Met “Fair Trade” de wereld verbeteren

Uitbuiting in de Derde Wereld: een uitdaging voor de moraal van de westerse consument

1. Sinds de berichten over brandende of instortende textielfabrieken met talloze slachtoffers staan hongerloon en bovenmatige werkdruk aan de schandpaal. De consumenten in de centra van de mondiale markteconomie dienen te weten onder welke abominabele omstandigheden hun plunje wordt vervaardigd: “naaien en doodgaan voor het Westen”. En er wordt werkelijk geen detail verzwegen.

2. Voor zo min mogelijk loon het personeel zo veel mogelijk laten presteren: dit principe kent men hier te lande als normaliteit. Echter met extreem lage kosten maximale winsten behalen, dat laakt men in Bangladesh etc. als uitbuiting. Daarbij blijkt uit deze berichten dat de praktijk omtrent het “uitbestede naaiwerk” geen uitwas is, maar een extreem geval van de markteconomische regel. De “vereisten” ervan werpen licht op een globaal systeem van uitbuiting.

3. Als reden voor de weerzinwekkende productieomstandigheden in de Derde Wereld ontdekt onze kritische publieke opinie een soort “dat-laat-me-koud-houding van het Westen”; de ver van ons bed actieve ondernemingen verwijt ze stelselmatige “gewetenloze” uitbuiting – en verandert zo het systeemvraagstuk in een platitude van de moraal: er ontbreekt “verantwoordelijkheidsbesef”.

4. Uit de diagnose volgt de therapie: onbeperkte uitbuiting beperken! Maar wie moet dit doen? Hoog boven op de lijst van beperkers van het onbeperkte regime van de winst staan naast het beschaafde EU-kapitaal de voorbeeldige westerse verzorgingsstaten, die het werkvolk beschermen tegen het grofste. Op deze manier worden de daders als helpers aangeroepen (die wel een duwtje in de rug nodig hebben).

5. Zo belandt de therapie bij haar laatste instantie waar ze vanaf het begin heen wilde: de macht van de consument moet repareren wat de kapitalistische productiewijze aanricht. De leuzen van dit populaire initiatief luiden: “Fair trade” en “ethisch consumeren” – “sociaal verantwoorde” ondernemers belonen, “uitbuitingsbedrijven” bestraffen. Ongetwijfeld een uitermate constructieve kritiek: de consequentie verzachten zonder de oorzaken aan te tasten.

*

Een reëel bestaande absurditeit: de mensen met hun behoeften aan T-shirts en broeken worden als klanten van de profiterende ondernemingen verzocht de ergste gevolgen van de uitbuiting te lenigen. Hoe? Door hogere prijzen te betalen om zo bij de profiterende ondernemingen iets af te dingen op hun nietsontziende calculaties; doordat men ze met geld schadeloos stelt voor de kleine winstdaling die ze zich zouden moeten aandoen als ze hun personeel iets beter behandelen en betalen. Donaties – dit keer niet aan de armen maar aan de rijken, de veroorzakers van nijpende armoede, opdat die iets minder grof omspringen met de armen.

*

Een ding staat vast, en daarvan gaan de critici van de ellende in de “arme landen” ook uit: druk uitoefenen ter verbetering van de troosteloze toestanden, dat kunnen uitsluitend diegenen die de concerns de economische macht verschaffen waarmee deze in Bangladesh en elders zo meedogenloos te werk gaan. En dat, ook daarvan gaan de critici uit, zijn niet de machteloze hongerlijders daar ter plaatse maar de massa’s in de centra van de wereldeconomie.

Zoveel staat echter ook vast: in de hoedanigheid waarin deze massa’s door Derde Wereldgroepen en Fair-trade-activisten tot actie worden opgeroepen, namelijk in de hoedanigheid van koopkrachtige en koopbereide consumenten, zijn ze niet de producenten maar de aanhangsels van de macht van de ondernemingen die de mondiale markteconomie beheersen. En als mensen in loondienst die daadwerkelijk de economische macht van het mondiaal agerende kapitaal produceren en vermeerderen, dus ook verzwakken en overwinnen kunnen, als bron van de kapitalistische rijkdom worden de inwoners van de Eerste Wereld juist niet aangesproken.

Daarbij is dit de enige samenhang tussen de verschillende economische werelden, tussen de topprestatie-proletariërs hier en de “arbeidsslaven” daar: qua economische positie – en niet slechts via toevallige kooptransacties – zijn ze daadwerkelijk collega’s: personifieerde productiekracht die door de kapitalistische ondernemingen wordt aangewend, namelijk voor de groeiende macht van hun geld; in technisch geperfectioneerde vorm en navenant winstgevend hier; uiterst goedkoop en onder belabberde werkomstandigheden ook behoorlijk lucratief elders. Zowel hier als daar verrichten “werknemers” dienst voor een rijkdom die hier en daar met het respectievelijke gangbare instrumentarium optreedt als commandomacht, winst uit hen haalt en hun afhankelijkheid van het eigenbelang van het eigendom perpetueert. Dit laatste althans zo lang tot het dienstbare personeel, op wiens superprestaties de wereldwijde commandomacht van de “werkgevers” hoofdzakelijk berust, zich voorneemt met zijn arbeidskracht iets beters te beginnen en het gebruik ervan door mondiale kapitalisten te beëindigen. “Solidariteit met de arme naaisters” volgt daaruit dan vanzelf en is ook heel iets anders dan een holle (vakbonds)frase: een van zijn macht beroofd kapitaal kan ook de “armsten der armen” niet meer onder druk zetten.

*

Slotsom: wereldverbetering in de winkel loont

Misschien, heel weinig, voor “de naaister” in Bangladesh – indien voldoende goede mensen meedoen en ervoor zorgen dat zij daadwerkelijk iets krijgt van de verhoogde eindverkoopprijs. Waarschijnlijk, al iets meer, voor de onderneming die met hogere opbrengsten calculeren kan en voor haar winst geen goede mensen, maar managers nodig heeft. Vast wel voor de gemoedstoestand van de kleine radicale minderheid in de Eerste Wereld die de productieverhoudingen van de mondiale markteconomie weliswaar niet bepaalt, maar daarmee haar geweten belast en zich (mede)schuldig voelt: dat verbetert vermoedelijk de stemming.

In zijn geheel loont het in elk geval voor een mondiaal uitbuitingssysteem dat van de verontwaardigde critici niets ergers te vrezen heeft dan een prijstoeslag voor zijn duurzame financiering.

Uitvoerig in: Gegenstandpunkt 3-2013

Reacties zijn gesloten.