Europese perspectieven voor het 7de crisisjaar

In het begin van het jaar 7 van de mondiale financiële crisis zijn de meningen weer eens sterk verdeeld: is ze reeds overwonnen, tenminste binnenkort en zo goed als, of nog lang niet voorbij? Elke kant heeft zo zijn eigen gezichtspunten; de ene kant addeert positieve groeicijfers, hoe laag dan ook, voegt de vertraging van de krimp van naburige economieën toe en leidt daaruit een nieuwe opbloei af. De andere kant voorspelt een verdere achteruitgang van het economische leven in de belangrijkste landen, voorziet toenemende problemen met waardeloze staatsschulden en vreest de noodzaak van nieuwe precaire schuldsaneringen in het bijzonder binnen de muntunie. Dat vooral de verantwoordelijke regeringen “licht aan het eind van de tunnel” zien, de naar regeringsmacht strevende oppositiepartijen daarentegen de succesberichten als rooskleurige voorstelling ontmaskeren, maakt deel uit van de democratische cultuur en werpt licht op de verhouding tussen inzicht en interesse in het rijk van de vrije markteconomie.

1.

Waar ook de om hun onberispelijke objectiviteit bekende deskundigen in hun controversiële standpunten weinig aandacht aan besteden, dat betreft de door het crisisbeleid tot stand gebrachte niet bepaald onbelangrijke voortgang inzake economische gesteldheid van de rijkdom, die te vermeerderen in Europa en elders de hoofdzaak is. Dat van staatswege en door de bevoegde centrale banken buitensporig veel geld werd geschept dat deze rijkdom definitief representeert, dit feit wordt wel degelijk waargenomen, als onvermijdelijke noodmaatregel gebillijkt en met het oog op eventuele inflationistische consequenties geproblematiseerd. Weinig aandacht krijgt daarbij de prestatie zelf die men zowel aanvaardbaar als riskant acht. Als ware het niet bijzonder vermeldenswaard dat de geldsommen – die het vermogen van de natie, namelijk alles wat haar economie vermag, niet alleen becijferen, maar waaruit het reëel bestaat en waarmee het actief is – in hun absoluut en vooral relatief enorm gegroeide omvang allesbehalve kapitalistisch productief aangewend vermogen zijn, maar niets anders representeren dan de macht van de overheid die de gelding van het in haar opdracht geschepte geld decreteert. Zonder decreet van staatswege is er weliswaar ook anders nooit een geldig “wettig betaalmiddel”, dat zegt immers al zijn denominatie en de nationale – in het geval van de euro supranationale – naam bevestigt het. Maar onder reguliere kapitalistische omstandigheden is zo’n betaalmiddel kapitalistisch gecreëerd, in omloop gebracht productief krediet; weliswaar schulden, maar tevens daarmee op gang gebrachte zaken, gerechtvaardigd door opbrengsten die het kapitalistische vermogen van de natie hoogstwaarschijnlijk laten groeien. Daarvan kan geen sprake zijn bij de per decreet gecreëerde geldsommen waarmee de leidende naties van de wereldeconomie hun bankensector zijn bankroet afgekocht en het pure voortbestaan van het kapitalistische systeem gefinancierd hebben. Ze zijn niets anders dan het substituut voor alomvattend falende kredieten en voor het nog helemaal niet toereikend op gang gekomen zakenleven, “gerechtvaardigd” uitsluitend door de macht die het staatsgezag heeft over het wettige betaalmiddel.

2.

De geldsoevereiniteit van de leidende economische mogendheden sorteert effect, zonder twijfel. Hetgeen de overheden scheppen en garanderen, is niet te onderscheiden van de omloopmiddelen die de commercieel succesvolle kredietschepping van een intacte bankensector representeren. Voor de circulaire zaken van de kredietbranche met de staten die hun begroting incluis de kosten van hun crisisbeleid financieren met leningen bij de uit de crisis geredde en vrijwel gratis van liquide middelen voorziene kredietinstellingen, wordt het rijkelijk gebruikt; de zakenwereld waar het op aankomt erkent in zoverre de schulden van de staten nog steeds principieel als bron van bruikbare kapitalistische vermogens. Het verschil tussen reguliere kapitalistische vermeerdering van rijkdom en het gedecredeerde substituut voor mislukte en verder mislukkende groei is daarmee echter niet verdwenen. Dat maken de “financiële markten”, die het per decreet geschepte geld graag gebruiken om aan staatsschulden te verdienen, ondubbelzinnig duidelijk doordat ze hun overheidsklanten uiterst kritisch beoordelen en hun macht om hun krediet te garanderen met hun rente-eisen vergelijkend becijferen.

3.

Waar deze markten zich van geval tot geval aan oriënteren met hun – dagelijks gemodificieerde – rente-eisen aan de staten die hun schulden als geldkapitaal willen laten circuleren, is één ding. De zaak die zij speculatief beoordelen is ten eerste de regering met betrekking tot haar onbetwistbare macht over haar vestigingsplaats en haar doorzettingsvermogen in de concurrentie tussen de politieke soevereinen, en ten tweede het in de concurrentie bewezen kapitalistische prestatievermogen van de natie die ze regeert. Juist daarmee voeren de staten hun concurrentiestrijd tegen elkaar: met de effectiviteit en de reikwijdte van hun macht en met de kapitalistische prestaties waar ze hun natie toe nopen.

4.

Zodoende hebben de Europese partnerstaten door het inmiddels 6 jaar durende crisisbeleid opmerkelijke tussenresultaten teweeggebracht. Krap de helft van hen is via de vermeerdering van haar schulden haar kredietwaardigheid kwijtgeraakt: de prijs ten eerste voor de nederlagen die zich onder het regime van het gemeenschappelijke kredietgeld jarenlang geaccumuleerd hebben; ten tweede voor de verzwakking van hun autonome macht door de overdracht van hun geldsoevereinteit aan een supranationale instelling, die expliciet gemachtigd en gehouden is de een of andere eis van de participerende nationale overheden niet na te komen. Duitsland en enkele partners hebben hun kredietmacht ondanks “exploderende” staatsschulden enorm versterkt; ten eerste en vooral dankzij de concurrentiesuccessen van hun kapitalisten. Vandaar dat de Duitse regering, ten tweede, voor haar kredietbehoefte het minste is aangewezen op de geldschepping van de ECB en zich in het belang van de stabiliteit van het door de ECB geëmitteerde kredietgeld sterk maakt voor zo groot mogelijke terughoudendheid bij het scheppen van liquiditeit voor de handel met de slecht gewaardeerde staatsobligaties van de zwakke partners; zo maakt ze de soliditeit van haar schulden geloofwaardig en verstevigt in ieder geval de afstand tot de Europese “bankroetstaten”, hetgeen de speculatie becijfert door gevarieerde rente-eisen aan de verschillende overheden in het eurogebied. Daarmee draagt Duitsland als economisch leidende mogendheid met intact eurokrediet echter ook de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de muntunie. Die neemt het door de partners die hun kredietwaardigheid kwijt zijn krediet te geven, dan wel de kredieten die ze voor het overleven van hun staat nodig hebben toonaangevend te garanderen. En met diepe politieke zuchten over de zware last die de Duitse natie daarmee op zich neemt, versterkt de Duitse regering haar macht over de van haar garanties afhankelijke partners zodanig dat die het nauwelijks of helemaal niet meer uithouden.

*

Wat dat betekent voor Duitsland, Spanje en Oostenrijk staat in Gegenstandpunkt 1-2013; in de uitgave 2-2013 worden Groot-Britannië, Italië en Cyprus behandeld; in Gegenstandpunkt 3-2013 staan de argumenten over Frankrijk dat op zijn eigen manier lijdt onder zijn (dreigend) machtsverlies.

Reacties zijn gesloten.