Bankenunie en bankentoezicht

Gemeenschappelijk zoals het staten betaamt die met gemeenschappelijk geld op een gemeenschappelijke markt opereren, en in concurrentie tegen elkaar zoals het onvermijdelijk is in een vereniging waarin elk lid voor zich calculeert, spannen de EU-landen zich in voor de preventie van het risico voor hun staten dat het faillissement van grotere geldinstellingen met zich meebrengt. Met het EU-bankentoezicht en de bankenunie is een supranationaal toezichts- en controlewezen op de rails gezet dat niet alleen het management van een crisis betreft, maar de concurrentievoorwaarden van de financiële sector in het geheel nieuw regelt.

*

Terwijl het groot-project Europese bankenunie (het gemeenschappelijke instaan voor de EU-bankensector) vanwege onenigheid voorlopig is uitgesteld, heeft het nieuwe toezichtswezen over de Europese banken reeds groen licht gekregen. Daarvoor heeft men in Europa dan ook gewichtige positieve redenen.

Banken zijn immers niet slechts en niet op de eerste plaats een probleemgeval inzake garant staan voor hun vele schulden. Ook al worden ze momenteel hoofdzakelijk bekeken aangaande hun testament, een anticiperend afwikkelingsplan dat ze voor een eventueel faillissement dienen op te stellen: het komt natuurlijk allereerst erop aan dat ze bestaan. Want de schulden in kwestie zijn het zakenmiddel van een branche waarin het enige doel waarvoor staten hun kapitalisme oprichten en onderhouden – van geld meer geld te maken – als inhoud van een eigen business fungeert. Dat de groei van vermogens die deze branche in de veelvoudige vormen van krediet tot derivaat in indrukwekkende omvang genereert, uitsluitend steunt op rechtsgeldige, dus speculatieve toezeggingen doet geen afbreuk aan het feit dat het vermogen is wat er zo gestaag groeit, in geld becijferde private toeëigenings-macht. Met dit soort groei dienen de banken volgens de wil van de Europese overheden binnen Europa ook grensoverschrijdend te opereren, en wel zo succesvol mogelijk: dat verenigt de staten in de consensus dat op dit vlak de wettelijke basis voor het Europese bankenstelsel te renoveren en tevens ook te unificeren is. Uiteraard concurreren de commerciële spelers in deze branche onderling om hun zakensucces, en daarbij bewijzen zich de verschillen tussen de nationale wetgevingen ter regeling van de schuldeneconomieën als middel van hun concurrentie. Welke zekerheden voor haar kredietzaken zo’n instelling zelf moet tonen, wat voor papieren zij voor haar herfinanciering deponeren en met welke investeringen zij mag zaken doen, welke zakelijke activiteiten principieel verboden blijven: dergelijke rechtsregels zijn voor een bank hetzelfde als bevordering of belemmering van zakenkansen en -middelen, zijn voor haar dus direct identiek met haar versterking dan wel verzwakking in de onderlinge concurrentie. Met de nieuwe rechtsgrondslag voor de bancaire business in de eurozone krijgen de instellingen nieuwe concurrentiecondities voorgezet, waarvan de ene instelling kan profiteren, de andere nadelige gevolgen moet vrezen – die in het ene geval dus als hefboom ter geldvermeerdering in de vestigingsplaats dienen, in het andere geval de reductie ervan teweegbrengen. Met de nieuwe regeling van de bankentoezicht staan dus kwesties van multilaterale toewijzing en toeëigening van aanzienlijke geldvermogens op de agenda.

Het zakendoen van de banken is voor de staten niet alleen wat zijn omvang betreft van groot belang. Naar verluidt hebben ze ook de elementaire “taak ondernemingen van krediet te voorzien” – een transformatie van de bancaire business naar een nuttige dienstverlening die de economische toedracht verdraait: banken centraliseren het geldvermogen van de samenleving bij zich om daarmee hun zaken te doen. Tijdelijk en tegen een vergoeding verstrekken zij de potentie van het geld, namelijk zich te vermeerderen, aan andere actoren die daarmee over een extra middel beschikken voor hun geldvermeerdering. Inzoverre profiteert en floreert de kredietzaak van de banken dankzij de geldbehoefte van alle andere – “reëel-economische”– branches van een nationale markteconomie. Met deze behulpzame service, het verstrekken van krediet, gaat echter een niet onbelangrijke omkering van de dienstverhouding gepaard: de succesvolle bevrediging van het belang van de banken – zich door kredietzaken te verrijken – is de noodzakelijke voorwaarde daarvoor dat de zakenlieden uit de wereld van productie en handel toegang krijgen tot krediet, de hefboom voor hun groei en het middel van hun concurrentie. Het oordeel van de banken welke kredietzaken zij voor zich lonend achten, bepaalt derhalve hoeveel en welk kapitalistisch zakenleven überhaupt plaatsvindt in een nationale vestigingsplaats. Hetgeen de balansen van de banken (die in de crisis vooral als “risico” aandacht wekken) dus in feite representeren, is datgene wat een complete kapitalistische vestigingsplaats oplevert aan potentie van het geld tot zelfvermeerdering – uitgedrukt als prestatie van de banken; en dat is geen aanmatiging van deze instellingen, maar een feitelijke waarheid van het systeem: de geldbranche is de cruciale branche; van haar successen zijn de zakensuccessen van alle andere bedrijfstakken afhankelijk; vandaar dat zij consequenterwijs de gecreëerde rijkdom meteen weer als middel voor haar verdere zaken in beslag neemt, als stof voor haar financiering en herfinanciering en daarmee als instrument ter uitbreiding van haar zakendoen.

Een verdere “dienstverlening” maakt de macht waarmee de bankensector regie voert over de kapitalistische vestigingsplaats definitief compleet: de instellingen verstrekken krediet, het levensmiddel van de groei, immers niet alleen aan de lieden van het zakenleven, maar eveneens aan de toezicht houdende politieke instanties. Geld, de materie van de private verrijking, is ook het machtsmiddel van de overheid waar zij zich aanzienlijke delen van verschaft door schulden te maken: via de uitgifte van waardepapieren komt de staat aan financiële middelen en stelt tevens de banken een uitstekend zakenmiddel voor hun private verrijking ter beschikking. Ook de modaliteiten van deze beproefde symbiose staan ter discussie bij de nieuw te beklinken controle op de banken, zodat omtrent de nieuwe definitie van hun concurrentievoorwaarden alle wezenlijke factoren ter sprake komen die de kapitalistische potentie van de vestigingsplaatsen en de financiële macht van hun politieke bestuurders uitmaken. Dienovereenkomstig hardnekkig twisten de staten over de details van dit toezichtsregime als aangelegenheden van hun concurrentie. Met het EU-toezichtsregime ligt voor alle partners de kwestie op tafel welke bankensector van welke lidstaat de regie voert over de nationale euro-economieën en daarmee van dit regime profiteert; er zijn dus allerlei “inhoudelijke kwesties” omstreden tussen de partners, die strijd leveren om voordelen te behalen voor hun vestigingsplaats en zich verzetten tegen nadelen die zouden kunnen voortkomen uit het supranationale toezichtswezen.

*

Omdat de euro-staten in al hun supranationalistische geëngageerdheid blijkbaar niet zo onverantwoordelijk zijn om hun nationale voordeelsberekeningen te vergeten, komen er in verband met de kwesties van toezicht en controle ook nog speciale prestaties van de bankensector op de politieke agenda. De leidende Europese mogendheid oppert het gezichtspunt van wie de rendementen eigenlijk zijn die de banken met de vermogens van hun inleggers behalen. De desbetreffende regelingsvraagstukken raken de reikwijdte van de nationale belastingssoevereiniteiten, de vrijheden die de staten hun geldelites qua vermogensbeheer toestaan; hetgeen sommige van hen het harde verwijt oplevert als “belastingsparadijzen” deugdzame burgers tot fraude te verleiden. Zulke zelfzuchtige praktijken moeten worden deactiveerd, en ook de kwesties omtrent dit onderwerp komen neer op het twistpunt waar ook alle andere kwesties om draaien: welke lidstaat uit de euro-club trekt zijn voordeel uit welke algemeen geldende overeenkomsten, die de leden vanwege de “soliditeit” van de bankzaken in principe unaniem goedkeuren. Met de gezamenlijke behandeling van al deze “inhoudelijke kwesties” staat dus onvermijdelijk de ultieme kwestie op de agenda: wie bindend voor alle anderen voorschrijft hoe de banken binnenkort op Europese schaal worden gecontroleerd.

*

Zo wordt het door de leden van de euro-zone alom gewaardeerde gemeenschappelijke verlangen naar een nieuwe rechtsgeldige controle op het bankenwezen tot strijdtoneel van hun concurrentie op het hoogste niveau. De staten voeren zich als argument aan, het gewicht dat ze in de schaal leggen als financiële en economische mogendheden, om de competentie op te eisen voor zowel het vaststellen van de richtlijnen als voor het definiëren van de procedures bij het toekomstige omgaan met het financiële kapitaal. Vanzelfsprekend heeft in deze edele wedstrijd die natie de beste “argumenten” die in Europa de onbetwist leidende, want grootste economische en financiële macht is. Tegen de wil van Duitsland is er in elk geval geen toezichtswezen over het financiële kapitaal op Europese schaal – dit is nog zo’n soort Europese consensus, namelijk een gegeven dat de concurrenten van Duitsland flink wat hoofdpijn bezorgt.

Uitvoerig in: Gegenstandpunkt 2-2013

Reacties zijn gesloten.