{"id":196,"date":"2011-04-08T18:38:31","date_gmt":"2011-04-08T17:38:31","guid":{"rendered":"http:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/?page_id=196"},"modified":"2011-04-08T18:40:52","modified_gmt":"2011-04-08T17:40:52","slug":"arbeid-en-rijkdom-vi-3","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/?page_id=196","title":{"rendered":"ARBEID en RIJKDOM III"},"content":{"rendered":"<p><!--[if gte mso 9]><xml>  <w:WordDocument>   <w:View>Normal<\/w:View>   <w:Zoom>0<\/w:Zoom>   <w:HyphenationZone>21<\/w:HyphenationZone>   <w:Compatibility>    <w:BreakWrappedTables\/>    <w:SnapToGridInCell\/>    <w:WrapTextWithPunct\/>    <w:UseAsianBreakRules\/>   <\/w:Compatibility>   <w:BrowserLevel>MicrosoftInternetExplorer4<\/w:BrowserLevel>  <\/w:WordDocument> <\/xml><![endif]--><!--[if gte mso 10]> \n\n<style>  \/* Style Definitions *\/  table.MsoNormalTable \t{mso-style-name:Standaardtabel; \tmso-tstyle-rowband-size:0; \tmso-tstyle-colband-size:0; \tmso-style-noshow:yes; \tmso-style-parent:\"\"; \tmso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; \tmso-para-margin:0cm; \tmso-para-margin-bottom:.0001pt; \tmso-pagination:widow-orphan; \tfont-size:10.0pt; \tfont-family:\"Times New Roman\";} <\/style>\n\n <![endif]--><\/p>\n<p align=\"center\" style=\"text-align: center\" class=\"MsoNormal\"><strong>III.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>Met de producten van de arbeid die ze laten verrichten, moeten de kapitalisten zich \u201cop de markt\u201d handhaven, dus de concurrentiestrijd om de koopkracht van de maatschappij tegen huns gelijken winnen. Hierdoor regelt zich de \u201cvoorziening\u201d van de \u201cconsumptiemaatschappij\u201d; omgekeerd bepaalt het markteconomische succes welke productie \u00fcberhaupt maatschappelijk noodzakelijk was.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>\u00a0De ondernemers maken de bron van hun rijkdom tot concurrentiemiddel doordat ze de productiviteit van de arbeid verhogen, om door verlaging van de loonstukkosten de productieprijs te reduceren en zo andere aanbieders te onderbieden en hun winsten op te strijken. De maatstaf voor de \u201ctechnische vooruitgang\u201ddie ze zodoende in de arbeidswereld introduceren, is het rekenkundige vergelijk tussen \u201carbeid\u201d en \u201ckapitaal\u201d als onderling uitwisselbare \u201ckostenfactoren\u201d: de inzet van kapitaal moet arbeidskosten besparen; hun dure verlaging stelt het concurrentiesucces veilig. In het kader van deze irrationele berekening, die niet-arbeid als bron van winst boekt, stuwt het kapitaal de productiviteit van de arbeid die het aanwendt naar nieuwe hoogte, maakt zijn werkelijke bron van rijkdom dus <em>effectiever<\/em> en <em>verkleint<\/em> die tegelijk; het behandelt zijn bron namelijk als een post waarop bezuinigd moet worden en vermindert zo de arbeidshoeveelheid die maatschappelijk noodzakelijk is en eigendom produceert; en het <em>belast <\/em>de arbeid aanzienlijk door deze te \u201cvervangen\u201d door toenemende investeringen: uitgerekend door minder arbeid moet meer kapitaal renderen.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>\u00a0Voor deze tegenstrijdigheden van zijn eigen productiewijze laat het kapitaal de loonafhankelijke mensen opdraaien. Die nemen \u00f3f als werklozen zonder inkomen deel aan de vooruitgang van de arbeidsproductiviteit, \u00f3f ze cre\u00ebren als aanhangsels van dure \u201carbeidsplaatsen\u201d reusachtige winsten, doen steeds grotere kapitaalmassa\u2019s circuleren en blijven daarbij met de som van hun loonstukkosten binnen de marges van de voor hun reproductie noodzakelijke arbeid.<\/strong><\/p>\n<p align=\"center\" style=\"text-align: center\" class=\"MsoNormal\"><strong>1.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Bij alles wat ze met de arbeid en hun arbeiders uithalen, beroepen de kapitalistische werkgevers zich op de concurrentie en haar dwangmatigheden. Daarbij is een principi\u00eble huichelarij in het spel: als iedereen die aan een wedstrijd meedoet, delen ook de ondernemers de doelstelling waar het om gaat in hun \u201ccompetitie\u201d \u2013 per slot van rekening concurreren ze niet om de hoofdprijs voor lastenverlichting en verrijking van hun \u201cmedewerkers\u201d, laat staan om het beste programma voor de planmatige vervulling van alle behoeftes. Wanneer ze ten bate van hun \u201cconcurrentievermogen\u201d hun werknemers pijnigen, wordt hen in elk geval niets opgedrongen dat hen tegenstaat of in strijd is met hun eigen economisch belang. Wanneer ze omgekeerd aan hun eigen belang \u201conderworpen\u201d zijn als aan een objectieve dwang waar ze op straffe van ondergang aan moeten voldoen, dan bewijst dat alleen maar dat geen enkel afwijkend gezichtspunt hun economische doelstellingen relativeert: naar de onvermijdelijke \u201cdwangmatigheden van de concurrentie\u201d verwijzend, beroepen ze zich op niets anders dan op de <em>algemene en exclusieve geldigheid van hun belang <\/em>in de markteconomie.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Misschien nog opmerkelijker dan hun verraderlijke huichelarij is echter de waarheid die de hoofdrolspelers van de concurrentie met hun generaal excuus bekennen: zodra ze doen wat ze krachtens hun eigendom kunnen, namelijk laten werken en hun vermogen vermeerderen, dan doen ze dat <em>tegen elkaar<\/em>. Waar <em>zij<\/em> over de productiviteit van de arbeid gebieden, worden de arbeidsproducten niet samengevoegd tot \u00e9\u00e9n grote hoop rijkdom, maar daar staan de respectievelijke zakensuccessen elkaar in de weg. De negatieve, buitensluitende macht van het eigendom richt zich niet enkel tegen degenen die geen eigendom hebben en daarom hun krachten tegen een kleine vergoeding ter beschikking moeten stellen. Het eigendom, als particuliere macht in staat zijn eigen vergroting te bewerkstelligen, richt zich, kapitalistisch toegepast, baatzuchtig op de cruciale economische groeivoorwaarde die alle andere warenproducenten eveneens nodig hebben.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Deze voorwaarde is het in de maatschappij voorhanden <em>geld<\/em>: de rijkdom in zijn maatschappelijk geldige abstracte en particuliere vorm. Die is in de priv\u00e9-sfeer van de eigen onderneming namelijk niet te <em>produceren<\/em>; die is slechts met behulp van de daar vervaardigde waren \u201cop de markt\u201d te <em>verdienen<\/em>. Pas de geslaagde verkoop bepaalt of \u00fcberhaupt en in welke mate de gehele warenproductie van nut was, namelijk via het verdiende geld bevorderlijk voor het eigendom. En <em>daarbij<\/em> staan de kapitalisten elkaar in de weg. Want voor deze laatste, belangrijkste stap van hun zakendoen willen en behoeven allen hetzelfde: de koopkracht van de maatschappij.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Dat resulteert niet alleen daar in wederzijdse buitensluiting waar meerdere ondernemingen dezelfde waren aanbieden. Waar voor geld geproduceerd wordt, waar omgekeerd het geld in kwantitatief beperkte omvang de mogelijke toegang tot alle goederen en genotmiddelen belichaamt, daar is alles commensurabel, de meest verschillende dingen worden alternatieven en elke warenproducent strijdt met zijn aanbod tegen alle anderen om de maatschappelijke koopkracht. Zeker, de concurrentie stimuleert ook het zakendoen; het groeisucces van de ene onderneming laat ook andere ondernemingen iets verdienen; tijdens algemene \u201cgroeifasen\u201d kunnen zelfs in totaal meer werkgelegenheid en koopkracht ontstaan. Het gebeuren genaamd \u201cmarkt\u201d raakt echter ook dan het buitensluitende karakter van het particuliere geld verdienen niet kwijt, integendeel: voor <em>hun eigen <\/em>ondernemingsgroei maken de concurrerende warenproducenten steeds grotere aanspraken op het geld van de maatschappij, volledig onafhankelijk ervan hoeveel inkomens ze cre\u00ebren en anderen laten verdienen. Ook als de statistische jaarbalans het een of ander procent economische groei vermeldt, zijn de vrije ondernemers geen onderlinge complementaire verhouding aangegaan, maar hebben tegen elkaar om de uitbreiding van <em>hun <\/em>afzet gestreden; hun tegenstelling ontstaat niet pas dan wanneer conjunctuuronderzoekers een algemene teruggang van het bedrijfsleven moeten constateren. Met hun antagonistisch belang aan dezelfde \u201cstof\u201d, de maatschappelijke koopkracht, vormen de kapitalistische ondernemers onderling en met de rest van de mensheid die hun producten nodig heeft een <em>maatschappelijke samenhang<\/em>.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Dit is de enige maatschappelijke relatie tussen zowel de uiteenlopende productietakken als tussen productie en consumptie die het regime van het eigendom toelaat en afdwingt. Wat er geproduceerd wordt en wat niet, welke behoeften bevredigd, welke genegeerd, welke \u00fcberhaupt eerst uitgevonden worden, daarover beslist het geld dat de klanten uitgeven en de concurrerende ondernemingen opeisen; de markteconomie kent geen ander criterium voor hetgeen in en voor de maatschappij noodzakelijk is. Dat betekent ook \u2013 ondanks alle ideologie\u00ebn over \u201cconsumentenmacht en -soevereiniteit\u201d \u2013 dat onder de heerschappij van het geld de productie niet ondergeschikt is aan de behoeften, laat staan aan een ten minste enigszins verstandig vastgestelde, naar prioriteit gerangschikte volgorde van de behoeften. Veeleer is alles wat de samenleving nodig heeft afhankelijk van de beschikking over geld gesorteerd, als koopkracht onder het verkoopbelang van de eigenaars gesubsumeerd en volgens het beoogde zakensucces gedefinieerd. 9) \u201cDe markt\u201d is de sfeer waar kapitalistische warenproducenten geld verdienen; hun concurrentie bepaalt met welke gebruiksgoederen de samenleving moet rondkomen en zich mag amuseren.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Omgekeerd bepaalt hun concurrentie wat de warenproductie van de verschillende ondernemingen voor het beoogde geld verdienen deugt en dus \u00fcberhaupt waard is. Teleurstellende verkoopcijfers maken de voorbije kapitalistische toe-eigening van de productiviteit van de arbeid weliswaar niet met terugwerkende kracht ongedaan \u2013 de geproduceerde goederen zijn er en zouden kunnen bijdragen aan de rijkdom van de maatschappij \u2013 maar volledig nutteloos: tot een verliesgevende zaak die de rijkdom in zijn maatschappelijk geldige vorm, namelijk kapitalistisch aangewend eigendom, vernietigt. Het is deze waanzin die onder verwijzing naar de \u201crisico\u2019s van de markt\u201d en de \u201cdwangmatigheden van de concurrentie\u201d als onbetwiste vanzelfsprekendheid aanvaard en goedgekeurd wil worden. De ondernemer die daarbij faalt, diskwalificeert zich, moet zich mismanagement of ergere misstappen laten verwijten en staat zelfs al gauw onder verdenking van economische criminaliteit \u2013 wat weliswaar slecht past bij de beweerde onafwendbare gevolgen van de dwangmatigheden van \u201cde markt\u201d, maar des te beter bij het partijdige geloof aan de plicht en het absolute recht van kapitalistische ondernemingen om succes te behalen; en vice versa: volgens dezelfde logica blijkt uit succes natuurlijk kundigheid. In al hun partijdigheid voor succesvolle zaken weten de aanhangers van de markteconomie in elk geval ook dat de concurrentie, die de ondernemers de wet van handelen voorschrift, tevens een zekere mate van vrijheid behelst: de macht over zakelijke middelen die zich min of meer doelmatig laat inzetten.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Wat kapitalistische ondernemers werkelijk kunnen doen voor hun succes inzake <em>geld verdienen <\/em>\u201cop de markt\u201d, dat doen ze op het gebied waar ze zeggenschap hebben: ze moeten <em>de<\/em> <em>warenproductie<\/em> zo organiseren dat ze zich met haar resultaten kunnen handhaven in de concurrentie. Deze concurrentiestrijd legt de maatstaven vast waaraan de in het bedrijf tot stand gebrachte arbeidsproductiviteit moet voldoen \u2013 de pure toe-eigening van de productiviteit van de arbeid door het eigendom is pas de eerste stap.<\/p>\n<p align=\"center\" style=\"text-align: center\" class=\"MsoNormal\"><strong>2.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>a) <\/strong>Als kapitalistische ondernemers hun product te gelde willen maken, stoten ze, als resultaat van de eerdere concurrentie, op de <em>marktprijs <\/em>waarvoor de waar normaliter wordt aangeboden. Daarmee ligt de <em>kostprijs <\/em>die ze voor de vervaardiging van een waar calculeren langs de meetlat. Want uit het verschil tussen de stukprijs die ze als uitgave berekenen en de verkoopprijs, gemultipliceerd met het werkelijk verkochte aantal stuks, resulteert de winst waar het uiteindelijk om gaat. Dat die stijgt als de kostprijs onder het gemiddelde ligt, en daalt als hij daarboven ligt, spreekt voor zich.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Met een behoorlijke winstmarge per stuk is het ondernemingsdoel echter nog niet bereikt: het gaat erom zo veel mogelijk te verkopen; dat levert naast de winstvoet immers de winstmassa op. Deze principieel onbeperkte behoefte aan afzet stoot, summa summarum, aan de grenzen van de geldsom die de klanten te besteden hebben \u2013 en bovendien voor hun uiteenlopende behoeften moeten indelen \u2013 maar de enkele warenproducent die zo veel mogelijk producten wil verzilveren, hoeft zich voor deze grens niet te interesseren. Hem zitten de andere verkopers dwars die eveneens koopkracht naar zich toetrekken, dus hem \u2013 zo rekent elke capabele ondernemer \u2013 mogelijke afzet en daarmee winst betwisten. Om dit obstakel voor het veroveren van vreemde marktaandelen uit de weg te ruimen, is er \u2013 reclame, omkoping en andere vormen van \u201cmarktbe\u00efnvloeding\u201d al inbegrepen \u2013 uiteindelijk maar \u00e9\u00e9n methode, namelijk de concurrenten te onderbieden. 10) Dat dit in strijd is met de beoogde winstverhoging ligt voor de hand. De doelstelling wordt slechts bereikt als het lukt de productie in het eigen bedrijf goedkoper te maken. Alle inspanningen van de kapitalistische warenproducenten richten zich dus op de verlaging van de productieprijs van de te verkopen waren.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Als dat lukt en de strijdprijs tegen de concurrentie op de markt ge\u00efntroduceerd is, wordt voor allen die zich nog kunnen handhaven en hun marktaandelen willen houden het nieuwe verlaagde prijsniveau tot bindend referentiepunt. Een nieuwe marktprijs is ontstaan waarmee elke producent zijn kostprijs moet vergelijken; zijn verlaging wordt de overlevings-voorwaarde van de onderneming. Het gevolg is echter dat de winstmarge uiteindelijk helemaal niet stijgt; en of in totaal door meer verkoop de winstmassa is toegenomen, is zeer de vraag. Maar wie van de concurrenten hoeveel verkoopt, is weer eens beslist; en elke betrokkene streeft ernaar dat deze beslissing in zijn voordeel uitvalt. De pogingen om de kostprijs te verlagen, houden dus nooit op, en elk succes is het begin van het volgende offensief.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>\u00a0b) <\/strong>Hierbij staan alle uitgavenposten van de kapitalistische balans voortdurend onder druk. Bij het alledaagse zakenleven van grotere concerns hoort bijvoorbeeld het chanteren van toeleveranciers om prijsreducties af te dwingen \u2013 de leveranciers moeten dan proberen ondanks verlaagde verkoopprijzen hun winstmarge te redden, wat al weer tot bedrijfsinterne kostenverlagingen leidt\u2026Bijzondere aandacht en behandeling krijgt echter altijd en overal de ene grote kostenfactor, de <em>prijs van de arbeid<\/em>; en dit om een gegronde reden. Hij heeft namelijk twee essenti\u00eble aangrijpingspunten.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Het eerste betreft de absolute hoogte van de betaalde loonsommen. Er zijn weliswaar CAO\u2019s die de wedstrijd van de werkgevers om het laagste loon aan banden leggen; maar alleen al de daarin gebruikelijke gecodificeerde verscheidenheid aan loongroepen biedt de mogelijkheid om door nieuwe \u201cfunctiewaarderingen\u201d het bedrijfsinterne loonniveau te verlagen. De toestemming van de ondernemingsraden die daarvoor meestal nodig is, is in principe altijd en naarmate de conjunctuur kwakkelt des te makkelijker te krijgen; desnoods ook voor het ontduiken of de eenduidige niet-inachtneming van CAO-voorschriften. Dat verlaagt het loonbestanddeel in de kostprijs van de waar, <em>de loonstukkosten<\/em>, lijkt dus op een verhoging van de arbeidsproductiviteit en is dit in zekere zin ook: het product kwam met lagere loonuitgaven tot stand.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Het technische \u201caspect\u201d van de arbeidsproductiviteit: het materi\u00eble effect van de ingezette arbeidshoeveelheid, is het andere en aanzienlijk lucratievere aangrijpingspunt in de strijd van het kapitaal tegen zijn loonkosten. Want met elke vooruitgang aan dit front daalt pas echt het loonaandeel in de productieprijs van de waar, de loonstukkost \u2013 als ware het personeel goedkoper geworden. En in feite is dat ook zo, namelijk volgens de berekening die de onderneming hierbij uitvoert en in praktijk brengt: ze rekent de effectiviteitsverhoging van de arbeid rechtstreeks om in de overtolligheid van de tot dan toe betaalde arbeidskrachten, dus in een daling van de loonkosten, beoordeelt de productiemiddelen aan de hand van dit rekenresultaat en laat haar investeringsbeslissingen daarvan afhangen.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">De economische logica van deze calculatie is opmerkelijk. Van de technische vooruitgang in materi\u00eble zin, de uitgekiende methoden ter verhoging van de productiviteit van de arbeid, de meesterlijke prestaties van de ingenieurskunst bij de automatisering van de productie etc. gaat ze uit, veronderstelt dus hun productietechnische doelmatigheid \u2013 om <em>daarvan te abstraheren <\/em>en zich uitsluitend met <em>twee cijfers<\/em> bezig te houden: ze becijfert de investeringskosten voor de effectiviteitsverhoging van de arbeid door nieuwe productiemiddelen \u2013 de geschatte functieduur van de aan te schaffen machines omgerekend op de enkele waar \u2013 opdat deze uitgave vergelijkbaar wordt met het andere cijfer: de loonkosten, die middels de investering worden bespaard door arbeidskrachten ontbeerlijk te maken, uitgedrukt in verlaagde loonstukkosten. Als het tweede cijfer groter is dan het eerste, gebiedt de economische \u201cratio\u201d een effectiviteitsverhoging van de arbeid: er wordt, zoals het heet, \u201cgerationaliseerd\u201d. Het beoogde doel is dus niet de verhoogde productiviteit van de arbeid als zodanig, maar de besparing van loonkosten; <em>dit<\/em> is de dienst die het kapitaal van de technische vooruitgang verwacht; zo definieert het \u00fcberhaupt wat \u201cverbetering van de productiemiddelen\u201d is.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">De kapitalistische ondernemer trekt daarmee een adequate consequentie uit zijn eigenaarsstandpunt volgens welke de arbeid, die hij betaalt, geheel en al gedefinieerd is door de prijs die hij daarvoor betaalt. Hij calculeert met de arbeid als kostenfactor die zich niet alleen met alle andere kosten van het bedrijf laat samentellen en met enkele posten prachtig laat vergelijken, maar die met bepaalde andere uitgavenposten, namelijk die voor investeringen, wiskundig te verrekenen en, zo de wiskunde het wil, ook zonder meer <em>in de praktijk te verruilen <\/em>valt. Natuurlijk, wat achter de balansposten voor investeringskosten per stuk etc. steekt, ten minste <em>dat<\/em> daarmee productiviteitsverhogende techniek wordt gekocht, moet de ondernemer wel weten; in zo verre zal het hem dus ook duidelijk zijn dat de menselijke werkzaamheid, die producten vervaardigt en daardoor eigendom produceert, niet identiek is met de benutte machinerie, hoewel hij beide betaalt. Dit verondersteld, onderscheidt hij echter noch tussen de arbeid en zijn prijs, noch tussen de techniek en zijn beschikking daarover. Hij telt niets anders na dan de loonkosten die hij besparen kan en heeft bij de vergelijking met de investeringsuitgaven weliswaar niet meer de materi\u00eble reden voor ogen waarom en in hoeverre machines en automaten de menselijke arbeidsinspanning reduceren, maar wel zijn doorslaggevende economische reden om dergelijke machines aan te schaffen. Hij rekent in alle ernst zo als profiteerde zijn zaak niet van de arbeid die hij <em>aanwendt<\/em>, maar van die waar hij op bezuinigt; als ware de productieve werkzaamheid die hij nog moet betalen niet zijn succesmiddel, maar een pure last op de balans: een nog niet gezuiverde post, een nog niet weggesaneerd restant van loonstukkosten, die in vergelijking met de enorme kosten voor productiviteitsverhogende machinerie te hoog uitvallen.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Het kapitaal kan zich deze dwaze berekening permitteren omdat ze exact overeenkomt met zijn belang. Het hoeft immers werkelijk niet te weten uit welke bron het zelf en zijn vermeerding afkomstig is. Voor zijn vermeerderings- en concurrentiebehoefte volstaat dat het zijn standpunten op het gebied van productiekostenverlaging in de praktijk brengt. Want met zijn geborneerde strijd tegen de kostenfactor loon volbrengt het weliswaar nooit het kunststuk middels <em>niet <\/em>betaalde lonen en <em>bespaarde<\/em> arbeid <em>meer winst <\/em>te behalen, maar de arbeid die het <em>aanwendt<\/em> maakt het juist zo tot geschikt middel voor zijn concurrentiestrijd. Wat natuurlijk niet helemaal hetzelfde is als een aanhoudend stijgende winst. De aangelegenheid heeft namelijk iets tegenstrijdigs.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>\u00a0c) <\/strong>Alle \u201carbeidsbesparende\u201d investeringen besparen loon omdat ze de aangewende arbeid productiever maken: het enkele product bevat steeds minder arbeid; per loonbetaling groeit de verkoopbare hoeveelheid waren. Dit verhoogt de winst per stuk zolang de onderneming de tot dan toe bestaande marktprijs incasseert. Maar daarvan blijft niet meer veel over wanneer het prijsvoordeel gebruikt wordt om de concurrentie te onderbieden; en een grotere winstmarge komt al helemaal niet tot stand wanneer een onderneming met haar productiekostenverlaging een dalende marktprijs achterna rent, die medeconcurrenten door dezelfde maatregelen hebben teweeggebracht. Tegelijk met de betaalde arbeidskosten reduceren de kapitalisten immers ook de verkoopprijs van de waren \u2013 en daarmee de winstverhoging waar het hen toch op aankomt. Een behoorlijk voordeel heeft enkel degene die erin slaagt concurrenten uit de markt te verdringen en hun afzet over te nemen; diegene behaalt werkelijk meer winst \u2013 ten koste van de verliezer. Want in totaal en voor iedereen groeit de mogelijkheid om winst te maken allerminst wanner door loonbesparing de stukprijs daalt: het succes van de een beperkt de succesmogelijkheid van de ander. De autonome pogingen van alle aanbieders om <em>zichzelf<\/em> in steeds grotere mate tegen elkaar te verrijken, vergroten niet de macht van <em>elk<\/em> productief ge\u00efnvesteerd eigendom om winst te behalen. Zo ondervinden de ondernemers uitgerekend door het buitensluitende karakter van hun winstbejag hun saamhorigheid, namelijk de <em>identiteit van hun bron van inkomsten<\/em>: als zelfstandige ondernemende priv\u00e9-eigenaars sluiten ze elkaar buiten van <em>de winst<\/em> die ieder van hen door de inzet van kapitaal <em>\u00fcberhaupt<\/em> kan behalen; als <em>concurrenten<\/em> beschikken ze in <em>hun <\/em>respectievelijke onderneming over <em>delen <\/em>van de winstgevend ingezette kapitalistische rijkdom. Zo <em>bestaat<\/em> de abstractie: <em>het kapitaal<\/em> \u2013 als bron van inkomsten waaraan alle ondernemers deel hebben en waarvan ze de eigenaardige tegenstrijdigheden in hun concurrentie in de praktijk brengen; hier deze tegenstrijdigheid: met de verhoging van de productiviteit van de arbeid daalt de opbrengst per waar, haar realiseerbare waarde.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Deze tegenstrijdigheid is het noodzakelijke gevolg van de strijd die de kapitalistische werkgevers omwille van hun concurrentievermogen tegen de loonkosten voeren. Zonder twijfel, hun opbrengst uit de betaalde arbeid stijgt: als met lagere loonstukkosten het verschil tussen stukkosten en marktprijs, dus de winst per waar ook maar ongeveer gelijk blijft, dan levert immers een kleinere loonsom de gelijke, een gegeven loonsom een grotere winst op. Daarmee hebben ze echter ook een zekere hoeveelheid van de arbeid wegbezuinigd die hen de mooie winsten verschaft \u2013 per waar, wat zowel uit haar verlaagde verkoopwaarde blijkt alsook uit de verkoopbare totale warenmassa waar alle concurrenten samen minder geld mee verdienen dan voorheen. Wanneer ze hun rijkdom zo daadkrachtig uit de loonbesparing afleiden, dan kunnen de kapitalisten nu eenmaal niet beide tegelijk hebben: <em>meer<\/em> opbrengst <em>uit<\/em> de arbeid <em>en meer<\/em> of ook maar gelijk veel <em>arbeid<\/em> die opbrengst levert.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Opdat er over dit punt geen misverstanden optreden: de ondernemers die sinds mensenheugenis fanatiek rationaliseren, wordt hier geen verkeerde strategie verweten \u2013 ze doen simpelweg hun \u201cjob\u201d. Ze doen die zo consequent dat juist door de vooruitgang die ze teweegbrengen al weer en tamelijk duidelijk de gespannen verhouding tussen de productiviteit van de arbeid, waarvan ze gebruik maken, en het winstbelang, waarvoor ze de arbeid aanwenden, aan het licht komt. Productievere arbeid betekent voor eens voor altijd en dus ook in het kapitalisme dat voor het enkele product \u2013 en voor het onderhoud van de gehele samenleving geldt hetzelfde \u2013 <em>minder arbeid noodzakelijk<\/em> is; <em>daaraan<\/em> verandert ook het kapitalistische eigendom niets dat uitsluitend op de <em>betaalde<\/em> arbeid staart en niets dan dalende loonkosten wil. Dit effect dat onder het aspect van gebruikswaarden, dus in de planeconomie zonder meer positief en in orde en precies zo bedoeld zou zijn, <em>botst <\/em>echter met het markteconomische belang van het kapitaal <em>zo veel mogelijk <\/em>te verkopen, dus voortdurend steeds meer spul te laten produceren en door \u201cde markt\u201d via betaling bevestigd te krijgen dat de voorhanden koopkracht juist daarop heeft gewacht; want dit belang eist nadrukkelijk <em>steeds meer arbeid <\/em>aan te wenden; natuurlijk: bevorderlijk voor het eigendom, dus afgestemd op de <em>concurrentie om winst<\/em>. En omdat kapitalisten in hun eigenschap als werkgevers doelbewust de loonkosten als factor ontdekken die het makkelijkst en het effectiefst te comprimeren valt, beperken ze nu eenmaal met hun antagonistisch winststreven de noodzakelijke arbeid waarvan ze nooit genoeg onder hun commando kunnen krijgen. 11)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Zo zetten ze een heilloze tegenstrijdigheid in hun verkeerde wereld waar de rijkdom niet uit de geproduceerde goederen bestaat maar uit het geldswaardige bezit daaraan, en waar dus de productie van rijkdom niet gemeten wordt in het materi\u00eble nut van de verrichte arbeid, maar in de pure arbeidshoeveelheid verminderd met het arbeidskwantum dat nodig is voor de productie van de tegenwaarde van de betaalde lonen: voor de vergroting van deze alles bepalende differentie is er geen effectiever middel dan uitgerekend de vermindering van de hoeveelheid arbeid die benodigd wordt voor de vervaardiging van een waar in het bijzonder en van verkoopbare waren in het algemeen. Of vice versa: de vermindering van de materi\u00eble arbeidsinspanning wordt door alle kapitalisten ingezet als <em>het<\/em> probate middel voor de vermeerdering van hun eigendom, waarvan de inhoud niet uit bijzondere producten maar uit de toe-eigening van arbeid \u00fcberhaupt bestaat. In hun drang de loonkosten te verlagen om hun eigendom sneller te vergroten, maken de helden van de markteconomie in een en dezelfde operatie de arbeid productiever en overbodiger; door betaalde arbeid weg te rationaliseren, zetten ze de bron van hun rijkdom aan tot <em>meer opbrengsten <\/em>en tegelijk <em>reduceren <\/em>ze hem.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\"><strong>\u00a0d) <\/strong>Het is een geluk voor de werkgevers dat ze anders rekenen. In hun calculatie met de winstverhogende uitwerkingen van een loonstukkostenverlaging kost het hen geen enkele moeite om winst per loon<em>kost <\/em>te berekenen, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben dat dan de winst wellicht ook <em>uit <\/em>de loon<em>arbeid <\/em>resulteert \u2013 op de een of andere wijze\u2026 In plaats daarvan zijn ze zo vrij hun winsten in verhouding tot elke willekeurige uitgavenpost te berekenen; dat is immers \u00fcberhaupt zowel het gezichts- en uitgangspunt van hun calculatie met de winstverhogende \u201cvervanging\u201d van loonkosten door kapitaalinvesteringen alsook de motivatie voor hun onvermoeibare rationaliseringsijver. Het eindpunt is de winstberekening van de onderneming die de behaalde winst aan de totale bedrijfsuitgaven meet en daaruit het bindende succescriterium vervaardigt: in verhouding tot de kosten van het gehele bedrijf moet de winst een \u201cconcurrentiebestendig\u201d percentage bereiken; anders heeft het hele gebeuren gefaald en de concurrentie om winst is verloren gegaan.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Wat deze \u201ckosten- en batenberekening\u201d aan de kostenzijde alles optelt, behelst twee eigenlijk volstrekt incommensurabele posten: bij de kosten voor minder arbeid die dankzij de verder ontwikkelde productiviteit meer winst heeft geleverd \u2013 genoteerd als verlaagde loonstukkosten \u2013 voegt ze de daarvoor gedane investeringsuitgaven, waaraan de verhoogde opbrengst uit de effectievere arbeid zich sterk relativeert. Uit de totaalsom die als noemer van het bedrijfssucces tot de vaststelling van de winstvoet van de onderneming \u00a0leidt, blijkt het \u2013 enigszins paradoxe \u2013 resultaat waartoe de onvermoeibare poging om \u201cdure\u201d lonen door \u201cgoedkoper\u201d kapitaal te \u201cvervangen\u201d consequenterwijze heeft geleid: <em>steeds meer uitgaven <\/em>zijn nodig om <em>steeds minder arbeid steeds winstgevender <\/em>te maken oftewel <em>op de steeds winstgevendere arbeid te bezuinigen<\/em>. In plaats van voortdurend meer winst af te werpen, hebben de opbrengst verhogende investeringen tot gevolg dat de <em>concurrentie om winst steeds duurder wordt<\/em>, zodat het resultaat waar toch alles op aankomt: <em>het rendement van de onderneming<\/em>, door de dure methoden voor zijn verhoging <em>beperkt<\/em> wordt. 13)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">De kapitalistische werkgevers trekken uit deze tegenstrijdigheid de enige systeemconforme conclusie. Vol eigen lof over hun generositeit waarmee ze hun mensen alleen maar het beste laten toekomen, en met een duidelijke ondertoon van bezwaar over ondankbare werknemers laten ze weten dat <em>concurrentiebestendige arbeidsplaatsen steeds duurder <\/em>worden. 14) En maken zo tevens duidelijk wie voor hun tegenstrijdigheid moet instaan: ze stellen aan de arbeid de voorwaarde alleen dan nog zijn loon waard te zijn als hij met zijn loonstukkosten de totale bedrijfsuitgaven rendabel maakt. Vanuit het ondernemersstandpunt een volkomen logische zaak: alle uitgaven hebben ze uitsluitend gedaan om arbeidskosten te besparen; dus moet uit de resterende arbeidskosten ook blijken dat deze uitgaven zich hebben geloond: door een aardig percentage dat de winst becijfert in verhouding tot het totale voorschot inclusief de investeringsuitgaven moet de nog benodigde arbeid zijn betaling rechtvaardigen. In een gangbare formule samengevat: <em>arbeid moet rendabel zijn \u2013 <\/em>anders wordt hij niet gebruikt.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Zo maken kapitalistische werkgevers de zelfgecre\u00eberde noden van hun kapitaalgroei tot voorwaarde van de loonarbeid. Dat is aan deze productie- en kostenfactor af te lezen.<\/p>\n<p align=\"center\" style=\"text-align: center\" class=\"MsoNormal\"><strong>3.<\/strong><\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Een ding staat bij voorbaat vast: van de technische vooruitgang die het kapitaal in de arbeidswereld introduceert, komt de loonarbeiders niets ten goede. Per slot van rekening is de kostenverlaging het doel en criterium van alle maatregelen waarmee de ondernemers de opbrengst van de arbeid vergroten. En dat betekent, alleen anders uitgedrukt: minder van de geproduceerde waarde die in de marktprijs van de waar haar maat heeft, gaat als loonstukkosten naar de arbeiders. Het is geen extra kwaadaardigheid, maar het principe van deze vooruitgang dat de verhoging van de \u201coutput\u201d de betaalde arbeidskrachten niet bereikt. Die blijven met de arbeid, die voor de bedrijfswinst noodzakelijk is, en met hun loonhoogte, die zich naar dezelfde noodzakelijkheid richt, buitengesloten van een steeds geweldiger rijkdom; het deel van de maatschappelijke rijkdom waar zij met hun in totaal betaalde loonstukkosten over beschikken, daalt met de groei van de productiviteit. Ze moeten wel massaal druk uitoefenen \u2013 en bovendien moet de universeel bevoegde toezichthouder, de staat, enkele van hun belangen goedkeuren \u2013 om tegelijk met de nieuwe maatschappelijke levensvoorwaarden ook nieuwe eigen levensnoodzakelijkheden erkend en vergoed te krijgen. Zo maken dan mettertijd steeds meer en andere goederen deel uit van de gemiddelde volkswelvaart, 15) zonder dat de loonarbeiders ooit van meer verzekerd zijn dan van hun reproductie: de kans om aan de veeleisende condities van een moderne arbeidsplaats te voldoen en daarbij ook nog als \u201cvolkslichaam\u201d fit te blijven om de eisen van staatswege na te komen. Het \u201crijk der vrijheid\u201d \u2013 namelijk het rijk van de rijkdom die de basisnoodzakelijkheden overstijgt \u2013 dat zich met elke productiviteitsverhoging voor de gehele maatschappij zou kunnen uitbreiden, behoort in feite aan het kapitalistische eigendom toe en wordt door zijn tegenstrijdige groeistrategie\u00ebn geregeerd.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Daarom zijn de op loondienst aangewezen mensen niet eens verzekerd van hun reproductie. De calculatie met de bespaarde loonkosten heeft namelijk, alleen nog iets anders uitgedrukt, ook deze betekenis: voor de warenwaarde die een werkgever tot stand laat brengen en verkopen kan, heeft hij minder betaalde arbeid nodig; ontslagen zijn het gevolg. De verslagen concurrenten kunnen al helemaal geen gebruik meer maken van betaalde arbeid; dus er worden nog meer mensen op straat gezet \u2013 die uiteraard niet ontslagen zijn uit de arbeidsdwang, d.w.z. de noodzaak om welke baan dan ook te \u201cvinden\u201d. Het resultaat is de absurde economische figuur van de werkloze. Absurd, omdat het feit dat zo veel mensen niet worden gebruikt, voortkomt uit de verworvenheid dat voor steeds meer goederenproductie steeds minder arbeidsmoeite en arbeidstijd noodzakelijk zijn, wat echter voor de ontslagen arbeiders geen verworvenheid is. Hun enige vrijheid bestaat uit de noodzaak opnieuw door een werkgever te <em>worden <\/em>gebruikt, wat niet alleen grammaticaal een passieve houding is en allesbehalve in hun macht ligt; en dat ook nog tegen de trend in die hen juist hun bron van inkomsten heeft gekost. Ze zijn aan een dwang onderworpen zonder hem te kunnen nakomen \u2013 behalve door de troosteloze poging, waartoe ze natuurlijk van alle kanten aangemoedigd en inderdaad ook gesommeerd moeten worden: zich aantrekkelijk te maken als vrijblijvend aanbod voor een eventuele vraag naar arbeidskrachten.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Wie wel werk heeft of vindt, mag van geluk spreken en aan zijn dure arbeidsplaats iets van de technische vooruitgang van nabij meemaken. Echter niet zo dat het werk makkelijker is en rustiger kan worden gedaan; hooguit de zware lichamelijke krachtsinspanning is uit het alledaagse industri\u00eble leven verbannen: wegens gebrek aan rentabiliteit. Daarvoor zijn dure machines in de plaats gekomen die heel eigen economische eisen aan het bedieningspersoneel stellen. De daarin ge\u00efnvesteerde sommen belasten de winstberekening van de onderneming namelijk hoe meer, hoe langer de machines nog niet afgeschreven zijn, dus nog niet via de verkoop van daarmee te producerende waren weer als geldsom beschikbaar zijn. Zolang dreigt hen zelfs een zeer achterbakse manier van waardeverlies: door concurrenten die met behulp van betere methodes al weer een lucratieve verlaging van de loonstukkosten bewerkstelligd hebben; want dan voldoet de aan de voorhanden machinerie verrichte arbeid niet langer aan de geldende rentabiliteitsverwachtingen en de productiemiddelen zelf verliezen met hun bruikbaarheid voor het ondernemingsdoel elke waarde. Snelle omloop van het ge\u00efnvesteerde kapitaal, luidt daarom de bedrijfseconomische imperatief, waaraan de arbeiders ten eerste door een verhoogd <em>arbeidstempo<\/em> moeten gehoor geven; als vanzelf past dan zelfs meer arbeid in een betaald arbeidsuur en de onderneming kan zich zowel over de versnelde omloop alsook over een verdere loonkostenverlaging verheugen. De andere complexe arbeidsdeugd die vooruitstrevende werkgevers hun personeel als \u201cobjectieve dwang\u201d opleggen omdat ze zelf aan de \u201cobjectieve dwang\u201d van de kostenbesparende kapitaalomloop onderhevig zijn, heet in de gangbare taal <em>flexibiliteit<\/em>. Ze betreft aan de ene kant de inhoud van de arbeid. Met de bestendigheid van vroegere \u201cberoepsprofielen\u201d heeft het werken al lang niets meer te maken; laat staan met een samenhang tussen geleerde vaardigheden en ge\u00ebiste werkzaamheden die de zogenaamde beroepsopleiding fingeert. In de voortdurend omgevormde \u201cjob\u201d is de abstractheid van de waarde producerende arbeid het concrete alledaagse arbeidspatroon. Hetzelfde geldt voor de arbeidstijd: de duur, de verdeling over dag, week en jaar, de wisseling tussen vrije tijd, dienst en beschikbaarheid \u2013 dat alles resulteert uit de machinelooptijden die ten eerste geen onderbrekingen op grond van werknemersbelangen dulden en ten tweede altijd juist dan moeten worden onderbroken wanneer het nuttig lijkt voor zo belangrijke calculatieposten als ordepositie, verkoopconjunctuur, voorraadbeheer etc.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">De aanpassingsdwang die de managers van de hedendaagse arbeidswereld organiseren, treft op een extreem grote aanpassingsbereidheid. Natuurlijk niet omdat postmoderne werknemers zich altijd al een bestaan als aanhangsel van machines hebben gewenst, maar omdat ze van oudsher dezelfde calculatie maken; niet op grond van een vorstelijke betaling, maar om de tegenovergestelde reden: het geld is nooit genoeg. De loonstukkostenverlaging, het voornaamste kapitalistische gebod, laat haar sporen achter op het individueel verdiende loon, dat bovendien voortdurend op het spel staat. Het verdiende geld krimpt wanneer de overheid haar deel opeist; en het krimpt hoe meer hoe kleiner de totale maatschappelijk opgetelde loonsom uitvalt waar de fiscus op toegrijpt en waaruit de sociale politiek \u2013 vooralsnog \u2013 een bepaald bestaansminimum voor steeds meer werklozen financiert. Particuliere financi\u00eble noden maken dus deel uit van de levensstandaard, zodat de getroffenen zich permanent genoodzaakt zien om hun bron van inkomsten een extra vergoeding te ontworstelen \u2013 of ten minste, zelfs voor de prijs van verdere offers, een stukje \u201cwerkgarantie\u201d. Zo stabiliseert de <em>onbruikbaarheid<\/em> van het loonsysteem als bestaansmiddel voor de loonarbeiders hun bereidheid om hun eigen inspanning, de inzet van tijd, kracht en gezondheid \u2013 immers de essenti\u00eble bestanddelen van de gebruikswaarde die het leven voor de mensen zelf heeft \u2013 al van meet af aan helemaal niet als inspanning, maar als degelijk eigen bestaansmiddel te beschouwen.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Een werkelijke gebruikswaarde heeft de arbeidskracht dus enkel voor de werkgever die loon betaalt. In diens concurrentiestrijd wordt ze ingezet alsof het aan de loonarbeiders zou liggen, uiteindelijk aan hun inlevering van extra toeslagen en hun beschikbaarheid voor zondagdiensten, of deze strijd, die uiteraard altijd om \u201cwerkgelegenheid\u201d draait, gewonnen of verloren wordt; daarbij hebben ze behalve hun bruikbare arbeidskracht helemaal niets in te brengen, laat staan te beslissen. Alle vrijheid om de loonarbeid, de bron van elk eigendom, als adequaat concurrentiemiddel aan te wenden, ligt bij de ondernemers. Hun desbetreffende eisen groeien met de ingezette middelen.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">En die zijn interessanterwijze nog aanzienlijk groter dan alles wat kapitalistische<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">warenproducenten uit hun personeel halen.<\/p>\n<p align=\"center\" style=\"text-align: center\" class=\"MsoNormal\">*<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">9)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Als de deskundigen van de markteconomie het conjunctuurverloop opserveren, dan registreren ze de gevolgen van deze eenvoudige waarheid: het zijn geen erratische schommelingen van de publiekssmaak, laat staan verstandige beslissingen over maatschappelijke prioriteiten die tot wisselende condities van het algemene waren verkopen en geld verdienen leiden, maar naar eigen zeggen de onberekenbare resultaten van de concurrentie om steeds meer afzet. Dat deze concurrentie-inspanningen na expansiefasen onvermijdelijk tot algemeen bemerkbare teruggangen leiden en omgekeerd, heeft bij de wijze mannen van de wetenschap echter geen belangstelling gewekt voor het begrip van deze waanzin; in plaats daarvan houdt deze tak van wetenschappelijk onderzoek zich bezig met de ontwikkeling van wiskundige modellen van het onberekenbare, waaraan uitsluitend het standpunt ten grondslag ligt dat de wetenschap de kapitalistische maatschappij een kwantificerende prognose over haar eigen vrije economische activiteiten verschuldigd zou zijn.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">10)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">De markteconomische levenservaring dat de prijzen voornamelijk stijgen, en wel zo algemeen dat de enkele stijgingen zich laten optellen tot een inflatie-index, beschouwt hopelijk niemand als een tegenargument. De reden voor de algemene tendentie dat de kapitalistische producenten voor hun waren steeds meer vragen en ook betaald krijgen, is de onproductieve opblazing van de maatschappelijke koopkracht door de geldschepping van staatswege via de (om)weg van schulden maken, en wordt daarom ook door niemand verwisseld met een waardeverhoging van de aangeboden dingen, maar als waardeverlies van de wettige betaalmiddelen doorzien. Zolang de inflatie deel uitmaakt van het alledaagse economische leven zal de prijzenoorlog van de ondernemers zich dus doorgaans afspelen als concurrentie om de geringste prijsstijging.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">11)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Wat er aan arbeid noodzakelijk is om de mensen die in loondienst werken in leven te houden, kan voor de strijders tegen de kostenfactor loon nooit gering genoeg zijn. Dat impliceert dat de arbeiders beperkt blijven tot het levensnoodzakelijke: dalende loonstukkosten waarborgen dat de arbeid die voor de productie van de tegenwaarde van hun levensonderhoud nodig is parallel met de stijgende arbeidsproductiviteit richting nul tendeert. Dat is de keerzijde van de winstverhoging per loonsom die reeds ter sprake kwam, en enkele consequenties voor de loonarbeiders komen in punt 3 van dit hoofdstuk nog ter sprake. Een andere consequentie duidt zich echter hier al aan: de voor het onderhoud van de arbeiders \u201cnoodzakelijke arbeid\u201d is niet helemaal zonder betrekking tot de markteconomisch \u201cnoodzakelijke arbeid\u201d in de andere betekenis: de verkoop van een product bewijst dat de arbeid die voor zijn vervaardiging verricht werd \u201cmaatschappelijk noodzakelijk\u201d was, namelijk doordat de opbrengst de winst realiseert zonder die de arbeid immers voor niets, dus maatschappelijk overbodig is geweest. Het kapitalisme scheidt kennelijk beide betekenissen van \u201cnoodzakelijk\u201d zo fundamenteel mogelijk: wat er voor het onderhoud van de arbeiders nodig is, heeft schijnbaar uiterst weinig te maken met de noodzakelijkheden van het maatschappelijke leven die de kapitalisten met hun waren willen bedienen. Maar dat de kapitalisten steeds meer willen verkopen, terwijl ze tegelijkertijd de massa van hun samenleving afschepen met een met de loonkosten dalende fractie van de maatschappelijke rijkdom, dus van het beschikbare geld, dat vormt niet slechts voor de producenten van \u201cmassawaar\u201d een probleem, maar is in zeker opzicht in strijd met het streven van alle ondernemers voor meer afzet.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Deze tegenstrijdigheid begint ermee dat de reductie van de \u201cnoodzakelijke arbeid\u201d, die het arbeidsloon reproduceert, voor de kapitalisten een strijdmiddel in hun concurrentie is en daarom gepaard gaat met de reductie van de \u201cnoodzakelijke arbeid\u201d die de marktprijs te realiseren heeft; waaruit blijkt dat voor het kapitaal het mobiliseren en reduceren van zijn eigen bron identiek is. Dat kan natuurlijk niet goed gaan: de loonarbeiders doet deze tegenstrijdigheid \u00fcberhaupt niet goed.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">12)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Met \u201cwinstvoet\u201d is hier niet de noodzakelijke relatie tussen waardegrootheden \u2013 de verhouding tussen de meerwaarde en het totale aangewende kapitaal \u2013 bedoeld die Marx in het begrip van de winstvoet (Profitrate) bepaalt, maar slechts het resultaat van de kapitalistische breukberekening die de behaalde winst met de uitgaven vergelijkt \u2013 vaak wordt ook liever de omzet als vergelijkingspunt genomen om onder verwijzing naar een nietig percentage over te hoge lonen te klagen. De winstmarges die de kapitalistische producenten in hun onderlinge concurrentie behalen, zijn echter net zomin willekeurig als de marktprijzen waarvoor ze, een ieder voor zich, verkopen: in hun gemiddelde grootte en beweging doet de kapitalistische tegenstrijdigheid tussen de productiviteit van de arbeid en de uitgaven voor de verhoging ervan zich als regulatief gelden.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">13)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Met het re\u00eble socialisme is het weliswaar afgelopen; maar wie zich postuum voor zijn fouten interesseert, waarin essenti\u00eble absurditeiten van de markteconomie zich \u201cweerspiegelen\u201d, die zal in dit verband aan een bekend dogma van de re\u00ebel-socialistische planwetenschap denken. De tegenstrijdigheid die hier bedoeld wordt, ligt volgens het dogma in de natuur van de zaak, niet in het kapitalisme: omdat namelijk de technische effectiviteitsverhoging van de arbeid altijd een investering zou vereisen die uit de opbrengst van de gedane arbeid moest worden gehaald, dus de opbrengst zou verminderen en daardoor in strijd zou zijn met het beoogde effect \u2013 wat de planners en leiders veel creatief rekenwerk bezorgde\u2026 In feite hebben de re\u00eble socialisten zich met hun grondstelling van het tegenstrijdige karakter van de \u201cwetenschappelijk-technische-revolutie\u201d tot een absurditeit bekend die in het kapitalisme volstrekt zonder theorie en dogma geldt: daar, onder het regime van het eigendom, ontwikkelt zich de uiterst eenvoudige verhouding tussen doel en middel, tussen inzet van techniek en grootte van opbrengst tot een tegenstrijdigheid. De technische kant van de aangelegenheid als zodanig genomen, dus werkelijk planeconomisch bekeken, is het volkomen onzinnig de productie van gereedschap, machines en automaten als beperking van en in strijd met het daarmee bereikte resultaat, de verlichting van de arbeid, op te vatten \u2013 tenzij men zich de onzin permitteert met grote inspanning ondoelmatige arbeidsmiddelen te construeren. In het kapitalisme <em>zijn<\/em> investeringskosten een vermindering van de winst en moeten zich door <em>winstverhoging <\/em>rechtvaardigen. Als dit effect niet in voldoende mate optreedt, worden alle bestanddelen van de kostprijs opnieuw door de ondernemers kritisch beoordeeld \u2013 en de probate oplossing staat ook al vast: de bezuiniging op arbeidskosten is nog steeds niet voldoende geweest. Zo jaagt de tegenstrijdigheid die de kapitalistische calculatie met de \u201ctechnische vooruitgang\u201d teweegbrengt zich zelf voort. \u2013 En daarin wilden de re\u00eble socialisten het kapitalisme \u201cinhalen en voorbijstreven\u201d.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">14)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Dan weten de ondernemers met al hun arbeidsbesparende vooruitgang opeens precies, dat ze hun winsten toch niet te danken hebben aan de arbeid die ze niet meer laten verrichten.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">15)<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">Onder het patronaat van vakbonden en sociale wetgeving heeft de arbeidersklasse in de arbeidersvriendelijkste naties het van volkstuinhuurder tot autobezitter gebracht \u2013 zoveel ter illustratie van het hier betoogde principe.<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">\u00a9 Gegenstandpunkt Verlag, M\u00fcnchen<\/p>\n<p class=\"MsoNormal\">\n<p class=\"MsoNormal\">\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>III. Met de producten van de arbeid die ze laten verrichten, moeten de kapitalisten zich \u201cop de markt\u201d handhaven, dus de concurrentiestrijd om de koopkracht van de maatschappij tegen huns gelijken winnen. Hierdoor regelt zich de \u201cvoorziening\u201d van de \u201cconsumptiemaatschappij\u201d; omgekeerd bepaalt het markteconomische succes welke productie \u00fcberhaupt maatschappelijk noodzakelijk was. \u00a0De ondernemers maken de [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","template":"","meta":{"footnotes":""},"class_list":["post-196","page","type-page","status-publish","hentry"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/196","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=196"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/196\/revisions"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/arbeidenrijkdom.nl\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=196"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}