Honger en andere “rampen”

“In de ontwikkelingslanden worden toekomstig weliswaar meer agrarische producten geproduceerd, verhandeld en verbruikt, maar voedselschaarste en honger vormen desondanks een toenemend probleem… Wereldwijd lijdt een miljard mensen honger. Op lange termijn dreigt niet zozeer het gevaar dat er onvoldoende voedsel is als wel dat de armen er onvoldoende toegang toe hebben. Daarom moet de armoede verminderd worden en de economie groeien – daaraan kan in de ontwikkelingslanden de landbouw een bijdrage leveren”. (OECD: agricultural outlook 2009)

 Steeds meer levensmiddelen aan de ene kant – en tegelijkertijd is er een voedseltekort. Levensmiddelen zijn er ruim voorhanden, maar de hongerlijders ontberen iets cruciaals om hun honger aan te pakken: de toegang tot dit voedsel. Ze stoten blijkbaar op een barrière; eerst moeten ze aan geld zien te komen, dan krijgen ze iets te eten. Daaruit blijkt ten eerste: het doel van alle productie is niet de vervaardiging van goederen, die bijvoorbeeld de hongerlijders nodig hebben, maar het verdienen van geld; de rijkelijk geproduceerde materiële rijkdom bestaat enkel en alleen om verzilverd te worden. Ten tweede: het is dan ook deze dwang, deze alles beheersende doelstelling die de ellende in de markteconomie veroorzaakt. De deskundigen van de OECD noemen het geld echter niet geld, maar “toegang”. Daarin drukt zich enerzijds uit dat zij het als de vanzelfsprekendste zaak ter wereld beschouwen dat men zonder geld niets krijgt, dus geen “toegang” heeft; anderzijds gaat achter dit mooie woord schuil dat alles uitsluitend om geld draait. Ze zullen nooit van hun leven begrijpen dat het aan het geld ligt, d.w.z. aan de koppeling van elke productie aan het geld verdienen, dat de mensen hongeren; voor hen bestaat het hongerprobleem daarin dat de mensen geen geld hebben. Slechts ontbrekend geld verhindert dat de geproduceerde goederen daarheen komen waar ze dringend benodigd worden; zodra het er is, staat niets de “toegang” in de weg. Door deze bril bekeken, ligt de conclusie voor de hand: honger is geen gebrek aan voedsel, maar gebrek aan geld; de eerste behoefte van de armen luidt derhalve: een succesvolle geldeconomie! Meer dan een miljard hongerende mensen bewijst hoe onontbeerlijk een in geld gemeten economische groei is. De wereldwijde economische groei tijdens de laatste decennia heeft een reusachtig en groeiend aantal hongerlijders voortgebracht – en het enige probate middel daartegen is de wereldwijde economische groei.

 Daarmee staat natuurlijk vast wat de om haar efficiëntie en humaniteit geroemde markteconomie als oplossing voorschrijft: de hongerlijders krijgen – als ze geluk hebben – niet daardoor “toegang” tot voedsel dat ze het simpelweg produceren en eten, maar doordat ze (in de ontwikkelingslanden) er aan bijdragen landbouwproducten tot handelswaar te maken. Die moeten ze dan daarheen brengen waar de koopkracht thuis is, want alleen zo hebben ze de kans om geld te verdienen waarmee ze vervolgens voedsel kunnen kopen. Anders dan door economische groei kan men hen niet helpen.

 Zo buigt men zich markteconomisch over de kwestie van leven en overleven. Voor de professionele experts begint en eindigt economie met geld; ze kennen geen andere behoefte en geen ander product, geen ander vraagstuk en geen ander middel om problemen op te lossen. Onverschillig waar ze beginnen, het komt steeds weer neer op het afdraaien van dezelfde plaat: economische groei. Deze deskundigheid maakt zich uitsluitend zorgen over haar geldvermeerderingseconomie. Nog een typerend voorbeeld daarvoor, in dit geval uit de economieredactie van de FAZ (Frankfurter Algemeine Zeitung); ze verduidelijkt aan de hand van de recente Zuid-Oost-Aziatische natuurrampen in welke verhouding datgene wat “de economie” heet tot het overleven van de mensen staat:

“Het waren zwarte dagen voor de opkomende landen van Zuid-Oost-Azië: verwoestende regenstormen… meerdere aardbevingen… een tsunami… duizenden doden. De economie echter wordt door al deze rampen bijna niet geraakt; de rampen hebben nauwelijks invloed op de economische groei van de getroffen landen. ‘De economische gevolgen verbleken naast de menselijke tragiek’, vat het Internationaal Monetair Fonds de situatie samen.” (4.10.)

 De overlevingsproblemen van de mensen en “de economie” zijn twee volledig verschillende dingen. Wat “humanitaire rampen” in economisch opzicht zijn, valt altijd nog te bezien. In het gegeven geval “laat de menselijke tragiek de economische gevolgen verbleken”. De leden van de economieredactie willen niet inhumaan lijken en doen eerst hun menselijke plicht: ja, heel erg de vele doden… Dan komen ze ter zake en kunnen iets positiefs vermelden: de grootschalige vernietiging van levens en levensomstandigheden is weliswaar een ramp, maar uitsluitend voor het leven en niet voor de economie. Namelijk:

 “ Ik denk niet dat deze gelijktijdige shocks de heropleving van Azië zullen belemmeren, zegt Leong Wi Hu, econoom bij de bank Barclays Capital… Integendeel: in de regel stijgen na dergelijke rampen de aandelen van bouwbedrijven en cementproducenten omdat op een snellere of betere heropbouw gerekend wordt.”

 Wat betekenen dus – nuchter door de markteconomische bril bekeken – massaal optredende natuurrampen, bijvoorbeeld voor Indonesië of de Filippijnen? Goede vooruitzichten voor bouwbedrijven en speculanten op basis van verwoeste levensomstandigheden; anders uitgedrukt, in de woorden van Leong: “Ondanks alle tragiek van de slachtoffers kunnen dergelijke rampen positief uitwerken op het bruto nationaal product van een land.”

 Rampen? Dat hangt er maar vanaf.

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.