“Bad banks” en dergelijke absurditeiten

De handelsartikelen waarmee de banken zaken doen, functioneren momenteel niet voor het doel waarvoor ze zouden moeten functioneren, aldus de algemene onwrikbare beeldvorming. Dit klopt ongetwijfeld; dat ze werden uitgevonden om het zakenleven altijd en overal van krediet te voorzien, zoals gesuggereerd wordt, is echter een misvatting – ze functioneren namelijk juist niet voor het doel waarvoor ze werden uitgevonden. Deze prachtige “ingewikkeld gestructureerde waardepapieren” van de banken zijn, zoals de experts geloofwaardig verklaren, “precair”. Achter de termen van het vakjargon, dat inmiddels iedereen beheerst, verbergt zich: “moeilijk te waarderen”, “amper te verkopen” etc., het zijn “waardeloze toxische papieren” die zo snel mogelijk moeten worden “afgevoerd”. Dezelfde deskundigen vertellen echter ook over zeer eigenaardige problemen die in samenhang met deze dringend geboden opruimactie optreden. “Rommel-waardepapieren” simpelweg verbranden als afval? Absoluut onmogelijk! Dit soort “toxische rommel” vraagt om een bijzondere behandeling en een speciale vuilstortplaats, call it bad bank”. De moeilijkheden bij de grote schoonmaak beginnen al met de interessante vraag hoeveel toxische papieren zich in de vermogens van de banken verstoppen. Die zijn uiterst moeilijk op te sporen omdat men daarvoor immers zou moeten weten welke papieren “toxisch” zijn en welke niet, en dat is aan de papieren, die in de banken tussen – vooralsnog – beslist “niet-toxische” papieren liggen, nu eenmaal niet af te lezen: wat ze actueel en of ze überhaupt nog iets waard zijn, hoeveel ze binnenkort zouden kunnen waard zijn, of ze voor altijd waardeloos blijven – dat staat daarop niet vermeld. Indices voor het speculeren daarover zijn er voor de handelaren in schulden en risico’s natuurlijk voldoende. Maar voor deze oriëntatiepunten voor hun calculaties geldt hetzelfde als voor de stof van hun speculaties: wat die waard is, wordt door hen in de praktijk bepaald, namelijk daardoor dat ze daarmee handel drijven. Dat doen ze momenteel juist niet; de “normale” concurrentie tussen aanbieders en vragers die de prijs van de handelswaar “waardepapier” vaststelt, werd door hun agenten zelf stopgezet; en de reden is geen groot geheim: banken in de hoedanigheid van kopers kopen niets van elkaar omdat ze vrezen in plaats van een automatisch groeiende bron van geld een waardeloos papier in handen te krijgen; en in de hoedanigheid van verkopers proberen ze momenteel liever niet om voor hun rijkelijk voorhanden aanbod klanten te vinden, daar ze vrezen door het gebrek aan belangstelling de waardeloosheid van hun handelsartikel definitief bevestigd te krijgen; en wie voor het salderen van zijn rekeningen toch moet verkopen, verlaagt zodoende de prijs van het verkochte waardepapier en vermindert zijn bezit nog meer. Zo volstrekt krankzinnig gaat het er aan toe in de markteconomie, de beste van alle mogelijke werelden: waardepapieren worden niet verhandeld omdat ze niets waard zijn, en ze zijn niets waard omdat ze niet verhandeld worden! Dat alleen al is absurd; nog absurder zijn de verwoestende gevolgen die daaruit voortkomen: omdat schulden in de vorm van papieren – die beloven toekomstig meer waard te zijn dan vandaag – geen belangstellenden meer vinden die door daarin te beleggen rijker willen worden, begint meteen de gehele rest van deze hooggeprezen economie te stagneren of achteruit te gaan. Producenten van bruikbare goederen en handelaren in uiterst solide gebruikswaarden en uiteindelijk ook nog de staatshuishouding worden flink geraakt door de crisis – omdat mensen die papieren zonder gebruikswaarde en waarde verhandelen het economische fundament van hun zelfverrijking zijn kwijtgeraakt.

*

Juist deze markteconomische waanzin wordt door de oprichting van een “bad bank” in leven gehouden, koste wat het kost. Er worden van overheidswege kosten nog moeite geschuwd om zo min mogelijk van het fictieve kapitaal van de banken, dat waardeloos blijkt te zijn, af te schrijven. In plaats daarvan wordt een volgens de regels van de valsmunterij geconstrueerde fictie van waarde op het waardeloze bankvermogen geplakt – en opgeslagen in een “bad bank” die officieel met een faillissement haar zaken begint, maar juist zo het faillissement van de andere banken moet verhinderen en hun zakendoen nieuw leven inblazen: opdat die weer winst kunnen maken, mogen ze hun verliezen in een instelling deponeren die het heel toepasselijke doel heeft waardeloze geldvermogens als bronnen van rijkdom te bewaren – als de staat de aangelegenheid in de hand neemt, lukt de kapitalistische geldvermeerdering kennelijk domweg qua wetgeving. Onbeduidend welke condities (looptijd, terugkoopbedragen en -opties etc) daaraan verbonden zijn: op zo’n “herstelde” basis kan de financiële sector – naar verluidt de “levensader” van de markteconomie – weer naar hartelust risico’s nemen en speculeren.

*

Het vermoeden dat “geld de wereld regeert” komt af en toe op in de markteconomie, ook als ze niet in een crisis verkeert. In een crisis krijgt dit vermoeden vaak de klankkleur van een moreel verwijt. Dat is niet goed. Men kan beter ter kennis nemen wat politiek en bedrijfsleven dag in dag uit verkondigen, namelijk dat zonder een gesaneerde bankensector geen economische groei tot stand komt, en zich afvragen welke rijkdom in de voorbeeldige markteconomie eigenlijk met een “gezonde” bankensector tot bloei komt. Dat is ongetwijfeld exact dezelfde die in juist deze sector floreert. Schulden als waren verhandelen, uitgeleend geld in vermogentitels met ingebouwde groeibeloftes veranderen en winstgevend verkopen – dat is de bron van de rijkdom die per se moet functioneren voordat enigerlei andere rijkdom voortgebracht wordt, zonder “fictieve” geen “reële” economie. Geen moeilijke les, lijkt ons, en de politieke en economische elite zegt het zelf: geld heeft de bestemming meer te worden, en voor iets anders dan de wereld te regeren bestaat het helemaal niet. “Bad banks” en soortgelijke absurditeiten als “noodfondsen” en “grotere financiële buffers” maken overduidelijk hoe absoluut en onverbiddelijk het regime van het geld, namelijk zijn onvoorwaardelijke vermeerdering het bestaan in de markteconomie bepaalt. En als men dat begrepen heeft, heeft men gewoon geen zin meer om dit bestaan met het domme oordeel te becommentariëren dat het in dit economische systeem toch eigenlijk om iets anders draait of zou kunnen draaien.

Zie ook: Het financierskapitaal II

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.