WIJ: een hele natie in een klein woord

“Wij” hebben werkelijk zorgen. Met de Russen bijvoorbeeld: of “onze” partner Putin betrouwbaar blijft en de pipelines openhoudt. Elders staan de zaken er veel beter voor. In Amerika en vooral in Europa; daar hebben “wij” namelijk echte vrienden. Maar ook bij hen moet “onze minister van Buitenlandse Zaken” een oogje in’t zeil houden: wil Madrid zijn gelegaliseerde illegalen bij “ons” kwijt, zijn Warschau’s Polen voor “ons” een zegen of een vloek? Wat het nabije en verre oosten betreft zijn “onze” betrekkingen beslist precair. De islamitische Arabier heeft een volksziel die nooit rust geeft. De Chinezen zijn Aziaten, vlijtig als mieren, en nog steeds halve communisten die met hun goedkope rommel “onze economie” lastig blijven vallen. Hoe moeten “wij ons” opstellen in deze dynamische internationale omgeving? Oorlog of opbouw of omgekeerd, “wij” zijn in ieder geval bevoegd. Waarheen men kijkt – van Afghanistan tot Zimbabwe – vrienden, vijanden, problemen, obstakels, zorgen, voor- en tegenspoed. Voor wie? Voor “ons” uiteraard. Maar niet wanhopen, “wij” vrezen God en niemand anders ter wereld. Wat een onschuldig persoonlijk voornaamwoord toch alles teweegbrengen kan. In de 1. persoon meervoud sluit het – politiek correct gebruikt – de klassen tot volk en het volk met zijn leiders in een lettergreep tot een nationaal collectief van “Nederlanders” samen. Het verbaast niet dat politici in elke levenssituatie deze grammaticale basisfiguur in de mond nemen. In de “wij-vorm” is elk nog zo vervelend offer dat zij vragen - voor de conjunctuur, voor het klimaat…- terloops en vanzelfsprekend in het belang van “ons allemaal”, dit taalmonument doet alle verschillen en tegenstellingen verdwijnen. Of er werkplekken zijn om loon te verdienen, winst te maken of belastingen op te leveren – maakt niets uit; “wij” hebben meer werkgelegenheid nodig, rendabele vanzelfsprekend. Er zijn misschien verschillende manieren om dit verlangen te bevredigen, bevredigd worden moet “ons aller belang” in ieder geval. De schatkist toont jaarlijks nieuwe gaten. Waarom? “Wij” hebben “ons” te veel veroorloofd. Dus glashelder: “wij” moeten de gaten dichten en de luxe vergeten, om te beginnen de luxe van sociale voorzieningen. De brutaal omarmde onderdanen voelen zich door deze huichelarij allerminst beledigd, integendeel: ook zij gebruiken voortdurend de term “wij”, en de dwanggemeenschap die zij gehoorzamen moeten, verandert in een gemeenschap die zij willen. Middels hun moraal komen zij uit voor de heerschappij aan wie zij onderworpen zijn. Zo worden volwassen mensen in het nationale “wij samen” ingeburgerd en tot privé-ambassadeurs van de natie geschoold – en zij hebben er (wellicht) geen flauw vermoeden van dat zij ergens aan meedoen dat op geen enkele wijze hun zaak is. Dit populaire “wij” is uiteraard trots op zijn vaderland dat altijd al zo’n voortreffelijk “wij” heeft voortgebracht. Wetenschappers en ontdekkers, calvinisten en kunstenaars, het vaderlandse verleden wemelt van personen wier persoonlijke, hoogst individuele prestaties aanleiding tot nationale collectieve trots geven, een eersteklasabsurditeit en vaste gewoonte in alle cultuurnaties - waarlijk een treffende naam. Eigen lof stinkt, behalve als het vaderland geprezen wordt, met welke canon of in welk Nationaal Historisch Museum dan ook; geen moeilijke klus voor beroeps- en hobbyhistorici om uit een conglomeraat van kunst, kauwgum, cultuur, keuken, kapitalisme, christendom een volkskarakter te knutselen. Een mens zonder nationale identiteit is incompleet want, in de woorden van de publieke patriottische propaganda: “Vaderlands gevoel geeft richting” (Volkskrant 22.12.07); waartoe en waarheen is geen raadsel; alles wat glanst was weliswaar niet van goud, maar de Gouden Eeuw maakt het poldermodel minder grijs enzovoort. De gehele Nederlandse natie, van links tot rechts, van hoog tot laag, is in de greep van trots, het “gevoel van zelfvoldaanheid” (van Dale), in uiteenlopende varianten maar unisono: “wij”; daarbij valt echter een verschil op: de politieke en culturele elite kan werkelijk trots zijn op een volk dat zich als volk gedraagt en zich volkomen thuis voelt in een echte, oorspronkelijke traditierijke wij-waardegemeenschap, in plaats van de simpele waarheid te onderkennen: het beminde vaderland is niets anders dan, ouderwets uitgedrukt, een klassenmaatschappij met allerlei lastige rechten en plichten. In tegenstelling tot de “wij” zeggende trotse “bovenlaag” maken zij, de armere onderdanen, tot hun eigen schade een zware vergissing en grove fout als zij hun benard bestaan, loonarbeid en kapitaal, armoede en rijkdom, prachtwijken en achterstandswijken tot bijzaak verklaren en trots zijn op Cruiff en Wolkers, Marijnissen en Verdonk, het oranje-elftal en Erasmus, en zich schamen voor bijvoorbeeld de slavenhandel of het koloniale verleden. Met die onzin kunnen zij beter vandaag dan morgen ophouden, want “wij”, het volk, is een verschrikkelijke abstractie.

Uitgebreid verklaard in: Het volk: een verschrikkelijke abstractie

Laat een reactie achter

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.