De overheid als redder

Als momenteel iedereen in samenhang met de kredietcrisis om de staat en zijn helpende hand roept (bijvoorbeeld: “Jan Kamerling, voorzitter van werkgevers in de industriële sector, voorspelde ‘massaontslagen’ als de overheid niet te hulp zou schieten. En werknemers van DAF en NedCar trokken naar het Binnenhof om te smeken voor overheidssteun.” Volkskrant, 22.11.08), dringt zich onvermijdelijk de vraag op waarmee de staat, de politiek, de regering tot nu toe bezig waren. Klopt het populaire verwijt dat de staat voor de grote krach nagenoeg niets deed of in elk geval, op “neoliberale” dwaalwegen, ontoereikend toezag op zijn economie? Is de staat werkelijk de grote probleemoplosser, of is hij misschien onderdeel van het probleem? De eenvoudige, blijkbaar amper bekende waarheid luidt dat de staat een heleboel heeft gedaan; en dat zonder dit doen noch “de markt” en de “reële economie”, noch “de financiële sector” met zijn actuele crash tot stand waren gekomen. Alleen al de premisse is absurd, de aanname dat “de economie” er simpelweg is en de staat later optreedt om zich daarmee te bemoeien als een soort onpartijdige scheidsrechter:

- De staat beschermt het eigendom – en daarmee de essentiële basis van de gehele markteconomie. Door deze garantie van overheidswege zijn allen die wellicht een tandenborstel, een auto en een mp3-player maar juist geen vermogen bezitten, buitengesloten van alle middelen die ze nodig hebben om in hun onderhoud te voorzien. Zij en dus het grootste deel van de bevolking moeten als “loonafhankelijken” werk zoeken en gaan werken; ze zijn afhankelijk gemaakt van de ware bezitters wier vermogens het staatsgezag beschermt. Deze kringen kunnen met hun geld of andere middelen waarover zij beschikken (productiemiddelen, gebouwen etc.) iets ondernemen om van geld meer geld te maken: zij laten anderen voor zich werken, uiteraard winstgevend – anders zouden ze helemaal niet beginnen met productie en handel, dienstverleningen en huizenverhuur, verkoop en verpachting van grondbezit etc.

- De staat bewerkstelligt met zijn geldbiljetten (nadruk verboden!) dat allen hierop zijn aangewezen; zij moeten het wettige betaalmiddel verdienen, uitgeven en sparen om deel te hebben aan de rijkdom van de samenleving, de “kolossale opeenhoping van waren”.

- Via zijn centrale bank zorgt de staat ervoor – verkort gezegd – dat de zakenbanken over voldoende krediet beschikken dat zij tot eigen voordeel aan “het bedrijfsleven” uitlenen.

De staat wil kennelijk een economie waarin de ondernemingen door de uitbuiting van hun personeel winst maken. Hij wil bovendien een financiële sector die deze ondernemingen ononderbroken van voldoende krediet voorziet en in de beurs-en-derivaten-wereld steeds groter wordt en effectiever ageert. Want van de economische groei van de ondernemingen en beleggers is de staatshuishouding net zo afhankelijk als van loonbelastingen en BTW. Dankzij een succesvolle economie die een aanhoudende vermeerdering van geld teweegbrengt, kan de staat meer schulden maken en meer invloed uitoefenen op het wereldgebeuren, op politiek en economisch vlak.

- De overheid neemt dus allerlei extra maatregelen opdat de “pijlers van de maatschappij”, de ondernemers en bankiers, successen boeken. Wat het winstmaken belemmert en verhindert, ruimt zij zo grondig mogelijk uit de weg, o.a. de (bescheiden) looneisen van de bonden, “indirecte loonkosten”, ontslagregels, “overdreven” sociale uitkeringen…

- Bij deze hindernissen horen ook de reguleringen van de financiële speculatie. Daar de staat wil dat de financiële wereld op de groei van zijn nationale economie speculeert en zoveel mogelijk speculaties aan zijn nationale beurs resp. door nationale banken worden afgewikkeld, heeft hij vroeger geldende beperkingen buiten werking gesteld, de speculanten- branche een groot aantal vrijheden toegestaan en zo de ontwikkeling van “innovatieve financiële producten” enorm gestimuleerd.

Uit deze rudimentaire opsomming blijkt al het onzinnige van de bewering dat de staat, de grondlegger van de markteconomie, niets heeft gedaan, niet voldoende toezicht gehouden of iets in die trant; precies omgekeerd: de staat zelf heeft op de speculatie gebouwd en juist die sector daadkrachtig ondersteund die momenteel door zijn crisis het economische leven in wanorde dreigt te brengen. Als de staat nu alle denkbare maatregelen neemt om “het systeem” te redden (de brandstichter als brandweerman) – dan wil hij juist dat redden wat hij heeft opgericht, bevorderd en overeind gehouden en waaraan hij o.a. de economische groei van zijn natie te danken heeft: hij wil de banken en beursen redden opdat de groei van zijn ondernemingen weer functioneert.

Of de verantwoordelijken daarin slagen, is nog maar de vraag. Voor diegenen die geen bedrijven of banken bezitten en niet in de haute finance thuis zijn, is nu misschien een goed moment om zich af te vragen of zij daaraan nog willen bijdragen – dat na de crisis alles gewoon zo doorgaat als voor de crisis.

- Dat de profiteurs van het kapitalistische systeem, de overheid, de geld- en fabriekbezitters, niets liever willen, is begrijpelijk.

- Alle anderen menen weliswaar dat zij voor de redding van het geld-eigendom van de samenleving moeten duimen en tussen hoop en vrees “voor overheidssteun smeken”, hun redenen zijn echter minder begrijpelijk. Zij bestaan uit niets anders dan hun eigen afhankelijkheid van de winstcalculaties van de fabriek- en geldbezitters.

- Natuurlijk, als hun zaken mislukken of failliet gaan, gaat het met de werknemers slecht; daaraan is men gewend. En als de zaken rendabel verlopen? Er zijn toch ongetwijfeld miserabele lonen, lange werktijden, stress en onzekere werkgelegenheid – in de allermooiste fases van de markteconomie. Welk voordeel hebben de “gewone mensen” van de renovatie van de financiële sector?

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.