De economische groei

Diepe bezorgdheid alom: de groei blijft uit; de economie krimpt. De overheid acht reusachtige conjunctuurprogramma’s noodzakelijk opdat de economie weer op gang komt en “ons” met positieve groeicijfers verblijdt. Voldoende aanleiding om te vragen: wat is de economische groei en waarom is hij zo belangrijk? En vooral: wie is dit wij dat volgens politici en pers weer dringend groei nodig heeft?

De voorstanders van de markteconomie beweren dat het bijzondere voordeel ervan (dat ook de voormalige Oostblokstaten uiteindelijk overtuigd heeft) uit de omvangrijke voorziening met mooie en nuttige goederen bestaat, en daarvoor zou de groei onmisbaar zijn. Dan is de momenteel heersende bezorgdheid echter niet te begrijpen. Als het werkelijk om de beschikbaarstelling van voldoende nuttige goederen gaat – waar ligt het probleem? Vijf procent minder economische groei: dat zou ongeveer overeenkomen met de cijfers uit 2006, volgens algemene inschatting een goed jaar. Niemand had het toen over een gebrek aan computers, auto’s, dienstverleningen etc. En vermoedelijk zal niemand bestrijden dat men met dezelfde productie, als het werkelijk om goederenvoorziening zou gaan, ook 2009 behoorlijk zou kunnen rondkomen. Maar dat is uiteraard een nutteloze overweging.

Iedereen weet dat de economische groei waarover men wereldwijd bezorgd is niet uit de vermeerdering van bruikbare goederen bestaat, maar uit de toename van het bruto nationaal product; dat is het cruciale kencijfer. Daarin worden niet aantallen, kilos of calorieën opgeteld maar prijzen, en deze som, dus de optelling van geldsommen moet jaar in, jaar uit groeien. Daarbij gaat het kennelijk niet om goederen waarvan de mensheid kan worden voorzien, maar om waren. Voor de consumptie begint, moeten de waren worden betaald; het gaat niet om behoeftes of benodigdheden, maar om de beschikking over geld. De kapitalistische producent wil geld zien voordat hij afstand doet van zijn waren, en vanzelfsprekend moet de verkoop winst opleveren. De productie van goederen hangt er dus van af of ze als waren winstgevend op de markt kunnen worden verkocht, en wat een ondernemer produceert, vindt hij uitsluitend onder dit aspect belangrijk.

Deze onverschilligheid tegenover de nuttige eigenschappen van goederen blijkt overduidelijk als een ondernemer, omdat er elders meer winst te verwachten valt, de productie staakt en zijn kapitaal in andere sectoren investeert. Zelfs natuurrampen of verkeersongelukken kunnen de groei bevorderen omdat ze een kans bieden om zaken te doen: er wordt weliswaar waarde vernietigd, maar in plaats daarvan komen waren of dienstverleningen, nieuwe handelswaar van kapitalisten waarmee zij hun kapitaal vermeerderen en het bruto nationaal product laten groeien.

De kapitalisten zijn de hoofdrolspelers en representanten van hetgene dat in deze samenleving rijkdom is: niet de opeenhoping van nuttige goederen, maar het geld waarvoor deze goederen worden verkocht. Het gehele maatschappelijke bestaan – de bevrediging van alle mogelijke behoeftes – is onderworpen aan de privé-macht van het geld en dient de doelstelling ervan: van geld meer geld te maken. Het geld dat de gewone mens op zak heeft, is er en volstaat (als hij geluk heeft) om de waren te kopen die hij nodig heeft voor zijn bestaan – zijn geld belandt met ijzeren regelmaat bij de ondernemer die de waren geproduceerd heeft. Als het terugstromende geld diens investering vermeerdert, gaat hij door met zijn productie, anders niet.

Anders uitgedrukt: een kapitalist produceert uitsluitend met de doelstelling zijn kapitaal te vergroten; of en in welke mate goederen vervaardigd worden, hangt ervan af of ze geschikt zijn voor de kapitaalvermeerdering. En nog anders uitgedrukt: de boven nutteloos genoemde overweging dat de samenleving met de productie uit 2006 toch behoorlijk goed zou kunnen rondkomen, is voor een kapitalist een pure absurditeit: daarmee zou hij zijn doel helemaal niet bereiken, in tegendeel: als zijn kapitaal zich niet vermeerdert, betekent dat voor hem hetzelfde als kapitaalvernietiging.

Juist dat gebeurt tijdens de crisis en het gaat logischerwijs gepaard met een nog extremere absurditeit: hij beschikt over te veel, dus onverkoopbare waren, en dat is zijn cruciaal probleem: het kapitaal dat hij geïnvesteerd heeft, vermeerdert zich niet, dus ook daarvan heeft hij te veel. Natuurlijk wil hij deze waren niet simpelweg wegschenken. Hij gaat met zijn probleem – de meeste andere maatschappijleden zouden blij zijn met gratis waren, dus goederen – anders om: hij houdt de waren onverkocht op voorraad, neemt dus een kwaliteitsverlies op de koop toe; of hij verlaagt de prijzen, wat echter slechts een noodoplossing is; vandaar dat hij minder produceert of de productie helemaal staakt. Hij maakt dus de reeds geproduceerde rijkdom onbruikbaar en stelt de bronnen van rijkdom buiten werking omdat ze zich niet waarmaken als bronnen van geld. Daaruit volgt dat er ook te veel werk bestaat, namelijk in de gestalte van werknemers die voor de warenproductie niet meer nodig zijn en daarom hun levensonderhoud kwijtraken. Om op de geciteerde bewering van de voorstanders van de markteconomie terug te komen: het is niet alleen onwaar dat de groei voor de best mogelijke voorziening noodzakelijk is – in de crisis komt aan het licht dat de groei zelfs in strijd is met deze beweerde goederenvoorziening.

Momenteel heerst er crisis; voor de arbeidskracht behelst dat echter alleen maar dat de gewone kapitalistische eisen nu – ter overwinning van de crisis – nog nadrukkelijker gelden: lage lonen, flexibele werktijden, arbeidstijdverkorting, ontslag van flexwerkers etc. kortom: het bekende kapitalistische eisenpakket. In het belang van de groei moet men zijn eigen wensen en belangen op de achtergrond plaatsen. Er wordt bescheidenheid geëist opdat de economie vooruitkomt, de “welvaart voor iedereen” is identiek met het afzien van de eigen welvaart.

Bescheidenheid als uitgevoerde dwang en opgeëiste deugd: als na de crisis de “opleving” komt, is die in geen geval verenigbaar met looneisen. En als de economie echt boomt en de prijzen algemeen stijgen dan beginnen werkgeversorganisaties en economische experts een waar trommelvuur: die ene prijs, namelijk het loon, mag onder geen beding stijgen want dat zou de prachtige boom bedreigen, en de centrale bank levert bovendien het extra argument “loon- prijsspiraal”: als met de algemeen stijgenden prijzen ook nog het loon stijgt, dan zijn de prijzen quasi gedwongen om nog meer te stijgen – dus als men als werknemer verschoond wil blijven van stijgende prijzen moet men zijn eigen prijs laag houden. Voor alle fases van de groei geldt dus de grondregel: “terughoudendheid op het gebied van loon”. En in alle fases van de groei wordt steeds dezelfde reden genoemd voor de bescheidenheid van de loonafhankelijken: alleen zo wordt de werkgelegenheid gewaarborgd! Een veelzeggende bekentenis: als de loonafhankelijken van de groei iets kunnen verwachten, dan is het uitsluitend werkgelegenheid. Daaruit bestaat hun “welvaart voor iedereen”, en daarvoor moeten zij voortdurend terughoudendheid aan de dag leggen. Samengevat: tijdens alle economische fases, conjunctuur en crisis, mogen ze blij en tevreden zijn met werkgelegenheid, en in deze troosteloze rol hebben zij zich dan ook te schikken: als afhankelijke variabele van de calculerende kapitalisten die de werkgelegenheid immers ter beschikking stellen.

P.S.

Een zeer eenzijdige en vervalsende voorstelling van zaken, zullen de aanhangers van de markteconomie zeggen. Beperkte loonstijging, afhankelijkheid van werkgelegenheid, ongetwijfeld, en de “welvaart” is misschien niet bovenmatig groot – maar de levensstandaard van deze bevolkingsgroep is toch in de laatste decennia wel degelijk gestegen. Dit feit zou te danken zijn aan het zogeheten “trickle down-effect”: iets van de rijkdom druppelt of sijpelt van boven naar beneden. Als men – door de ogen te sluiten voor de werkelijke sociale toestanden – het waarheidsgehalte verondersteld, bevat deze bewering twee interessante mededelingen: ten eerste is de maatstaf steeds de armoede van gisteren, en als er een verbetering optreedt, mag men van geluk spreken; als maatstaf komt natuurlijk niet de behoefte in aanmerking, dus welke van de mooie goederen, die er nu eenmaal zijn, men nodig heeft. Ten tweede, en daarbij passend, moet men dus zonder meer goedvinden dat de rijken steeds rijker worden en de veel beklaagde “kloof tussen arm en rijk” steeds groter wordt, want uitsluitend zo kan men – ongelofelijk! – op (meerdere) druppels van boven hopen. Ook een manier de “afhankelijke variabele” te troosten.

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.