Het hedendaagse imperialisme IV

2. De wereldvrede na de Wereldoorlog: een “Koude Oorlog”

Sinds halverwege de 20ste eeuw beschouwen de naties van de wereld zich als “verenigd”. Zij onderhouden een “wereldorganisatie”; op regelmatig bijeengeroepen “algemene vergaderingen” beraadslagen en oordelen representanten van alle staten over tussenstatelijke geweldkwesties en ordevraagstukken; eigen instituties houden zich continu bezig met diverse politieke problemen uit alle wereldregio’s, debatteren over en nemen besluiten, treffen maatregelen, autoriseren of organiseren zelf interventies. Het officiële ideaal van een stabiele eensgezindheid van alle grote mogendheden op aarde over bindende regels omtrent hun onderlinge betrekkingen en een vreedzame oplossing van de belangrijkste wereldproblemen in consensus van de volkerenfamilie is weliswaar niets dan een ideaal gebleven: van een realiteit die gekenmerkt wordt door scherpe belangentegenstellingen en onopgeloste conflicten. Maar zoveel is in ieder geval ook realiteit geworden: alle staten – sommige meer, andere minder, sommige zeer actief andere meer passief – voeren wereldpolitiek. In principe bemoeien alle staten zich in georganiseerde vorm met elkaar, mengen zich volgens algemeen aanvaarde, ofschoon niet altijd gerespecteerde regels diplomatiek en eventueel ook met geweld in de politiek van andere soevereinen in, en zij kunnen zich daarbij erop beroepen dat zij dat onderling als hun goed recht hebben afgesproken.

Voor een dergelijke omgang met elkaar zijn er dan ook goede redenen. Met hun materieel successtreven hebben zij het standpunt van slechts partitiële, in principe opzegbare buitenlandse betrekkingen en de status van tenminste potentieel autarkische samenlevingen ver achter zich gelaten. Aanvankelijk nagenoeg alle en inmiddels überhaupt alle naties hebben zich op hetzelfde bestaansmiddel vastgelegd: de grensoverschrijdende privé-macht van het kapitaal; zij definiëren zich en ageren als kapitaalvestigingsgsplaatsen, maken deel uit van een systeem van wederzijdse gebruikmaking en zijn op het voortduren van hun onderlinge concurrentie aangewezen. Alleen al omwille van hun zelfhandhaving moeten zij als betrokkenen en tevens als arrangeurs en controleurs van hun groots opgezet concurrentie-evenement genaamd “wereldmarkt” optreden: zij strijden om de rijkdom van de wereld, voeren deze strijd conform de regels, letten op de naleving ervan en maken zich zorgen om de betrouwbaarheid van hun medeconcurrenten, die zij permanent zwaar op de proef stellen. En zij koesteren geen enkele twijfel: zij kunnen alleen dan verzekerd zijn van de goede wil van hun concurrenten als zij over voldoende geweldmiddelen beschikken om  desnoods dwang uit te oefenen. Zodoende provoceren zij elkaar uiteraard in nog sterkere mate – en zij hebben besloten dat deze precaire “situatie” het beste verenigbar is met hun onderlinge concurrentiebelangen als zij juist ook de geweld- en veiligheidsproblemen, die zij elkaar bezorgen, principieel en zo lang mogelijk volgens vaste regels uitvechten en vanuit een verheven standpunt op de naleving ook van deze regels letten. Zo hebben zij – zoals gezegd: de een meer actief en invloedrijk, de ander meer vanuit een machteloze positie – een formeel recht van de statengemeenschap geïnstitutionaliseerd en zichzelf en elkaar de verplichting opgelegd om het gebruik van militair geweld tegen elkaar aan een collectief gecontroleerde restrictie en – eventueel – aan een regelconforme vergunningsprocedure te onderwerpen.

Daaraan werkt op het hoogste niveau, in de “Veiligheidsraad” van de VN, een extreem kleine elite van grootmachten blijkbaar duidelijk toonaangevender mee dan de rest van de statenwereld, waarvan slechts enkele vertegenwoordigers advies mogen geven. En ook dat heeft een solide reden. Het complete formele arrangement is namelijk slechts enerzijds gebaseerd op het vrijwillige besluit van alle betrokkenen om bij het toezicht over de geweldzaken van het wereldgebeuren mee te doen en daarvoor hun eigen geweldgebruik aan een collectief toezicht te onderwerpen; het berust daarom ook slechts enerzijds erop dat de leden van de “wereldgemeenschap” elkaar als vrije en gelijke soevereine rechtspersoonlijkheden en stemgerechtigde clubgenoten respecteren. Op zo’n basis hadden zelfs de moderne staten met al hun vredespolitieke rede vermoedelijk nauwelijks meer teweeg gebracht dan de klassieke formaliteiten van het volkerenrecht, een codex ter regeling van hun conflicten die daardoor allesbehalve noemenswaardig beperkt worden. Enkele elementen van een daadwerkelijk effectief regime over de conflictrijke betrekkingen van de soevereine heerschappijen, van een bindende uitspraak over de legitimiteit van oorlogen, elementen van een sanctiemacht tegen zulke staatsmachten die volgens vaste regels schuldig worden bevonden aan een overtreding van de geldende vredesvoorwaarden: iets dergelijks behelzen de instituties die sinds enkele decennia toezicht houden op de politieke tussenstatelijke betrekkingen echter wel degelijk. En dat ligt niet aan de unanieme vredeswil van de volkerenfamilie. De reden ervoor is de verreikende controle- en interventiemacht, het machtsbelang en de interventiewil van enkele weinige naties die zich verenigd hebben tot een soort van gemeenschappelijk toezicht op het wereldgebeuren om zelf de positie van toonaangevende controleurs te bekleden. Deze staten hebben daadwerkelijk een hiërarchie van soevereine staatsmachten tot stand gebracht; aan de top concurreren zij om de rol van werkelijke en werkelijk globaal bepalende “leidende mogendheid” – thans met het resultaat dat de VS zich als superieure imperialistische natie geëtableerd hebben.

Dit Amerikaanse wereldsucces berust op twee gewonnen wereldoorlogen – waarvan de tweede een “koude” – en het heeft voor zijn duurzaamheid de permanente intimidatie van de statenwereld nodig: een afschrikkingsregime dat de wereld in haar als “wereldvrede” bekende “toestand” tussen oorlogsdreiging en actieve oorlog brengt.

a)

Na de overwinning van hun wereldwijde alliantie over het nationaalsocialistische Duitsland en het Japanse Keizerrijk doen de VS hun best om de uit oorlogsnood geboren verbondenheid van de “verenigde naties” om te zetten in een net zo stabiele, ook voortaan onder hun leiding staande globale vredesorde. De omstandigheden zijn vanuit hun optiek uiterst gunstig: de naar wereldmacht strevende vijanden zijn vernietigd en hebben onvoorwaardelijk gecapituleerd; de imperialistische Europese bondgenoten zijn geruïneerd en de beoogde herovering van hun koloniale gebieden gaat hun economische en militaire krachten te boven. De Amerikaanse zegevierende mogendheid daarentegen beschikt over een functionerend kapitalisme als vruchtbare basis van een vrijwel ongeëvenaarde macht; door het doorslaande succes van haar nieuwe wonderwapen, de atoombom, heeft zij haar militaire superioriteit overtuigend gedemonstreerd en zo haar competentie tot toezicht en controle over de grootste mogendheden overal ter wereld bewezen. Ervan overtuigd een soort van universele bondgenootschapdiscipline desnoods te kunnen afdwingen en vanuit de zelfverzekerde overtuiging de nieuw geformeerde statenwereld een onovertrefbaar aanbod te doen, organiseert Amerika overeenkomsten over wereldwijde vrijhandel en kapitaalverkeer. Met Internationaal Monetair Fonds en Wereldbank richt het supranationale instituties voor een globaal kapitalisme op, waaraan louter soevereine staten voor eigen rekening, op eigen risico en vooral op eigen kosten wat betreft de faux frais van hun adequate machtsuitoefening dienen deel te nemen. Washington schenkt de zakenvoorwaarden, brengt VS-dollars als wereldgeld in omloop, gebruikt de landen overal ter wereld als investeringssfeer voor Amerikaans kapitaal en verwacht van de regeringen dat deze dat alles als een soort voorschot accepteren en met onverbrekelijk welgevoegelijk gedrag honoreren. Voor koloniale gebieden van de oude stempel waarmee Europa’s grote mogendheden weer exclusieve toegang tot “eigen” wereldregio’s willen krijgen teneinde hun eerdere status als autonome eersterangs grootmachten te herstellen, is er in deze nieuwe wereldorde geen ruimte; daarin dienen voortaan louter vrije, voor zich en hun succes zelf verantwoordelijke soevereinen om kapitalistische rijkdom, militaire macht en politiek gewicht te concurreren. Dit besef moet Amerika zijn grote geallieerden echter  niet eigenhandig inpeperen: voor de verdeling van het vaste aardoppervlak in nationaalstaten waaruit soevereine machthebbers hun machtmiddelen proberen te behalen, zorgen de oorlogen tussen koloniale heersers en bevrijdingsbewegingen die aan de ene zijde talrijke slachtoffers vergen en die de andere zijde uiteindelijk verliest.

Deze “ontwikkeling”: de constructie van een goed functionerende wereldmarkt en een gereguleerde concurrentie tussen de naties, met inbegrip van de politieke emancipatie van koloniën en protectoraten en hun transformatie tot “ontwikkelingslanden”, wordt echter overschaduwd door het feit dat Amerika’s project, in zijn geheel bekeken, mislukt. De Sovjetbondgenoot, de tweede overwinnaar van de wereldoorlog, onttrekt zich zowel aan de ordepolitieke richtlijnen als aan de economische hegemonie van het wereldgeld uit Washington. De regerende Communistische Partij heeft haar eigen antikapitalistische ideeën over de economische wederopbouw van haar land en het deel van Europa dat het Rode Leger veroverd heeft; zij versmaadt het aanbod om zich met Amerikaanse krediethulp een positie in het systeem van wereldwijde kapitalistische uitbuiting en vestigingsplaats-concurrentie te veroveren en blokkeert aan de buitengrenzen van haar socialistisch blok het nieuwe begin van een markteconomisch zakenverkeer. Zij verzet zich tegen de offerte om de succesvolle oorlogsalliantie in de vorm van een voornamelijk Amerikaans controleregime over de naoorlogse wereld voort te zetten. Daarbij onderkent de Sovjetregering uiteraard het gevaar dat haar autonomie door het Amerikaanse alleenbezit van atoombommen dreigt; omgekeerd beseft zij de kans die in het bezit van een eigen atoombom ligt. Zij verschaft zich dat ding, krijgt ook de verdere ontwikkeling tot waterstofbom onder de knie en noopt zo de wereldmacht tot respect voor de vrijheid die zij, de Sovjetregering, zich permitteert door een eigen multinationaal heerschappijsysteem op te richten.

Voor Amerika staat daarmee vast dat de wereld gedeeld is – door een “ijzeren gordijn”. Deze diagnose kenmerkt de ambitie van de leidende kapitalistische natie om de gehele statenwereld economisch en strategisch van zich afhankelijk te maken, en ze documenteert haar besluit het bestaan van een statenblok buiten haar toezicht en interventiemacht niet te dulden. De zelfhandhaving van de Sovjetheerschappij beschouwt men in Washington als oorlogsverklaring tegen de vrijheid van de statenwereld tot onderwerping aan de Amerikaanse wereldorde en tegen het recht van de VS om de wereld een orde te dicteren; de door de vijandelijke staatspartijen gebezigde frasen over de onvermijdelijke proletarische wereldrevolutie gelden als zelfontmaskering van de “zelfbenoemde socialistische vredesmacht”. Amerika ziet zich in feite genoodzaakt zijn geweldregime over de nieuw ontstaande statenwereld als tegenoffensief tegen de sovjetische “continentale macht” te organiseren – hetgeen uiteraard niet betekent dat het zich zou kunnen beperken tot afweer of afschrikking van een vijandelijk offensief. Met het bezit van een atoomwapenarsenaal – dat de Sovjet-Unie als grote doorbraak boekt en viert, namelijk als garant van haar onaantastbaarheid en haar vrijheid om ongehinderd haar eigen doelen na te streven – neemt de vrijheidslievende wereldmacht geen genoegen. Het bestaan van de vijandelijke atoommacht beschouwt zij als nederlaag, de “nucleaire patstelling” als onaanvaardbare bedreiging van haar vrijheid. De afschrikking die zij nodig acht voor haar eigen veiligheid en die van haar wereld, lijkt haar slechts dan geloofwaardig als de vijand over niets gelijkswaardigs beschikt en een oorlog geen risico behelst daar de overwinning, het “mat zetten” van de tegenstander, in laatste instantie vaststaat. Deze veiligheid wordt door het vermogen van de Sovjet-Unie tot “tegen-afschrikking” ondermijnd – Amerika onderneemt stappen om ze te herstellen.

b)

De rijkste natie van de wereld versterkt de bewapening en schroomt niet om het ultieme “massavernietigingswapen” in haar oorlogsplanning op te nemen. En geenszins alleen als “ultima ratio” om een overwinning van de tegenstander teniet te doen of een wellicht dreigende capitulatie – voor een overheid altijd een ergere ramp dan de vernietiging van enkele massa’s – te voorkomen, maar als deel van een oorlogsvoering die op ontwapening van de vijand doelt. De ergerlijke omstandigheid dat die van zijn kant in staat is om zich met vernietigende tegenaanvallen te verdedigen – dankzij de rakettechniek waarbij de Russen tijdelijk een zekere voorsprong hebben – wordt het uitgangspunt voor de ontwikkeling van een complete atoomoorlogstrategie met een op de atoomwapens van de tegenstander gerichte “eerste klap” en een door diens eventueel nog inzetbare wapens onbereikbare “second strike capability”. De benodigde technische middelen worden uitgevonden, de arsenalen uitgebreid met altijd startklare vaste brandstof raketten met internationale reikwijdte en meervoudige raketkoppen ter omzeiling van vijandelijke verdedigingsmaatregelingen, met soortgelijke raketten op onderzeërs voor atoomaanvallen uit alle windstreken en afstanden, met ondergrondse en mobile lanceerplatforms en uiteraard met satelliet-geleide wapens en andere verworvenheden van de militaire logica: allemaal schitterende bewijzen voor de absolute vernietigingswil van een wereldmacht waarvan het wereldordeproject mislukt is. Na de decennia durende “wapenwedloop” met offensieve wapens – de Sovjet-Unie is goedleers en volgt zo goed mogelijk het voorbeeld – pakt de VS-regering ten slotte het grote openstaande probleem van ontbrekende afweermiddelen tegen vijandelijke raketten aan: om het uiterst onbevredigende militaire scenario van aanval en tegenaanval met onvermijdelijke immense verliezen aan de eigen kant te voorkomen en de uitstekende offensieve wapens pas werkelijk inzetbaar te maken, eist zij van haar bewapeningsindustrie de uitvinding en productie van een effectief afweersysteem. In dit project steekt zij aanzienlijke sommen dollars: voor de wereldgeldkwaliteit van deze schulden staat de gehele overige kapitalistische wereld mede in en herkent nu pas goed in het kredietmiddel van de vastberaden wereldmacht de absoluut betrouwbaarste materie van haar abstracte rijkdom. En naast het grote strategische voornemen verwaarloost men geenszins de net zo innovatieve op- en uitbouw van de bewapening die onder het eufemisme “conventionele” bekend staat; per slot van rekening verlangt juist de ultieme oorlog een aantal uiteenlopende opties op zekere overwinningen op elk soort slagveld.

Hun strategische planning en technische voorbereiding van de atoomoorlog flankeren de Verenigde Staten met een evenzo nieuwsoortig diplomatiek verkeer met de vijand. Allereerst maken zij het Sovjetgezag duidelijk dat zijn voorstelling in geval van oorlog de atoombom te kunnen inzetten, daardoor de slachting te kunnen beëindigen en derhalve dankzij het nucleaire bezit over een veiligheidsgarantie te beschikken, een grote misrekening is: de SU moet beseffen en erkennen dat de inzet van dit wapen heel onverantwoord is omdat daarop nog machtigere tegenaanvallen volgen. De vooruitgang van hun eigen bewapening - die de eerste helft van de les praktisch weerlegt en de tweede helft drastisch benadrukt - maken de VS-strategen tot onderwerp van verder reikende onderhandelingen. Zij werken intensief aan het project van een militair zinvol inzetbare nucleaire suprematie en een ooit in de toekomst effectief afweersysteem, maar zijn daarvan nog ver verwijderd; vandaar hun belang om de analoge pogingen van de op “vreedzame coëxistentie” verzotte tegenpartij onder controle te houden. Zij worden het eens over de “doctrine van wederzijdse vernietiging”: terwijl haar atoomoorlogplanningen en –voorbereidingen met al hun strategische tegenstrijdigheden en progressies doorgaan, verzekeren de VS zich van de permanente wil van hun vijand juist deze oorlog als onuitvoerbaar te beschouwen; tegelijkertijd eisen zij van hem zelfbeperkingen bij de bewapening, omdat zij daarvan op lange termijn gunstige uitwerkingen op hun eigen opties verwachten. Daarbij – en bovendien bij een effectief afschrikkingsregime over de gehele “statengemeenschap”, hetgeen de VS bij alle vijandschap tegen de SU nooit uit het oog verliezen – hoort ook het verdrag tegen de verspreiding van nucleaire massavernietigingtechnologie (“Non-Proliferation Treaty”) waaraan ook de andere staten – volgens de opzet alle, slechts weinige weigeren om uiteenlopende reden en met heel verschillende consequenties – dienen deel te nemen: het bezit van atoomwapens moet beperkt blijven tot die staten die al welke bezitten – dus de twee “supermachten”, Amerika’s NAVO-partners Groot-Brittannië en Frankrijk en ook de Chinese Volksrepubliek, die net aan het ruziën is met de Sovjet-Unie, niet in de laatste plaats uitgerekend over het belang van het atoomwapen dat China als afschrikkingsmiddel wil gebruiken om zijn “veilig bestaan” te garanderen – zoals oorspronkelijk de Sovjet-Unie…

c)

De VS betrekken bij hun grote confrontatie met de Sovjetmacht de andere door de oorlog verzwakte traditionele grootmachten, de verslagen vijanden aan de westelijke en oostelijke rand van het “Oostblok” en zowel haar democratisch-kapitalistische geallieerden als de rest van de statenwereld, voor zover die zich laat betrekken. Zij smeden bondgenootschappen; als belangrijkste de NAVO die ook zonder actuele oorlog als in een oorlogssituatie functioneert: het opperbevel over hun legers, althans over de cruciale onderdelen, voeren de bondgenoten gemeenschappelijk onder leiding van de Amerikaanse mogendheid. Elke militaire planning en bewapening geschiedt in afspraak en arbeidsdeling met Washington en richt zich tegen de hoofdvijand, de “communistische” wereldmacht – het moreel van de troepen alsook die van het thuisfront laten zich door hetzelfde directief leiden. Omwille van hun grote gemeenschappelijke zaak die de krachten van elke afzonderlijke partner ver te boven gaat, zien Amerika’s bondgenoten af van eigenmachtige berekeningen en autonoom gecalculeerde capaciteiten – Frankrijk echter en ook Groot-Brittannië slechts gedeeltelijk en onder voorbehoud – geven dus wat betreft de grondbeginselen van de nationale veiligheid, het eigenlijk onaantastbare heiligdom van elke staat, hun soevereiniteit uit handen. Als aaneengesloten blok bewijst de NAVO reeds zonder directe militaire acties goede diensten in de oorlog van de kapitalistische wereldmacht tegen de socialistische dissident: zij volbrengt op een cruciaal gebied het “containment” van de vijandelijke macht, haar indamming en isolering; zij bewerkstelligt de versnippering en verzwakking van de vijandelijke krachten door de militaire opties te vermenigvuldigen; daardoor laat Moskou zich nopen tot vermenigvuldiging van zijn eigen bewapeningsinspanningen, wat in toenemende mate te veel vergt het prestatievermogen van de “socialistische planeconomie”. De NAVO-leden werken mee aan het wereldwijde “roll back” van feitelijke of vermoedelijke sovjetische machtsposities; zij voeren de “koude” oorlog met al zijn hetere periodes, “ijstijden” en “ontspanningsfases”.

De subsumptie van hun nationale veiligheid en militaire inspanningen onder het grote doel gemeenschappelijk de Sovjet-Unie te vernietigen en daarvoor desnoods ook een nucleaire oorlog te doorstaan, brengt met zich mee dat Amerika’s partners met eigenaardige concurrentie- en zelfhandhavingsproblemen kampen. Hun verhouding tot de leidende mogendheid, waarmee zij volgens haar voorwaarden uit anticommunistisch eigenbelang gemene zaak maken en waarvan hun veiligheid afhankelijk is, wordt gekenmerkt door de twijfel of zij in geval van oorlog werkelijk op de “atoomparaplu” kunnen vertrouwen, dus erop dat de VS hun nucleair arsenaal voor hun bondgenoten inzetten, ook als zij daardoor zelf een vernietigende tegenaanval riskeren. Vandaar dat vooral de BRD als meest vooruitgeschoven frontstaat aandringt op de aanwezigheid van Amerikaanse troepen direct langs het “ijzeren gordijn” als garantie voor een prompte escalatie - die dan echter voornamelijk op haar eigen en op het als eigenlijk eigen staatsgebied opgeëiste territorium van de DDR zou plaatshebben. Dit lastige parket vereist grote bewapenings- inspanningen met de dubbele doelstelling de oorlog snel naar het vijandelijke sovjetgebied te verplaatsen – onder de blijkbaar paradoxe titel “offensieve verdediging” – en tevens als bondgenoot zo belangrijk en onmisbaar te worden dat men een bepalende invloed krijgt op de strategische planningen en in geval van oorlog op de oorlogsvoering van de alliantie. Dergelijke inspanningen zijn aan de andere kant niet ongevaarlijk daar ze de vijand ertoe brengen zijn geweldmiddelen op het bijzonder agressieve front te concentreren; ze zijn duur; en ze zijn uiteindelijk nooit zo toereikend dat de nationale veiligheid veiliggesteld is. Daarom gaat de aanspraak op een prominente rol binnen de alliantie gepaard met het belang aan eerlijke lastenverdeling en sterkere bewapening van de partners; de bondgenoten spreken elkaar op hun plichten aan en wantrouwen elkaar als “profiteurs”. Aan de andere kant is de geëiste arbeidsdeling een steekhoudend argument daarvoor dat de rijke partners de anderen materieel ondersteunen en allen bij het concurreren met elkaar rekening houden. Het enorme overwicht van de leidende mogendheid creëert bij Amerika’s partners bovendien de behoefte om door gemeenschappelijke inspanningen, die nationale soevereinen anders nooit teweegbrengen, het economische nadeel ten opzichte van de concurrent VS te verkleinen: zij stichten de EEG en ontwikkelen ze verder tot EU; en daarnaast verklaart Frankrijk zich bereid met zijn Force de Frappe weliswaar niet de leidende mogendheid te vervangen, maar toch tenminste voor een dusdanige escalatie van een eventuele oorlog te zorgen dat de Verenigde Staten hun “atoomparaplu” gegarandeerd moeten inzetten. Amerika echter bewijst zijn betrouwbaarheid op een eigen manier en voorziet de BRD van nucleaire middellange-afstandsraketten, de extra wapens voor de ontwapening van de Sovjetmacht binnen minuten. Zo concurreren de NAVO-partners om rang en status in de Alliantie, met goede diensten voor en met niet geleverde bijdragen tot het gemeenschappelijke oorlogsdoel. Zij concurreren onderling en in uiteenlopende constellaties tegen de leidende mogendheid om de voortzetting, ontwikkeling en concrete vormgeving van hun bondgenootschap in het algemeen en om de taken van de enkele leden in het bijzonder, alsmede om alternatieve stappen ter ontwrichtende contactlegging met en beïnvloeding van de hoofdvijand en diens “satellieten”. Zij concurreren om nationale vrijheden in het kader van de bondgenootschapdiscipline en om het vermogen tot doorzetting van eigen belangen en controlebevoegdheden naast de centrale doelstelling van de Alliantie. Concurrentie en strijd berusten echter op de subsumptie van de geallieerden onder de door de VS voorgegeven algemene militaire richtlijn; op deze wijze, concurrerend en strijdend, verloopt de samenwerking die allen als alternatiefloos accepteren. De Alliantie is de premisse van hun staatsraison. Onder Amerikaanse leiding vormen zij een imperialistisch collectief dat zich met polemische bedoeling de erenaam “het Vrije Westen” geeft.

d)

De eendracht van de belangrijkste kapitalistische naties – en een aantal minder belangrijke – onder Amerikaanse aegide heeft verreikende consequenties. Tussen deze naties treden daadwerkelijk de regelingen omtrent de kapitalistische concurrentie van de naties in werking – met de in het eerste hoofdstuk geschetste gevolgen – die Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog de gehele wereld als zakelijke basis wil dicteren en samen met zijn gewilligste geallieerden reeds geïnstitutionaliseerd heeft. Onderling bevrijden de toonaangevende naties de concurrentie van de restricties die uit het fundamentalisme van nationale veiligheidsoverwegingen voortkomen. Zodoende passen zij hun economische organisatie en maatschappelijke toestand aan elkaar aan –  Europese patriotten zien aanleiding om de “Amerikanisering” van hun schitterende nationale cultuur te betreuren –; voor zichzelf en voor elkaar laten zij als economisch wezenskenmerk uiteindelijk niets anders gelden dan de concurrentiecategorie “kapitaalvestigingsplaats”. De rest van de wereld, voor zover niet door de vijand geoccupeerd, wordt stap voor stap van autonome staatsmachten voorzien; aan hen wordt verkocht wat een moderne heerschappij aan geweld- en overige middelen nodig heeft om een heuse staat te vormen. Militaire en andere adviseurs bieden hulp bij het juiste machtsgebruik; hun landen inclusief natuurschatten en bevolkingen worden in tamelijk vrije concurrentie door de capabele mogendheden en hun multinationals kapitalistisch geëxploiteerd. Bij het inlijven van deze naties in het westerse “kamp” en meer nog bij de “integratie” van “blokvrije” naties - die proberen zich aan de eenduidige en volledige subsumptie onder het Amerikaanse wereldoorlogsfront te onttrekken - in de wereldeconomie en de juiste invloedsferen bewijst het pluralisme van de westerse imperialistische tradities zijn waarde: onderling concurrerend of ook coöperatief bewerken verschillende westerse mogendheden de diverse kandidaten; waar de ene mogendheid afgewezen wordt, heeft de andere succes met haar avances – niet in de laatste plaats doordat zij aan de derde wereld soevereinen het aanbod doet in hun wapenbehoefte te voorzien, die alleen de “industrienaties”, die de maatstaven zetten op het gebied van moderne dodingstechnologie, kunnen bedienen. Weliswaar krijgen ook Russische leveranciers veel te vaak een kans en zorgen voor vervreemding van het Westen, maar aan de andere kant kan men zelfs het “Oostblok” door een combinatie van veroordeling en erkenning, buitensluiting en tegemoetkoming, boycot en gebruik stilaan “openen” voor westerse handelsgeest en democratische beïnvloeding. Zo leidt de oorlogsalliantie van de kapitalistische mogendheden dan toch tot een aanzienlijk uitgebreide en opmerkelijk stabiele imperialistische vredesorde.

Waar die op haar grenzen stoot omdat teleurgestelde ambitieuze nationalisten of socialistische volksbevrijdingsbewegingen een voorbeeld nemen aan de Sovjet-Unie en haar alternatieve economische ontwikkeling en “maatschappelijke modernisering”, liever met Moskou dan met Washington, Parijs of Bonn coöpereren en door de Sovjetregering bruikbaar worden geacht voor haar wereldpolitieke berekeningen, daar aarzelt het Westen niet om zijn motto “liever dood dan rood” op vreemde volkeren toe te passen en werkelijk oorlog te voeren; in het extreme geval Indochina, waar de dekolonisatie ontaardt in communisme, worden de VS zelf actief met hun afschrikkingsmacht, en wel net zolang totdat de afvallige landen “terug gebombardeerd zijn naar het stenen tijdperk” en het gevaar van een “domino-effect” ten voordele van het socialistische kamp door de splitsing ervan - de irreversibele onenigheid tussen bolsjewistische en Chinese CP - geweken blijkt, zodat er op het wereldpolitieke vlak niets belangrijks meer op het spel staat. Nog liever laat men oorlog voeren; hetzij als putsch door nuttige “gorilla’s” tegen socialistische experimenten, hetzij door oprichting, bewapening en ondersteuning van burgeroorlogspartijen onder leiding van figuren, wier congeniale opvolgers tegenwoordig “war lords” heten, tegen al te linkse pogingen tot volksvriendelijke “nation-buildings”; ter indamming van militante pan-Arabische emancipatiebewegingen vertrouwt Amerika ook graag op de strijd van de Jodenstaat voor zijn bestaansrecht in het voormalige Britse mandaatgebied. Waar Moskou dergelijke oorlogen door “plaatsvervangers” laat voeren om het “containment” van het Westen te doorbreken, machtsposities tegen de globale controle en het “koude” wereldoorlogsfront van de VS te veroveren en het Westen tot “coëxistentie” met zijn alternatief en een “wedstrijd van de systemen” te nopen – voor het laatst in Afghanistan – daar worden zijn protégés bestreden en er wordt in de praktijk gedemonstreerd dat de socialistische “supermacht” niet in staat is – enkele uitzonderingen bevestigen de regel – haar bondgenoten buiten het Warschaupact het overleven te garanderen.

e)

Desalniettemin duurt de “splitsing van de wereld” voort. Dit blijkt niet in de laatste plaats uit de “wereldorganisatie” die haar verwachte dienst als toezichthouder op een pro-Amerikaanse wereldvredesorde schuldig blijft, daar “de Rus” in de Veiligheidsraad omtrent de belangrijkste punten telkens “njet” zegt en ook omdat sommige stemresultaten in het plenum tegenvallen. Maar in ieder geval blijft Amerika’s oorspronkelijk project, een wereld-alliantie met een ordemacht aan de top en een verminderde soevereiniteit van alle anderen, in de gedaante van de “Verenigde Naties” verder voortbestaan. Ook daar pogen de Verenigde Staten, en niet zonder succes, de Sovjet-Unie als outsider neer te zetten die in de verenigde wereld niets dan verdeeldheid zaait. Daarnaast gebruiken zij Moskou’s aanhoudend streven naar erkenning en “coëxistentie” voor pogingen tot isolering en vreedzame ontwrichting van de tegenstander: zij verstrikken hem in een naar de Finse hoofdstad genoemd onderhandelingsproces waar in ruil voor de gedoseerde intrekking van de westerse vijandschap van de sovjetpartij “hervormingen” worden geëist die op een fundamentele herziening van haar alternatief heerschappijsysteem neerkomen, dus van de regerende CP de bekentenis verwachten dat zij vanwege haar afwijkend staatsprogramma zelf schuld heeft aan de oorlogsaanzegging van het Westen. Deze brutale eis sorteert effect omdat de SU onder druk van de westerse bewapening – die uitdrukkelijk als imperatief “totrüsten” plaatsvindt (“ bury Marxism-Leninism, undermine evil empire to force the collapse of the Soviet Union”) – haar economisch systeem in zijn geheel als ontoereikend beschouwt, hervormingen conform de maatstaf van het superieure systeem noodzakelijk acht en haar veranderingswil als cruciale bijdrage tot bijlegging van het explosieve Oost-West conflict gewaardeerd wil zien, namelijk tot beëindiging van de onverbiddelijke vijandschap van de kant van de kapitalistische wereldmachten – alles geheel naar wens van het diplomatieke offensief dat het Westen met zijn bewapeningsoffensief combineert. Uit inzicht in haar materiële inferioriteit en uit vrees voor militaire vernietiging van haar staatswezen maakt de sovjetregering uiteindelijk daadwerkelijk ernst met haar besef, dat zij in het belang van haar overleven door politieke “hervormingen” moet bewijzen hoe ongegrond de vijandschap van de Vrije Wereld is: door herroeping van haar anti-imperialisme en door een politieke wegwerpactie – hetgeen rechtstreeks tot liquidatie van haar staatsraison, tot ontbinding van haar statenblok en tot vertrek van haar “satellieten” naar de succesvolle wereldorde van het Westen leidt en ten slotte uitmondt in de zelfopheffing van de Sovjet-Unie als eenheidsstaat.

Zo wint Amerika zijn “koude” wereldoorlog zonder aan de “hete” variant, de vernietigende atoomoorlog te moeten beginnen. Dat daarmee de altijddurende wereldvrede gewaarborgd zou zijn: daarvan is de “laatste supermacht” echter allerminst overtuigd.

© GegenStandpunkt Verlag München