HET MENSENRECHT II

II. Het delegitimeren van staatsgezag namens het mensenrecht

De oorsprong en theoretische inhoud van de mensenrechtelijke soortleer is de verheerlijking van het burgerlijke staatsgezag. Toepassing in de praktijk vindt het mensenrecht echter hoofdzakelijk en behoorlijk vaak met kritische intenties: regeringen worden beschuldigd het te minachten, te schenden, met voeten te treden etc.

Daarbij valt het eerste fundamentele verschil op dat resulteert uit de geadresseerde van zo’n aanklacht. In stabiele democratiën moeten staatsorganen zich af en toe ontsporingen laten verwijten: misstappen, die dan ook niet slechts in strijd zijn met de allerhoogste waarden, maar met de wettelijk geregelde procedures van het openbaar gezag en al daardoor kenbaar zijn als overtredingen die bij de uitgeoefende macht niet alleen niet passen, maar tegen haar principes zondigen en waarvan de naleving zelfs door de staatsmacht in haar eigenschap als hoogste rechtsinstantie mag worden gecontroleerd. Zo impliceert in dergelijke gevallen het verwijt van mensenrechtenschending, om het even hoe vaak dit moet worden gemaakt en hoe gebruikelijk de geïncrimineerde praktijken zijn, een reusachtig compliment aan de heerschappij, een tamelijk grenzeloos vertrouwensbewijs. Ook en juist de veroordeling van bepaalde gevallen van geweldaanwending door de staat als afwijking komt zodoende wederom neer op de verheerlijking van het staatsgezag zelf.

Anders ten opzichte van staten die – om welke redenen dan ook – hun macht volgens andere regels uitoefenen dan degene die in veritabele markteconomische rechtsstaten gelden en in de mensenrechtencatalogus hun geïdealiseerde formulering hebben gekregen. Tegenover zulke staten onderbouwt het verwijt van mensenrechtenschending dikwijls voorbehouden tegen de zittende regering überhaupt; ten minste in de vorm dat ingrijpende correcties van de staatsregeling worden aangemaand; maar ook graag in de vorm van verwijten die de bekritiseerde regeringen het recht op eigenmachtig regeren überhaupt ontzeggen. Ze worden gemeten aan het grondidee van het mensenrecht – het paradoxale ideaal van een haar volk dienende heerschappij – als min of meer illegitiem beschouwd en op een schaal van ondraagbaarheid ingedeeld. De tenlastelegging geschiedt namens de geconstateerde slachtoffers in het bijzonder, die niet meer als uitzondering maar als regel gelden en in zoverre namens het gehele geregeerde volk in het algemeen, dat uiteindelijk in totaal moet worden beschouwd als slachtoffer van een onverbeterlijk illegitiem bewind.

Even opvallend en nog zwaarwegender verschillen de desbetreffende verwijten daarin wie ze maakt. Dit onderscheid wordt gewoonlijk waargenomen als een van de draagwijdte, de mate van invloed in de praktijk; maar dat is hooguit een aspect, namelijk daarvan dat afhankelijk van het subject dat zich tot spreekbuis van mensenrechtelijke vermaningen of veroordelingen maakt – werkelijke politieke mogendheden incluis hun partijdige nationale vrije pers of de minderheid van over de toestanden in de wereld verontwaardigde idealisten – de verwijten reeds qua inhoudelijke betekenis zeer verschillend zijn.

1. Legitimering en middel van imperialistisch geweld –

door delegitimering van de tegenstanders

a) Officiële aanklachten inzake mensenrechten zijn rechterlijke uitspraken over de (il)legitimiteit van andere heerschappijen

Als regeringen hun collega’s elders met het verwijt van mensenrechtenschending lastigvallen, dan is de politieke strekking van het verwijt het wezenlijke, niet zijn bijzondere inhoud. Daarom lacht ook niemand, al helemaal niet de aangevallen regering, wanneer beheerders van het geweldsmonopolie bezweren dat geweld onder geen beding een middel van politiek mag zijn, en tegen dit grondbeginsel zou een staatsleiding elders hebben gezondigd. Hoe geconstrueerd en hypocriet de aanklacht qua inhoud ook moge zijn – de zaak om die het gaat is eenduidig: met het morele verwijt maakt een regering bezwaar tegen de manier waarop in de andere staat macht wordt uitgeoefend; daarmee zegt zij, ten minste gedeeltelijk, het respect op voor de de vreemde overheid en haar soevereiniteit om zelf te beslissen hoe ze regeert; zo bedoelen de verantwoordelijken de aangelegenheid, en zo wordt ze door de bekritiseerden ook begrepen.

Nu is het blijkbaar zo dat de morele aanval op de methoden van machstuitoefening daarvoor ook graag bijzondere artikels uit de catalogus van de mensenrechten aanvoert. Zodoende krijgt de “mensenrechtenkwestie” als ze door de ene machthebber aan de andere wordt gericht soms meer, soms minder het karakter van een systeemkwestie – hetgeen al gebeurde toen de mensenrechtenidee werd opgenomen in de ideologievoorraad van de burgerlijke staat; sindsdien fungeren “de mensenrechten” al naar behoefte als passende rechtstitel voor de – niet zelden militante – aanspraak van kapitalistische democratiën op de omvorming van de binnenlandse machts- en economische verhoudingen in de als achtergebleven geclassificeerde landen met het oog op hun markteconomische bruikbaarheid en betere stuurbaarheid van buitenaf. Vooral tijdens de “Koude Oorlog” van de westerse alliantie tegen het Sovjetische Oostblok werd het mensenrecht in die zin uitgebreid aangewend; juist omdat de communistische arbeiderspartijen daadwerkelijk een systeem van arbeid en volksverzorging en een modus van machtsuitoefening hadden gevestigd, die afweken van de burgerlijke verhoudingen waarvan de principes in de catalogus van de mensenrechten hun geïdealiseerde vorm hebben gekregen. Toen stonden de desbetreffende aanklachten grotendeels voor gedecideerd anti-socialistische systeemkritiek; natuurlijk zonder dat daarvoor meer over het vijandelijke systeem ter kennis moest worden genomen en iets anders ter kennis werd genomen dan het ergerlijke feit dat er een halve wereld onttrokken was aan de politieke zeden van het democratische kapitalisme en de in de “Eerste Wereld” heersende belangen, en een veritabele wereldmacht zich inspande voor de opbouw van een alternatieve wereldorde. Voor de leiders van de “vrije wereld” en ook voor hun tegenstanders in het Oosten bestond in ieder geval de wezenlijke politieke strekking van de “mensenrechtenkwestie” uit het bezwaar tegen de staatsmacht, die haar gebied met een “ijzeren gordijn” had afgeschermd tegen het democratische imperialisme en decennialang erin was geslaagd haar soevereiniteit te verdedigen.

Een zeker soort van “systeemkwestie” blijft ook na de afwikkeling van het werkelijke grote systeemalternatief met de mensenrechtenschending verbonden, als ze door westerse regeringen vreemde overheden wordt verweten. Maar wat dan ook tot onderwerp van zo’n verwijt wordt gemaakt: de geïncrimineerde schendingen van de andere overheid en de aangevoerde slachtoffers hebben hun wezenlijke betekenis daarin het voorbehoud of bezwaar tegen de erkenningswaardigheid van de vreemde soeverein kenbaar te maken. En dat is zwaarwegend; want het raakt de basis van het normale vreedzame verkeer tussen soevereine staten. Dat berust er namelijk op dat de heersende machten elkaar als bevoegde eigenaren van het geweldsmonopolie over hun respectieve grondgebieden en volkeren erkennen en niet langs de andere heen, maar uitsluitend via de andere soeverein en diens autonome handhaving eigen interesses aan en in de andere natie nastreven. Voor elke machthebber van elke natie valt de erkenning van de soevereiniteit van zijn staat samen met de erkenning van zijn soevereiniteit als rechtmatig bestuur van zijn natie; dus van “inmenging in binnenlandse aangelegenheden” zijn ze niet gediend. Juist deze erkenningsverhouding wordt door het verwijt “mensenrechtenschending” in twijfel getrokken. Want met dit verwijt matigt een regering zich namens het vreemde volk, quasi namens elk van zijn menselijke leden een oordeel aan over de legitimiteit van de daar verantwoordelijke overheid: over haar bevoegdheid namens haar volk als gezag van haar land te ageren. Hoe ver ze daarbij wil gaan, waar de relativering van het bilaterale respect op de schaal tussen “moderaat” en “fundamenteel” is in te delen, dat resulteert minder uit de gelaakte machtspraktijken dan uit de aard en rigiditeit van de afkeuring; dat is het materiaal van de buitenlandpolitiek, daarvan hebben de aangewezen diplomaten verstand.

Als een regering “menschenrechtenschending¨ aan de kaak stelt, dan citeert ze dus de moraal van de macht om een aanspraak op macht over de beschuldigde overheid en – trapsgewijs – tegen haar te doen gelden. Ze eist de rol van advocaat van een verbindende internationale orde die aan alle regeringen rechten en plichten toewijst. Het beroepen op een boven alle staten tronend recht dient ertoe de eigen belangen als algemeen geldige rechten te doen gelden, dwz. als verplichtingen die andere staten binden. Consequenterwijs treedt ze tegenover het bekritiseerde regime niet als een conflictpartij op, maar als bevoegde rechter inzake mensenrechtelijk correcte en daarmee door haar toegestane uitoefening van macht. De zo in het vizier genomen staat is daarbij – afhankelijk van de inhoud van de tenlastelegging, dus van de mate van de aangekondigde onvriendelijkheid – soms meer de ontvanger van vermaningen, soms alleen nog het object van gewelddadige correcties die hij ook door eventuele spijt of omkeer niet kan voorkomen.

Tegelijk en daarbovenop dringt een regering die tegen een andere namens de mensenrechten optreedt erop aan, dat alle andere staten haar vonnissen ideëel als de geldige interpretatie van een gemeenschappelijke canon, van de daarin vastgestelde aanspraak op een stuk superieure richtlijncompetentie daadwerkelijk als onafwijsbaar directief erkennen. Zij wil voor haar gespannen dan wel vijandige betrekkingen met een buitenlandse macht gebruik maken van andere staten, uiteindelijk de gehele “statengemeenschap” daarvoor innemen: dat is de politieke strekking van de mensenrechtendiplomatie tegenover derden. Als de aangesprokenen het laten afweten of te veel bedenking en distantie tonen, dan moeten ze zich wellicht laten vragen of ze het met het nodige respect voor de canon van de mensenrechten werkelijk serieus bedoelen – dus, in duidelijke bewoordingen, voldoende waarde hechten aan vriendschappelijke betrekkingen met de mogendheid die per slot van rekening niet voor de grap een andere soeverein ontoelaatbaar gedrag heeft verweten.

b) De geloofwaardigheid van de mensenrechtelike moraal valt samen met het gewicht van het imperialistische geweld, dat zich op het mensenrecht beroept

Omdat het om de aanmatiging van het recht op terechtwijzing van een vreemde soevereine overheid gaat, geldt de mensenrechtelijke kritiek door regeringen niet slechts in de praktijk, qua resultaat, maar ook ideëel wat het morele gewicht van het kritische oordeel over de ernst van vreemde vergrijpen betreft, exact zo veel als er aan vermogen en wil achter staat om respect af te dwingen voor de agressief geuite en ingevorderde respectloosheid tegenover de vreemde overheid. Het is weliswaar allemaal huichelarij als regeringen beweren niet tegen bloed te kunnen of een vakbondsverbod in een ver land niet langer te verdragen. Doch dat speelt geen rol als zo’n waarschuwing of dreigement aan het adres van een andere staat op zijn overheid en op de rest van de wereld indruk maakt. Dan is immers ook het moralisme serieus te nemen omdat het samenvalt met een serieuze dreiging; dan heeft het ook helemaal geen zin het als hypocrisie te “ontmaskeren”, want de daarin uitgedrukte dreiging is voldoende geloofwaardig. De nodige indruk maakt wederom uitsluitend een toereikende hoeveelheid dreigend geweld – tenslotte zijn staten niets anders dan geïnstitutionaliseerde maatschappelijke geweldsapparaten en begrijpen geen andere taal. Vandaar dat het voor de geloofwaardigheid van de mensenrechtelijke delegitimering van staat naar staat erop aankomt, dat de door de rechtstitel beweerde en opgeëiste status van suprematie overeenkomt met het nodige bedreigingspotentieel – juist omdat het in werkelijkheid uitsluitend de door voldoende geweld gelegaliseerde aanspraak op mondiale richtlijncompetentie is, waar het mensenrecht als rechtstitel voor staat.

Om dit voor het toezicht op de internationale zeden nodige bedreigingspotentieel behoorlijk te etaleren en tevens de schijn te wekken, dat de moraal van het mensenrecht niet uitsluitend een aan de sterksten voorbehouden functionele aanspraaktitel, maar de werkelijke opdrachtgever van het internationale handhavingsgeweld is, heeft de moderne volkerenfamilie een aanzienlijk geïnstitionaliseerd raamwerk gecreëerd: het aangewezen uitvoeringsorgaan is voor alle participanten de VN. Volgens haar statuut heeft ze inderdaad de opdracht de naleving van de mensenrechten wereldwijd te bevorderen. Inmiddels hoort ook de, desnoods gewapende, “responsibility to protect” tot haar officieel vastgelegde opgaven; dat krijgt zijn vervolg steeds vaker in internationale tribunalen en gerechtshoven. Die voltooien de diplomatiek-rechtelijke schijn dat het staatsgeweld onderworpen zou zijn aan een door alle geweldsmonopolisten erkend hoger recht, waarvan de relevante regelingen voor allen verbindend zijn, dus het overtreden ervan onvermijdelijk de gepaste strafrechtelijke consequenties door de “statengemeenschap” en haar bevoegde instellingen tot gevolg zal hebben. Iedereen weet echter ook dat de VN als uitvoeringsorgaan van vonnissen tegen een van haar leden slechts zo veel waard is als het besluit van de VS en hun westerse alliantie die tot hun zaak te maken. Dat het beroepen op het mensenrecht inmiddels in de VN en haar instellingen gebruikelijk is, is enkel daarom geen flauwekul omdat de macht van deze club, in volstrekte tegenstelling tot elke egalitaire schijn, op een duidelijke schifting tussen de vele “verenigde nationale” geweldsmonopolisten berust. Het universalisme van de morele instantie “de mens” die in elke staat ter wereld woont en verlangt dat de volkerenfamilie zijn overheid controleert en eventueel terechtwijst, heeft zijn stevige basis in de universele aanspraak op bevoogding van alle soevereine staten namens een algemeen geldige orde, die uitgaat van een numeriek uiterst kleine statenelite.

De VS hebben hun rol als enige rechtmatige en sinds enkele jaren ook enige overgebleven supermacht altijd zo definieert, dat ze van de soevereiniteit van hun militair zwakkere partners, concurrenten en tegenstanders niet meer onvoorwaardelijk willen en mogen uitgaan; dat soevereiniteit veeleer iets is wat de anderen moeten verdienen, en wel door zich van Amerika te laten zeggen waar hun plek in de wereldorde is, wat hun “welbegrepen” eigenbelang inhoudt en welke middelen legitiem zijn om dit na te streven. Op deze subordinatie aan zijn aanspraak op mondiale supervisie insisteert Amerika tegenover elke andere staat; en daarvoor – om de principiële samenwerkingsbereidheid van de soevereine leden van de statenwereld te beoordelen en de navenante dosis ontevredenheid kenbaar te maken – gebruikt de VS-administratie zowel haar periodiek rapport over de situatie van de mensenrechten in de wereld in het algemeen alsook wereldwijde openbare beschuldigingen in het bijzonder als één diplomatiek middel. Zo blijven ook goede bondgenoten niet gevrijvaard van vermaningen wanneer ze hun partnerschappelijke eigenmachtigheid en hun mondiale concurrentiepogingen volgens Amerikaanse inschatting overdrijven. Dan laat de VS-regering bijvoorbeeld de dienstweigeraar Duitsland (inzake Irak) weten dat officiële tendensen tot criminalisering van zo’n eerbare geloofsgemeenschap als Scientology wel degelijk het mensenrecht op godsdienstvrijheid raken; of ze deelt het oorlogzuchtige Israël mee dat zelfs de Palestijnen een mensenrecht op een eigen staat hebben. Opmerkelijk anders klinkt het kritische geluid tegenover staten als China of Rusland. Hun regeringen moeten zich stelselmatige schending van het mensenrecht laten verwijten, hetgeen de legitimiteit van hun machtsuitoefening al behoorlijk fundamenteel in twijfel trekt: dubieuze verkiezingen, gecensureerde internetinhouden, het omgaan met kunst en religie… – dat staat allemaal voor de “zorgwekkende” systematische manier van ondemocratische heerschappij. De strekking van de mensenrechtelijk gecodeerde boodschap is dan ook geen pure “vermaning”, maar een principieel voorbehoud dat Amerika, naast al het bilaterale verkeer met deze mogendheden, moet doen gelden – namelijk, kort gezegd, tegen hun aanspraak op mondiale gelijkwaardigheid met de supermacht. En helemaal anders zijn verwijten van mensenrechtenschending wanneer ze gericht zijn op, bepaald niet weinige, notoire vijanden van Amerika: machthebbers als de Talibaan in Afghanistan, Saddam Hussein in Irak, Gaddafi in Libië of de Noordkoreaanse Kims kondigde of kondigt de VS-regering met haar navenant aanzwellende jeremiaden haar besluit aan, hun onmenselijk machtsmisbruik en daarmee het voortbestaan van hun heerschappij zelf ondraaglijk te vinden, dus over te gaan tot confrontatie die doelt op de afwikkeling van het stoorgeval van de wereldorde, zoals ze dergelijke regimes definieert. Mensenrechtendiplomatie is in deze gevallen oorlogs- resp. vooroorlogsdiplomatie die zich in het overzichtelijke kader tussen capitulatieaanbod en oorlogsverklaring beweegt.

Inmiddels hebben ook Amerikas Europese bondgenoten geleerd zich op te werpen als wereldwijd agerende beschermingsmachten van het mensenrecht. Het imperialistische gewicht van de VS beschouwen ze als voorbeeld, hun status als strategische bondgenoten van de VS binnen en buiten de NAVO als goede basis om tegenover de rest van de wereld als ordemachten op te treden, die bij elke geweldsaffaire in de wereld potentieel betrokken zijn, omdat ze het recht claimen andere staten te zeggen hoe die hun geweld moeten inzetten. Ook tegenover de leidende mogendheid zelf gebruiken ze bij gelegenheid in hun diplomatie het mensenrecht om de onvereenbaarheid van hun eigen ambities met de politieke richtlijnen uit Washington kenbaar te maken. Dan hebben zij bijvoorbeeld “afwijkende inschattingen over de mensenrechtensituatie” in een derde staat. En aan VS-oorlogen, die hen strategisch gezien helemaal tegenstaan, ontdekken ze ronduit dat bepaalde methoden van het Amerikaanse leger en de geheime diensten bij uitstek geschikt zijn om de geloofwaardigheid van de mensenrechten-supermacht en überhaupt van “Het Westen” te ondermijnen…

Waar de universialistische rechtstitel en de universele, op absolute suprematie baserende ordemachtaanspraak zo prachtig congrueren, daar is het niet verwonderlijk dat alle andere staten zich alleen maar belachelijk maken wanneer ze zelf pogen het mensenrecht tegen zijn bevoegde bewaker voor eigen rechts- en geldingsaanspraken in te zetten. Dat de pogingen van notoire “potentaten” en “dictators” om “voor de ogen van de wereld” de rollen om te draaien zo regelmatig worden bespot of ook, als westerse diplomaten het gewenst achten, “een éclat veroorzaken”, ligt werkelijk niet daaraan dat zij de politiek-morele huichelarij slechter beheersen: zij ontberen simpelweg de macht die hun aanspraken onbetwistbaar gewicht verschaft en bijgevolg gebiedt de morele aanklachten, die hun aanspraken moeten onderbouwen, serieus te nemen. Hun humanistisch pathos is ongeloofwaardig omdat het hun mondiaal doorzettingsvermogen op basis van een adequaat wapenarsenaal niet uitdrukt, maar alleen maar wil substitueren.

c) Praktische toepassing krijgt het mensenrecht in de omgang van imperialistische mogendheden met de volkeren – met die van hun tegenstanders en met hun eigen

De diplomatieke betekenis die imperialistische mogendheden hun aanklachten inzake mensenrecht geven, is één zaak. Een andere is de inmenging in het binnenlandse leven van andere naties onder de titel verantwoordelijkheid voor de hoogste waarden en de zorg voor onderdrukte volkeren: de propagering van het mensenrecht en de ideële delegitimering van een vreemde regering als middel om bij de objecten van het wereldpolitieke toezicht de verhouding tussen overheid en onderdanen destructief te beïnvloeden.

De imperialistische toezichthouders op de wereldorde beschouwen de basis van elke machtsontplooiing van staatswege, namelijk de loyaliteit van het volk tegenover de staat, als “zwakke plek” van de door hen min of meer tot illegitiem verklaarde heersers, als een – van meerdere – kansen om zich effectief in te mengen en “foute” regimes te destabiliseren. Ontevredenheden die zij binnen het vreemde volk ontdekken of überhaupt pas opwekken, proberen ze voor het scheiden van het volk van zijn regering te instrumentaliseren. De burgers van deze staat dienen de bezwaren over hun situatie niet langer – zoals het anders een volk betaamt – op zo’n manier aan hun machthebbers te richten dat daarmee hun absolute verantwoordelijkheid wordt bevestigd. Met hun ontvredenheid dienen ze tegen de regerenden te rebelleren, eventuele concessies te ignoreren, uit al hun redenen tot ontevredenheid de onrechtmatigheid van hun overheid te concluderen, die hen hun recht op goede heerschappij weigert. Zo dient het volk niet alleen het van buitenaf komende illegitimiteitsverdict te onderschrijven, maar ook als handlanger in de praktijk te voltrekken. Daarbij wordt het ondersteund door een grootschalige inzet van propagandamiddelen – van radio- en televisiezenders tot en met het openbare of clandistiene engagement van ngo’s. Gehele oppositiebewegingen worden geadopteerd of dikwijls in het leven geroepen, uitgerust en opgehitst tot machtsstrijden waarvan ze de afloop echter allerminst zelf in de hand hebben. De onvermijdelijke slachtoffers komen de geëngageerde imperialisten gelegen als bijkomende rechtstitel tegen de onsympathieke macht; en de berekenend gesteunde oppositie dient zich daardoor zodanig te laten beïndrukken dat ze haar verzet niet staakt maar versterkt. Hoe dat eindigt hangt wederom niet van haar af, maar is van meet af aan en blijvend een kwestie van de berekeningen van haar buitenlandse peetvaders. Als deze, om welke redenen dan ook, overschakelen naar “deëscalatie” kan zo’n oppositie de handdoek werpen. De toezichthouders voldoen aan hun rol als neutrale rechters over de mensenrechtenconforme politiek in het vreemde land juist daardoor dat ze natuurlijk ook van de oppositie respect eisen voor hun autoriteit als toonaangevende mensenrechtenbepleiters, en hun “vijfde colonne” met hetzelfde cynisme waarmee ze die hebben opgericht ook weer laten vallen als haar bruikbaarheid afneemt – hetgeen in de regel niet aan de oppositie ligt maar aan de veranderde calculaties met haar. Dan blijkt opeens dat ook de beklagenswaardige regimetegenstanders geen “loepzuivere democraten naar onze maatstaven” zijn; en wat tot voor kort nog werd geprezen als “hoop wekkende beweging”, die zich zou uitstrekken over het gehele land, ontpopt zich tot fatale “spiraal van chaos en geweld”.

Ook voor het thuisgebruik door de geëngageerde mogendheden blijkt het mensenrecht nuttig. Weliswaar maken de bevoegde ambtsdragers ook in de wereldpolitiek die ze noodzakelijk vinden niets afhankelijk van de volksstemming; maar als democratische leiders hechten ze er wel waarde aan niet “boven de hoofden van de burgers heen” te handelen, maar hen bij te brengen waarbij ze hun leiding ten opzichte van het buitenland telkens dienen bij te vallen. Daarvoor waarderen zij het mensenrecht als titel omdat het heel globaal alle harde maatregelen legitimeert die ze tegenover het buitenland willen doorvoeren, en degene die ze derhalve hun eigen volk opleggen. Ook om die reden wordt het mensenrecht hoe fanatieker geciteerd hoe militanter de nationale leiding optreedt tegen haar vijanden. Zo wordt het volk met kosten en offers vertrouwd gemaakt die wellicht qua aard en omvang aanzienlijk afwijken van de soort van civiele lasten waar het aan gewend is. Als het berekenende ingaan op de belangen van een andere staat toenemend ongepast wordt geacht; als civiele omgangsvormen met hem in het vervolg stap voor stap worden vervangen door pure beschadiging; als ten slotte militair geweld, dus de vernietiging van menselijke levens en materiële levensvoorwaarden in het verschiet ligt en het in normale tijden wettelijk en moreel verbodene van staatswege geboden is; en als daarvoor ook in het eigen kamp schaden aan mensen en eigendom in te calculeren en te aanvaarden zijn, dan hebben vrije burgers een extra portie moraal nodig, en wel in haar meest onvervalste vorm: enthousiasme voor rechtvaardig geweld.

Er is niets wat de politieke betekenis van het mensenrecht duidelijker kenmerkt dan zijn in daadkrachtige democratiën veelvoudig beproefde en bewezen geschiktheid voor dit hoge imperialistische doel.

2. De constructie van publieke vijandbeelden

Een democratische vrije pers begeleidt ook het buitenlandbeleid van haar nationale leiding incluis de bijgeleverde morele interpretaties geëngageerd en met de nodige kritische distantie. Haar aandacht richt ze automatisch op de zorgobjecten van de nationale wereldpolitiek. Daarbij laat ze zich niets wijsmaken over de werkelijke politieke strekking van de mensenrechtenverwijten van regeringszijde, en toont zich niet zelden uiterst bedachtzaam. Over alle mogelijke beweeg- en achtergronden wordt er geïnformeerd en gespeculeerd, zodat één ding zeker is: zo’n vrije pers weet de officiële motivering voor vijandigheden wel degelijk te onderscheiden van wat ze als werkelijke redenen beschouwt. Dat weerhoudt haar evenwel niet ervan de agenda van het nationale imperialisme als leidraad te nemen voor haar mensenrechtelijke ophef – en al helemaal niet ervan de zaak om te draaien en de buitenlandpolitiek van haar staat als mensenrechtenpolitiek te waarderen, namelijk kritisch te beoordelen hoe goed de politiek voldoet aan de hoge humanistische opdracht waar ze zich op beroept. Zo – namelijk kritisch – neemt de pers de schone schijn voor de zaak om die het in werkelijkheid gaat of eigenlijk zou moeten gaan, en ziet haar professionele taak daarin de stof adequaat te bewerken: eerst en vooral tot een vijandbeeld dat bij het officiële imperialisme past, dus de vreemde staat als zijn onmenselijke eigenschap ten laste legt dat de nationale politiek heeft besloten een vijandige houding tegenover hem aan te nemen; in de tweede plaats tot een inschatting van de buitenlandpolitiek van de eigen natie en haar succes bij het volbrengen van de moeilijke opgave in overeenstemming met de mensenrechtelijke principes te handelen, zonder daarbij het voordeel voor het vaderland uit het oog te verliezen.

a) De vrije pers maakt zich verdienstelijk door met haar vijandbeelden morele abstracties te construeren en te veraanschouwelijken

Als het besluit genomen is het geweldgebruik van buitenlandse machthebbers als schending van mensenrechten en de daar plaatsvindende vergrijpen niet als uitzondering maar als regel te definiëren, dan krijgt het gehele handelen van de beschuldigde overheid een eigenaardige interpretatie. Wat ze ook uitvoert, alles wordt op de een of andere manier betrokken op de tenlastelegging en vanuit het standpunt van het verwijt in de gewenste samenhang gebracht. Dat ook een mensenrechtelijk gebrandmerkte staat meer heeft te doen dan alleen maar zijn mensen op extravagante wijze wreed te behandelen; dat het ook in zo’n natie de machthebbers erom gaat hun volk voor zich nuttig, dus productief te maken: dat speelt geen rol in de geactualiseerde land- en volkenkunde. “Regering schendt mensenrecht” – daarmee is niet slechts het morele verdict af; daarmee weet men dan ook wat aan zo’n overheid en haar land überhaupt belangstelling verdient. Wat überhaupt niet telt, is het feit dat de geïncrimineerde overheid heden ten dage meestal en hoofdzakelijk ermee bezig is zich aan de mondiaal heersende – door de vrije wereldpers als alternatiefloos en dus niet kritiseerbaar beschouwde – economische belangen aan te passen en haar land en lieden daarvoor geschikt te maken. De desbetreffende feiten zijn weliswaar niet onbekend, gelden echter onder het gezichtspunt van de beschuldiging niet als de wezenlijke of ten minste als een belangrijke inhoud en al helemaal niet – als in andere gevallen – als goede reden voor officiële gewelduitoefening; wat de verketterde staat betreft: daar laat een in het mensenrecht geverseerde pers, die bijvoorbeeld in het geval van nationale terreurbestrijding behoorlijk ongedwongen over het voor- of nadeel van een beetje foltering discussieert, ook geen staatsnoodtoestand als argument gelden. Haar toestandsbeschrijvingen en haar inschattingen van een fout bewind leidt ze consequent af uit de vaststaande veroordeling, en portretteert een staatsmacht die opgaat in haar voornamelijkste doel weldenkende en dappere oppositionele bewegingen te onderdrukken.

Daarmee staat ook al vast wat de onthullende frontmannen en voorposten van de vrije pers vermeldenswaard vinden en hoe dat gebeurt. Als het karikaturiseren van een vreemde overheid als kwaadaardig het bewuste doel van elke beoordeling en inschatting is, dan zijn feiten en toedrachten als vanzelf voorbeelden voor iets dat in andere samenhangen voor heel iets anders staat of vrijwel geen belangstelling wekt: hongersnoden zijn dan geen gevolg van uitbreidende woestijnen of misschien van een verkeerd economisch beleid, maar bewijzen dat het overleven van haar eigen volk de regering niet kan schelen. Weerzinwekkende werkomstandigheden in fabrieken zijn dan niet op de koop toe te nemen als “schaduwkanten” van een economische lente, die van de moderniseringsambitie van de staat getuigt, maar bewijzen dat corrupte functionarissen het hoge doel niet nastreven dat in de vrije wereld zoals bekend de winstmakerij adelt: de menselijke waardigheid van de factor arbeid. En als in dergelijke gevallen eventueel toch nog begripvolle afwegingen omtrent de economische verstandigheid van lage lonen in de toestandsanalyse worden ingevlochten, dan is voor de journalistieke deskundigen van de mondiale mensenrechtensituatie het geduld helemaal op als een regering haar naar vrijheid smachtende jeugd afsluit van een internet-website of een kunstenaar het optreden verbiedt. Er wordt mensen, die de westerse journalist quasi als zijns gelijken adopteert, een licentie ontnomen; dan is de vraag naar de respectieve bedoelingen van de betrokkenen en getroffenen misplaatst, omdat de hoofdzaak eenduidig is: een geval van onrechtmatige vrijheidsbeperking. Zoiets maakt het gehele systeem nog veel ondraaglijker dan, bijvoorbeeld, welke markteconomische ellende dan ook. Zo wordt in het belang van een omvattend gerechercheerd vijandbeeld veel disparaats commensurabel, het belangrijke doelmatig gescheiden van het onbelangrijke; als het de goede zaak dient, helpt ook af en toe een passend verzonnen bericht verder. En in absolute topvorm verkeert de westerse vrije pers wanneer ze de depolitisering van de gewelddaden, die het onderwerp van hun ophef uitmaken, verlengt naar de psychologie en de gewelddaders als qua karakter misvormde mengelingen van schertsfiguur en monster afschildert.

Maar de ware professionaliteit van de protagonisten van de democratische opinievorming blijkt vooral uit de bekwaamheid waar ze hun toestandsbeschrijvingen de morele overtuigingskracht mee verschaffen, die deze in de zin van de aanklacht niet kunnen ontberen. Hierbij bestaat de belangrijkste kunstgreep daaruit het perspectief van de slachtoffers, de getroffenen van het doen en laten van de gebrandmerkte overheid in te nemen. Dat is makkelijk zonder over de werkelijk gedupeerden veel meer te moeten weten en mede te delen dan dat het om slachtoffers gaat. Hun status resp. de apolitieke empathie, het met drastische beelden te wekken mededogen gebieden welhaast de abstractie van alle omstandigheden en oorzaken van de getoonde ellende, van de politieke doelen van zowel de daders als van de getroffenen, en vereisen in plaats daarvan de concentratie op het lijden van de laatstgenoemden en de kwade bedoelingen, de kwaadaardigheid van de anderen. Juist dit moralisme maakt de beoogde politieke partijdigheid onafwijsbaar.

Eén attribuut hebben de slachteroffers echter nodig om in die zin als getuigen ten laste van dienst te zijn. Onschuldig moeten ze zijn – dat staten een bewezen schuld, een vergrijp tegen hun geldend recht met een gewelddadige inbreuk, met toegebracht leed in de een of andere vorm vergelden, vindt het mensenrechtelijk denkende verstand kennelijk vanzelfsprekend. Dus maken de aanklagers, die immers enkel oog hebben voor de lijdende mens, met het grootste gemak opmerkelijke onderscheiden: of een gedode dan wel lijdende mens een uniform draagt of niet, is voor zijn bruikbaarheid als getuige ten laste volgens toonaangevende opvattingen een even belangrijk onderscheidingskenmerk als geslacht en leeftijd: burgers, vrouwen, kinderen, ouderen en zieken… uitsluitend zulke slachtoffers bewijzen onweerlegbaar de apolitieke kwaadaardigheid van de machthebbers. Te vinden zijn zulke slachtoffers altijd; per slot van rekening worden ze naar gelang van de politieke ondraaglijkheid van het regime, waarvan het negatieve imago door de mensenrechtenfans van de vrije pers wordt uitgebouwd, in het rijk van de vreemde overheid gezocht en tussen de menigvuldig getroffenen, die nog elke geweldsmonopolist conform zijn raison en zijn situatie produceert, passend uitgezocht.

Aan hen moet vervolgens nog worden gedemonstreerd dat het zoeken en vinden in omgekeerde volgorde gebeurt, dat dus niet het oordeel over de regering tot de identificering van de passende slachtoffers noopt, maar de oprechte verontwaardiging over onschuldige slachtoffers tot de veroordeling van de kwade regering. Dat vereist bijzondere vaardigheden daar de pure ogenschouw weliswaar materiaal voor allerlei kritiek oplevert, maar ten opzichte van schuld en onschuld en vaak genoeg zelfs wat de slachtofferstatus zelf betreft geen eenduidig verschil meelevert: of protesterenden, die gekerkerd of meteen op straat neergeknuppeld of -geschoten worden, onschuldige slachtoffers of onruststokers zijn die chaos en geweld willen provoceren; of geuniformeerden wellicht geen “beulsknechten”, maar tot dienst aan een fanatieke en kansloze overlevensstrijd van het regime gedwongen “jonge mannen, bijna nog kinderen” zijn, die als “kanonnenvoer” medelijden verdienen; of burgers in burgerkledij werkelijk welke zijn of alleen maar geen uniform dragen… – dat ontdekt niemand door enkel te kijken. Op het gebied van beeldbeschouwing kan een ambtelijke propaganda-afdeling in ieder geval makkelijk de bal terugkaatsen, de bewijsstukken van haar aanklagers als vervalsing terugwijzen en eigen gruwelverhalen over haar tegenstanders vertellen. En omdat het juist niet om argumenten, maar om de morele overtuigingskracht van geïnterpreteerde beelden gaat, omdat het voor het wekken van de schijn van neutrale waarheidsvinding daarom uiteraard ook moet gaan, storen tegenvoorbeelden het vaststaande oordeel dat zich bevestigd wil zien, moeten dus zelf als bedrog ontmaskerd worden. Nog vervelender is de ontmaskering van eigen beelden als vervalsing… Zo heeft de vrije pers, druk in de weer met de geloofwaardigheid van haar aanklachten, veel te doen – en ze weet ook meteen wat en hoe. Cruciaal voor de overtuigingskracht van een vijandbeeld, het equivalent voor objectiviteit en juistheid van een oordeel bij het morele veroordelen, is de authenticiteit van de getoonde bewijsstukken: het bewijs “nabij” het verschrikkelijke gebeuren geweest te zijn, beelden van aan den lijve getroffenen, en het allerbeste: met een eigen reporter ter plaatse. Die staat in als verlengd oog en oor van de oprecht en diep bezorgden voor de juistheid van de berichten en beeldopnames en daarmee voor de authenticiteit van al datgene waar ze voor staan. Des te meer deugt hij daarvoor als hijzelf een vermeldenswaardig feit wordt. Dan bewijzen de gevaarlijke omstandigheden van zijn “research”, vooral als het regime hem daarmee opzettelijk hindert, hoe gerechtvaardigt de vijandschap is die hij zodoende tot morele verplichting van alle welgezinden verklaart. Parallel daaraan bevrijdt zich de vrije pers, die aan niets zo veel waarde hecht als aan authentieke getuigenissen, van de dwang om ook echte te krijgen doordat ze de kwestie van echtheid of vervalsing, betrouwbaarheid of onbetrouwbaarheid van getuigen, beelden en informanten uitgebreid problematiseert. Op dit toegevoegde level garandeert het gewetensvolle probleembewustzijn van de reporter ter plaatse diens morele louterheid, die ook in deze methodisch veranderde vorm rechtstreeks zou samenvallen met zijn uitspraken over de gebrandmerkte regering.

b) De vrije pers problematiseert de geloofwaardigheid en grenzen van de imperialistische moraal van haar natie

In laatste instantie geldt natuurlijk ook voor de mensenrechtelijke aanklachten die de vrije pers in de vorm van indrukwekkende zedenschilderingen uit diverse krochten van het kwaad presenteert: ze zijn pas echt en in die mate geloofwaardig als ze in praktisch opzicht serieus te nemen zijn, dus uiteindelijk stroken met de voorbehouden en vijandschapsverklaringen van de werkelijk toonaangevende mogendheden. Dat geeft ze niet alleen de schijn van relevantie in de praktijk, maar waarborgt tegelijk de steekhoudenheid van het morele standpunt van waaruit de ferme veroordelingen worden afgevuurd: dat het daarbij om meer dan idealistische privémeningen gaat, namelijk om een officiële situatiebepaling. Ook deze eenduidige verhouding interpreteert een zelfbewuste vrije pers uiteraard precies andersom: ze permitteert zich haar analyses als opdracht aan de politiek te presenteren en de verantwoordelijke regeringen daarnaar te beoordelen, of ze in hun wereldpolitiek de imperatieven van het mensenrecht naleven door de desbetreffende catalogus gelding te verschaffen. Haar zorgobject is daarbij niet zozeer het wereldgebeuren als wel de geloofwaardigheid van de politiek die zich op het mensenrecht beroept, en ook als ze dat niet doet door zijn publieke bepleiters daaraan wordt gemeten. Dit criterium behelst een interessant quid pro quo en een opvallend besef: het is haar eigen geloofwaardigheidsprobleem dat de pers, ten eerste, afschuift op de politiek – dit is het quid pro quo – en dat ze, ten tweede, door de politiek middels adequate optredens verholpen wil zien – daarin ligt het soort van besef dat haar eigen mensenrechtelijk engagement enkel zo veel waard is als de macht die in die zin handelt. Dat het mensenrecht in feite niets anders is dan de titel waar regeringen die verantwoordelijk zijn voor de wereldorde zich op beroepen, is daarmee weliswaar niet geconcedeerd en al helemaal niet ingezien; maar de kritische vrije pers weet wel dat de inzet voor het mensenrecht helemaal niet baat zonder een geweldinstantie, die wereldwijd superieur kan optreden en daavoor het mensenrecht als haar morele titel gebruikt.

Uit deze gelijkstelling van mensenrechtelijke deugd en imperialistisch doorzettingsvermogen volgen sommige verscherpingen, differentiëringen en relativeringen van het morele imperatief, waaraan de westerse vrije pers haar machthebbers pleegt te meten.

Enerzijds staan alle werkelijke imperialistische berekeningen zeer principieel en permanent onder verdenking de beslistheid te verwateren waarmee de politici van Buitenlandse Zaken (BZ), volgens de goed geïnformeerde persorganen, hun buitenlandse ambtscollega’s inzake mensenrecht terechtwijzen, bij hen op correcties van hun regeringsmethoden insisteren of deze correcties meteen zelf zouden moeten uitvoeren. Zo kan het niet uitblijven dat een nationale vrije pers, die dronken is van het mensenrecht, ontevreden wordt over de eigen regering: de vrijheid van de regering bij de aanwending van het mensenrecht voor haar imperialistische voornemens neemt zij waar als voorwaardelijkheid, zelfs als terughoudendheid of oneerlijkheid van de regerende BZ-politici bij de verwerkelijking van de hoge opdracht waarover zij, de pers, het volstrekt eens met hen is. Als op officiële veroordelingen van een vreemde regering niet of niet onmiddelijk dat volgt wat vanuit het perspectief van de mensenrechtelijk opgehitste publieke opinie per se zou moeten volgen, dan kunnen haar frontstrijders venijnig worden. Uitgerekend de politici en militaire leiders wier professie uitsluitend daaruit bestaat waartoe ze gemachtigd zijn, namelijk uit het vrije gebruik van de nationale geweldsmiddelen, krijgen de indringende vraag voorgeschoteld waartoe men hen eigenlijk gemachtigd heeft. Het verwijt van lafhartigheid is nooit ver weg. En in bepaalde grootse momenten van het vrije journalisme komt het zover dat politici niet oorlogen die ze voeren moeten toelichten, maar zich moeten rechtvaardigen voor zulke oorlogen die ze niet voeren.

De essentiële belangen van de macht, die dringend wordt verzocht in de wereld orde op zaken te stellen, verliest een opiniërende pluralistische vrije pers anderzijds ook niet uit het oog; althans niet het feit dat zulke belangen bestaan, dat de macht van de eigen natie enigszins afhangt van het realiseren daarvan, en dat het mensenrechtelijke moralisme voor dit doel niet altijd bevorderlijk is. Zonder zich te distantiëren van de nadrukkelijke roep om een wereldpolitiek in de geest van het mensenrecht, volstrekt doordrongen van de erbij horende huichelarij en de zorg om de geloofwaardigheid ervan, maken de voorstanders van het wereldpolitieke realisme erop attend, dat een regering ook en zelfs allereerst verplicht is haar eigen volk te dienen, en niet ertoe zich om het welzijn van vreemde volkeren te bekommeren. Zodra wereldpolitiek iets kost, is de inzet voor het mensenrecht opeens niet meer de hoogste imperialistenplicht, maar een last die de eigen nationale onderdanen enkel mag worden opgelegd als daarmee materiële nationale calculaties, welke dan ook, bevorderd worden – zo moeten dan bijvoorbeeld in het verkeer van de BRD met de VR China naast de mensenrechten van de goddelijke Lama ook de belangen van VW tot hun recht komen, en tegenover de Russische anti-democraat Poetin behalve de kunstvrijheid voor Pussy Riot ook de kansen op een strategische energie-alliantie. Het mensenrechtelijke ethos van de democratische wereldpolitiek moet in ieder geval een zekere relativering accepteren. Maar in een breder, niet slechts nationaal perspectief geplaatst is ook dat zonder meer te rechtvaardigen: namelijk met een verwijzing, die met bescheidenheid niets te maken heeft en ook niet alleen maar gehuicheld hoeft te zijn, naar de grenzen van zelfs de grootste nationale mogendheid, die overbelast zou zijn als ze zich “voortdurend en overal” zou willen of moeten bekommeren om “elke menselijke ellende” en “altijd wereldwijd” tegen regerende misdadigers optreden…

Het kan tenslotte ook gebeuren dat de grenzen van imperialistische macht niet alleen huichelachtig worden bezworen maar bij grootscheepse officiële acties, die hun organisatoren aan de mondiale bevordering van het mensenrecht wijden, daadwerkelijk worden bereikt. Zo hebben bijvoorbeeld in het begin van de 21e eeuw de mensenrechtelijk onderbouwde tien jaar durende kruistochten allesbehalve het in het Westen verwachte succes behaald, en worden van regeringszijde als onproductief of schadelijk beoordeeld. En prompt ontdekt een beschaafde vrije pers aan de morele maatstaf, waarmee men de gehele wereld lastigviel en onbewogen verder lastigvalt, immanente grenzen: misschien is de onder staten en volkeren permanent uitblijvende dankbaarheid voor de jarenlange verblijding met cruise missiles en bodemtroepen daardoor te verklaren, dat onze goed bedoelde opvatting over het mensenrecht en de menselijke natuur toch niet universeel, maar eerder cultuurspecifiek is.

3. Leidraad voor verkeerde kritiek

Zonder twijfel: met de mainstream van een vrije pers die net zolang aandacht heeft voor de ellende van een volk als haar regering een min of meer innige vijandschap tegen de daar verantwoordelijke overheid onderhoudt, willen mensenrechtelijk geëngageerde critici van de levensomstandigheden in andere landen evenmin te maken hebben als de op hetzelfde vlak actieve diverse humanitaire verenigingen. Ze storen zich aan de nood van mensen ook dan wanneer de nationale agenda daaruit geen inmengingstitel construeert; en vrij vaak weten zij ook dat de goede betrekkingen van westerse staten met regimes die allesbehalve democratisch regeren, niet op onwetendheid van de verantwoordelijken hier over de “mensenrechtensituatie” daar baseren. Hun verwijt “schender van mensenrechten!” wil geen excuus daarvoor laten gelden dat overheden door enigerlei omstandigheden of noodsituaties gedwongen zouden zijn zo afschuwelijk met mensen om te springen als ze het doen. Wat ze als mensenrechtenschending beschouwen, stellen ze ook dan aan de kaak wanneer dit in hun eigen of in een met haar geallieerde natie gebeurt; van partijdigheid laten ze zich niet betichten. En dat uitgerekend een overheid – welke dan ook – niet debet zou zijn aan de beklagenswaardige toestanden laten deze critici al helemaal niet gelden: ze richten hun kritiek op staten als soevereine bepalers van alle levensverhoudingen; maar hoe ze dat doen, is ergerlijk.

Ook deze critici van laakbare overheidsoptredens zien er geen kwaad in uitgerekend de overheid, die ze als veroorzaker van ellende en wreedheid hebben geïdentificeerd, vergrijpen te verwijten: tegen normen die ze eigenlijk moest nakomen, tegen taken die ze eigenlijk zou moeten uitvoeren. Daarmee vermijden ze elke blik op zowel de opgaven die een geweldsmonopolist in de huidige wereld zich werkelijk voorneemt als op de criteria aan die hij werkelijk wil en poogt te voldoen – beide, opgaven en criteria, zijn trouwens door kritisch-gedistantieerde beoordelaars van het wereldgebeuren niet moeilijk te ontdekken. Voor elke overheid die door haar collega-overheden serieus wil worden genomen, komt de beveiliging van haar geweldsmonopolie op de eerste plaats van haar plichtenprogramma, en dat hoe hardhandiger hoe instabieler haar basis, de loyale diensten van haar burgers, is; de inhoud van dit gemonopoliseerde geweld is eens en voor altijd het gebruikmaken van het volk voor de vermeerdering van rijkdom, waarvan dit geweld zijn aandeel confisqueert om het eigen alomvattende functioneren veilig te stellen; conform de heersende wereldorde verblijdt de overheid haar burgers derhalve met het attractieve alternatief zich in die zin op concurrentiebestendige wijze markteconomisch nuttig te maken, of absolute verpaupering te verduren; wat allebei, afhankelijk van de lokale omstandigheden en traditionele zeden, een navenante mate van onderdrukking vereist… In plaats van deze doeleinden hebben aanhangers en verdedigers van het mensenrecht op goede behandeling door leidinggevenden een beeld van heerschappij voor ogen, dat de grondleggers van de wereldwijd op uiteenlopende ontwikkelingspeilen heersende levensvoorwaarden als dienstverleners ter probleemoplossing voorstelt, en het geweld, dat alle aardbewoners tot functionele subordinatie dwingt, als openbare ordedienst ten behoeve van de klant “burger”. De realiteit die hun ideaal logenstraft, interpreteren ze als afwijking die de voorgestelde regel bevestigt en daarom als plichtsverzuim te bekritiseren valt.

Hetgeen ze in die zin te bekritiseren hebben, is – gezien de werkelijke uitwerkingen van het wereldomspannende regime van politieke geweldsmonopolisten – niet veel. Aan hun nationale overheid bespeuren de aan het democratisch-imperialistische rijk der vrijheid verknochte vrienden van het mensenrecht slechts bij uitzondering een laakbaar vergrijp – aan het alledagsleven van een vrijwel wrijvingloos functionerend macht- en controlesysteem met al zijn onverbiddelijk gehandhaafde “objectieve vereisten”, waar de burgerlijke privépersonen in hun vrije berekeningen als vanzelfsprekende voorwaarden van uitgaan, kunnen ze generlei dwang maar enkel functionele dienstvaardigheid van het openbaar bestuur ontdekken. Als ze al kritiek leveren op de eigen overheid, dan bestaat die uit het bezwaar dat zij het vluchtelingen en andere migranten zo moeilijk maakt zich in deze idylle te integreren. Daarmee beschikken ze ook al over het praktische bewijs dat macht niet alleen volkomen anders functioneren kan dan in de gevallen waarover ze schrikken, maar dat de verhoudingen die ze gewend zijn ook de verbindende normaliteit is, waaraan buitenlandse “schenders van mensenrechten” zich moeten laten meten. Dus bekritiseren ze aan hen van alles en nog wat – echter nooit de prestatie die de geïncrimineerde regeringen in hun land leveren met hun verwoede pogingen zich tussen de gevestigde mogendheden als serieus te nemen bestuurders van een bruikbare kapitaalvestigingsplaats te handhaven, maar deficits: eclatante of ook minder eclatante afwijkingen van de politieke verhoudingen die zij kennen en als gegeven realiteiten erkennen. Gewelddaden ontdekken ze op terreinen waar hun eigen overheid die normaliter niet nodig heeft – en daarmee meteen vanuit het gezichtspunt dat die daar ter plekke eigenlijk überhaupt niet nodig moesten zijn. Nog de heftigste mensenrechtelijke aanklachten teren op de voorstelling dat de gewraakte “excessen” van het overheidsgeweld toch eigenlijk overbodig zijn. En graag presenteert zich deze morele veroordeling zelfs als objectieve diagnose die de gewelddadige overheid tot haar eigen voordeel zou moeten behartigen: een gebruik van geweld dat door het mensenrecht wordt gebrandmerkt zou ook vanuit het standpunt van degenen die het mensenrecht schenden onnodig zijn, zelfs contraproductief voor hun eigen doelstellingen… Kritiek op overheidsgeweld namens het mensenrecht is nu eenmaal in wezen een pleidooi voor een rondom acceptabele heerschappij en heeft er derhalve geen probleem mee zich als advies voor de heersenden te presenteren.

Het opnemen voor de slachtoffers van “mensenrechtenschendingen” ziet er navenant uit. Voor critici die overheidsgeweld en gewelddagig geproduceerde ellende als vergrijp interpreteren, die altijd als een mens wordt geschonden zich voor het geschonden mensenrecht interesseren, volstaat het beschadigde belang gewoonweg niet als reden voor een bezwaar – dat dan uiteraard onvermijdelijk de werkelijke belangentegenstelling tussen regering en onderdanen moest ophelderen en bestrijden. Dit “thema” is tegelijk met de diagnose “mensenrechtenschending” afgehandeld, omdat er bij voorbaat niets anders in de strijd wordt geworpen dan een abstracte rechtstitel: in plaats van het belang dat de getroffenen hebben de idee van een hen toekomende aanspraak – namelijk op een overheid door wie ze fatsoenlijk worden geregeerd. Deze status van staatsburgerlijke machteloosheid trekt het pleidooi voor een aan het mensenrecht georiënteerde zorgzame behandeling van het volk niet alleen niet in twijfel, het opereert theoretisch met de heel vanzelfsprekend erkende verhouding tussen “hoog en laag” als morele verplichting van de regerenden. Met de aanklagende diagnose, die het misbruiken van de volstrekt begrijpelijke en verstandige “arbeidsdeling” tussen regering en onderdanen constateert, worden de beschermelingen van de verontwaardigde mensenrechtenbepleiters dan ook niet gewoonweg naar een idee, maar ideëel naar een instantie doorverwezen die voor hen opkomt – in de dubbele betekenis: ten gunste van en in plaats van hen. Deze instantie zijn allererst de aanklagers zelf, die überhaupt niet op het idee komen zichzelf als slachtoffers te zien van juist het mondiale machtsysteem dat vaak zo verschrikkelijke vormen aanneemt; die zich daarom ook helemaal niet erop toeleggen tegen dit regime en zijn in de democratische metropolen zetelende hoofdverantwoordelijken een opstand op touw te zetten, of ook alleen maar te overleggen hoe aan de praktijken van de – deels geallieerde, deels overhoopliggende, in ieder geval fel concurrerende – vereniging van regerende geweldsmonopolisten een einde te maken is. Veel liever begeven ze zich in de positie van moreel geraakte medeverantwoordelijken van deze “wereldorde” en begrijpen zich als een belangrijke instantie die bestemd is om misstanden te bestrijden. En dat – logischerwijs – voornamelijk met oproepen aan de werkelijk heersende instanties bij het regeren, waar in principe immers niets tegen te zeggen valt, de codex van het mensenrecht te respecteren.

Deze oproep blijkt even zelfbewust als bescheiden wanneer hij soms gevallen – allemaal uitzonderingsgevallen – in het eigen land betreft en zich aan de verantwoordelijken richt: daar wordt hij aangehoord en krijgt de repliek te horen de gerechtelijke weg te bewandelen, die in een ordentelijke rechtsstaat voor alle rechtspersonen openstaat; en doordat die bewandeld wordt, monden alle aanklachten uit in de onderwerping aan dat stuk zelfcontrole dat een op functionaliteit gestelde burgerlijke staat pleegt in te bouwen in zijn regime. Aan buitenlandse “mensenrechtenschenders” schrijven de verdedigers van het mensenrecht in eerste instantie beleefde open brieven, die de bevoegdheid van de regerende “beulen” expliciet erkennen, in de hoop daarmee druk uit te oefenen, want een regering zou toch waarde moeten hechten aan een goede reputatie voor de ogen van de wereldwijde publieke opinie. Dat ze daarmee hooguit het opzet van de heersende ploeg aansporen de handhaving van de macht met goed geënsceneerde hypocrisie te begeleiden, maakt hen even weinig uit als het feit dat ook in het geval van succes van hun interventie de interventieredenen nooit minder worden. Opdat de mensenrechtelijke verontwaardiging meer en effectiever is dan een oproep aan de geïdentificeerde daders, klopt de ideële instantie voor wereldwijde machtsverbetering dus zeer realistisch aan bij die instanties die ze enerzijds voldoende machtig acht om vreemde regeringen effectief terecht te wijzen, die ze anderzijds echter allerminst verantwoordelijk wil stellen voor de mondiale geweldsverhoudingen, die kennelijk voor menig geweld”exces” niet alleen ruimte bieden, maar redenen ervoor en behoeften ernaar voortbrengen. Als ze daarmee gehoor vinden, wellicht zelfs de opdracht toebedeeld krijgen de naleving van enigerlei mensenrecht in enigerlei uithoek op aarde te controleren, of een vrijbrief en de middelen voor het opstoken van ontevreden delen van de bevolking tegen een overheid die bij de toonaangevende imperialisten in ongenade gevallen is, storen zich de georganiseerde mensenrechtactivisten dan ook helemaal niet aan de wereldpolitieke berekeningen waar ze zich dienstbaar voor maken: de illusie het ware in werkelijkheid omgekeerd, zij zouden erin geslaagd zijn imperialistische berekeningen te instrumentaliseren voor hun inzet voor het mensenrecht, geven ze ook dan niet op wanneer het reëel gerealiseerde belang van de machthebbers hun welgemeende initiatieven zo beëindigt als het hen de vrije hand heeft gelaten, of wanneer het ze zelfs voortdurend dwaarsboomt.

Wantrouwig worden de idealisten van het mensenrecht in ieder geval niet als ze bij de mogendheden – die de wereld daadwerkelijk aan hun concurrentieregime onderwerpen en zich bovendien gaarne tot voogd van de volkerenfamilie benoemen, doch met de gruwelijke gevolgen van hun regime in bepaalde wereldregio’s niets te maken willen hebben – hoog aanzien genieten. Ze nemen zich de vrijheid om in zo’n goedkope erkenning de bevestiging van hun geloof te zien, dat in hun strijd voor de aanspraak van de mensheid op prima regeringen een imperatief aan hun zijde staat, die zelfs de machtigste wereldmachten moeten gehoorzamen. Als ze deze illusie echter op de spits drijven en de verantwoordelijken met hun voorstellingen van een betere wereld al te penetrant op de zenuwen werken, dan krijgen ze bij hen en vooral bij de vrije pers, de protagonist van de offensief-verdediging van nationale belangen – en trouwens ook bij een publiek dat zich de pretentie van zijn regering heeft eigen gemaakt en zowel aan het cynisme van de politiek als aan de politieke spraakregelingen gewend is geraakt – weleens nul op het rekest. Dan moeten ze zich met hun mooie, door feestredenaars uit de politiek altijd weer graag geprezen idealen en idealismen wereldvreemdheid laten verwijten; dat ze goede mensen zijn en de wereld iets willen verbeteren, wordt tot etiket dat hun vrome activiteiten belachelijk maakt. Uit dergelijke reacties van de kant van de macht en de mainstream blijkt duidelijk de functie die zo’n fatsoenlijke wens naar meer fatsoen in de wereld van machthebbers in feite heeft, en welke betekenis men hem hooguit toekent: de idealistische inzet voor het mensenrecht mag en moet zich tonen als het slechte geweten dat de machthebbers meet aan de morele schijn van hun macht, en ze eventueel zelfs erop attendeert; deze inzet moet dan echter ook fungeren als het goede geweten van de macht, die over de heersende “wereldorde” waakt en aangaande de noodzakelijke ontsporingen als behulpzame correctie-instantie gerespecteerd wil worden.

Daarbij is het waarlijk niet zo dat de verantwoordelijke machthebbers voor hun goed geweten en het brutale lofprijzen van hun macht aangewezen zouden zijn op vrijwillige idealisten van het mensenrecht. Als die besluiten naast al het andere dat ze als onderdanen van hun nationale overheid ook nog moeten doen, voor meer moraal in het wereldgebeuren te pleiten en zich ter rechtvaardiging van dit verzoek op het mensenrecht beroepen, dan veranderen ze aan de wereld, als überhaupt iets, enkel één ding: zichzelf, hun houding tegenover het wereldgebeuren.

En ook dat is geen wending ten goede.

Gegenstandpunkt 2-2013