Het hedendaagse imperialisme V

3. Amerika’s “Nieuwe Wereldorde”:

Een permanente “Oorlog tegen het terrorisme”

De “nucleaire patstelling” is doorbroken, de grote wereldoorlog van de politieke agenda gehaald, de statenwereld politiek en economisch “herenigd” - en voor de VS nog helemaal niet in orde. Een “Nieuwe Wereldorde” is dringend gewenst. En die ontstaat niet vanzelf: daarvan zijn de verantwoordelijken in Washington overtuigd. Ze moet opgericht worden. Deze grote taak neemt de “enige overgebleven supermacht” op zich, die volbrengt zij zelf. Dat is alleen al daarom noodzakelijk, omdat een dergelijke orde vooral of überhaupt niets anders is dan het onherroepelijke antwoord op de vraag wie in de statenwereld “de toon aangeeft”, dus wie over de competentie, de nodige macht en het door alle anderen erkende recht beschikt om de aanwending van geweld tussen de naties te controleren en over oorlog en vrede te beslissen. Het gaat om de aanspraak op een vrijwel onbetwist wereldwijd geweldmonopolie.

De Verenigde Staten zijn amper tien jaar bezig om duidelijk te maken dat uitsluitend zij voor deze hoogste functie in aanmerking komen, als het “noodlot” toeslaat: de enorme aanslagen van 11 september 2001, gepleegd door een vijand die niet eens over een heuse staat regeert maar niettemin een aanval op het hart van het Amerikaanse homeland teweegbrengt, op twee niet slechts symbolische bolwerken van het VS-imperialisme. Dit “tweede Pearl Harbour” leidt natuurlijk niet tot een werkelijke oorlog tegen een militair sterke imperialistische macht om iets dergelijks als de hegemonie over Oost-Azië en de Stille Oceaan; de alom opgeroepen herinnering aan het begin van de Wereldoorlog tegen Japan wil immers sowieso geen historisch juiste parallel trekken, maar de immense uitdaging illustreren waarmee Amerika naar eigen zeggen geconfronteerd is; niets minder dan zijn geloof aan de eigen onkwetsbaarheid werd de grond in geboord. En dat niet alleen qua patriottische ideologie. De VS zien hun aanspraak op suprematie aangevallen: de “supermacht”, die boven alle wereldconflicten staat en buiten concurrentie als onbetwistbaar superieure, ongeëvenaarde laatste instantie wil fungeren, is opeens slechts een van de partijen - en dat bovendien door een aanval van een NGO, een vrome terroristische niet-gouvernementele Organisatie! Deze uiterste provocatie vraagt om een antwoord dat de verstoorde verhoudingen weer rechtzet, fundamenteel en onaanvechtbaar.

In dit opzicht is de aanslag kennelijk ook een gelegenheid: tot het drastische en radicale doorzetten en intensiveren van hetgeen sowieso op de wereldpolitieke agenda staat – en waarvan men nooit meer zal weten hoe de Verenigde Staten zonder Al-Qaida en 9/11 dit programma zouden hebben afgewikkeld… – : Amerika moet zich als wereldmacht waarmaken. Daarvoor voert het sinds de historische september zijn nieuwe, echter ook zeer eigenaardige wereldoorlog: tegen “het terrorisme”.

a)

Sinds de “Koude Oorlog” gewonnen is, de Sovjet-Unie gecapituleerd heeft, voeren de VS de ene oorlog na de andere. Voor elke zijn er bijzondere redenen. Het Iraakse leger verovert Kuweit; de president van Irak wil zijn land zowel tot nog grotere, rijkere en belangrijkere olie-exporteur alsook tot regionale macht maken, die in staat is eigenmachtig en succesvol oorlog te voeren en zo haar onbetwistbaar recht op oorlogsvoering indrukwekkend bewijst; dat vormt een bedreiging voor de krachtsverhoudingen in dit economisch zo buitengewoon relevante gebied en brengt vooral de belangrijkste olieleverancier van de wereldmarkt in gevaar; vandaar dat deze militante “hereniging” van Irak met zijn 19. provincie niet te tolereren valt, Kuweit moet  “bevrijd” worden. Op de Balkan verdelen ambitieuze volksgroepenleiders de Joegoslavische eenheidsstaat gewelddadig in zijn deelrepublieken; de oorlogen voor de separatistische herverdeling van land en bevolking verlopen niet volgens de richtlijnen van de “wereldgemeenschap”; op het laatst strijdt de president van het Servische Rest-Joegoslavië tegen Albanese separatisten ofschoon de NAVO zich tot hun beschermingsmacht heeft opgeworpen; daartegen moet worden opgetreden, en na meerdere kleinere interventies wordt Belgrado naar een nederlaag gebombardeerd. Dan de grote terreuraanslag: in het moederland van de vrijheid, op oeramerikaanse bodem, plegen teleurgestelde en beledigde fanatici van een wedergeboorte van Arabië uit de geest van de Islam – of ook, wie weet dat precies en wil dat preciezer weten, de voorvechters van een islamitisch Godsrijk op Arabische bodem – een aanslag op belangrijke centra van de politieke, economische en militaire macht van Amerika; de VS-regering volgt hun spoor tot naar Afghanistan, vernietigt de plaatselijke heerschappij en verovert voor alle zekerheid het gehele land. Dan valt Irak opnieuw  negatief op: de tamelijk machteloze president van het land handhaaft zijn heerschappij, weerstaat al tien jaar lang de embargo- en boycotmaatregelen van de “wereldgemeenschap”, ontrekt daardoor zijn machtsgebied inclusief aantrekkelijke bodemschatten aan het gewone handelsverkeer en verstoort überhaupt orde en veiligheid, hetgeen in het verwijt wordt samengevat dat hij over massavernietigingswapens zou beschikken teneinde zijn buren en de gehele wereld te bedreigen; dat alles is niet langer te accepteren; Irak wordt dus door Amerikaanse en Britse troepen veroverd, de dictator gearresteerd en een bezettingsregime geïnstalleerd.

Al die oorlogen hebben specifieke oorzaken. Een essentieel ding hebben zij echter gemeen, en de militair geëngageerde wereldmacht laat daarover geen enkel misverstand bestaan: zij is de instantie die de militaire ondernemingen van andere staten en hun binnenlandse verhoudingen beoordeelt voor zover van hun territoria gevaren of zelfs gewelddaden uitgaan; zij bepaalt hoezeer dat soort geweld een bedreiging vormt en of het zelfs als oorlogsverklaring op te vatten is; eventueel verklaart zij zelf de oorlog en voert die ook; met een vernietigingspotentieel dat absolute suprematie garandeert en op een manier die de overmacht eenduidig benadrukt – “Shock and Awe” luidt de uitdrukkelijke maxime voor de overval op Saddam Hoessein’s Irak. Washington’s oorlogen zijn niet enkel een zaak tussen Amerika en zijn respectievelijke vijand; alle soevereine staatsmachten en ook alle inofficiële machthebbers moeten Amerika’s oorlogsvoering op zichzelf  betrekken en de les, die het VS-leger in de “taal van het geweld” geeft, leren en ter harte nemen. Namelijk:

- Amerika’s vijanden worden vernietigd. Oplossingen via onder- handelingen zijn uitgesloten: wie door de regering in Washington als vijand geïdentificeerd wordt, heeft zich als onderhandelingspartner gediskwalificeerd. Het alternatief voor de vernietiging is hooguit de onvoorwaardelijke capitulatie; of zij geaccepteerd wordt is zaak van de VS-president.

- De identificatie van vijanden tegen wie oorlog gevoerd moet worden, is het privilege van de VS. Doorslaggevend daarbij is hun inschatting of een vijandig ingestelde kracht – onverschillig of staatsmacht of politieke misdadigersbende – zich gevaarlijke wapens zou kunnen verschaffen dan wel of überhaupt ergens ter wereld een voor Amerika’s plannen bedreigend geweldpotentieel zou kunnen ontstaan. Daarom observeert de VS-regering voortdurend de gehele wereld en wacht niet af tot zich daadwerkelijk een nieuwe bedreiging aftekent – dat zou immers betekenen: toekijken tot het te laat is! – maar slaat in alle vrijheid volgens eigen behoefte en naar eigen goeddunken preventief toe, liever tig keer te vaak dan ook maar een keer te weinig.

- Als Amerika vastberaden tot oorlog overgaat, laat het zich niet tegenhouden; noch door humanitaire overwegingen, noch door het welgemeende advies dat men reeds voor het begin van oorlog zou moeten weten hoe men deze fatsoenlijk beëindigt, en al helemaal niet door de bedenking dat geweldsaanwending wellicht niet in alle gevallen de optimale methode is om meer veiligheid te bereiken (wat dan wel?!). En überhaupt moet niemand proberen om met diplomatieke middelen, met solidariteitsbetuigingen aan het verkeerde adres, laat staan door bescherming en ondersteuning van de verkeerde partij de Amerikaanse krijgsmacht te hinderen. Wie niet voor de VS partij kiest, heeft ongelijk en krijgt ook ongelijk, hij wordt namelijk als machteloze partijganger van een verliezer geblameerd; daarvoor zorgen Amerika’s superieure wapens, zijn onwrikbare wil om te overwinnen en te vernietigen en zijn niets ontziende inzet van militair geweld.

De VS voeren dus niet zomaar oorlog. Zij confronteren de wereld met een ongeëvenaarde oorlogsmachinerie en hun daarmee onderbouwde aanspraak op exclusieve en onbetwistbare competentie tot oorlogsvoering. Hun krijgsvaardigheid en paraatheid heeft elke natie te beseffen, elke overheid te respecteren, elke samenleving als premisse van haar eigen buitenlands beleid in haar staatsraison in te passen; hetzij als dreigement, hetzij als belofte: dat is afhankelijk van de relatie van het respectievelijke land met Amerika en het belang dat de VS-regering daaraan hecht. De oorlogen van de VS beogen de vestiging van een universeel afschrikkingsregime. Daarvoor dienen de specifieke oorlogsredenen als pure aanleidingen. En dat het daaraan nooit ontbreekt en de behoefte steeds een aanleiding vindt, laat de wereldmacht onmiskenbaar blijken. Uitdrukkelijk verklaart zij onder verwijzing naar de terroristische aanslagen van 9/11 haar twee laatste acties – tegen Afghanistan en tegen Saddam Hoessein’s heerschappij (die met Al Qaida helemaal niets te maken heeft) – tot eerste veldslagen in een nieuwe “enduring” wereldoorlog tegen het terrorisme als zodanig en überhaupt. En de toekomstige episoden ervan zijn al aangekondigd: Noord-Korea met zijn streven naar atoombommen en raketten, Syrië als figuur achter de schermen en uitruster van Arabische terroristische groeperingen, Iran om dezelfde reden en vanwege zijn onder verdenking van militaire doeleinden geplaatste nucleaire programma – zijn de doelen voor Amerika’s aanstaande globale zuiveringsacties. En daarop vooruitlopend geeft de wereldmacht  haar bondgenoot in het Nabije Oosten vrije hand om uit eigen initiatief en met eigen doelstellingen aan de Amerikaanse wereldoorlog deel te nemen: aan zijn binnenlands Palestijns front en met zijn Libanon-veldtocht vecht Israël tegen milities die eveneens op de Amerikaanse lijst van te eliminerende terroristische groeperingen staan, en wel bovenaan naast “irreguliere strijders” en zelfmoorddaders, die de bezettingstroepen in Afghanistan en Irak naarmate de oorlog langer en bruter doorgaat steeds grotere problemen bezorgen; daarbij bemantelt de Israëlische regering haar optreden geenszins als quasi politionele actie; zij proclameert en ensceneert haar strijd veeleer uitdrukkelijk als oorlog naar Amerikaans voorbeeld en wil daardoor ook de confrontatie met Syrië en Iran zo verscherpen, dat de VS-regering altijd naar eigen goeddunken de “situatie” als “onhoudbaar” kan beschouwen om de al lang aangekondigde consequenties te trekken. Amerika laat daar ter plaatse vechten en het laat zijn gewillige vazal niet in de steek: op het financiële, militair-technische en vooral diplomatieke vlak krijgt Israël als autonome subonderneming in Amerika’s nieuwe wereldoorlog alle denkbare steun.

b)

Met hun oorlogen scheppen de Verenigde Staten voldongen feiten; om de staten de wereldpolitieke betekenis ervan in te prenten, gebruiken zij – onder andere – de UNO als platform. Daar verduidelijken zij de “volkeren van de wereld” officieel de moraal van hun oorlogen: de overwinning van de geciviliseerde levenswijze over het terroristische kwaad. Daarmee is de principiële politieke richtlijn voorgegeven: door de anti-Amerikaanse daders van 9/11 gewoonweg als terroristen te karakterisen en door de subsumptie van alle tegenstanders, die zij in het vizier nemen, onder dezelfde categorie resp. onder de angstaanjagende uitwerking van de wapens die de kwaadaardigen vermeend of daadwerkelijk trachten te bemachtigen – trefwoord “weapons of mass-destruction” – ontzeggen de VS hun vijanden zonder meer elke politieke doelstelling, waarover de verschillende naties immers van mening zouden kunnen verschillen. Zo eisen zij absoluut en onvoorwaardelijk pro-Amerikanisme en drukken resoluties door die dit standpunt bindend verklaren en uitvoeringsbepalingen behelzen die in de binnenlandse aangelegenheden van de naties ingrijpen; niet in de laatste plaats in hun financieel verkeer. Het thuisland van de dollar is namelijk van mening dat het anti-Amerikaanse kwaad vooral door financiële drooglegging te bestrijden valt.

Amerika’s prioriteit ligt uiteraard bij het hoogste orgaan van de Verenigde Naties. In de Veiligheidsraad krijgt het te maken met zijn grootste rivalen: met de andere grootmachten die over atoomwapens en het officiële vetorecht inzake opstelling en handhaving van regels en voorwaarden voor de wereldvrede beschikken. Opdat zijn monopolie-aanspraak op oorlog wat te betekenen heeft in de wereldpolitiek, zijn afschrikkingsregime iets bereikt, tracht Amerika hun instemming te winnen. Niet zo zeer vanwege de quasi wettelijke autoriteit die het daarmee zijn beslissingen verschaft - wat Amerika werkelijk nodig heeft en invordert, is de formele bekentenis van de andere toonaangevende staten dat ook zij niet anders kunnen dan de wereldmacht de opgeëiste vrijheid tot identificatie en vernietiging van vijanden toe te kennen. Juist dat is de politieke inhoud van de chantage waarmee de VS – exemplarisch en onverbiddelijk gedurende de diplomatieke voorbereiding van hun tweede Irakoorlog – het hoogste orgaan en daarmee de “wereldorganisatie” in haar geheel confronteren: toestemming of onbeduidendheid luidt hun alternatief – een echte beproeving voor de andere “relevante” mogendheden; zij dienen bereidwillig toe te geven dat zij tegen de feiten, die Amerika schept, en tegen de richtlijnen voor goed gedrag van de staten, die Amerika doet gelden, niets kunnen uitrichten en al helemaal niet in staat zijn om zonder de Verenigde Staten, laat staan tegen hen, iets dergelijks als een “relevante” wereldorde te ensceneren. De chantage sorteert effect: omdat Amerika zich tot de VN en de Veiligheidsraad wendt, belang hecht aan de daar genomen besluiten en zo bekent dat het voor de gelding van zijn richtlijnen inzake wereldvrede de inschikkelijkheid van de grote rivalen nodig heeft, schikken die zich; zij billijken de factische richtlijnbevoegdheid van de VS en krijgen in ruil daarvoor de status van medeopsteller van de richtlijnen die zij fiatteren.

Een dergelijke chantage-deal is vanzelfsprekend geen eenmalige zaak. De diplomatieke erkenning van het Amerikaanse afschrikkingsregime is evenals de geweldadige vestiging ervan een eindeloze aangelegenheid. Het volgende hoofdstuk betreft het “geval” Iran: voor hun oorlogsaanzegging aan het mullah-regime eisen de VS met beroep op het “Non-Proliferation Treaty” (NPT) de toestemming van de andere grootmachten en maken daarmee nadrukkelijk duidelijk waarvoor een dergelijke overeenkomst en de formele, rechtsconforme overeenstemming met de andere verdragspartijen in het kader van hun “Nieuwe Wereldorde” deugt en wat beide waard zijn. Waar het NPT tussen het verboden militair gebruik en het geoorloofde, zelfs subsidiabele commercieële gebruik van kernenergie onderscheidt, en gezien de twijfelachtigheid van dit onderscheid een controleregime van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) installeert dat de beperking van de nucleaire industriële activiteiten van niet-atoomwapenstaten tot civiele toepassing moet waarborgen, en regelt hoe eventuele overtredingen opgespoord en vastgesteld worden en welke consequenties desnoods noodzakelijk zijn, daar beschouwen de Verenigde Staten in het geval Iran alleen al de poging tot  uraniumverrijking als verdragsschennis en motiveren hun verdict uitsluitend met hun vaststaand vijandig oordeel over de vijandige instelling van de Iranese staatsmacht tegenover Amerika en Israël, waaruit de onweerlegbare verdenking volgt dat het de Iraniërs in waarheid om de atoombom gaat. Dat moet volstaan opdat de garantiemachten van het verdrag met strenge sancties dreigen, indien Iran niet aantoonbaar alle activiteiten staakt die ook ter voorbereiding van nucleaire bewapening zouden kunnen dienen; daarop vooroplopend wordt hen zelfs gevraagd om een preventieve aanval ter zelfverdediging op Iran – naar voorbeeld van de aanval op Saddam Hoesseïn’s niet bestaande massavernietigingswapens – te legitimeren. Uitdrukkelijk hanteren de VS hun politieke vijandschap tegen een regering als maatstaf voor de interpretatie en toepassing van een internationale overeenkomst. Zij lezen het NPT zo, als zou daarin hun vrijheid om overal ter wereld bronnen van gevaren profylactisch te ontdekken en te elimineren algemeen bindend gecodificeerd zijn. Deze lezing, dus – voor de zoveelste keer – hun afschrikkingsregime willen zij door hun collega’s in de Veiligheidsraad en in dit speciale geval bovendien door de belanghebbende Europese leidende mogendheid Duitsland erkend krijgen. Met de decente wenk dat zij niet bereid zijn van “militaire opties” af te zien, attenderen zij hun partners op niet mis te verstane wijze op de basis van hun eis en het alternatief voor het geval dat die hun toestemming weigeren: Amerika acht zich in staat om zijn controleregime over de statenwereld ook in zo’n geval met militaire middelen te vestigen en zodoende iedereen te blameren die dit optreden niet billijkt en ondersteunt; Amerika’s wil om zijn macht op geloofwaardig afschrikkende wijze in te zetten, dient niemand in twijfel te trekken.

Enerzijds doet dat ook niemand. Het verdict dat het Iran niet mag worden toegestaan een atoomindustrie op te bouwen die de complete uraniumverrijking beheerst, vindt in principe instemming bij de vetomachten inclusief BRD, bij de onderhandelingsbereide Europeanen en zowel bij het pro-Iraanse Rusland als bij de VR China; opnieuw zetten zij de eerste stap op de diplomatieke weg die reeds jaren geleden tot de Irakoorlog heeft geleid. Anderzijds wordt de Amerikanen van alle kanten voorgehouden dat zij met hun globale militaire vredespolitiek falen: geen van hun actuele oorlogen is succesvol beëindigd; waar de VS-regering begonnen is uit de wereld “a better place” te maken, komen terreur en politieke instabiliteit pas goed tot bloei. Door haar rigide opstelling maakt zij ook geen vrienden; maar zelfs Amerika kan toch niet zonder bondgenoten… Uit dergelijke commentaren spreekt in vele gevallen het uiterst welgemeende kritische standpunt dat de wereldmacht haar voornemens resp. de geïdealiseerde versies ervan quasi per knopdruk realiseert. Net zo vaak is de vader van de gedachte de wens dat het “autoritaire” optreden van “de Yankees” door tegenslag beteugeld wordt: een zeer populair standpunt in landen die zich als slachtoffer van het VS-imperialisme beschouwen, maar vooral daar waar men de eigen staatsmacht – hetzij als toonaangevende bondgenoot, hetzij als gelijkwaardige rivaal van de VS, hetzij zowel alsook – graag als wereldpolitieke protagonist zou zien. In alle gevallen getuigen zulke sceptische diagnosen echter niet van tegenslagen maar veeleer van de diepe indruk die Amerika’s optreden achterlaat. Natuurlijk creëert deze politiek slachtoffers; anders werkt afschrikking niet. Natuurlijk is zij een uitdaging voor concurrerende imperialisten; zo is zij bedoeld. En wanneer militaire acties niet volgens plan verlopen, dan is er voor een “supermacht” slechts een oplossing: meer militair geweld opdat de liquidatie van de vijand sneller lukt, alle rivalen met wereldmacht-ambities onder de indruk geraken en alle teleurgestelde sympathisanten tevreden zijn.

Voor een stabiele wereldvrede zijn gewonnen oorlogen nu eenmaal de absoluut noodzakelijke voorwaarde; en om de “shock” van 9/11 te boven te komen, is de intimidatie van de overige wereld een goed en sowieso het enige recept. Maar ook op de solide basis van fundamentele pressie op de andere staatsmachten rest er nog tamelijk veel werk om de diverse mogendheden en staten adequaat in een wereldorde te integreren, waarin Amerika de positie van effectieve en onbetwiste toezichthouder bekleedt.

c)

Een bijzonder probleemgeval is en blijft de hoofderfgenaam van de machtsmiddelen van de voormalige hoofdvijand. Dankzij het stopzetten van het anti-imperialistische programma van de sovjetcommunisten en de ontbinding van de geaccumuleerde potenties van de ex-sovjetstaat is weliswaar de belangrijkste stap gedaan en de cruciale vooruitgang geboekt: de liquidatie van het vijandige Oostblok en de verdeling van de Unie in soevereine nationaalstaten zijn onomkeerbaar. De eerste president van het gedemocratiseerde Rusland voldoet boven verwachting als handlanger van het Westen bij het slopen van het snel vervallende wapenarsenaal van de voormalige “supermacht”, bij de verwoesting van de economische basis van de staatsmacht en bij het ruïneren van haar geweldsmonopolie tot dicht in de buurt van zelfontbinding. Amerika’s eerste oorlog, tegen Irak, voor een “Nieuwe Wereldorde”, nog tijdens het eindstadium van de Sovjet-Unie, stoot al op geen protest meer vanuit Moskou; de tweede oorlog, op de Balkan, richt zich direct tegen alle Russische aanspraken op medebeslissing over nieuwe grenzen in Zuidoost-Europa, beoogt tevens überhaupt de verdringing van de Russische invloed uit Europa en eindigt volgens plan in een combinatie van formele respectering en praktische blamage van alle Russische pogingen tot inmenging. Maar daarmee is de zaak nog niet afgedaan.

Zoals niet anders te verwachten viel, krijgen de VS dan toch met een Moskouer staatsmacht te maken die haar verval stopt en omkeert. Er wordt een nationale economie reconstrueerd waarmee het land een nieuw bestaan als een van de energieleveranciers van de kapitalistische wereldmarkt opbouwt. Zichzelf en de rest van de wereld, vooral het Westen, attendeert een nieuwe regering op het feit dat zij zelfs met de resterende puinhopen van de voormalige sovjet wapenarsenalen en bewapeningscapaciteiten nog steeds over de op één na sterkste atoommacht en een aanzienlijke militaire technologie beschikt. De uitdrukkelijke zelfmachtiging van de president om de eigen nucleaire wapens desnoods als eerste in te zetten – zoals de VS en ook Frankrijk al lang officieel hebben besloten en tot bestanddeel van hun afschrikkingsdoctrine hebben gemaakt – hoeft de wereldmacht weliswaar niet direct als oorlogsaanzegging op te vatten en als vernieuwde “nucleaire patstelling” op zichzelf te betrekken; maar zij neemt de zo gedocumenteerde wil tot militaire autonomie en wereldpolitieke beslissingsbevoegdheid voldoende serieus om Rusland in een heel exclusieve politieke ruilhandel te verstrikken.

Aan de ene kant acht Amerika zijn tegenstander een speciale overeenkomst waardig: men verklaart elkaar tot atoomwapenstaat van allereerste kwaliteit, blijft in gesprek over de voortbestaande rakettenarsenalen en belooft elkaar voor altijd af te zien van wederzijdse bedreiging met de nog steeds massaal voorhanden – hoewel aan Russische kant slechts beperkt inzetklare – massavernietigingswapens. Ten teken van hun goede verstand- houding op het hoogste strategische niveau en als diplomatieke garantie voor de duurzame beëindiging van de voormalige vijandschap maken de VS Rusland het 8. lid van de exclusieve club van de kapitalistische wereldmachten. Deze elite van het westerse imperialisme, de G7, neemt al lang geen genoegen meer met informele afspraken over de voortgang van de wereldeconomie en hun onderlinge concurrentie: op hun jaarlijkse ontmoeting demonstreren en celebreren de zeven groten heel formeel hun permanente wil om naast alle onenigheid vreedzaam met elkaar om te gaan en zich aan de rest van de statenwereld en de kritische zakenwereld als imperialistisch collectief te presenteren. In deze eigenaardige consensus is Rusland thans geïntegreerd.

Daarvoor heeft no. 8 anderzijds een prijs te betalen. Niet alleen die dat Rusland in de VN ervan afziet de afschrikkingspolitiek van de VS ook maar iets in de weg te leggen. Nummer 1 – in dit geval zeer wel nog als leidende mogendheid van het Westen actief – permitteert zich elke vrijheid om Rusland’s invloed op het “nabije buitenland”, de voormalige Sovjetrepublieken, tegen te gaan en te ondermijnen. Washington bestrijdt de inzet van het energie-zakendoen - het belangrijkste civiele machtsmiddel van de Russische staat - als een politiek wapen. Onder de titel “bevordering van de civiele maatschappij” bemoedigt en ondersteunt Amerika elke binnenlandse oppositie tegen de toenemende consolidering van de Russische staatsmacht. Het onderhoudt zelfs contacten met separatisten in de Kaukasus, die Moskou overeenkomstig de vijand-definitie van de “wereldoorlog tegen het terrorisme” tot vogelvrije terroristen verklaart. Dat alles heeft Rusland te aanvaarden. En ook de formele erkenning als strategische wereldmacht die de VS Rusland nog concedeert, wordt door het opzeggen van het ABM-verdrag (Anti-Ballistic Missile) – de ooit met de Sovjet-Unie getroffen overeenkomst om van afweersystemen tegen ballistische atoomraketten af te zien – inhoudelijk uitgehold en in de praktijk herroepen. Integratie zonder substantiële concessies en een toenemende beperking en indamming van de Russische macht: dat is zo ongeveer alles wat de wereldmacht voor haar probleemgeval Moskou in petto heeft.

d)

India en China behoeven een bijzondere behandeling. Alleen al door hun bevolkingsaantal en de steeds succesvollere kapitalistische uitbuiting zijn die twee landen volgens Amerikaanse inschatting onstuitbaar “opkomende” wereldmachten. Actueel nemen zij al sterke invloed op de vermeerdering en verdeling van de wereldwijd geproduceerde rijkdom en de daarop berustende politieke macht. En beide naties permitteren zich de vrijheid om van de wereldmarkt en zijn Amerikaans centrum massaal te profiteren, de behaalde machtsmiddelen geheel eigenmachtig te gebruiken,  zich aan de Amerikaanse regelgevingen en richtlijnen te ontrekken, ja deze zelfs te overtreden: China, al lang erkende en met vetorecht in de Veiligheidsraad presente atoomwapenmacht, streeft tegen Amerika’s wil de “hereniging” met Taiwan na en beoogt niet alleen een aanzienlijke toename van nationale rijkdom, van bronnen van groei en wereldeconomische invloed, maar negeert tevens de door de VS gegarandeerde grenzen in zijn omgeving en ignoreert zo de Amerikaanse positie als ordemacht van de westelijke Stille Oceaan; de Volksrepubliek bewapent zich met het doel haar “afvallige provincie” desnoods met geweld “naar huis” te kunnen halen, wil dus over het vermogen beschikken naar eigen goeddunken oorlog te voeren: een serieuze overtreding van de vredesvoorwaarden die de Verenigde Staten deze regio dicteren. Ondanks het feit dat Amerika Pakistan voor zijn oorlog tegen de Centraal-Aziatische schuilplaatsen van het terrorisme nodig heeft en gebruikt, voert India strijd tegen Pakistan en beroept zich daarbij zelfs op Amerika’s anti-terreur-oorlog, daar het aan zijn noordwestgrens met dezelfde terroristen geconfronteerd zou zijn als de wereldmacht zelf; zonder VS-licentie ontwikkelt dat land bovendien een eigen atoomwapen en weerstaat Amerikaanse strafmaatregelen. China en India maken een onderscheid tussen enerzijds de succesvolle deelname aan het wereldwijde kapitalistische zakendoen en anderzijds de erkenning van de Amerikaanse controle over de soevereine staten en hun geweldgebruik, hetgeen Amerika juist als een geheel beschouwt en onvoorwaardelijk en volledig onder zijn “Nieuwe Wereldorde” wil subsumeren. Sterker nog: beide grote naties gebruiken de dollars die zij accumuleren om hun eigen machtsposities tegen het Amerikaanse controleregime op te bouwen. Daar moet verandering in komen. En Amerika onderneemt de noodzakelijke stappen.

Met India sluiten de Verenigde Staten een interessante wereldpolitieke deal. Zij beëindigen de boycot vanwege verboden nucleaire bewapening en maken voor India, anders dan voor het soortgelijke geval Pakistaan, een uitzondering wat betreft de restrictieve bepalingen van het “Non-Proliferation Treaty”; daarmee erkennen zij het land als atoomwapenmacht en kennen hem zo een nieuwe wereldpolitieke status toe: daaruit blijkt wat zowel deze status als de toekennende mogendheid typeert. Want kennelijk is er - meer op het wapentechnologische dan op het militaire vlak - in de wereldpolitiek een groot verschil tussen een staat die de atoombom “slechts” bezit en een staat die bij de zes officieel erkende atoommachten hoort. Het verschil ligt in de betekenis die de politieke aanspraken, de concurrerende belangen en ordepolitieke programma’s van een dergelijke natie toekomt: zij verdienen respect; sowieso meer dan zonder het extravagante vermogen tot massavernietiging, maar duidelijk meer wanneer de geëtableerde atoommachten en onder hun leiding de rest van de statengemeenschap de nucleaire vernietigingscapaciteit van een land goedkeuren en in zover als politiek relevant verklaren. Zo’n respect voor de Indiase staatsmacht verordenen dus nu de VS; dat gebeurt niet uit nood, maar zij “investeren” als het ware in een politieke deal. En daarmee is in ieder geval zoveel duidelijk: zij doen dat niet omdat zij hun veiligheid bedreigd achten of zelfs een “nucleaire patstelling” met India vrezen. Zij beslissen dat India voortaan in de wereldpolitiek op een kwalitatief hoger niveau staat en serieuzer moet worden genomen. En dat is het dan ook wat India’s nieuwe status uitmaakt: het recht op respect dat de wereldmacht het land verleent. Daarmee plaatsen de VS zich boven de status die zij India toekennen - dat is het andere wat duidelijk wordt; zij ageren als een mogendheid buiten concurrentie en benadrukken deze positie door de andere atoommachten niet eens te consulteren, laat staan dat zij hen laten meebeslissen. Zij confronteren hun vier rivalen – bovendien de “Nuclear Suppliers Group”, de groep staten met een hoogontwikkelde, exporterende atoomindustrie die verplicht is de verspreiding van nucleaire wapentechnologie tegen te gaan – met min of meer voldongen feiten en verzoeken hen ten overvloede eerst nog heten overvloede uitdrukkelijk ders zou zijn dan een ij zich een leidennitieve besluiten van het Amerikaanse Congres af te wachten definitieve besluit van het Amerikaanse Congres af te wachten - maar dan ook als bindende richtlijn te volgen. Tegenover de andere erkende atoommachten matigen zij zich de leidersrol aan, alsof ook hun status niets anders zou zijn dan een Amerikaanse concessie, en in ieder geval ondergeschikt aan de eigenmachtige voornemens van de VS – en inderdaad maakt geen lid van de exclusieve club van vijf effectief bezwaar. Amerika ageert succesvol, en het bevestigt zich als eenzame top van de imperialistische hiërarchie waarin het erkende vermogen tot massavernietiging over het recht op respect beslist.

Voor deze erkenning presenteren de VS hun Indiase partner een rekening. Zij eisen tot op zekere hoogte controle – hoe uitgebreid is een omstreden punt tussen de verdragspartijen – over India’s atoomindustrie en de hoeveelheid uranium die in de “civiele sector” ontstaat en geschikt is voor de productie van kernwapens. De volledigheid van het controleregime vinden zij blijkbaar minder belangrijk – militaire atoominstallaties zijn daarvan uitdrukkelijk uitgezonderd – dan het principe: erkenning, om überhaupt een overzicht over en een zekere toegang tot de nucleaire potenties van het land te krijgen; zij doen een concessie aan India’s eigenlijk regelovertredende eigenmachtigheid om die tenminste beperkt te controleren, te beïnvloeden en voor eigen doeleinden te instrumentaliseren. Voor de wereldpolitieke ambities die India met zijn nucleaire bewapening wil onderbouwen, hebben de VS namelijk een eigen constructief gebruiksdoeleinde: zij offreren het land de rol van regionale macht van de Indische Oceaan, wat vanzelfsprekend niet alleen het toezicht over de zeewegen behelst maar tevens de door het erkende afschrikkingsvermogen gewaarborgde controle over de staten die aan deze zee liggen. Amerika billijkt de desbetreffende Indiase ambities, zegt zelfs militaire steun toe. In ruil voor het respect dat zij India bewijst, eist de wereldmacht niet meer, maar ook niet minder, dan dat India zijn rol in de wereldpolitiek  en als regionale macht zo opvat en uitvoert als de Amerikaanse ordebelangen voorgeven; dus vooral in permanente afspraak met Amerika. India verdient zich deze erkenning – dat is de wereldpolitieke inhoud van de diplomatieke deal die Washington het land aanbiedt – door zijnerzijds de VS als toonaangevende buur en leidende mogendheid van de Indische Oceaan te erkennen.

De indamming van China’s macht en invloed is bestanddeel en een van de doelen van deze nogal eenzijdige erkenningsdeal; en die maakt deel uit van de politiek die Amerika noodzakelijk acht om de al te snel al te rijk en machtig geworden Chinese Volksrepubliek te integreren. Want ook daarbij gaat het er in principe om dat China de VS als mogendheid die ook in Oost-Azië over grenzen en vredesvoorwaarden beslist, accepteert en zich in de eigen tweederangse strategische rol schikt. Om dat te bereiken, is volgens Amerika’s eigen inschatting het uitroepen van de nieuwe, de wereld strategisch structurerende “wereldoorlog tegen het terrorisme” geen geschikt middel. Een politieke deal kan Amerika de Chinezen echter ook niet aanbieden: rest alleen nog de Chinese macht te beperken. Washington mobiliseert dus de nieuwe ordepolitieke en militaire ambities van zijn Japanse partner – naast die van de “grootste democratie ter wereld” – en verruimt zijn veiligheidsgarantie voor Taiwan. En dankzij de strijd tegen en over Noord-Korea (voor welks liquidatie Amerika probeert China diplomatiek in te spannen) blijft er een explosieve “crisishaard” actueel die de wereldmacht aangrijpt om haar ook voor de grote Volksrepubliek afschrikkend vermogen tot ontplooiing van militaire terreur in herinnering te roepen.

e)

In grote delen van de statenwereld zien de VS zich geconfronteerd met een tamelijk virulent anti-Amerikanisme. Er zijn nog altijd regerende veteranen uit de sovjet-era of zelfs nieuwe soortgelijke opvolgers die nog steeds of alweer afstandelijk tegenover de wereldmacht staan en trachten – niet eens zonder succes – in samenwerking met Rusland of China economisch en politiek te overleven. Er zijn teleurgestelde nationalisten die zich aan de massale verarming van hun volk storen en de oorzaak in de economische richtlijnen en ordepolitieke directieven uit Washington ontdekken; in Latijns-Amerika komen dergelijke figuren zelfs incidenteel aan de macht en proberen de oprichting van een gemeenschappelijke markt langs de leidende mogendheid heen en in strijd met haar cruciale belangen. In andere gevallen, vooral in de islamitische wereld, diagnosticeren vrome volksopvoeders het morele verval van hun samenleving als het ergste sociale kwaad en leggen de zedenverwildering de onheilbrengende invloed van het Westen ten laste; welke verschrikkelijke gevolgen een dergelijke geesteshouding heeft, blijkt immers uit de grote aanslagen die de VS niet slechts verwond, maar hun verwondbaarheid blootgelegd en daarmee hun wereldmacht gerelativeerd hebben. Dan is er nog en groeiend aantal landen waarvan de heersers de binnenlandse ellende niet eens behoorlijk kunnen besturen, dus hun dienst als lokale agentschappen en stadhouders van het globale ordereglement schuldig blijven; daaruit blijkt weliswaar nog geen vijandschap tegen Amerika, maar het wereldwijde ordesysteem vertoont wel scheuren; en dat het georganiseerde terrorisme daardoor een toevlucht vindt en een overlevingskans krijgt, ook dat hebben de verantwoordelijken in Washington uit de aanslagen van 9/11 geleerd. In al deze gevallen is een doortastende wereldverbetering dringend geboden.

Het fundament daarvoor leggen de VS door hun oorlogen; het afschrikkingsregime dat zij oprichten, neemt vooral alle soorten van anti-Amerikaanse activiteiten in het vizier. Voor de functionele (her-) integratie van al deze probleemstaten moet echter nog meer, iets constructiefs worden ondernomen. Daarvoor heeft Amerika een algemeen recept ontwikkeld: “regime change” op de democratische toer, de civiele variant van de militaire ontmachting van ongewenste regeringen. Toegepast wordt het in allerlei toepasselijke variaties, bijvoorbeeld als “tulpen-”, “oranje” of “ceder-revolutie” ter correctie van foute verkiezingsuitslagen in landen waarvan de machthebbers in verkiezingen daadwerkelijk hun macht op het spel zetten en de staatsraison van een juiste stembusuitslag afhankelijk is. Het belangrijkste toneel voor deze ingreep in de binnenlandse zaken van problematische naties is het door het Westen zo genoemde “Midden-Oosten”, de “islamitische crisisboog” waar de VS reeds in twee gevallen door demonstratief militair geweld vijandig ingestelde heersers hebben verdreven. Daar hebben de VS het wijdverbreide anti-Amerikanisme grondig onderzocht om de volkeren daarvan te genezen; en ze zijn op iets gestoten. Blijkbaar worden de mensen daar ter plaatse verkeerd geregeerd, namelijk niet succesvol, dus niet effectief genoeg geënthousiasmeerd voor de enige politiek correcte democratische markteconomische pro-Amerikaanse “way of life”, waarvan de andere volkeren van de wereld toch diep doordrongen zijn. Wat dat betreft hebben de regerenden in veel gevallen ongetwijfeld de beste bedoelingen; de meeste potentaten, presidenten en koningen van de regio verbinden zoals gewenst het wel en wee van hun landen en het lot van hun eigen heerschappij met de commerciële belangen en veiligheidsbehoeften van de wereldmacht en trachten hun volkeren onder dit aspect onder controle te houden; als dat echter slechts ontoereikend of helemaal niet lukt, dan lijdt het voor de democratische wereldverbeteraars geen twijfel dat daar de methoden van de politieke wilsvorming, namelijk de vorming van de politieke volkswil door de regerenden, falen; wat ook geenzins verwonderlijk is omdat er verkeerd, namelijk ondemocratisch geregeerd wordt – bewijs: in een stabiele democratie zou zoiets niet gebeuren dat uit het moeras van antiwesterse denkwijzen en zeden terroristen opduiken. Om de eendracht tussen regering en volk op de juiste basis tot stand te brengen, de unanieme instemming met de status van de natie binnen de Amerikaanse vredesorde, is dus democratisering noodzakelijk – dat zij daarmee hun systeem van politieke vrijheid als de superieure, want meest effectieve heerschappijvorm aanbevelen, stoort de zelfbewuste propagandisten van de democratie helemaal niet. Dus niet alleen de naties met een foute overheid, ook zulke met een regering die haar wereldpolitieke plichten weliswaar kent maar op de anti-Amerikaanse volksmening geen vat krijgt, hebben vrijheid van meningsuiting nodig – met uitzondering van antiwesterse propaganda, waarbij de houding tot Israël, Amerika’s voorpost in de regio, als criterium in aanmerking komt – , partijenpluralisme – waarvoor westerse partijgebonden stichtingen, freelance experts en financiers als hulpkrachten gereedstaan – en faire verkiezingen – zonder garantie dat foute uitslagen erkend worden. Het gaat om “regime change” in een radicale kwalitatieve zin: de technieken van de heerschappij moeten zo veranderd worden dat de onderdanen naar wens functioneren.

Deze verandering - waar noch de regering, noch het volk in de doellanden van het Amerikaanse initiatief tot wereldverbetering om heeft gevraagd - behoeft uiteraard een sterke impuls van buitenaf om op gang te komen, een fundamentele ontwrichting van de maatschappij en destabilisatie van het staatsgezag: twee doelstellingen die de VS met hun oorlogen en aanhoudende oorlogsdreigingen mede beogen: “shock and awe” à la Rumsfeld als inleiding van democratische propaganda. Bovendien maken Israël’s militaire operaties nadrukkelijk duidelijk, dat pro-Amerikanisme op den duur de enige kans van de plaatselijke volkeren is om een gewelddadige verbetering van hun slechte zeden te voorkomen. Zo passen beide ondernemingen samen: oorlog voor meer democratie, democratisering als voortzetting van de “wereldoorlog tegen het terrorisme” met civiele middelen.

f)

Het grootste probleem voor Amerika’s “Nieuwe Wereldorde” zijn de bondgenoten. De overwinning over de Sovjet-Unie organiseert het Westen nog gemeenschappelijk: eensgezind helpen de geallieerden de leden van het Warschau Pact aan nieuwe, pro-westerse regeringen, desnoods via decente hulpverlening bij de gewelddadige omwenteling. Zelfs de grootste verschuiving van de machtsverhoudingen tussen de bondgenoten, de vergroting van de BRD door de inlijving van de DDR, komt gemeenschappelijk tot stand. Men is ook eensgezind over de prompte erkenning van de voormalige Sovjetrepublieken als zelfstandige nationaalstaten en de niet-erkenning van Rusland’s aanspraken op een zekere hegemonie over zijn “naburig buitenland”, de afvallige delen van de teloor gegane Unie. Ten opzichte van de “hereniging” van Europa nemen de leidende mogendheid en haar bondgenoten echter al verschillende standpunten in. De behoefte aan een nieuw afschrikkingsregime delen beide zijden weliswaar – in principe; maar helemaal congruent zijn hun respectievelijke interessen in een vernieuwde wereldorde allerminst. En door elke oorlog die zij noodzakelijk achten, nopen de Amerikanen hun partners, en deze nopen van hun kant door hun acties en reacties de leidende mogendheid tot het opnieuw uitbalanceren van coteriegeest en “meningsverschillen”. – In detail:

Door hun gemeenschappelijke pogingen tot integratie van de Oost-Europese “hervormingsgezinde staten” beginnen de VS en de West-Europese leidende mogendheden een strijd over prioriteiten, namelijk omtrent de kwestie wie de hoofdrol moet spelen bij het inlijven van de voormalige sovjet-“satellieten”: NAVO of Europese Unie. Deze strijd draait niet meer om de ook vroeger al conflictrijke, maar uiteindelijk coöperatieve verhouding tussen Europese economische Unie en transatlantische veiligheidsunie of om een nieuwe tegenstelling tussen het verenigde Europese kapitalisme en de verenigde westerse militaire macht. Binnen het conflict over het leiderschap bij de “integratie” van Middel- en Oost-Europa, dus over de politieke bevoogding van de kandidaat-staten, ageren de EU-mogendheden zelfstandig als ordemacht, als strategische factor in concurrentie met de wereldoorlogsalliantie waarover de VS het commando voeren. De Europeanen zijn niet van zins hun NAVO-lidmaatschap op te zeggen; als bescherming tegen Rusland’s atoomwapen kunnen zij de aanwezigheid van Amerika als grootste militaire mogendheid op hun continent nog steeds waarderen. Zij leiden echter niet langer een dubbelbestaan als enerzijds militaire handlangers en beschermelingen van de VS en anderzijds als hun Europese samengekoppelde concurrenten, maar zij permitteren zich een extremere absurditeit: naast de militaire alliantie die zij samen met de VS en volgens hun voorwaarden nog steeds vormen, voeren zij een eigen EU-orde- en veiligheidsbeleid dat zich naar Oost-Europa uitstrekt en maken als zelfstandig opererende Europese grootmacht aanspraak op leiderschap: over de VS en over zichzelf als deel van de Noord-Atlantische wereldmacht.

Dit conflict wordt acuut en verder verscherpt door de inmenging van het Westen in de separatistische burgeroorlogen die de tegen elkaar opgehitste nationaliteiten van het oude Joegoslavië tegen de ex-communistische eenheidsstaat voeren. Onder het motto “Europa voor de Europeanen” benoemen de onderling rivaliserende leidende mogendheden van de EU door hun aan voorwaarden gebonden erkenningspolitiek zich tot vergunningsinstantie, die over oorlog en oorlogsresultaten, grenstrekkingen en nieuwe soevereiniteiten op hun continent beslist. Daarbij moeten zij echter ondervinden dat de vestiging van een onbetwiste ordemacht meer vereist dan de – deels aangespoorde en ondersteunde, deels tot de orde geroepen – oorlogspartijen te laten vechten. De slachting richt zich niet naar hun licenties en verboden. Om zich niet als machteloos te ontmaskeren, moeten zij hun oppertoezicht door doortastende maatregelen kracht bijzetten. Daarvoor zijn de grote Europeanen echter nog steeds op de traditionele oorlogsalliantie met Amerika aangewezen; en er begint een strijd over zin, doel en nut van de alliantie en vooral over het commando. Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië, onderling in concurrentie om het leiderschap bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke ordepolitiek voor de Balkan, proberen, elke bondgenoot op zijn manier, om via de NAVO de superieure Amerikaanse militaire macht voor hun eigen project te instrumentaliseren, namelijk voor een Europese ordemacht onder hun opperbevel. De VS aarzelen niet lang; zij nemen zelf het initiatief teneinde de plaatselijke machtsverhoudingen door militaire acties recht te zetten en zo hun eigen oppertoezicht over oorlog en vrede uit te bouwen en zich opnieuw als leidende Europese mogendheid te etableren, met onbetwistbare beslissingsbevoegdheid over de nieuwe en alle toekomstige geweldkwesties binnen Europa. In die zin voeren zij het bevel over de oorlog van hun alliantie tegen het Rest-Joegoslavië van president Milosevic. De Europeanen besturen de gevolgen en registreren een zeer gemengd succes van hun paradoxe poging om zich onder gebruikmaking van het pact van het Amerikaanse leiderschap te emanciperen.

Een tussenresultaat staat daarmee vast: de NAVO krijgt een nieuwe inhoud. Zij verklaart zich officieel bevoegd om militaire operaties overal ter wereld uit te voeren, ook buiten de “area” waarvan de “verdediging” tot dan toe haar militaire opdracht was; na 11 september stelt de NAVO artikel vijf in werking (waarin een aanval op één NAVO-land wordt gezien als een aanval op alle NAVO-landen) en bevestigt niet slechts het besluit van de VS-regering om deze misdaad als aanleiding voor een wereldoorlogsverklaring te nemen, maar tevens haar eigen bestaansdoel als uitvoeringsorgaan van Amerika’s afschrikkende “Nieuwe Wereldorde”. De traditionele strijd binnen de Alliantie over leiderschap en medezeggenschap gaat thans over de vraag hoe deze nieuwe bevoegdheid te realiseren is en vooral: wie bij de definitie van interventie- en oorlogsredenen, het bepalen van strategische plannen en oorlogsvoeringen het laatste woord heeft. De VS maken met het recht van de sterkste aanspraak op exclusieve verantwoordelijkheid en insisteren op hun competentie om ook over de legers van hun kleinere partners mede te beschikken. De Europeanen hebben geen overtuigend alternatief om hun aanspraak op het opperbevel te kunnen staven; des te dringender moeten zij hun samenwerking intensiveren, gemeenschappelijk hun kapita- listische rijkdom op het niveau van de leidende mogendheid brengen en hun krijgsmacht op het niveau van hun kapitalistische potenties – waardoor Amerika’s superieure positie als wereldvredesmacht daadwerkelijk gerelativeerd, dus vernietigd zou zijn.

Zo’n doorbraak is vooralsnog niet in zicht; maar West-Europa’s wereldpolitici weten uit ervaring hoe zij uit hun relatieve zwakte politieke munt kunnen slaan; en deze oude NAVO-gewoonte nemen zij weer op: op basis van de Amerikaanse afschrikkingspolitiek doen zij de statenwereld eigen afwijkende, demonstratief civiele, schijnbaar conciliante  voorstellen op het gebied van economische en politieke betrekkingen; terwijl zij van de terreur, die de leidende mogendheid uitoefent, profiteren – namelijk enerzijds vertrouwend op het intimiderende effect ervan, anderzijds in goedkope distantie tot het Amerikaanse intransigente gewelddadige optreden – bieden zij de statenwereld van China en Rusland tot de regimes waarvoor Washington een “change” beoogt gelegenheden om wereldgeld (en niet eens dollars) te verdienen, en de kans om in de wereldpolitiek actief te blijven zonder alle richtlijnen uit Washington te moeten volgen. In de era van de Koude Oorlog heeft deze – ten opzichte van de VS parasiterende, ten opzichte van de adressaten hypocriete – politiek al met al haar grote waarde bewezen, namelijk als arbeidsdeling van de westerse mogendheden ter destabilisatie van de vijand. Zonder dit grote gemeenschappelijke doel heeft dezelfde politiek andere uitwerkingen: door hun offertes aan staten die Washington als anti-Amerikaanse probleemgevallen beschouwt of zelfs als vijand in de ban doet, belemmeren de Europeanen het afschrikkingseffect van de “wereldoorlog tegen het terrorisme” waar de VS nadrukkelijk belang aan hechten. In plaats van aan de intimidatie van de statenwereld mee te werken, ook door isolering en ruïnering van een aantal leden, maken de Europeanen een onderscheid – en stellen ook andere landen daartoe in staat – tussen de deelname aan de wereldeconomie en wereldpolitiek enerzijds en de onderwerping aan de wereldmacht anderzijds – juist wanneer die alles onderneemt om de identiteit tussen deelname en onderdanigheid door te zetten.

Voor de VS is deze Europese politiek een provocatie; dat temeer daar hun disciplineringsmiddel uit de tijd van de Koude Oorlog niets meer uithaalt: de waarschuwende verwijzing naar de levensnoodzakelijke “atoomparaplu” van de “supermacht” waarvan uitsluitend gewillige handlangers kunnen verzekerd zijn. Aan de andere kant zijn ze ervan overtuigd dat in ieder geval vele van hun bondgenoten, met name de nieuwe NAVO-partners uit Oost-Europa, hun veiligheid nog steeds beter door Amerika gewaarborgd achten dan door het op militair gebied nog lang niet geëmancipeerde EU-bondgenootschap. Evenzo zeker zijn ze van hun “special relationship” met Groot-Brittannië. En hoe men enkele partners door uitgesproken goede, andere door demonstratief slechte behandeling aan zich bindt, weten ook de VS uit ervaring. Dat alles gebruiken zij om de EU, net als die een concurrentiekrachtige macht wil opbouwen, te splitsen en alles in het werk te stellen dat het tegenstrijdige streven, door inlevering van nationale soevereiniteit meer collectieve macht te winnen, op een mislukking uitloopt. En zolang Washington zo doorgaat, stoot het alternatieve Europese imperialisme gauw op zijn grenzen: wanneer de VS ernst maken met hun oorlogsdreigingen – en dat zij daarvoor niet terugdeinzen, bewijzen zij steeds opnieuw – is de poging om wereldpolitiek te voeren langs Amerika heen of zelfs in strijd met Amerika’s richtlijnen gedoemd te mislukken.

De oorlogen die de wereldmacht “tegen het terrorisme” voert, missen hun uitwerking niet binnen het Westen. Ook de bondgenoten - juist die - krijgen geen kans om tegen een Amerikaanse oorlogsverklaring effectief te protesteren of ten minste over oorlogsdoelen en hun omzetting mee te beslissen. Wanneer belangrijke Europese partners zich aan de alliantiediscipline onttrekken – zoals Duitsland en Frankrijk bij de oorlog voor de volledige ontmachting van het Saddam-regime in Irak – aarzelen de VS niet om, bij voorkeur met andere EU-leden, een “coalitie van de willigen” te vormen; en zij worden principieel: zij verklaren hun optreden tot precedent en nieuw paradigma. Vaste bondgenootschappen voor elke eventualiteit die alle partners de mogelijkheid geven zich met de beslissingen en militaire plannen van de leidende mogendheid te bemoeien, zijn niet langer actueel. De NAVO is daarmee weliswaar nog niet opgedoekt, maar haar belang voor Amerika’s “Nieuwe Wereldorde”, het monopolie op afschrikking, is aanzienlijk gerelativeerd. Ook voor de grote imperialistische oorlogsalliantie geldt het alternatief: óf gewillig óf overbodig. De wereldmacht verzamelt vazallen om zich heen volgens het eenduidige principe dat elke operatie haar eigen alliantie smeedt; daaraan is inherent dat dergelijke bondgenoten over eventuele militaire acties en hun uitvoering niets (mee) te beslissen hebben: wie deelneemt, doet wat de “situatie” eist. Of en hoe het meedoen gewaardeerd wordt blijft open, is in ieder geval volstrekt aan de beoordeling van de leidende mogendheid overgelaten. Wie weigert mee te doen, wordt vast en zeker door de wereldmacht slecht behandeld: door nadrukkelijke niet-erkenning van zijn interessen in de wereldregio die net tot “better place” wordt gemaakt, en door buitensluiting van het toekomstige gebruik ervan.

Door veel constructief engagement bij het beheersen van chaos en onvrede die Amerika’s antiterroristische veldtochten in eerste instantie veroorzaken en achterlaten, kan echter ook een weerspannige bondgenoot een heleboel goedmaken en in het kader van het verder gevorderde afschrikkingsregime eigen posities handhaven of heroveren. Want in feite willen en kunnen de VS in hun wereldwijde “oorlog tegen het terrorisme” de hulp van hun rivalen niet ontberen. Een reden om hun politiek te modificeren is dat echter niet; een werkelijke inspraak staan zij zelfs hun bruikbaarste bondgenoten en belangrijkste concurrenten niet toe. Zij maken ook geen bezwaar, integendeel, wanneer Israël met zijn wrede oorlogsvoering alle andere belanghebbende grootmachten, dus vooral de EU met haar ambitie om aan de beïnvloeding en controle van de machtsverhoudingen in het Nabije Oosten toonaangevend mee te werken, tot machteloze toeschouwers degradeert en in de praktijk demonstreert dat de gehele Europese interventiepolitiek niet meer waard is dan Israël en zijn beschermingsmacht, dus uiteindelijk de VS toelaten. En met zijn democratiseringsproject voor de gehele regio houdt Amerika in geen enkel opzicht rekening met geallieerde en andere “derde” mogendheden, die van hun kant imperialistische interessen in dezelfde staten hebben en met de bestaande machtsverhoudingen wellicht tamelijk tevreden zijn, of zich misschien ook volkomen anders dan de VS gestoord en beperkt voelen of pas werkelijk nadeel oplopen door de “democratische revoluties” die de VS daar ter plaatse trachten op touw te zetten. Maar juist omdat zij zo extreem veel ontwrichten en met productieve bedoelingen verwoesten, zijn zij op ondersteuning aangewezen en eisen hulp van anderen – niet van de gewilligste, maar van de op economisch en militair vlak meest potente naties – op zijn minst voor het opruimwerk; en ook als het volgende offensief tegen de volgende kandidaat voor een onvrijwillige “regime change” op de agenda staat, hebben de VS deze bondgenoten nodig voor preventieve schadebeperking. Want door actuele of aanstaande verschrikkelijke gevolgen laat de wereldmacht zich allerminst afbrengen van haar algemene lijn de wereld onverbiddelijk in orde te brengen. Die wil zij als gemeenschappelijke lijn bindend maken.

Zo verloopt het conflict tussen de VS en hun geallieerde rivalen: Amerika strijdt voor de functionele integratie van zijn imperialistische concurrenten in zijn “Nieuwe Wereldorde”; deze strijden voor zelfstandigheid binnen en ook iets buiten het hervormde wereldoorlogs- en wereldvredessysteem om op (middel-) lange termijn gelijkwaardigheid met de dominante partner te bereiken en diens superieure macht te breken. De wereldmacht doet een beroep op haar oude westerse “waardegemeenschap” en daagt zo het emancipatiestreven van haar geallieerden uit; deze gebruiken de eisen van hun superieure rivaal om zich eigenmachtig in diens voornemens in te mengen, en provoceren hem door hun hardnekkig streven naar meer imperialisme onder eigen regie. Daarmee ruïneren beide zijden hun traditioneel bondgenootschap waarvan de basis – de noodgedwongen vrijwillige onderwerping van de NAVO-vazallen aan de transatlantische “supermacht” daar de wereldoorlog tegen de SU uitsluitend gemeenschappelijk te winnen was – al lang niet meer bestaat. De proclamaties van hun onverbrekelijk voortbestaande eensgezindheid over de kernpunten van de wereldpolitiek worden daardoor steeds belangrijker, de feestelijke manifestaties van de grote mogendheden ter demonstratie van hun ongewijzigd voornemen als G7 bijeen te blijven, steeds demonstratiever. Berekenende vriendschap gaat gepaard met wederzijds wantrouwen en acute onenigheid. Zo functioneert solidariteit tussen imperialisten.

g)

De VS-politici weten natuurlijk waarop hun superieure, wereldwijd voldongen feiten scheppende macht daadwerkelijk berust. Vandaar dat zij zich niets aantrekken van zulke verwijten en vermaningen dat de huidige grote problemen en conflicten “uitsluitend door geweld niet op te lossen” zouden zijn: sinds het einde van de Sovjet-Unie zijn zij actief om de werkelijk toekomstgerichte wereldproblemen en conflicten te creëren en afschrikking met en door geweld als universele vredesvoorwaarde door te zetten. Bovendien hebben zij 9/11 ondergaan en daaruit de extreme conclusie getrokken dat zij zich midden in vredestijd eigenlijk in staat van oorlog bevinden, zelfs van een wereldoorlog; en wanneer zij deze oorlogsverklaring al binnen hun natie radicaal realiseren en het civiele alledaagse leven in een binnenlands veiligheidsfront veranderen, hoeveel meer inspanningen zijn dan niet nodig om de rest van de wereld de ernst van de situatie te doen beseffen! En hoe zou men de wereld anders in staat van oorlog kunnen brengen dan via geweld!

Om zich in overeenstemming met de zelf gedefinieerde nieuwe “situatie” als wereldmacht waar te maken, hebben de VS dus nog steeds het allerbelangrijkste nodig: geweldmiddelen. Qua hoeveelheid en ontwikkelingsniveau van hun wapenarsenalen moeten zij al hun concurrenten en potentiële slachtoffers voorgoed overvleugelen. Afhankelijk van de mogelijkheden die de vooruitgang van de wapentechnologie biedt, worden steeds nieuwe scenario’s en escalaties van militaire operaties uitgebroed en het meest geavanceerde gereedschap voor alle soorten van strategische en tactische taken besteld. Daarvoor maken de VS-regeringen gebruik van de gigantische kapitalistische rijkdom van hun natie, excessief en rücksichtslos tegen de binnenlandse en vooral buitenlandse bronnen ervan: zij financieren hun bewapening met schulden die de rest van de wereld - niet in de laatste plaats uitgerekend de grote rivalen in Oost-Azië - als solide materie van hun abstracte rijkdom erkent en gebruikt. En in hun vaste patriottische overtuiging dat met voldoende geld niets onhaalbaar is, nemen de VS zich grote dingen voor. Bijvoorbeeld een rakettenafweersysteem dat de dromen van  Reagan, de onvergetelijke overwinnaar over de Sovjet-Unie, waarmaakt; daarvoor worden dan ook meteen verscheidene verre landen overal ter wereld als standplaatsen voor componenten van het systeem in beslag genomen. En wat Amerika’s eigen offensieve raketten betreft, krijgt de wapenindustrie de opdracht voor honderd procent te garanderen dat elke plek op het aardoppervlak inclusief eventueel daaronder verborgen bunkers samen met alle daarin verschuilde terroristen binnen een uur vanaf hun detectie per knopdruk volkomen vernietigd kan worden; zomogelijk ook zonder nucleaire sprengkoppen. En überhaupt moeten meerdere oorlogen tegelijkertijd kunnen worden gewonnen, met of ook zonder NAVO; daaraan werkt de wereldmacht.

© GegenStandpunkt Verlag München 2006