Het mensenrecht (inzake verkiezingen)

Artikel 21: “De wil van het volk moet de grondslag zijn van het gezag van de regering; deze wil moet tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden moeten worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.” (Universele verklaring van de Rechten van de Mens)

De het principe mensenrecht typerende theoretische onzin de positieve verhouding tot de staat als eigenschap van “de mens”, dus de onderwerping aan de staat als soortelijke rechtsaanspraak op hem te beweren, richt zich hier op een staatsrechtelijke procedure, de verkiezingen.

Objectief gezien zet de burgerlijke staat met het houden van verkiezingen zijn abstracte erkenningsverhouding tot de wil van zijn burgers voort. Die zijn opgeroepen hun tevredenheid of ontevredenheid over vroegere of aangekondigde daden van de regering niet enkel aan de stamtafel of als lezersbriefschrijvers, maar ook als kiezers te betuigen. En weer definieert de staat met de modaliteiten van de georganiseerde uiting van de wil niets anders dan de wil zelf. De permissie om aan de keuze van kandidaten voor bepaalde staatsambten deel te nemen, legt de burgers heel principieel vast op de verkiezingen als enige geoorloofde manier om het overheidshandelen te beïnvloeden. Dat de verkiezingen als hoogtepunt van de democratie worden gevierd, is dus terecht; een andere gelegenheid om bij het gezag gegarandeerd gehoor te krijgen, heeft de burger gewoonweg niet. Daarbij mag hij zich ook niet over van alles en nog wat uiten, maar zijn mening wordt uitsluitend gevraagd aangaande de op het stembiljet afgedrukte alternatieven, die in de regel geen inhoudelijke maar personele zijn. In hoeverre er tussen de personen qua politiek daadwerkelijk grote differenties of slechts nuanceverschillen bestaan of zelfs dat niet, mag de mondige kiezer zich natuurlijk afvragen; het staat hem vrij om voorstellingen en hoop omtrent de voortzetting of verandering van de nationale agenda met het stemmen of niet-stemmen op bepaalde personen te verbinden, maar dat alles blijft zijn private afweging. Zijn meningen en verzoeken zijn in het stemhoek gedegenereerd tot puur individuele motieven, die in het kruisje op het stembiljet volledig verdwijnen. Vervolgens worden de naam- en commentaarloze kruisjes opgeteld en wel alweer volgens van overheidswege bepaalde regels, die in een rijpe democratie voor de stemmende mensensoort doorgaans onbegrijpelijk zijn.

Men mag het dus zonder meer ironie noemen wanneer verkiezingen als “achterhalen van de wil van de kiezers ” worden geparafraseerd, behelst toch de methode van “achterhalen” een volledige definitie van deze wil, die ze enkel te “achterhalen” voorgeeft. Met welke verwachtingen dan ook de miljoenen individuele kiezers hun kruisje daar hebben gezet waar ze het hebben gezet – het stemresultaat presenteert hen nadien een collectieve wil van de kiezers, waarvan hun stemmen als pure gelijk-geldige atomen tellen en die te erkennen zij verplicht zijn; wat de gekozen machthebbers dan met de machtiging uitvoeren, valt uitsluitend onder hun verantwoordelijkheid en geldt verbindend voor alle kiezers. Daartoe laat de staat zich verplichten als hij periodiek over een deel van zijn ambtsdragers door de kiezers laat beslissen. Met de machtiging van de kiezers tot keuze van kandidaten verplicht hij hen de verkiezingsuitslag te aanvaarden – regelmatig dezelfde: per definitie de voortzetting van zijn heerschappij.

Dit objectieve voordeel van vrije verkiezingen voor hun officiële organisator laat het mensenrecht ruimdenkend buiten beschouwing. En dat juist in een levendige democratie qua verkiezingen niets zo gebruikelijk is als afkeurende oordelen over het verkiezingscircus, de leugenachtigheid en corruptheid van de kandidaten en de onnozelheid van de kiezers – ook dat brengt het mensenrecht niet aan het twijfelen. Mensenrechtelijk gezien doet dat niet ter zake omdat de mens zich volgens deze leer kenmerkt door een wil, waarvan de wezenlijke inhoud bestaat uit het recht op erkenning door de staat die hem regeert. En aan dit recht wordt in de verkiezingen tenslotte met veel kosten en een hoop heisa voldaan. Dat de staat elk concreet verzoek aan zijn laars lapt als hij met betrekking tot zich slechts het ene verzoek laat gelden, namelijk periodiek een door hem gedefinieerde invloed op de keuze van zijn personeel te nemen – dat dan “naar eigen geweten” handelt – krijgt in de ideologie van het mensenrecht de draai dat de staat gehoor geeft aan de soortelijke wil en rechtsaanspraak van “de mens”, hij moge uitsluitend met een procedureel correcte legitimering door de geregeerden zijn regeringswerk uitvoeren. En zo verwezenlijkt, als de kiezer maar zijn stem uitbrengt, de heerschappij als ze heerst niets minder dan de menselijke natuur.

Zie: Het mensenrecht (Das Menschenrecht, Gegenstandpunkt 2-2013)

Reacties zijn gesloten.