebreid verklaarde nationale stand van zaken ten aanzien van vreemdelingen – de deugd van de tolerantie: het lijdt in gedachten onder zijn buitenlandse buren; het misgunt de buitenlandse concurrenten elk succes – van economische groeimarges tot sportwedstrijden: in de optiek van nationale ambities is bijna alles commensurabel – maar het neemt zich voor met zijn lijden te leven, buitenlandse collega’s te tolereren en de samenspannende concurrenten van de eigen natie niet direct van vals spel te betichten - wat men volkomen terecht zou kunnen doen. Het “gematigde” deel van de burgers vult zo zijn nationale partijdigheid aan met de trots op zijn gematigde houding – in tegenstelling tot bepaalde andere volkeren… Andere burgers hebben eerder de bedenking dat zijzelf, hun landgenoten en vooral de overheid de tolerantie te ruim opvatten en zo het gezonde nationale eigenbelang verwaarlozen; en zij verlangen meer van het soort onvervalst patriottisch zelfbewustzijn waarvan andere nationaliteiten zonder twijfel veel te veel bezitten. De grote rest van de burgers heeft precies dit verkeerde bewustzijn.

*

11)
Als een staat zijn volk op een oorlog voorbereidt, dus oorlogsbereid maakt, zorgt hij er altijd voor dat het zichzelf een herenvolk vindt waarvan de levenstaak uit het recht en de roeping bestaat om schurkenstaten te vernietigen en de wereld de enig zaligmakende weg te wijzen; dat dus niet anders kan dan puur omwille van wereldverbetering toe te slaan. Deze hoge dunk die een oorlogsbereide regering van haar volk heeft, is trouwens, samen met het geloof aan de genetische verankering van deze wereldhistorische missie in de volksnatuur, het ideologische “moeras” waarin de rassenwaan van Duitsland’s nazi’s welig tierde.

12)
Deze berekeningen – wereldhistorisch gezien: het vervangen van het belang van de staat aan het buitmaken door het belang aan het verreweg meer opbrengende grensoverschrijdende kapitalistische zakendoen – vormen het feitelijke fundament van de politologische leer over de principieel vreedzame markteconomie. De feiten zijn helaas anders: de concurrentie van de naties beperkt zich niet tot commerciële rivaliteiten, maar verplaatst zich naar een hoger conflictniveau; daar woedt de strijd om de heerschappij over de condities van de wereldeconomie, dus om de macht over de daarvoor bevoegde soevereine regeringen. De illusie dat zij daarover tot wederzijds voordeel vreedzaam overeenstemming zouden kunnen bereiken, hebben de op dit niveau concurrerende mogendheden nooit gekoesterd. Als beschermheren van hun wereldomvattende nationale belangen, als aspiranten van een universeel controleregime en experts op het gebied van chantage weten de verantwoordelijke politici alles over de noodzaak en het nut van een gigantisch militair apparaat. Dat vinden zij ook in het tijdperk van de voltooide globale markteconomie niet overbodig en zetten het op diverse wijzen in.

*

Soms grijpen sommige van de staten die in de berekeningen van de leidende economische wereldmogendheden de rol van ondergeschikte zakenpartners spelen hun kansen op onvoorziene wijze en vormen een serieuze concurrentie voor hun grote beschermheren – dat probleem ondervinden tegenwoordig zowel de oude EU-leden met hun nieuwe Middel- en Oosteuropese aanwinsten als de VS met de VR China. De bevoegde regeringen reageren daarop onder het veelbetekende motto: “Wij moeten beter zijn naarmate wij duurder zijn!” De lastige partners worden zo met een politiek beleid geconfronteerd dat de superieure kapitalistische rijkdom en de geaccumuleerde chantagemacht, waarover de “betere” kapitalistische natie beschikt, doelbewust inzet om de superioriteit te behouden en te doen groeien. Het eigen volk wordt erover geïnformeerd dat en hoe het als instrument in deze strijd te fungeren heeft: voor zover het niet “beter” is, d.w.z. voor de succesvolle concurrentie van het nationale bedrijfsleven adequaat bruikbaar, wordt het goedkoper, dus armer gemaakt; en vice versa: zijn kans om aan de verarming te ontkomen, is volstrekt afhankelijk van de concurrentiesuccessen die dankzij zijn goedkope arbeidsprestaties worden behaald. De brutale inhoud van deze mededeling is echter van secundair belang en verbleekt naast het dringende appèl aan de nationale eigendunk: het volk wordt eraan herinnerd dat het altijd al meent – in welk opzicht doet er niet toe, bedoeld wordt: überhaupt en in het algemeen – boven zijn mediocre naburige volkeren uit te steken, om nog maar te zwijgen van de krioelende bevolking van verre landen die uitsluitend qua aantal kan imponeren. Zo prikkelen de opgelegde beperkingen en ontberingen het imperialistische superioriteitsgevoel dat de democratische regering bij haar medeburgers als vanzelfsprekend veronderstelt.

Dit zelfbewustzijn verruimt zijn actieradius aanzienlijk als het zich op het grote deel van de statenwereld richt dat in de globale vergelijking tussen kapitalistische naties definitief tot de minderwaardige of hopeloze gevallen behoort. Ten opzichte van hen treden de toonaangevende naties als controlemachten op die tot elke vorm van inmenging bevoegd zijn en de soevereiniteit van dergelijke staten volkomen negeren. De toegang die zij noodzakelijk achten om geen “machtsvacuüm” te laten ontstaan – de inboorlingen moeten immers onder controle blijven – en aan deze landen te verdienen wat er nog te verdienen valt, beschouwen zij als kosten die zij zo laag mogelijk moeten houden; bijgevolg mogen hun volkeren een wereld in ogenschouw nemen die merendeels in armoede verkeert; een toestand die volgens de nieuwste inzichten veroorzaakt werd door de mislukte pogingen om overal staten met een eigen, wellicht zelfs concurrentiebestendige economie te stichten, respectieve met behulp van veel geld en geweld een dergelijke ontwikkeling in gang te zetten, hetgeen helaas onder de daarginds gegeven omstandigheden en met zo doodarme mensen toch niet lukt; wat aan de andere kant helemal geen kans van slagen heeft, zijn de avontuurlijke pogingen die energieke jonge mensen uit deze regio’s ondernemen om naar “ons” in het “rijke Noorden” te komen en een baan te bemachtigen: wat weliswaar hun enig levensperspectief is, maar dat wordt hen niet gegund. Onder de voorwaarde dat de slachtoffers van de moderne wereldorde braaf thuis blijven en daar, helaas, door bepaalde catastrofen geteisterd worden, zijn de beter gesitueerde volkeren echter bereid tot medelijden; ook aalmoezen geven zij graag en koesteren bij wijze van uitzondering zelfs bedenkingen tegen de “uitwassen” van een “onechtvaardige wereldeconomie”. Om “economische vluchtelingen” voor schipbreuk in de Middellandse Zee en soortgelijke ongelukken te behoeden, kan men ook sympathie opbrengen voor van overheidswege gefinancierde wetsconforme menswaardige opvangkampen in aangrenzende, vooral Noord-Afrikaanse landen. Zolang die er nog niet zijn en enkele wanhopigen toch de “Eerste Wereld” bereiken, beslissen de bevoegde instanties over “tolereren” en uitwijzen en het gezonde volksgevoel sluit zich daarbij aan: men weigert de “ellende van de gehele wereld” op te vangen en verbeeldt zich ook nog door vreemdelingen “overspoeld” te worden. Een minderheid heeft uiteraard geen bezwaar tegen een beetje kleurrijke folklore in het stadsbeeld; en iedereen kent allochtone gezinnen die in aanmerking komen voor een humanitaire uitzondering op de regel dat zij eigenlijk daarheen terug moeten waar “wij” trouwens geen enkel mensenrecht kunnen ontdekken; zo veel grootmoedigheid betaamt een eersteklas volk. Daarmee is het echter heel gauw afgelopen als de overheid haar burgers over de problemen informeert die zij met “illegalen” heeft. Dan is onmiddelijk duidelijk dat ze uitgezet moeten worden. De selectie functioneert volstrekt zonder racisme: criterium voor deze buitensluiting is de allochtone armoede.

Af en toe worden de toonaangevende volkeren met het feit geconfronteerd, dat er in de minder toonaangevende statenwereld niet uitsluitend machteloosheid heerst; er ontstaan zelfstandige politieke bewegingen die ongevraagd gewelddadig onrust stichten en zelfs een vorm van verzet plegen die in het extreemste geval ontaart in oorlog en terreur. 13) Hun regeringen achten zich dan onmiddellijk verantwoordelijk en tot ingrijpen tegen geïdentificeerde vijanden geprovoceerd – en prompt ziet de meedenkende bevolking zich eveneens bevoegd en uitgedaagd, laat zich door officiële en talrijke inofficiële regeringsvoorlichters uitleggen wie er gelijk en wie er ongelijk heeft, veroordeelt het geïncrimineerde “fundamentalisme” en toont ongeremd haar universeel rechtvaardigheidsgevoel door ideëel militant te worden. Daar de imperialistische regeringen het tegenwoordig doorgaans niet nodig vinden om voor hun gehele naties de feitelijke oorlogstoestand uit te roepen – militaire interventies worden als internationale criminaliteitsbestrijding uitgevoerd: door profi’s en “asymmetrisch” met absoluut superieure middelen – stellen hun bevolkingen zich extreem veeleisend op: ze zijn er niet slechts van overtuigd dat ze het recht, ja zelfs de plicht hebben om dissidente machthebbers en hun volgelingen gewelddadig tot rede te brengen; van hun bevelhebbers eisen zij bovendien een spoedige totale overwinning zonder door de last van een echte oorlog in hun civiel bestaan te worden gestoord. 14) Dit blijft uiteraard een vrome wens; juist de met onweerstaanbare superioriteit doorgevoerde wereldwijde commandoacties kosten enorm veel geld, dat de geld producerende samenleving op de ene of andere manier extra moet opbrengen; bovendien zijn er doden te betreuren. Uiterlijk dan ziet een fatsoenlijk volk de hele wereld in wanorde verkeren en eist dat zijn regering orde op zaken stelt door korte metten te maken met de “schurkenstaten” die zich verzetten tegen het meest volmaakte regime uit de mensheidsgeschiedenis, de voorbeeldige humanitaire staatsregeling van de “Eerste Wereld”. Wat de daarvoor noodzakelijke geweldsmiddelen betreft, kent een verontwaardigd volk nog minder scrupules dan zijn militaire profi’s.

De wereldwijd optredende toonaangevende mogendheden van de democratische wereld hebben echter maar al te vaak onderlinge conflicten, door hun manoeuvres beperken zij elkaar wederzijds: zij – het verenigde “vrije Westen” – hebben de wereldvrede zo georganiseerd dat zij ter handhaving ervan aangewezen zijn op de coöperatie van hun belangrijkste concurrenten die zij tegelijkertijd voortdurend dwarsbomen. Dat inspireert de wereldordestrategen tot enigerlei dialectische argumentaties waarvan ook het volk – uiteraard in een vereenvoudigde morele versie – uitgebreid kennis mag nemen. Pluralistisch zoals het betaamt, wikt een weegt de vrije publieke opinie wat enerzijds de eigen natie en anderzijds de concurrenten kwalificeert tot oppertoezichthouder over de wereldpolitieke zeden; met welk recht men zelf aanspraak kan maken op zowel de politieke voorbeeldfunctie voor de overige statenwereld als op haar bevoogding; door welke overtuigende argumenten men zijn aanspraak kan onderbouwen; en hoe bijster weinig de desbetreffende ambities van de andere naties daarmee vergeleken voorstellen. De volkeren houden zich bezig met de moraal en competentie van de concurrerende wereldmachten en komen tot uiterst negatieve resultaten – maar schuwen dan toch de logische consequentie, het construeren van een echt vijandbeeld omdat (en zolang) hun regeringen de onderlinge rivaliteiten niet laten escaleren en zichzelf en hun naties de overgang naar een open vijandschap besparen; die zou inderdaad na de decennialange “burden-sharing” tussen de imperialistische bondgenoten alle gewoontegetrouwe berekeningen en betrekkingen beëindigen. En de burgers van de “westerse wereld”, met al hun imperialistisch gedachtengoed, vinden zichzelf ook nog uiterst vredelievend en verdraagzaam.

*

13)
Tot groot misnoegen van de mondiale imperialistische publieke opinie zijn er altijd wel ergens in de minderwaardige derde tot vijfde statenwereld heersers of oppositionele leidersfiguren die hun volk enthousiast maken voor een “gemeenschappelijke zaak” die een opstand tegen de heersende machtsverhoudingen beïnhoudt; soms tegen een regering die als vreemde heerschappij over bepaalde volksdelen wordt gebrandmerkt; in andere gevallen tegen de exploitatie van het land – hetzij met behulp van de regerende overheid, hetzij in strijd met haar autonomiestreven – door imperialistische mogendheden. Ontevreden delen van het volk laten zich daar eventueel door leiders gebruiken die – met een beroep op ideële rechtstitel die ook voltooide naties als kernstuk van hun “identiteit” waarderen – de gevestigde wereldorde af en toe op niet ongewenste wijze in beweging brengen – voorbeeld: het “vrijheidsstreven” van de Joegoslavische volkeren die decennialang hun verschillende nationalismen hadden vergeten – ; meestal echter alleen maar storen – als zij bijvoorbeeld, zoals thans op de Balkan, hun emancipatiewaan zelfs onder imperialistisch toezicht niet willen opgeven. In dergelijke gevallen kunnen de verlichte westerse volkeren het partijdige fanatisme van vreemde “etniën” of geloofsstrijders opeens helemaal niet begrijpen.

14)
Uitgerekend het standpunt dat de gehele statenwereld, dankbaar wellicht, zich naar de wereldorde van de imperialistische democratieën moet schikken en eventuele terechtwijzingen op straffe van onmiddellijke liquidatie zonder weerstand moet accepteren, en dat het normale burgerlijke bestaan, het zakendoen en geld verdienen, daarbij geen schade mag ondervinden, is het vaste fundament van het gerucht dat democratie en markteconomie, de succesnummers van de moderne wereldheerschappij, in wezen tegen oorlog zijn en consequenterwijze een duurzame wereldvrede eisen. Dat is juist, en wel in een uiterst wrede betekenis: het democratische imperialisme heeft het elementaire materiele belang om de gehele rest van de wereld zijn vrede op te dwingen en met zijn machtsmiddelen te handhaven.

© Gegenstandpunkt Verlag, München