Duitslands aandeel aan Europas financiële crisis

maart 12, 2013

Van de D-Mark naar de euro en nooit meer terug

Duitslands aandeel aan de Europese financiële crisis en zijn imperialistisch belang aan haar oplossing

Het hoort bij de curiositeiten van het verenigde Europa dat geen euro-staat wil weten in hoeverre zijn nationaal kapitaal alsook hijzelf als machtige bevorderaar ervan heeft bijgedragen aan de overaccumulatie en de euro-crisis. Allen beschouwen zich met hun kapitalistische groeipogingen en -successen beurtelings als getroffenen: als slachtoffers – en wel van economisch wanbeleid.

Vanuit de Duitse optiek zijn het de “bankroet-staten” die zich met de licentie de euro als munt te mogen gebruiken, hebben geschikt in hun gebrekkige concurrentiekracht en, in plaats van economische groei te produceren als de bekwame buren, alleen maar meer schulden hebben opgehoopt. Met deze kijk op de dingen wordt echter over het hoofd gezien dat schulden, en al helemaal staatsschulden, niet bestaan zonder schuldeisers die krediet verstrekken om zich te verrijken. De gehekelde schulden staan elders op een balans als vermogenstitel: onlangs nog succesvolle, maar nu bedreigde financiële zaken met de kredietbehoeftes van Europese vestigingsplaatsen en staten. De rampzalige balansen van de euro-probleemstaten tonen tegelijkertijd het Duitse concurrentiesucces. Anderzijds blijken uit de politieke weerstand die deze landen aan de Duitse weg voor de euro-redding bieden ook de grenzen waarop het project van een voor de Duitse wereldmarktmacht bruikbaar, niet alleen economisch gedomineerd Europa stoot.

Met de voortgang van de euro-staatsschuldencrisis staat dus een cruciaal hoofdstuk van de staatsraison van de BRD op het spel.

En omgekeerd: andere staten wier nationale groei en statelijke kredietwaardigheid achteruitgaan, geven Duitsland de schuld voor hun aanhoudende misère: door Merkels weigering voor hun schulden met garanties in te staan en haar handhaving van strenge voorwaarden voor het euro-noodfonds verhindert Duitsland elke mogelijkheid om nationale groei aan te zwengelen en zwaait de scepter in Europa op bijna onuitstaanbare manier, zo de zienswijze – niet alleen – in Spanje en Italië. Daarmee wordt discreet verzwegen dat deze landen tot kortgeleden met hun deelname aan de euro en de Europese markt massaal financieel-kapitalistische speculaties hebben aangetrokken en succesvol hun nationale economische grenzen hebben verlegd – zodat ze nu het meest getroffen zijn door de financiële crisis en de politieke concurrentie om de nationale oplossing ervan. Nu lijden ze onder de verreikende afhankelijkheid en het verlies van soevereiniteit hetgeen de gemeenschappelijke munt en het Duitse crisisbeleid aan hen oplegt. Ook hun op Europa gebaseerde nationaal-economische succesweg stoot op grenzen en brengt de naties in beroering.

  • Duitslands bijdrage aan de overaccumulatie van de kapitalistische rijkdom in de EU

  • Duitslands aandeel aan de financiële crisis en aan haar ontwikkeling tot euro-staatsschuldencrisis

  • Duitslands EU- en euro-hervormingspolitiek: een sterk staaltje imperialisme

  • Kleine excurs over de militaire “dimensie” van de Duitse EU-politiek

uitvoerig in Gegenstandpunkt 1-2013

De Franse “Blitzkrieg” in Mali

En wat heeft dat met Mali te maken?

Dat de Franse president na de terugtocht van de islamisten uit de steden van Noord-Mali zich in Timboektoe liet huldigen als bevrijder, was voor journalistieke slimmeriken aanleiding voor twijfels of Frankrijk wel terecht de overwinning en het bereiken van zijn doelen in Mali verkondigt; ze hadden beter nota kunnen nemen van het cynisme en de imperialistische taaktoewijzing die de snelle beëindiging van de oorlog laat zien: Monsieur Hollande koestert niet de illusie dat de jihadisten en het gevaar dat van hen uitgaat op afzienbare termijn uit de weg geruimd zullen zijn – dit doel is toch al uitsluitend door het uitroeien van de strijders te halen, en door dergelijke imperialistische acties worden immers niet alleen velen van hen gedood, maar steeds ook nieuwe gecreëerd. Het orde-belang van de grote mogendheden in de Sahel is puur negatief.

Dat de staat Mali ook reeds vóór de opstand de grenzen met zijn soldaten nooit voldoende kon beveiligen en maar in beperkte mate een alomvattend geweldsmonopolie over het staatsgebied heeft uitgeoefend, hoorde bij de normaliteit van de meeste staten in deze regio. Ook de opstand in het noorden werd niet meteen gezien als een internationale affaire, alhoewel de grote mogendheden vanzelfsprekend elke machts- en staatsgreep in het oog houden en goed- of afkeuren. Volstrekt onacceptabel was het verval van Mali sinds tussen de secessionisten groepen domineren die gerekend worden tot Al Qaida en soortgelijke islamitische strijdformaties in de Maghreb. Pas door dit feit kwam de oorlog voor “het herstel van de territoriale integriteit van Mali” op de internationale agenda. Het door Frankrijk aangevraagde VN-mandaat beoogde een puur Afrikaanse interventiemacht die vanaf herfst 2013 gereed moest zijn. Pas toen de rebellen de herovering van het gebied vóór waren en naar het zuiden oprukten, had Frankrijk haast: verklaarde vijanden van het Westen mochten onder geen beding een gehele staat in handen krijgen en zodoende, hoe beperkt dan ook, de resources van hun macht vergroten.

Sinds de aanslagen op 11 september 2001 in New York neemt het Westen de niet-gouvernementele strijdgemeenschap van het gelovige islamitische anti-imperialisme serieus als uitdaging van zijn wereldorde. Ter vernietiging werden diverse coalities van gewillige NAVO- staten gesmeed en een heleboel officiële en inofficiële oorlogen gevoerd: men maakt jacht op de leiders en activisten waar men ze opspoort – van Irak (ná Saddam Hussein) tot Afghanistan, Pakistan, Yemen, Somalië etc. In Mali wisten de jihadisten gebruik te maken van een vervallen staat en de opstand van de Toeareg voor zich te benutten. En ze creëerden in de veroverde landstreek een toevluchtsoord waar ze zich in veiligheid kunnen brengen en van waaruit ze opnieuw kunnen opereren. Dat mag niet gebeuren, ze mogen nergens rust vinden.

Ten opzichte van deze taak faalt de staat Mali. Dat hij ook faalt ten opzichte van alle andere taken die normaliter bij staten horen, is voor de Franse interventiemacht niet zo belangrijk. Iets anders verwacht men van zo’n staat sowieso niet.

Volgens de VN-statistiek maakt Mali deel uit van de HIPC (Heavily Indebted Poor Countries, de groep arme landen met de hoogste schulden) als een land dat geïntegreerd is in de wereldeconomie – met schulden die het wel mag maken, die het echter niet kan aflossen uit zijn deviezeninkomsten. Inzoverre blijkt uit deze term zowel waar zo een land van leeft alsook dat het daarvan niet kan leven. Maar wat heet “een land leeft”? Bedoeld worden niet de inwoners die in ieder geval verschrikkelijk arm zijn als “hun land” arm is; bedoeld wordt de politieke macht die een grondgebied heeft waarvan het economische leven allerminst de financiële middelen oplevert die nodig zijn om de kosten van het geweldsmonopolie over het gehele land te dekken. De subsistentie-economie van de boeren in gebieden waar landbouw überhaupt mogelijk is, laat zich moeilijk fiscaliseren. Werkelijke inkomsten in internationaal bruikbaar geld verkrijgt de staat slechts via delving en uitvoer van goud en andere bodemschatten door buitenlandse concerns. En deze inkomsten volstaan nu eenmaal niet om de lopende kosten van het bewind te dekken en zijn schulden te betalen. Staat betekent derhalve in landen als Mali dat een heersende kliek de schaarse geldbronnen uitsluitend voor zich en haar aanhang bemachtigt. Hetgeen de politieke macht elders onderneemt om haar volk en grondgebied gebruiksklaar te maken en te ontwikkelen tot materiële basis en bron van rijkdom van de de staat, dat gebeurt in Mali kennelijk niet.

Uit de wereldeconomische rol van Mali en de calculaties van de toonaangevende mogendheden met dit land resulteert de situatie waar de islamisten van profiteren; daarmee bedreigen zij de uiterst ruim gedefinieerde westerse veiligheid: “een onaanvaardbare bedreiging nauwelijks 2500 km verwijderd van onze grenzen”. Daartegen helpt geen dreigement, maar uitsluitend oorlog.

Frankrijk ontfermt zich over de Europese veiligheidsproblemen die voortkomen uit het verval van Mali; niet over de problemen van Mali. Het bestrijdt de gevolgen die de erosie van Mali’s staatsmacht voor Europa heeft, niet deze erosie zelf en al helemaal niet de oorzaken ervan. Het helpt de staat Mali niet uit zijn status als zogeheten “failed state”, dus falende staat, maar gebruikt hem in juist deze toestand: daarvoor redt het de macht van de putsch-generaals en verdrijft de islamisten naar de woestijn. Daarbij weten alle kranten dat de Franse “Blitzkrieg” de dreiging natuurlijk niet beëindigt en dat de islamisten na de aftocht van de Fransen meteen terugkomen. De permanente taak de Jihad in Mali in bedwang te houden, schuiven Frankrijk en zijn Europese partners af op de machthebbers daar ter plaatse. Hun staat heeft als voornaamste taak zich te handhaven tegen de islamitische machtrivalen om zich zo nuttig te maken voor Europese veiligheidsbelangen. Hij heeft ermee te leven en eraan bij te dragen dat zijn noorden op onafzienbare tijd een schiettent is.

Daarvoor krijgt Mali (een beetje) geld, wapens en militaire trainers. Daarvoor dringen Europa en de VN bij de zuidelijke Sahara-landen aan op militaire coöperatie ondanks hun onderlinge tegenstellingen en vijandschappen: zij, die al voor het bedwingen van hun inheemse vijanden niet voldoende soldaten en geld kunnen aanwenden, dienen een paar nationale machtsmiddelen ter beschikking te stellen aan de buurlanden, indien die niet in staat zijn de islamitische opstanden de kop in te drukken. Bij al hun gebruikmaking van de machtselites van Mali en zijn buurlanden maken Frankrijk en het Westen zich geenszins afhankelijk van het prestatievermogen van deze figuren: Frankrijk blijft in Niger paraat met een sterk garnizoen, met vliegtuigen en zijn vreemdelingenlegioen. De VS richten in Niger een nieuwe basis op voor hun drone-oorlog. Ook dit niet met de verwachting of met de opdracht de islamitische bedreiging voorgoed uit de weg te ruimen en de regio te pacificeren, maar helemaal volgens de nieuwe oorlogstactiek van de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede in het Witte Huis: de VS trekken niet met eigen soldaten in de omstreden gebieden om daar orde te garanderen of zoiets als militaire stabiliteit, maar leggen zich erop toe het vijandelijke terrein vanuit onbereikbare hoogte te controleren en af en toe samenscholingen van vermeende islamisten met bommen te bestoken, de kiem van militaire infrastructuur te vernietigen en mensen om te brengen. Zo reduceren zij de activiteiten van hun vijanden tot een overlevingsstrijd en belemmeren hun militair actievermogen – als permanent programma.

Het Franse verzoek om versterking van zijn militaire missie in Mali krijgt ondertussen maar beperkt ondersteuning. Weliswaar wordt het Franse optreden in de Veiligheidsraad van de VN unaniem goedgekeurd en zijn bijzondere verantwoordelijkheid voor het francofone Afrika erkend. De materiële bijdragen van de imperialistische concurrenten stellen de Franse partner echter teleur.

Dat een land dat in de wereldpolitiek meepraten wil, meeschieten moet wanneer en waar dan ook met geweld orde wordt geschept, geldt weliswaar nog steeds. Maar dit is voor de imperialistische concurrenten helemaal geen reden om zich dienstbaar te stellen aan het militaire verwezenlijken van de Franse bevoegheid in deze regio.

Zo is Mali terloops voor de VS, voor Groot-Brittanië als voor Duitsland een passende gelegenheid om Frankrijk te demonstreren dat het niet de imperialistische status heeft de wereld de agenda voor te schrijven en alleen al door zijn optreden de aangelegenheid zo belangrijk te maken dat de anderen voor het alternatief staan, óf mee te doen óf in een belangrijke wereldpolitieke geweldskwestie irrelevant te zijn. De partners betwisten dus niet de leiding van Frankrijk, behandelen de zaak echter als zo onbeduidend dat daaruit gegarandeerd geen Franse machtstoename als leidende militaire mogendheid in de EU en de NAVO voortkomt.

Deze houding van de “wereldgemeenschap” wordt onderstreept door de conferentie van belanghebbende geverlanden die onlangs plaatsvond in Addis Abeba: zegge en schrijve 370 miljoen beloofde, maar nog lang niet uitbetaalde dollars werden er gemobiliseerd. Zo zeer de partners en concurrenten het vreemdelingenlegioen succes wensen bij de jacht op islamisten, zo weinig willen ze besteden aan de bescheiden bestaansbehoeften van de staat die nu deze jacht dient voort te zetten voor het Westen.

nader toegelicht in Gegenstandpunkt 1- 2013

Democratische onverbloemdheid uit de VS

januari 11, 2013

Wat een Amerikaan nodig heeft en wil

De burgers van “God’s own country” hebben de president gekozen. De verkiezingsstrijd was – zoals het de grootste en machtigste democratie betaamt – weer eens voorbeeldig. Niet wat betreft de klassieke manier waarop de kandidaten hebben getoond hoe zeer het toppunt van de democratische volkssoevereiniteit een aangelegenheid is van de georganiseerde geldmacht die de respectievelijke partijen kunnen inzetten voor hun propaganda-shows. Ook niet wat betreft de alle records brekende orgieën van politiek fundamentalisme, bigotterie, huichelarij en hatelijkheid die de Democratische en de Republikeinse kandidaat bezigden om uit te blinken danwel elkaar zwart te maken. Het is veeleer de karakteristieke Amerikaanse onverbloemdheid waarmee Obama en zijn Republikeinse uitdager hebben verduidelijkt wat de inhoud is van de democratische vrijheid die alle kiezers tijdens en tussen de verkiezingen in praktijk mogen brengen.

Die heeft in Amerika drie namen: “Jobs, jobs, jobs!

Een job – dat is het summum van de geleefde Amerikaanse vrijheid. Een job zoeken, vinden en daarin opgaan, is het recht van elke Amerikaan – al helemaal als er crisis is in het land. Zo zorgt hij voor zichzelf en voor alles wat hij belangrijk vindt: het met zijn job verdiende inkomen, maakt niet uit hoe hoog of laag het uitvalt, is zijn eigendom waar hij met zijn family van leeft. Afgezien van de bank die de afbetaling van zijn leningen eist, is hij de trotse bezitter van een uit eigen zak betaald home, zijn castle dat met zijn gun te verdedigen zijn grondwettig recht is.

Als zo’n autonome smeed van zijn happiness wordt hij door de presidentschapskandidaten aangesproken, en zij beloven hem met al de macht van het hoogste ambt ervoor te zullen zorgen dat de hardworking american ook de opportunities krijgt een job te zoeken om dan hard te werken en geld te verdienen. Een veelzeggende aankondiging.

Anders dan dat machtige mannen zich erover ontfermen is de privé autonomie van de vrije eigenaar blijkbaar niet te verwerkelijken. De verkiezingsstrijders richten zich met hun propaganda aan het kiezersvolk als een verzameling van onmachtige figuren, van hulpeloze sukkels, die ook en juist qua hun elementaire levensinhoud – de concurrentiestrijd om een baan zonder die in het rijk van de markteconomische vrijheid geen bestaan mogelijk is – volledig afhankelijk zijn van de voorwaarden die de politiek hen voorschotelt. “Voor jullie jobs hebben jullie mij als president nodig” – zo spreken Obama en Romney de adressaten van hun verkiezingscampagne aan: als afhankelijke objecten van overheidsbeslissingen die generlei zeggenschap hebben over de condities en middelen waar ze mee te maken krijgen in hun strijd om het bestaan. Hun levensomstandigheden worden geregeerd door machthebbers die beloven hun macht zo in te zetten dat de goede Amerikaan in zijn onmacht weer een perspectief heeft en er “jobs gecreëerd” worden – door bekwame Amerikaanse ondernemers. Dit is de tweede, evenzo fundamentele en omvattende afhankelijkheid waarop Obama en Romney hun publiek hebben gewezen: de gehele daadkrachtige aard die de Amerikanen in hun eigen ogen zo sympatiek maakt, leeft ervan dat ze zich voor de een of andere kapitalistische profiteur nuttig maken. Zonder een ondernemer die hem voor zijn business gebruiken kan, heeft de Amerikaan het nakijken en zit zonder werk – met al zijn dadendrang, zijn onaantastbare vrijheid midden tussen de enorme rijkdom van het rijkste land ter wereld. Deze subsumptie van elke inspanning onder de winstcalculaties van kapitalistische ondernemingen is echter geen punt van kritiek, maar een pleidooi ervoor dat de ondernemers dan ook alles moeten aantreffen om als nationale job-machine te kunnen dienen.

Daarmee is de inhoud van de verkiezingsstrijd compleet: Obama en Romney hebben hun autonome Amerikanen erop geattendeerd dat ze niets anders zijn dan onzelfstandige aanhangsels van de overheid en van privé-kapitalistische winstberekeningen; dat dus het totale levensgeluk dat hun reëel bestaande Amerikaanse vrijheid oplevert verder niets is dan een derivaat van de definitie- en beslissingsmacht die overheid en ondernemers uitoefenen. En zij hebben hun volk deze status niet alleen nadrukkelijk ingeprent als zijn eigen behoefte naar “jobs”: daarin mag het zich bovendien onlosmakelijk verbonden zien met datgene wat ook zijn bazen en bestuurders voor hun doelen nodig hebben – “Amerika heeft werkgelegenheid nodig” (Romney). Inzoverre heeft elke Amerikaan niet alleen zijn job nodig, maar hij maakt zich met zijn behoefte tegelijkertijd sterk voor zijn aangeboren recht op het concurrentieoverwicht van Amerikaanse ondernemingen en de absolute superioriteit en onaantastbaarheid van de Amerikaanse staatsmacht wereldwijd: de kandidaten deden hun best te demonstreren dat in hun – en uitsluitend in hun – handen de identiteit tussen het zeer persoonlijke pursuit of happiness van elke Amerikaan en de doortastende macht van het Amerikaanse kapitaal en het Amerikaanse geweld op mondiale schaal gewaarborgd blijft.

Wat dat in het bijzonder betekent, hoe dat in detail functioneren moet, was daarbij van minder belang. Het kiezersvolk werd in ieder geval niet erg lastig gevallen met enigerlei samenhang tussen de vereisten, successen en tegenslagen, die elke Amerikaan bij het realiseren van zijn vrijheid aan den lijve ondervindt, en datgene wat de overheid en de economische leiders calculeren, beslissen en op de rails willen zetten. De verkiezingsstrijders hebben zich ertoe beperkt hun burgers in te wrijven dat ze niets anders willen en nodig hebben dan machthebbers die hun macht juist zo weten te gebruiken als elke Amerikaan van hen mag verlangen: dus totaal machtig, weinig gehinderd door allerlei bedenkelijkheden laat staan door terughoudendheid tegenover wat en wie dan ook, uitsluitend gericht op het welzijn van “our great nation” en haar sterk kapitalisme.

Dat was de enige schakel tussen de private nood en noodzakelijkheden en de mondiale ontplooiing van Amerikaanse grootheid en macht die de president en zijn uitdager uitdrukkelijk hebben aangeboden: in de gedaante van hun absolute persoonlijke geloofwaardigheid verder niets te zijn dan executanten van deze identiteit. In die zin hebben ze zich dag en nacht op alle zenders geprezen als vleesgeworden eenheid van deskundigheid omtrent de afhankelijkheden waarop de gewone hardworking american door overheid en economie wordt vastgepind – en in één adem als professionele machthebbers hun onvoorwaardelijke wil gedemonstreerd de macht van de grootste supermacht verder in stand te houden en te vergroten – desnoods steeds en overal.

Het ene voor het andere laten spreken: daarvoor heeft Romney geposeerd als slimme, succesvolle financiële ondernemer die bekend is met geldzaken en het creëren van jobs, inzake economie en handel het beëindigen van de respectvolle omgang met het klimaat of met China bepleit – en zijn economische deskundigheid met die van de machthebber in spe onderbouwt doordat hij zich inzet voor hogere militaire uitgaven en zich sterk maakt voor de “ militaire oplossing van de Iran-kwestie”. Omgekeerd Obama; hij heeft zich geprofileerd als kenner van de nood van zijn door de crisis geplaagde Amerikanen, een doener die met al zijn geldpolitieke macht voor een goed klimaat bij het creëren van jobs wil zorgen en hen zelfs een ziekteverzekering heeft verschaft – en vanzelfsprekend ook in de strijd tegen het terrorisme en voor het respect van de gehele wereld voor de Amerikaanse supermacht niet zal verzaken.

In dit quid pro quo zijn de twee tegenstanders – die volgens goed geïnformeerde waarnemers de “duurste, hardste en vuilste verkiezingsstrijd uit de geschiedenis” voerden – het eens geworden bij nagenoeg elk onderwerp en hebben bijvoorbeeld inzake nationale energievoorziening duidelijk gemaakt waarvoor op dit gebied de “onafhankelijkheid van de VS van energie-import” per se noodzakelijk is – gewoonweg voor alles wat in de optiek van een Amerikaan het belangrijkste is aan Amerika, zijn job en zijn toebehoren tot het machtige land of the free: olie en gas made in de VS zijn de hefboom om “de economie aan te zwengelen en nieuwe jobs te creëren…” en “cruciaal voor de nationale veiligheid” – alsof elk voor zich en beide tesamen de vanzelfsprekendste zaak van de wereld zouden zijn.

Deze van de kiezende Amerikaan geëiste dialectiek van inzicht in de totale afhankelijkheid en onbegrensde trots op alles waarvan hij afhangt, is samengevat in de wondermooie zin: “Osama bin Laden is dead and General Motors is alive.” Dat behoeft en wil de Amerikaan, hardworker en patriot die hij is; en in deze rol waarderen hem zijn politieke leiders.

Noam Chomsky

Radicale kritiek uit het land van de onbegrensde vrijheid

Noam Chomsky is kennelijk een uitzonderingsgeval: enerzijds lid van de gerespecteerde academische elite, afdeling taalwetenschap; anderzijds een wereldbekende linksradicale criticus; enerzijds een overtuigde anarchist die met zijn kritiek buiten het kader van constructieve verbeteringsvoorstellen valt; anderzijds een intellectueel die erop staat met zijn anarchistische opvattingen juist dat te vertegenwoordigen waar het elke mens van nature om gaat – namelijk om vrijheid. Die behelst voor hem een geheel levensprogramma, de berging van een innerlijke schat aan materiële en morele eigenschappen en vermogens. Vanuit daar bekijkt Chomsky de wereld van het kapitalisme: of hij daarin zijn empathische voorstelling van het aangeboren streven naar vrijheid terugvindt. Het antwoord dat hij in talrijke lezingen en geschriften geeft, valt uiterst negatief uit. De maatschappelijke verhoudingen – vooral in de VS – wijken alomvattend af van het mooie zelfbeeld de thuisbasis van vrije zelfbeschikking te zijn: er heerst tirannie in de “vrije markteconomie”; de “democratische instellingen” camoufleren de dictatuur van de rijken; de “vrije wereldorde” is economisch gezien een rooftocht en op politiek gebied niets anders dan onderdrukking van staten en volkeren. Kapitalistische maatschappij, burgerlijke democratie, imperialisme – alles wat Chomsky in ogenschijn neemt, dient uitsluitend als materiaal en illustratie van het negatieve oordeel: burgerlijke democratie, kapitalistische markteconomie en imperialistische statenconcurrentie zijn niet wat ze voorgeven te zijn; ze zijn het tegendeel: een belemmering van het menselijke vrijheidsstreven, een schending van de vrijheidsbelofte van de democratie. Niets van het optreden van de economisch en politiek machtigen blijft gevrijwaard van deze kritiek – en niets van de beweegredenen die het doen en laten van deze machtigen werkelijk bepalen, kan zijn geloof in deze vrijheidsbelofte aan het wanken brengen. Hoe onbruikbaar een dergelijke kritiek is, daarvoor is het werk van Chomsky een schoolvoorbeeld.

I. Het kapitalisme: geen democratie

* “Profit over people” – een klassentegenstelling zonder haar economische inhoud

* Een vergrijp tegen de democratie

II. De democratische staat: geen heerschappij van het volk, maar dringend nodig voor de kinderen

* De anarchist als rechter over goede politiek

* De “reëel bestaande democratie”: een hulpkracht van de private tirannie…

* … en een onmisbaar beschermingsmiddel tegen haar

III. De buitenlandse politiek van de VS: “Containing the Threat of Democracy” – een aanval op de zelfbeschikking van soevereine staten

* Kritiek op het imperialisme in de naam van zijn eigen principes

* Twee exemplarische zaken: de “koude oorlog” en de “neoliberale wereldorde”

IV. De vrije media: geen dienst aan de voorlichting van het volk

* Van de idealisering van de massa’ s als controlerende vrijheidsstrijders…

*… naar het hautaine pardonneren van hen als slachtoffers van manipulatie

* Van de kritiek op het morele hoogverraad van de intellectuelen aan hun roeping…

*… naar de instemming met het onbegrepen principe van de partijdigheid voor business en geweld: naar het patriottisme – het liefst niet ver van huis

zie: Gegenstandpunkt 4-12

Een munt, vele concurrerende natiestaten

oktober 28, 2012

De euro werd ingevoerd als vooruitgangsmiddel voor alle lidstaten, als groeimotor voor heel Europa en als beslissende voorlaatste stap op weg naar de steeds verdergaande integratie van de Europese volkeren. De balans die de financiële crisis opdringt geeft een ander beeld: vooral de gemeenschappelijke munt met haar wereldwijde goede reputatie heeft een reusachtige overaccumulatie van private en publieke schulden bevorderd die op de financiële markten inmiddels niet meer kredietwaardig, dus ontwaard zijn. En de lidstaten van de muntunie hebben allesbehalve in gelijke mate geprofiteerd van de economische groei tijdens het decennium voor de crisis; veeleer hebben sommige landen – met name Duitsland – in de niet meer door valutagrenzen belemmerde concurrentie op de binnenmarkt zich aan hun buren verrijkt en aan de schulden, die de verliezers geaccumuleerd hebben en nu niet meer aflossen kunnen. In de crisis die de cohesie van hun valutazone en de waarde van de euro bedreigt, maken de betrokken naties – winnaars alsook verliezers van de concurrentie – duidelijk dat ze niettemin vasthouden aan hun uitgangspunt: ze willen en behoeven de euro als middel voor hun nationale verrijking en nationale zelfhandhaving en staan erop hem in die zin te gebruiken.

Dat veroorzaakt onderlinge conflicten: met zo grote woorden als “solidariteit” en “verantwoordelijkheid voor de euro” eist ieder land van het andere zich ter beschikking te stellen voor de respectievelijke nationale belangen en beschouwt het nationalisme van de partners als schadelijk voor het gemeenschappelijke geld. De zuidelijke eurolanden, die geen krediet meer krijgen op de financiële markten, eisen van het Noorden, vooral van Duitsland, de ECB toe te staan onbeperkt hun, door de financiële markten versmade, staatspapieren op te kopen en zo ondubbelzinnig te benadrukken dat de euro irreversibel is en alle pogingen de kredietwaardigheid van de lidstaten van de muntunie tegen elkaar uit te spelen gedoemd zijn tot mislukken. Per slot van rekening oefent de ECB de geldsoevereiniteit uit over de eurozone; zij kan geld scheppen en noodlijdende lidstaten solvent houden. Dat staan Duitsland en zijn partners haar echter niet toe – althans niet in een definitief zekerheid creërende omvang, want ze insisteren erop dat het geld dat zij bezitten een goed, waardevast, mondiaal gevraagd geld moet blijven en niet in inflatiegevaar mag geraken. Ze sommeren de lidstaten die “boven hun stand hebben geleefd” te bezuinigen en hun begrotingen op orde te brengen. Deze landen moeten de opleving van hun economie, het functioneren van hun staat en de levensstandaard van hun volkeren opofferen aan de eisen van het Europese geld en ophouden het te ondermijnen. De verliezers van de Europese concurrentie eisen van de winnaars de voordelen van hun succes te laten varen; de winnaars vergen van de verliezers de directe beschadiging en de neergang van hun naties.

Zo houden beide zijden vast aan de gemeenschappelijke munt en hun unie – en vinden juist daarom het nationale belang van de partners ondragelijk. Nooit aan het eigen, maar des te duidelijker aan het nationalisme van de anderen herkennen ze dat het nationale eigenbelang, de 17-voudige concurrentie tussen natiestaten onverenigbaar is met de eenheidsmunt. Dit besef leidt echter niet tot het opgeven van hun nationaal concurrentiestandpunt en hun soevereiniteit, maar tot zeer serieus bedoelde pogingen de respectievelijke andere machthebbers te onderwerpen aan hun toezicht en het door hen gedefinieerde Europa.

Dus ook het nieuwe stadium van de financiële crisis verschaft interessante ophelderingen:

– Over het geld dat de staten met hun soevereiniteit scheppen. Als zijn waarde bedreigd is zodra schulden die daarmee gemaakt werden niet meer afgelost worden, is het blijkbaar überhaupt slechts zo veel waard als deze schulden rentegroei dwz. kapitalistische geldvermeerdering garanderen: het moderne geld wordt in het leven geroepen ter gebruikmaking van de samenleving voor de winst – en zijn kwaliteit hangt ervan af in welke mate dit bestaansdoel gerealiseerd wordt. Zelfs de koopkracht van de laatste werknemer is ervan afhankelijk dat zijn uitbuiting voor de kapitalisten rendeert.

– Over de vermetele creatie van een muntunie van concurrerende natiestaten. Ze scheidt wat bij nationale valuta’s vereend is: de leden hebben hun geldsoevereiniteit prijsgegeven om door deelname aan een beter, kredietwaardig geld hun nationale kapitaalgroei te versnellen. De schulden die ze maken voor de versterking van hun vestigingsplaats blijven daarbij nationale aangelegenheden en gaan de partners en het gemeenschappelijke geld niets aan. De crisis brengt aan het licht dat staatsschulden en de waarde van het geld helemaal niet te scheiden zijn. Dat betekent echter niet dat de EU-partners inzake schulden en geld nu de handen ineen slaan. Ze vechten onderling om naast de euro ook hun concurrentie te behouden.

– Over het Europese vredes-project. Het is geen afschaffing van het nationale egoïsme, maar binnen de EU als tegenover de rest van de wereld een imperialistische activiteit. In de permanente crisis waarin economische vooruitgang en welvaart voor de lidstaten niet meer beloofd wordt – beide worden immers opgeofferd voor de redding van de euro – haalt men als laatste overtuigende reden voor de impopulaire Europese integratie momenteel vaak aan dat elke EU-staat op zich, ook de grootste, simpelweg veel te klein is om nationale belangen door te drukken in een wereld waarin alleen nog de VS en China het voor het zeggen hebben.

Een uitgebreide toelichting van deze stellingen in: Gegenstandpunkt 3-12

De toestand van de arbeidersklasse in Europa

april 28, 2012

Een korte tussenbalans ter gelegenheid van de Dag van de Arbeid

1.

Europa verkeert in een schuldencrisis. Zoiets gebeurt als internationale financiële investeerders weigeren een staat vers geld te lenen. Ze schatten in dat deze staat voor hen niet langer lucratief is, dat hij op den duur de rente die hij voor hun kredieten verschuldigd is niet langer garanderen kan. En als zo’n staat niet geschikt lijkt om banken en beleggingsfonds te verrijken, investeren ze nu eenmaal niet meer in zijn begroting. Dan is de staat failliet en kan zijn deuren sluiten. Dat een staat met al het maatschappelijke leven dat van hem afhankelijk is voor het financiële kapitaal rendeert, is blijkbaar zijn eerste bestaansvoorwaarde. Als hij geen rente meer betalen kan aan zijn schuldeisers heeft hij “boven zijn stand geleefd”, was alles zinloze verspilling wat hij ondernomen en ingericht heeft.

2.

Wat is er aan de hand als een staat de rente voor zijn schulden niet meer betalen kan? Dan zijn de inkomsten uit belastingen niet meer voldoende, noch voor de uitgaven die de regering noodzakelijk vindt, noch voor de verschuldigde rente. Dat de inkomsten niet voldoen, was echter al de reden daarvoor dat de staat überhaupt schulden maakt. Als de geldgevers hem niet meer toestaan verdere, nieuwe schulden te maken, geloven ze niet langer dat zijn beleid erin slaagt uit de samenleving de benodigde belastingopbrengsten te halen die de schulden tot duurzaam sprankelende geldbronnen maken. Ze betwijfelen dus dat hun schuldenaar bereikt wat blijkbaar het doel is van zijn schuldeneconomie: zijn samenleving tot een winstmachine te vormen, die door de groei van de economie en de inkomsten en winsten die ze voortbrengt jaar in jaar uit groeiende belastingen oplevert. Als een staat failliet is, haalt het kapitaal op zijn territorium onvoldoende winst uit zijn arbeidskrachten en groeit niet in die mate die noodzakelijk is om de staatsuitgaven voor het regeren van de samenleving en voor de bevordering van de economie te rechtvaardigen.

3.

Alle landen in Europa die bedreigd zijn door het wantrouwen van hun schuldeisers vinden kennelijk niets belangrijker dan het vertrouwen van de financiële markten ijlings terug te winnen. Maar hoe?

Het lukt via de aanpassing van de staatsuitgaven aan de veel te kleine inkomsten, zodat deze weer de rente opleveren waar alles van afhangt. En hoe vermindert de staat zijn uitgaven – zonder in dezelfde mate ook zijn inkomsten te verminderen, dus het liefst zonder de economie te beschadigen die toch al te weinig afwerpt, te weinig groeit en meer moet groeien? Hij bezuinigt op het leven van het volk.

In Griekenland wordt er inmiddels honger geleden; de pensioenen en het karige officiële minimumloon, waar ook de andere lonen in het land aan gekoppeld zijn, worden om meer dan 20% verlaagd. In de publieke sector worden tienduizende mensen ontslagen, en dat is pas het begin; de werkloosheid heeft een derde-wereld-niveau van 25% bereikt. In Spanje, Portugal etc. is het niet beter. Daar is bijna een gehele, vaak goed opgeleide jonge generatie zonder baan, zonder middelen en zonder perspectief. Op AOW, ziektekosten en loon wordt daar op soortgelijke wijze bezuinigd als in Griekenland; tegelijkertijd moeten de verarmde burgers met steeds hogere belastingen, accijns en heffingen de staatskas spekken.

Onafhankelijk ervan of de financiële situatie van de bewuste staten daardoor verbetert, wekt de demonstratieve meedogenloosheid tegenover de nood en de behoeftes van het gewone volk al een glimp van vertrouwen op de financiële markten: regeringen die hun volk zo consequent verarmen, moeten op de goede weg zijn. De armoede van het volk is de reddingsanker van de staat.

4.

In feite wordt de financiële situatie van de Europese crisislanden door de bezuinigen niet verbeterd. De staatsuitgaven dalen weliswaar, maar de staatsinkomsten nog meer omdat het bezuinigingsbeleid het economische leven in het land stillegt. Dus – zo de conclusie van de Europese politiek – hebben de landen behalve het consolideren van de begroting, dat niet stoppen mag, ook nog economische groei nodig. En hoe creëert een staat kapitaalgroei zonder grote nieuwe uitgaven, economische groei die niets mag kosten?

Alweer door het goedkoper maken van het volk – nu in de rol van de kostenfactor arbeid. De Duitse bondskanselier Merkel heeft een dringend advies voor de Europese partners: zij moeten arbeidsmarkthervormingen doorvoeren zoals Duitsland die al heeft doorgevoerd: zij moeten de ontslagbescherming versoepelen, de arbeidsmarkt flexibiliseren dwz. geregelde arbeidsverhoudingen afschaffen en door flexwerk en tijdelijke contracten vervangen. Überhaupt moeten Frankrijk, Italië en eigenlijk alle landen de Hartz-wetten van kanselier Schröder, Merkels voorganger, invoeren: de werkloosheidsuitkering op bijstandsniveau (Hartz IV) en de dreiging zelfs die nog te schrappen, heeft de werklozen genoodzaakt elke baan tegen elk loon aan te nemen en een fameuze lagelonensector gecreëerd. Een duidelijk signaal: de redding van Europa heeft meer kapitaalgroei nodig middels meer armoede van de arbeidersklasse.

5.

Duitsland is de grote uitzondering in Europa. In de crisis speelt het de voorbeeldrol en de rol van tuchtmeester voor de buurlanden. Het heeft alles juist gedaan – het krijgt onbeperkt krediet op de financiële markten, zijn economie groeit en boekt recordwinsten, er zijn miljoenen nieuwe banen.

En hoe komt dat? Daardoor dat Duitsland zijn arbeiders reeds een half decennium voor de grote financiële crisis de verarming heeft opgedrongen die de andere landen, waaronder natuurlijk Nederland, nu moeten nadoen. Het feit dat de arbeiders gedwongen (en bereid) zijn alles te accepteren, heeft een lagelonensector laten groeien waar momenteel bijna een kwart van de beroepsbevolking voor minder dan 9 euro per uur werkt. Vanwege de permanente bedreiging door Hartz IV en de lagelonen-concurrentie zijn dan ook de lonen voor “normale” banen gedurende een decennium reëel gedaald. Politiek, economie en media in Duitsland zijn er niet beschaamd over dat ze het bestaansniveau van de arbeidersklasse naar beneden hebben hervormd, ze zijn er trots op: thans werken in Duitsland meer mensen meer uren en productiever dan ooit, en dat voor minder geld dan enkele decennia geleden. Wat een succes! Zo heeft de Duitse economie namelijk haar concurrentiekracht teruggewonnen. Ook voor het voorbeeldige Duitsland geldt: de rijkdom van de natie berust op de armoede van de meerderheid van haar burgers.

Winst: goed - te veel winst: erg

Ook zo kan men het kapitalisme (niet) bekritiseren

Sinds zijn bestaan is er veel ontevredenheid over het kapitalisme. Tegenwoordig bijvoorbeeld bij Attac, bij de voorstanders van een “onvoorwaardelijk basisinkomen”, bij de “verontwaardigden” in diverse Europese landen of bij de “occupy-beweging”. Deze bewegingen bekritiseren het kapitalisme vanwege zijn onmiskenbare hemeltergende “uitwassen”. Het is inderdaad niet moeilijk te ontdekken dat aan de ene kant de rijkdom en aan de andere kant de armoede voortdurend groeit. Even opvallend is de wijdverbreide bestaansonzekerheid die voor veel mensen betekent dat reeds een ongelukkige omstandigheid – ontslag, ziekte, psychische problemen, een familiedrama, een miskoop, een slechte raad opgevolgd – tot een individuële ramp leidt. En ook de maatschappelijke gevolgen van het kapitalisme worden aan de kaak gesteld. Wereldwijd nemen honger en ellende toe; het ecologische milieu wordt voortschrijdend vernietigd en, niet in de laatste plaats: er zijn een aantal oorlogen, kleine en grotere.

Het kapitalisme zelf heeft er echter geen last van. Het groeit en groeit, al deze rampen hebben hem op den duur niet geschaad; veeleer heeft het zich – zoals men bewonderend zegt – doorgezet als superieur economisch systeem en inmiddels de gehele wereld bezet.

In het centrum van dit systeem staat de winst. De gehele economie berust erop dat iemand kapitaal voorschiet; en zij die dit doen – de kapitalisten, ook “de economie” genoemd – doen dit met de bedoeling en in de verwachting dat het kapitaal, vermeerdeerd met winst, naar hen terugstroomt. Zonder winst in het vooruitzicht schieten ze geen kapitaal voor. Dit basisprincipe van de kapitalistische economie trekken de critici uit het brede spectrum van Attac tot Occupy allesbehalve in twijfel. In volledige overeenstemming met de principes uit het macro-economische leerboek beschouwen ook zij de winst als een onontbeerlijk instrument van de economie: vanzelfsprekend moeten er ondernemers zijn die een bedrijf, een handelsonderneming of een bank oprichten, en daarom verdienen ze ook daarvan persoonlijk te profiteren; zodoende bewerkstelligen de ondernemers wat blijkbaar niet iedereen vermag: ze produceren dingen die “wij allen” nodig hebben, en opdat ze kunnen doorgaan en steeds meer produceren, is het gerechtvaardigd en zinvol dat het ingezette kapitaal vermeerderd met winst terugkomt; zo zijn ze in staat ervoor te zorgen dat de goederenproductie zowel plaatsvindt alsook uitgebreid wordt omdat ze immers ook hun investeringen uit de winst betalen. Eigenlijk, aldus deze critici, heeft de winst een nuttige economische functie: namelijk de mensheid een steeds beter leven te bezorgen. Vandaar dat de leus van de Amerikaanse occupy-beweging luidt: “People over profit”. Daarmee wordt bedoeld dat de winst dienstbaar aan het volk moet zijn; “People against profit”, wordt er juist niet gezegd.

Nu klagen deze critici echter zelf over alledaagse toestanden in het kapitalisme die kennelijk het tegendeel zijn van een steeds beter leven. Dit feit heeft twijfels gewekt aan de winst: heeft die daadwerkelijk de nuttige functie die men daaraan toeschrijft? Maar deze twijfel gaat niet zo ver dat men de winst op zich wil afschaffen; veeleer bestaat de momenteel wijdverbreide kritiek daarin de winst ontaarding te verwijten; hetgeen de critici beklagen, noemen ze “uitwassen” en hebben zo zonder verder onderzoek besloten het bekritiseerde als een afwijking van het eigenlijk goede principe te beschouwen. De winstmakers zouden niet aan hun economische taak, maar uitsluitend aan zichzelf denken, derhalve door “overdrijving”, “ontketening”, “hebzucht” de eigenlijk goede zaak vertekenen, ontsieren, misbruiken, haar wezenlijke doelbestemming perverteren – zodat het kapitalisme helemaal niet meer op zichzelf lijkt, maar ontaard is tot een “turbo-kapitalisme”. En daaruit komen dan, volgens de kritiek, al de schandalige “uitwassen” voort. Consequenterwijs zien deze critici het als hun missie de winst als het ware terug te snoeien tot zijn werkelijke functie, namelijk door deze “ontketende” winstmakers aan te klagen en te beteugelen:

Het zijn de machtigen dezer aarde die het onheil aanrichten: de concernchefs willen voortdurend niets anders dan fusioneren en hun beurswaarde verhogen – maar ze zouden moeten ophouden met het najagen van de fetisj “grootte”; de financiële kapitalisten produceren uit “hebzucht” louter “sneeuwbalsystemen” en “geldbubbels” – maar ze zouden moeden ophouden met het staren op de fetisj “geld” en in plaats daarvan weer dienstbaar zijn aan de eerlijke winst; de belangrijke staten ondersteunen met hun dwaze geloof in het “neoliberale model” deze fatale ontwikkelingen of hebben die zelfs veroorzaakt – maar ze zouden zich moeten distantiëren van hun fetisj “alle vrijheid voor het kapitaal”.

Dat alles is een slechte grap: de toonaangevende instanties – het industriële en het handelskapitaal, de financiële branche en de staten – worden beschuldigd onder een collectieve waan te lijden. Als die zo alomvattend zijn werking doet, zou men dan als kritisch mens niet kunnen vermoeden dat het helemaal geen waan is maar de kapitalistische realiteit? Daar bestaan namelijk geen goede winsten in plaats van “overdreven”, “onbeteugelde”, “ontaarde” winsten. De makers van deze realiteit, de kapitalisten, door de staten ertoe gerechtigd en als economische hoofdrolspelers in elk opzicht ondersteund, vinden aan de winst enkel één aspect interessant: hij moet meer worden. Wanneer ze hun productie voortdurend uitbreiden en revolutioneren en daarvoor de winst (en bovendien krediet) gebruiken, dan doen ze dat niet om de mensheid met meer goederen, maar om zich met meer winst te verblijden. En dit meer kent geen maat, dus ook geen “overdrijving” of “bovenmatigheid”. Om het abstract uit te drukken:

Als men een voorgeschoten kapitaal vermeerderd terug wil krijgen, worden twee geldsommen met elkaar vergeleken, de tweede moet groter zijn dan de eerste. Hoeveel groter, daarvoor is er geen maat; het streven is mateloos, in de dubbele betekenis van het woord. De geldvermeerdering meet zich uitsluitend aan zichzelf, en ze verloopt hoe succesvoller hoe groter de tweede geldsom is in vergelijking met de eerste; vandaar dat degene die het beroep winstmaken uitoefent mateloos moet zijn. Als men dit per se opvatten wil als een kind kan men het “hebzucht” noemen, maar het is nu eenmaal de “hebzucht” die een kapitalist betaamt die zijn vak serieus neemt. Deze mateloosheid is de spil waar de kapitalistische praktijk om draait: daar heerst concurrentie waarin iedereen zich bewijzen en handhaven moet. Daar bestaat geen winstbeperkingscontract – en ook de overheid schrijft geen winstbovengrens voor – veeleer moet elke kapitalist trachten dat zijn kapitaalvermeerdering groter is dan die van zijn concurrenten. In hun concurrentie zetten de kapitalisten elkaar dus aan tot deze mateloze kapitaalvermeerdering. Wie achterop raakt riskeert helemaal af te vallen. Dit is de objectieve noodzaak die voortkomt uit de concurrentie, door haar wordt opgelegd en aangedreven.

Ook zonder in details te treden over het hoe en waarom van de onafwendbare “uitwassen” is toch een ding duidelijk: voor degene die middels een kapitaalvorschot een kapitaalsurplus wil behalen, bestaat de gehele wereld uit een verzameling van geldgrootheden die hij met elkaar vergelijkt volgens de grondregel: de opbrengst moet groter zijn dan het voorschot. Daarbij worden de arbeid en de natuuromstandigheden die deel uitmaken van het kapitaalvoorschot uitsluitend beschouwd als te minimaliserende kostenfactoren die maximale resultaten moeten opleveren. Zo worden ze benut voor datgene waar het op aankomt, het behalen van een zo groot mogelijk kapitaalsurplus. Dit wetend, is het toch zeker geen vergezochte bewering dat de arbeiders en de natuur daarom voortdurend de dupe worden, hetgeen blijkt uit zowel de wereldwijde alledaagse bestaansonzekerheid en verwoesting van levens als uit de wereldwijde alledaagse kleine en grote zogenaamde “milieurampen”.

De moderne critici willen zich niet bezighouden met de economische natuur van deze onvermijdelijke gevolgen. In plaats daarvan leggen ze zich helemaal toe op de menselijke kant: “overdrijving”, “ontketening”, “hebzucht” etc. zijn immers slechts uitdrukkingen voor menselijk wangedrag, hetzij op grond van een karaktergebrek, hetzij op grond van onwetendheid of verblinding. Volgens hen is het dit wangedrag dat leidt tot al die “uitwassen”. Het economische systeem moet dus niet veranderd worden, maar de omgang van de mensen daarmee. Natuurlijk is dat ook een oproep aan “ons allen”: iedereen kan “bij zichzelf beginnen”, kan zijn “ecologische voetafdruk verkleinen”, “solidair gedrag vertonen”, “opstaan tegen discriminatie en racisme” etc. etc. Dat ze enkel het “voetvolk” zijn, weten deze critici echter ook, en het is hen duidelijk: er kan zich alleen iets veranderen als de machtigen zich veranderen – zij moeten omdenken. Dit is het hoofddoel van de demonstraties en acties die de machtigen toeroepen: “Dat kunnen jullie ons niet aandoen!” – om dan óf verontwaardigd of teleurgesteld te constateren dat die het wel degelijk kunnen, óf, zoals Attac, met constructieve voorstellen te komen hoe men “het” beter zou kunnen maken. Dit laatste is na de slechte grap over de collectieve waan van de toonaangevende instanties van de wereld de tweede slechte grap: de aanklachten tegenover de machtigen dezer aarde komen allemaal neer op een blijk van vertrouwen in hen die de totale winstproductie hebben opgericht als basis van de rijkdom van hun macht: als jullie veranderen, kan ook de wereld verbeterd worden! Zo zijn degenen die op de beklaagdenbank zitten tegelijkertijd degenen die de reden voor de klachten uit de wereld moeten helpen. En de critici van het kapitalisme, Attac en andere bewegingen, spelen met hun bezwaren de achtergrondmuziek voor steeds hetzelfde tafereel: kapitalistische rijkdom aan de ene kant en groeiende ellende aan de andere kant. Ze kennen de schuldigen, aan wie ze onvermoeibaar – kritisch en verontwaardigd – appelleren.

Wat de VS stoort aan Iran

april 19, 2012

Terwijl de inlichtingen- en subversiedienst CIA eind februari vermeldde dat volgens zijn informatie het eerder onwaarschijnlijk is dat Iran een atoomwapen produceert, dreigde president Obama begin maart ter gelegenheid van het bezoek van de Israëlische premier Netanjahu onverholen met oorlog, gegarneerd met de belofte: “Ik bluf niet!”

Het zodoende verder op- en uitgebouwde oorlogsscenario tegen de Islamitische Republiek wordt bepaald door twee protagonisten: de VS en Israël. Hun bevoegdheid tot preventieve nucleaire ontwapening van Perzië wordt door de westerse publieke opinie in principe niet in twijfel getrokken, alhoewel de een, Amerika, zijn kernwapens niet alleen gebruiksklaar houdt, maar deze ook al twee keer met doorslaand succes en blijvende gevolgen heeft getest. De andere protagonist, Israël, bezit de bom zonder dat zijn beschermingsmacht en haar bondgenoten dat verwijtbaar achten. En in tegenstelling tot Iran heeft Israël het non-profileratieverdrag (NPV) nimmer geschonden – om de eenvoudige reden: het heeft die nooit ondertekend.

Dat Iran wegens het verrijken van uranium zich geconfronteerd ziet met deze oorlogsverklaring op afroep door twee zo vredelievende tegenstanders van geweld als politiek middel – ondersteund niet alleen door de NAVO-leden, maar met uitzondering van Rusland en China door de complete relevante statengemeenschap met hun financieel en economisch embargo – komt niet voort uit een afkeer tegen dit verschrikkelijke wapen en hangt er ook niet van af of Teheran werkelijk van plan is dit wapen te bemachtigen.

Het is veeleer zo: De Islamitische Republiek Iran ontstond uit de (in het Westen ongewenste) omverwerping van het sjah-regime; ze begrijpt zich als een staat die hogere waarden, namelijk de wet van Allah naleeft, en ze treedt militant-alternatief op tegen de hegemonie en de waarden-canon van het democratische imperialisme. Ze veroorlooft zich dus met haar anti-westerse en islamitische opstelling een soort vijandschap tegen het westerse systeem, probeert partners te winnen en biedt zich aan als partner voor staten die opponeren willen tegen het VS-overwicht. Iran bestrijdt de hegemonie van de VS in een regio waar deze “vitale belangen” hebben, van de energieverzorging en de onduidelijke machtsverhoudingen tengevolge van de “Arabische lente” tot de aanstaande omverwerping van de regering Assad in Syrië; om maar niet te spreken van de nasleep van de Irak-veldtochten en van de veiligheidspartner Israël, dat zijn staatsoprichtingsproces ten koste van de Palestijnen nog lang niet heeft voltooid. In de ogen van de VS vormt Iran bovendien een bedreiging omdat het middelen heeft om zijn anti-Amerikaanse activiteiten kracht bij te zetten. Door zijn olie-inkomsten beschikt het tot nu toe over economische en militaire potenties die hem in staat stellen Amerikaanse directieven niet alleen te negeren maar ook daartegen op te treden. Voor de door de VS geleide mooie vrije wereld van het democratische imperialisme is Iran dus een gevaarlijke stoorfactor en wordt navenant behandeld. Dat betekent: de VS en hun partners eisen en bevorderen een “regime change”.

In deze context staat dus het Iraanse nucleaire programma resp. de bestrijding daarvan door de VS en Co. Voor hen is het niet pas dan ondragelijk als daaruit een atoombom voortkomt, maar het is vanaf het begin onaanvaardbaar omdat reeds de opbouw van kerntechnologie per definitie de mogelijkheid biedt om naast kerncentrales ook kernwapens te produceren. Wat betreft de bondgenoten en partners van de VS geldt zo’ n vijandschap natuurlijk niet. Duitsland, dat evenals de ajatollahs officieel en voor alle tijden kernwapens heeft afgezworen, beschikt nochtans al lang over datgenen wat Iran nog aan het ontwikkelen is: een hoogmoderne kerntechnologie. Japan en Canada krijgen ondanks alle concurrentie om wereldmarkt en wereldmacht nooit problemen met de controle-instanties van het NPV. In tegendeel: de VS als zelfbenoemde opperste bewaker van dit verdrag gaf hen uitdrukkelijk toestemming tot ontwikkeling van het volledige nucleairtechnische spectrum. Tegenover de Republiek Iran worden de mogelijke andere toepassingen van verrijkt uranium echter als aanleiding genomen om het door het verdrag toegestane civiele gebruik van kernenergie te verbieden. In plaats daarvan wordt het inspectieregime ingezet als chicaneus controleregime, dat vooral als officieel gesanctioneerde tussenstatelijke inlichtingendienst ageert. Daarbij verzwijgen de controleurs geenszins dat Teheran het wantrouwen in zijn nucleair-technologische pogingen uitsluitend zou kunnen sussen door het programma stop te zetten.

Iran te beletten het gebruik van kernenergie zo ver te ontwikkelen dat het in staat is nucleaire wapens te bouwen, is blijkbaar een pretentieuzer doel dan alleen maar het verhinderen van een daadwerkelijke nucleaire bewapening. Dienovereenkomstig groot gedimensioneerd zou dan ook een militaire aanval moeten zijn, óf door de Israëlische luchtmacht als solo-actie, dwz. slechts met logistische en wapentechnische NAVO-ondersteuning, óf als joint venture met de VS. Geen wonder dat daartegen, vanwege de onafzienbare gevolgen, zelfs de generale staf van het Israëlische leger nog bezwaren opwerpt.

Vandaar dat voor Obama het repertoire van de wereldmacht ter eliminering van het Iraanse stoorgeval nog niet uitgeput is, en zijn dreiging met een militaire aanval als ultima ratio moet de al te strijdvaardige Israëlische vriend voorlopig in toom houden. Anders dan bijvoorbeeld bij het uitschakelen van Gaddafi geven de VS in het geval Iran de leidende rol niet uit handen. Er worden rechtvaardigingen gefabriceerd die de VS de bevoegdheid tot elke maatregel geven en de “statengemeenschap” noodzaken zich daarbij aan te sluiten, en die gezien hun “plompheid” en “ongeloofwaardigheid” doen denken aan het onvergetelijke optreden van Colin Powell, Bush’ s minister van Buitenlandse Zaken, in de VN-Veiligheidsraad met zijn onweerlegbare bewijzen voor de massavernietigingswapens van Irak. Een vermeend door Teheran beraamd attentaat op de Saoedische ambassadeur in de VS is volgens Amerikaanse lezing gelijk te stellen met de planning van een terroristische aanslag op Amerikaans grondgebied en komt dus in de buurt van 9/11: de Iraanse regering – een “terreurregime” dat de soevereiniteit van andere staten niet respecteert en de VS op hun eigen territorium wil aanvallen. Daaruit leidt de Obama-regering het recht af Iran aan te vallen ook zonder internationale medewerking resp. VN-mandaat. Daarop vooruitlopend scheppen de VS ingrijpende feiten, vooral de unilaterale sancties (die in het volkerenrecht gelijkstaan met krijgshandelingen) en confronteren Rusland en China zo met de vraag of ze zich dat willen laten gevallen. Duitsland en de EU maken inmiddels zonder strubbelingen deel uit van het anti-Iran-front; ze werken met eigen sancties mee aan het “verlammen” van Iran.

Hun maatregelen beogen de ruïnering van Iran: alle middelen waar deze staat over beschikt, worden bestreden. Met de krachten van een supermacht wordt het voorbereidende werk gedaan om Iran definitief op de knieën te dwingen. De VS laten duidelijk blijken dat de nu in werking tredende economische sancties niet slechts het Iraanse nucleaire programma moeten blokkeren. Ze moeten Iran’s op gas- en olieverkoop berustende nationale economie ontwrichten en het land afsnijden van het internationale geldverkeer, dus alle geldbronnen uitdrogen waar het zijn weerstand tegen de VS mee financieert. Zo moet Iran internationaal geïsoleerd worden.

Door de “Patriot Act” heeft de Obama-regering elk economisch verkeer met Iraanse banken als witwassen van geld en bedreiging van de “Homeland Security” gedefinieerd. Elke onderneming uit derde landen – de Amerikaanse ondernemingen is het verkeer sowieso al lang verboden – die handelsverdragen afsluit met Iran en tegelijkertijd bij een Amerikaanse bank een rekening heeft, riskeert een aanklacht wegens een zwaar vergrijp en loopt de kans te worden buitengesloten van het zakenverkeer met de VS.

Staten in het Midden-Oosten die onder president Bush nog aarzelden zich in te voegen in het front tegen Iran omdat ze niet nog een oorlog in de regio wilden, worden door het creëren van een “oorlogsachtige situatie” bij deze betrokken. Door de sancties ondervinden ook Iran’s buurlanden economische schade; en indien ze deelnemen aan de boycotmaatregelen zijn ze frontstaten tegen Iran. Daarvoor worden de Golfstaten door de VS van alle noodzakelijke militaire middelen voorzien. Als opmarsgebied voor de VS onontbeerlijk, mag Bahrein de opstand van zijn bevolking neerslaan met behulp van Saoedi-Arabische interventietroepen, en zelfs de vriendschappelijke kritiek op Saoedi-Arabië wegens “democratisch deficiet” blijft achterwege sinds de confrontatie met Iran op de agenda staat. De burgeroorlog in Syrië resp. de strijders tegen de regering kunnen op veel Amerikaanse sympathie rekenenen, omdat zo een bondgenoot van Iran en zijn belangrijkste steun in het Midden-Oosten behoorlijk verzwakt wordt.

Tamelijk onverschillig registreert de democratische publieke opinie ook de overgang van de VS-regering van “the war on terror” naar een terroristische guerillaoorlog: blijkbaar voeren CIA en Mossad naast preventieve executies van leidende Iraanse wetenschappers ook sabotages uit, zoals het oplopende aantal “ongelukken” en de wormaanval op de besturingssoftware van Iraanse kerncentrales duidelijk bewijzen.

Als de regering in Teheran – in dit geval in overeenstemming met de anders hier te lande als “democratisch alternatief” voor Ahmadinedschad en de mullahs zeer gewaardeerde oppositie – van krijgshandelingen spreekt, heeft ze weliswaar gelijk; maar de VS en hun helpers voelen daardoor alleen maar hun verwachting bevestigd op de goede weg te zijn, omdat de vijand kennelijk geraakt werd als hij zich geraakt toont.

Propaganda voor verarming

april 13, 2012

Hoe de bevolking klaargestoomd wordt voor bezuinigingen

De crisis op de financiële markten is uitgegroeid tot een staatsschuldencrisis. De reddingsmaatregelen met reusachtige staatskredieten die de financiële branche en de eveneens noodlijdende reële economie voor de collaps moesten behoeden, vormen dermate gigantische schuldenvolumes in de begrotingen dat de investeerders meer en meer hun vertrouwen verliezen. In de meeste staatspapieren investeren ze alleen nog tegen hogere rentes; niet weinige staten moeten kredietweigering vrezen. Daarmee begint de volgende fase die het uitgangspunt van de crisis op een nieuw niveau reproduceert. Ontwaarde staatspapieren, schuldenkwijtschelding als van Griekenland, het mogelijke volledige bankroet van een land: dat alles dreigt een nieuwe bankencrisis te veroorzaken, want de grote banken behoren tot de belangrijkste investeerders in staatsobligaties die steeds meer in waarde dalen. Als gevolg daarvan doemt een nieuwe, veel diepere recessie op, uiteindelijk het einde van het geld waarvan iedereen gebruik maakt. Alles staat op het spel. De cruciale kwestie in beurzen en tijdens politieke topontmoetingen luidt: wie redt de toenemend insolvent wordende redders, de staten die bij de geredde financiële hoofdrolspelers hun kredietwaardigheid verliezen?

Dit zijn kwesties waarbij de volkeren uitsluitend in een opzicht een rol spelen: ze zijn de flexibele massa die moet opdraaien voor alle gevolgen en vereisten die de commerciële en politieke kopstukken noodzakelijk achten. Wat de gevolgen betreft heeft de meerderheid van de bevolking in de diverse Europese lidstaten haar ontwaarding als arbeidsmateriaal al lang aan den lijve ondervonden. Tengevolge van de crisis moesten de mensen loon inleveren of ze hebben meteen hun baan verloren. Wie zijn lening niet aflossen kan, verliest zijn koopwoning en blijft met zijn schulden zitten. Wie zijn spaargeld bij zo’ n verkeerde bank als Lehmann heeft gestald, raakt ook dat kwijt. En terloops komt men te weten dat het aantal hongerlijders in de afgelopen drie jaar met 40 miljoen is gestegen, omdat grote financiële investeerders wegens gebrek aan alternatieve investeringen op de grondstof- en levensmiddelenmarkten spekuleren en het voedsel voor steeds meer mensen definitief onbetaalbaar maken.

En er ligt nog meer in het verschiet. Sinds de enorme staatsschulden dagelijks de voorpagina’ s halen, kent de mensheid de verarming niet alleen als voorbije, maar ze komt opdagen als aangekondigde vereiste, als groots opgezette politieke strategie. De sociale demontage op grote schaal, meestal gepaard met belastingverhogingen, wordt namelijk door alle euro-staten als uitstekend middel beschouwd om het vertrouwen van de financiële kapitalisten in hun staatsobligaties te herstellen. Daarbij gaat het om alles of niets: om het overleven van de euro. Duitsland, het succesmodel in Europa, gaat er prat op dat het sinds de rood-groene regering onder kanselier Schröder het sociale sloopwerk voorbeeldig heeft uitgevoerd, en oogst daarmee bij zijn buren geen verachting, maar respect en jaloerse blikken. Maar dat volstaat nog lang niet. Het bereikte moet gehandhaafd en uitgebouwd worden, en door de verankering van de schuldenrem in de grondwet is de verdere toepassing van het paardenmiddel gegarandeerd.

Zoiets moet de massa uiteraard verwerken. In de praktijk sowieso. Maar opdat het volk ook gewillig doet wat hem opgedragen wordt, moeten de harde ingrepen ook als intellectueel verwerkbaar voorgesteld worden om begrip en toestemming te wekken. Politiek en publieke opinie doen in ieder geval hun best om de burger te voorzien van de geestelijke oriëntatie die nodig is om het crisisbeleid te ondergaan.

De maatregelen van de regering zijn alternatiefloos”

Dit is het eerste, in steen gebeitelde argument dat de regeringen het volk inprenten. De boodschap is duidelijk: tegen de achtergrond van rigide bezuinigingen moet niemand het in zijn hoofd halen om te pleiten voor het ontzien van of meer terughoudendheid tegenover gepensioneerden of sociaal zwakken. Want die is er niet, de alternatieve handelswijze die sommige organisaties of linkse politici her en der voorstellen. De regering beweert niet over het betere argument voor haar optreden te beschikken waar ze andere voorstellen als slecht onderbouwd mee verwerpt – ze ontkent simpelweg het bestaan van alternatieven. En daarmee is elk bezwaar argumentloos tot onmacht veroordeeld. De regering voert een objectieve noodzaak uit die geen andere keuze toelaat. Zo dient de mensheid het te beschouwen.

Ongetwijfeld een interessante mededeling voor de aangesproken volkeren: het herstel van dit soort economie die hen als onafwijsbaar levensmiddel wordt opgedrongen, is uitsluitend door een radicale verslechtering van hun levensomstandigheden te bewerkstelligen, en dit niet slechts tijdelijk, maar zo duurzaam als de bezuinigingsorgieën op AOW, gezondheid en andere sectoren gepland zijn. Niet met boze bedoelingen, maar omdat de wetmatigheden van onze economie zoiets vereisen. Serieus genomen is dit natuurlijk een vernietigend oordeel over dit economische systeem. Zo is het echter niet bedoeld; bedoeld is het als bewijs voor de noodzakelijkheid van harde ingrepen.

Daarbij heeft de met het argument objectieve noodzaak voorgeschreven verslechtering van de levensomstandigheden blijkbaar niets te maken met een fysiek tekort dat tijdelijk zou dwingen tot beperking van de leefwijze. De financiële crisis is diep – maar geen natuurramp heeft de oogsten vernietigd, geen hectare akker is verdwenen, fabriken en machines voor de productie van eetbare en nuttige dingen zijn er net zo rijkelijk als handen die zouden kunnen werken. Alle materiële voorwaarden voor een degelijke voorziening van de mensen zijn aanwezig. Maar omwille van geldopbrengsten, waar het gebruik van al deze factoren aan onderworpen is, wordt op de levensstandaard van de werkende mensheid bezuinigd opdat deze opbrengsten weer kunnen uitpakken naar tevredenheid van hun grote profiteurs. De financiële branche verliest met het oog op de opgehoopte staatsschulden haar vertrouwen in de staatspapieren en eist nieuwe bewijzen voor hun soliditeit voordat ze verdere leningen aan de staten verstrekt. Europa’s regeringen trekken alle registers open en doen het noodzakelijke. Ze verminderen hun schulden door uitgaven te verkleinen en inkomsten te vergroten; de dupe worden voornamelijk de brede massa’s in hun eigenschap als gepensioneerden, ziekenfondsverzekerden of consumenten omdat zo de tegelijkertijd noodzakelijke groei het minste schade ondervindt of zelfs bevorderd wordt. Want dit is het tweede strijdterrein: veel economische groei door uiterst goedkope arbeid, dat heeft de staat nodig om het vertrouwen van de financiële investeerders terug te winnen, en dat hebben de ondernemingen sowieso en altijd nodig. Het financiële kapitaal, de reële economie, de staat – drie instanties, een berekening: het verarmen van de massa’s is simpelweg noodzakelijk om alle balansen op orde te brengen, tijdens de crisis dringender dan ooit!

Het klopt inderdaad: in dit systeem is de slechte behandeling van de werkende mensheid alternatiefloos; maar dit systeem is niet alternatiefloos. De objectieve noodzaak waar men zich op beroept, is gemaakt; ze komt voort uit het regime van het geld dat de staat met zijn soevereine macht voor zijn soort economie bindend maakt. Het is dus alleen maar consequent als in talrijke euro-staten het sociale sloopwerk met politiegeweld wordt doorgedreven tegen het verzet van de bevolking. Want de objectieve noodzaak heeft dan toch niet de status van een natuurwet die vanuit zichzelf geldt, maar sorteert slechts in die mate effect als de staat met zijn dwang doordrukt.

De euro moet per se gered worden”

Wat de regering doet is in ieder geval niet alleen alternatiefloos, maar het heeft ook een doel: de euro moet gered worden. Welke euro eigenlijk? is men geneigd te vragen. De euro op de salarisstrook van een arbeider in ploegendienst en de AOW-euro? Of de euro op de balansen van ondernemingen, banken en staatsbegrotingen? Het hoe van de redding geeft meer duidelijkheid over het wat. De politici willen de fameuze Europese geldeenheid namelijk redden door arbeiders en gepensioneerden zo veel mogelijk loon en pensioen weg te nemen, opdat de euro weer deugt voor de groei van ondernemingen, banken en een gezonde staatsbegroting.

Een logische aanpak. De euro is immers de maateenheid voor de algemene rijkdom die in een kapitalistisch land wordt voortgebracht; hij becijfert allerminst een gemeenschappelijke rijkdom. Dezelfde euro betekent dus voor de verschillende economische spelers iets zeer verschillendst. Voor een groep spelers is hij maat en materie van haar vermogen voor welks vermeerdering ze gebruik maakt van het werk van de andere groep die geen vermogen bezit en daarom steeds op zoek is naar een ondernemer die ze verrijken kan door haar werk. Voor deze groep is de euro een uiterst bescheiden en precair middel voor haar consumtie. Een klassenverschil dat zich uitdrukt in de vele nullen die het verschil maken tussen de geldsommen waar beide groepen over beschikken. Wat zijn een paar duizend euro loon vergeleken met de miljarden-voorschotten van kapitaalkrachtige investeerders! En vandaag verdiend is het loon morgen weer uitgegeven aan het levensnoodzakelijke, zodat de loonarbeiders zich opnieuw moeten inspannen voor de vermeerdering van andermans vermogen – althans als ze werk vinden. Dat is niets anders dan economische groei door uitbuiting, de normale gang van zaken in elke kapitalistische natie en in elk ander geld. Deze handelswijze hebben de euro-staten door hun monetaire unie van een bredere basis voorzien. Binnen een vergroot economisch gebied meer groei door steeds grotere kapitalistische ondernemingen met een gemeenschappelijk geld – dat is voordelig voor Europese global players in de wereldmarktconcurrentie, verschaft het bankkrediet een lonend strijdterrein en de staat veel stabiel geld dat concurreren kan met de dollar.

Dat de profiteurs van de euro-constructie deze per se willen redden, is begrijpelijk. Maar ze willen ook de slachtoffers ertoe verplichten. Ze bepleiten dus hun zaak, echter zonder dat die überhaupt ter sprake komt. Het succesverhaal van de euro dat in omloop wordt gebracht, luidt daarom iets anders: Wij allen hebben van de euro geprofiteerd! Niet alleen beursgoeroes en naamloze vennootschappen met hun miljardenomzet, ook automonteurs met hun schamel salaris moeten zich aangesproken voelen. De onbenullige reclame dat de valutaruil voor toeristen in Europa wegvalt, wordt voor de achtergrond van de existentiële bedreiging door de crisis inmiddels niet meer verspreid. In plaats daarvan worden de Duitse exportsuccessen opgehemeld die zonder euro en eurozone niet mogelijk zouden zijn en waarvan toch iedereen iets zou hebben. Dat de arbeider zo een absurde verwisseling wordt aangeraden, ligt voor de hand. De exportopbrengsten die hem blij moeten maken, becijferen helemaal niet zijn opbrengst, maar de opbrengst die deze ondernemingen uit hem hebben behaald. Een mooi bewijs daarvoor zijn de bezwaren uit de Europese partnerlanden (zoals Frankrijk) die lijden onder de Duitse lagelonensector en de goedkope exporten omdat hun nationale ondernemingen daardoor terrein verliezen en het werklozenleger groeit.

En opdat niemand bij het tellen van zijn verdiende centen en euro’ s begint te piekeren over de samenhang tussen de indrukwekkende exportcijfers en het loon van de arbeider, gebruikt de publieke propaganda meteen de valuta waar ze al lang de situatie van het werkvolk mee opsmukt. Deze valuta heet “werkgelegenheid” en staat ver boven de kleingeestige vraag wat deze gelegenheid eigenlijk oplevert aan valuta waarmee het levensnoodzakelijke moet worden betaald. Het middel van de arbeider, überhaupt loon te mogen verdienen, wordt verklaard tot het hoogste doel; daarvoor moeten loonbestanddelen zonder meer worden opgeofferd – werkgelegenheid, dat is de hoofdzaak! In dit opzicht, en uitsluitend in dit opzicht mag (niet alleen) het Duitse werkvolk zich gelukkig prijzen met de eurozone. Zonder euro en export verdwijnen namelijk miljoenen banen. Strikt genomen worden ze weliswaar door de concernchefs vernietigd als die in andere landen betere afzetkansen of goedkopere arbeidskrachten bespeuren, maar hoe dan ook: het geprezen voordeel bestaat in het gunstigste geval uit een andersoortig nadeel. De afhankelijkheid van het proletariaat van het succes van zijn aanwenders is het gehele overtuigingsargument; het is identiek met de chantage het succes van ondernemingen in de eurozone verder te bevorderen door nagenoeg onbeperkte werkwilligheid en offerbereidheid inzake salaris en loon.

*

Dit fantastische systeem is door de crisis behoorlijk in wanorde geraakt. En ook daarover moet de werkende bevolking voorgelicht worden: hoe in de beste van alle mogelijke werelden zo’ n ontsporing kon gebeuren die niet weinige mensen met bestaansonzekerheid confronteert en waarvoor zij nu in elk opzicht moeten instaan…

Meer over de propaganda (zoals bijvoorbeeld het vervangen van kritiek door de uitgebreide zoektocht naar schuldigen) die de volkeren te horen krijgen om hun verarming te aanvaarden in: Gegenstandpunkt 4 – 2011

De bron van extreem-rechts terrorisme

november 18, 2011
1

Volgens de berichtgeving in de media verkeert Duitsland sinds enkele dagen in rep en roer door het rechts-terrorisme. Naar verluidt is er sprake van “extreem-rechts terrorisme” als Duitse rechts-extremisten vanuit een ondergronds bestaan gedurende meer dan 10 jaar, bezield van fanatieke vreemdelingenhaat, allochtone winkeliers of kioskeigenaren koelbloedig doden en weer onderduiken, zonder middels achtergelaten pamfletten de verantwoordelijkheid op te eisen en extra toe te lichten dat in hun ogen elke aanwezige Turk of Griek er een te veel is. Vandaar dat er geen sprake kan zijn van terrorisme, met name van “bruine terreur”, als men in het kader van het democratisch gelegaliseerde vreemdelingenbeleid rond Europa een muur optrekt om de toestroom van ongewenste buitenlanders tegen te houden, waardoor jaarlijks honderden buitenlanders ellendig omkomen – ter land, maar vooral in het water van de Middellandse Zee. Ook kan er geen sprake zijn van extreem-rechts terrorisme wanneer mensen met een vreemde nationaliteit hier te lande op basis van de vreemdelingenwetgeving het leven zo zuur wordt gemaakt dat ze óf vrijwillig terugkeren naar de regio’s waar ze voor hun leven moesten vrezen, óf hier zelfmoord plegen. En ten slotte valt het niet onder extreem-rechts terrorisme als mensen die hier illegaal verblijven eerst in detentiecentra opgesloten worden en vervolgens in boeien per vliegtuig daarheen getransporteerd worden waar hun leven bedreigd was. Dergelijke gevallen zijn geen extreem-rechts terrorisme omdat deze rücksichtslos tegenover het welzijn van buitenlanders doorgevoerde maatregelen ten eerste niet van fanatieke vreemdelingenhaat getuigen, maar van politiek gecalculeerde xenofobie van democraten; omdat ze ten tweede wettelijk correct worden besloten; omdat ze ten derde niet vanuit de illegaliteit, maar bovengronds binnen de politiële legaliteit plaatsvinden en omdat ze ten vierde regelmatig toegelicht worden door “pamfletten” die de verantwoordelijkheid opeisen en in alle Duitse kranten staan: als informaties van de minister van Binnenlandse Zaken over nieuwe maatregelen ter bescherming van het vaderland tegen illegale vreemdelingen en als statistieken over de succesvolle doorvoering daarvan.

2

De publieke en politieke opwinding over de seriemoord van deze extreem-rechtse groep buigt zich dan ook voornamelijk over de vraag hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat dit al lang door de binnenlandse veiligheidsdienst van de deelstaat Thüringen geobserveerde terreur-trio voor zijn geplande arrestatie kon onderduiken en jarenlang onontdekt zijn zelfgekozen taak kon uitvoeren: op de vaderlandse bodem het aantal buitenlanders decimeren. Welke instantie heeft gefaald? Welke sporen heeft wie waarom over het hoofd gezien? Was de veiligheidsdienst misschien zelf betrokken?, kortom: hoezo konden extreem-rechtse wetsovertreders zo lang ontsnappen aan de anders toch onberispelijk functionerende executieve? Met dit afdwalen van het eigenlijke thema houden televisie en pers het publiek permanent bezig: hoe effectief is onze veiligheidsdienst? Is de recherche voldoende toegerust? Hoe zeer belemmert het federalisme het gezag bij zijn coöperatief en gecoördineerd optreden?
Wat daarentegen nauwelijks interessant wordt gevonden, is de vraag wat de oorzaak is voor de fanatieke vreemdelingenhaat van dit soort binnenlandse burgers, dat immers noch tot het oppakken, noch tot het opsluiten en uitwijzen van buitenlanders, laat staan tot het uitoefenen van geweld tegen hen bevoegd is. Daarom komen de protagonisten van het op gang gekomen publieke debat ook niet op het idee dat het hierbij wellicht gaat om goed opgevoede Duitsers die van hun regeringen geleerd hebben dat “das Boot voll ist” (de boot vol is), dat te veel buitenlanders “das deutsche Volk durchrassen” (het Duitse ras verontreinigen), die derhalve de leus “lieber Kinder statt Inder” (liever kinderen in plaats van Indiërs) onvoorwaardelijk onderschrijven en het zonder meer eens zijn met zulke vertegenwoordigers van democratische partijen die niet alleen de dubbele nationaliteit bedenkelijk vinden, maar elk integratiebeleid het liefst zouden verwerpen etc., dat dus deze goed opgevoede Duitsers vanuit hun nationalistische teleurstelling over de volgens hen ontoereikende bescherming van de Duitse volksaard tegen buitenlanders door de Duitse politiek wellicht het heft in eigen handen hebben genomen: het voorbeeld volgend van die Duitsers die ooit in Hoyerswerda, Mölln of Solingen onderkomens en woningen van buitenlanders in brand hebben gezet; anders dan de brandstichters was deze groep echter goed georganiseerd ondergronds actief, wel wetend dat privé-personen allerminst gemachtigd zijn om buitenlanders te doden. Gerechtigd tot hun handelen, voelen ze zich in elk geval: namelijk als Duitsers die jarenlang het oordeel hebben vernomen dat buitenlanders hier eigenlijk niets te zoeken hebben en dat over elke uitzondering op de regel uitvoerig gedebatteerd moet worden voordat deze nauwkeurig wettelijk wordt vastgelegd. En daarom delen ze ook het standpunt van zo grote aantallen Duitse vaderlandsliefhebbers die de verdachtmaking van al het vreemde vertaald hebben naar een schuldvraag: schuld aan werkloosheid en verarming, aan drugscriminaliteit en “parallelmaatschappijen”, die in Duitsland wanorde, verwaarlozing en ontwrichting van het volk aanrichten, hebben ten eerste de buitenlanders, en ten tweede de Duitse politici met hun falend vreemdelingenbeleid.

3

Kritische democraten zoals Heribert Prantl (Süddeutsche Zeitung) of Cem Özedmir (Bündnis 90/Die Grünen) komen meteen met een variant op deze ergerlijke afdwaling van het eigenlijke thema: de reden voor het falen van de opsporingsinstanties zien ze in het feit dat die “blind zijn aan het rechteroog”. Ze bepleiten het consequente optreden van het machtsapparaat tegen politiek ongewenste groeperingen – dit moet echter rechtvaardig gebeuren. Anarchisten zoals toen de RAF en andere linkse groepen, die zich aanmatigen iets te ondernemen tegen regering en staatsgezag, worden door de veiligheids- en politiediensten met beide ogen geobserveerd, mopperen Prantl en Özedmir. Daar is naar hun mening niets mis mee, maar dan moet het extreem-rechtse spectrum wel net zo scherp in de gaten gehouden worden. De rechtvaardigheid van het optreden van het recht tegen linkse en rechtse afwijkingen van de democratische consensus is hun variant op het thema. En zonder schroom eisen ook zij een nieuwe poging om de rechtse Nationaal-Democratische Partij (NPD) te verbieden: “…als het daadwerkelijk zo is dat deze partij gewelddaden bevordert” (Prantl, SZ, 14.11.).
Of deze vereerder van de rechtvaardige gerechtigheid eigenlijk beseft dat hij met zijn roep naar een verbod van zulke politieke groeperingen, die niet met een diepe buiging voor de democratie ageren, een overheidsoptreden tegen politieke tegenstanders voorstelt dat aan de orde van de dag was in juist het  systeem waarvan de nieuwe aanhangers hem zo razend maken? En heeft hij ooit erover nagedacht hoeveel partijen moesten verboden worden als hij zijn eigen eis serieus zou nemen, namelijk het verbod van alle partijen die “gewelddaden bevorderen”? Maar vermoedelijk heeft hem alleen maar zijn juristenverstand in verwarring gebracht. Hij wilde zeggen dat uitsluitend die partijen dienen verboden te worden die onbevoegd gewelddaden bevorderen. Bevoegde gewelddaders zijn natuurlijk geen gewelddaders, maar verdedigers van de vrijheid van hier tot Afghanistan, beschermers van het vaderland tegen staatsvijanden, beveiligers van de (Europese) grenzen tegen ongewenste buitenlanders, handhavers van de openbare orde tegen alle fundamentele critici, behoeders van het kapitaalbezit, voorstanders van de rechtsorde, strijders tegen onrechtsstaten etc.
Zie: www. fhuisken. de

Wilders en andere democraten

oktober 15, 2011

Europa’s “rechtspopulisten” hebben de wind mee; hun aanhang groeit. Ze ageren tegen een bepaalde, door buitenlanders “binnengesleepte” geloofsgemeenschap, de Islam. Ze zien een “voortschrijdende islamisering” van Nederland resp. Europa en waarschuwen zelfs voor een “islamitische verovering van onze samenlevingen”. In Nederland verwijten Wilders en andere “rechtspopulisten” de democratische partijen door integratiebeleid, islamconferentie’ s, het toestaan van de bouw van moskeeën…, kortom: door multiculturalisme de Nederlandse volkseenheid te beschadigen en de kernwaarden van het christelijke Avondland, het nationale bindmiddel, op het spel te zetten. Ze vergissen zich in meervoudig opzicht.

*

1.
De gemeenschap der Nederlanders, het Nederlandse volk, komt niet als waardengemeenschap tot stand, maar is een door de overheid dagelijks in praktijk gebrachte functionele abstractie van alle economische, politieke en sociale tegenstellingen die deze gemeenschap kenmerken. De inhoud daarvan luidt: iedereen die door het politieke machtwoord tot Nederlandse staatsburger wordt verklaard en bij het Nederlandse volk wordt gevoegd, heeft op zijn respectievelijke positie in de samenleving – als arbeider of fabriekseigenaar, als bijstandtrekker of miljonair, als soldaat of generaal, als student of professor, als “Henk en Ingrid” of lid van de elite – zijn voor de maatschappij nuttige functie te vervullen.
2.
Desalniettemin is de verheffing van het volk tot zedelijke eenheid, tot waardengemeenschap, niet overbodig, integendeel: door de democratische nationale opvoeding en vorming krijgen de burgers de leugen over de boven elke twijfel verheven topkwaliteit van hun vaderland ingeprent, waar men zich thuis kan voelen en waarvoor “wij” met z’n allen uiteindelijk samenwerken. Een uiterst dienstige ophemeling, juist als resp. omdat de meerderheid van hen niet bepaald makkelijk rondkomt in het beminnelijke vaderland.
3.
Dit tot zedelijke norm geworden nationalisme zorgt er tevens steevast voor dat het volk zich inleeft in de politieke mensensortering, waar de beleidsmakers telkens mee bepalen wie weer eens deel uitmaakt van de volkseenheid en wie daarvan wordt buitengesloten. In de loop van de geschiedenis hadden “de Nederlanders” vaker de gelegenheid om te wennen aan veranderde samenstellingen van het nationale “wij”.
4.
Sinds enige tijd voelen zich de democratische volkspartijen wederom geroepen om hun nationale volkseenheid nieuw te definiëren. Ze doen aan vreemdelingen, waaronder talrijke moslims, een inburgeringsaanbod. Niet alleen de nakomelingen van Nederlanders zijn Nederlands – een lot dat hen automatisch, zonder dat ze daarvoor hebben gekozen, te beurt valt; ook een buitenlander mag Nederlander worden, zelfs iemand zonder christelijk-avondlandse socialisatie: in de ogen van “rechtspopulisten” een schandaal en, in combinatie met veel te makkelijk toegekende verblijfsrechten, de eerste stap in richting ondergang van het Avondland.
5.
Daarbij stemmen deze “rechtspopulisten” met de toonaangevende democraten, die toch al hun inspiratiebron zijn, volledig overeen wat de aangelegde nationale maatstaf betreft. Ook Rutte, Leers en hun voorgangers willen niets anders dan een halt toeroepen aan de dreigende ontwrichting van de volkseenheid, hetgeen ze vooral opmaken uit het oprichten van (vaak verpauperde) “islamitische parallelmaatschappijen”. Ook zij beogen de volkseenheid als intacte gemeenschap van zedelijk sterke, in de geest van het hoogste wereldlijke gezag – de kernwaarde heet hier Nederland resp. grondwet – opgevoede staatsburgers te handhaven. Ook zij verdenken in eerste instantie zeer principieel elke buitenlander van “deloyaliteit” tegenover de overheid, juist omdat hij buitenlander is. En ook zij zien in de islamitische geloofsgemeenschap een concurrentie op het gebied van zedelijkheid, wellicht de voedingsbodem voor fundamentalisme en terrorisme.
6.
Uitsluitend over het teweegbrengen van een zedelijke volksgemeenschap onderscheiden zich de meer realistische beroepsnationalisten uit het (gedoog-) kabinet van hun fanatieke beroepscollega’s uit het uiterst rechtse spectrum, de zogenoemde “rechtspopulisten”. De traditionele democraten weten immers dat ze het grote aantal buitenlanders met “on-Nederlandse zeden en geloofsbelijdenis”, dat sinds geruime tijd hier te lande leeft en merendeels zoals gewenst functioneert, niet zomaar kunnen uitwijzen. Ze beseffen dat de radicale oplossing, die “rechtspopulisten” openlijk en zij als “ware” democraten slechts stiekem prefereren, onafzienbare nationale en vooral internationale gevolgen voor het Nederlandse staatswezen zou hebben. Zo hebben ze na enkele decennia ingezien dat ze de “vreemdelingen” moeten accepteren; en uit dit besluit en zijn wreed alternatief blijkt een xenofobische logica die nauwelijks verschilt met de propaganda van “rechtspopulisten”: óf de allochtonen bewijzen in de praktijk hun integratiewil, worden met huid en haar Nederlanders die met al hun denken en doen achter het Nederlandse staatsgezag staan – óf ze hebben hier niets te zoeken. En tegenover de moslims onder hen luidt de integratie-eis mutatis mutandis: óf ze beschouwen Nederland en hun lot als door God resp. door de profeet gewild, óf…
7.
Het is deze van de moslims geëiste integratiewil – aan te tonen door taal, voldoende inkomen, gehoorzaamheid aan de wet, opgeven van het oorspronkelijke staatsburgerschap, moraal en weetjes over de Nederlandse politiek, cultuur en geschiedenis – die Wilders en zijn “rechtspopulisten” zeer fundamenteel en met gebruikmaking van alle bekende varianten van racisme betwijfelen. Ze zijn fanatici van de verdenking tegen het “vreemde” (waar trouwens elke vreemdelingenwetgeving op berust) en verwijten de regerende politici het “gevaar van het Islamisme” te bagatelliseren. Daarbij stappen de heersende democraten met hun integratiebeleid geenszins af van hun principieel voorbehoud tegen islamitische buitenlanders. Integendeel: ten eerste behouden ze zich het definitieve oordeel erover voor of de alomvattend getoetste immigranten daadwerkelijk de gewenste mate van Nederlands patriottisme opbrengen, waarvan ze het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit afhankelijk maken; en ten tweede zijn de immigranten dan niet simpelweg Nederlanders, maar ze blijven nog generatie lang Nederlanders met een “migratieachtergrond”. Men kan immers nooit weten, weet de democraat, wie zich in geval van oorlog zal ontpoppen als vijfde colonne van de vijand.
8.
Het wantrouwen en de verdenking die tegenover de moslims na 9/11 werden verscherpt, zijn de basis voor een passende aanvulling op de integratiepolitiek. Dezelfde mensen wier integratiewil in theorie en praktijk wordt getoetst, zijn namelijk tegelijkertijd het onderwerp van veiligheidsmaatregelen die deel uitmaken van het binnenlandse anti-terreurbeleid. De vermeend menslievende integratiepolitiek (“bestrijding van achterlijkheid”) is kennelijk een hoofdstuk van de nationale anti-terreurpolitiek: goede Nederlandse moslims, daarop bouwen Rutte, Opstelten, Leers en co. in tegenstelling tot Wilders en co., zijn geen volgelingen van een door Mohammed bezield terreurnetwerk; want ze zijn geheel vrijwillig gehoorzaam aan het hoogste gezag in de kleuren rood-wit-blauw.

*

Wie de Nederlandse democratie, de civiele maatschappij of zelfs de Europese Unie beschermen wil tegen “rechtspopulisten” gaat ten eerste voorbij aan de slechte behandeling waar de buitenlanders hier normaliter aan onderworpen zijn, en heeft ten tweede niet begrepen dat de rechtsradicale scene het fanatieke “bijproduct” is van de democratische vreemdelingenpolitiek in tijden van toenemende volksverarming in de metropolen en globaal gevoerde westerse anti-terreuroorlogen. Wie de stemmenwinst van rechtsradicale partijen als gevaar beschouwt, zou zich moeten afvragen welke politieke agenda’s eigenlijk die kiezers goedkeuren die steeds opnieuw op de “gewone” democratische volkspartijen stemmen. En wie ten slotte de oorzaak voor het groeiende “rechtspopulisme” daarin ziet dat de burgers ontevreden en verbitterd zijn over de “sociale bezuinigingen” in Europa, daaruit echter uitsluitend en uitgerekend een bedreiging van de eenheid tussen volk en staat afleidt (“Populisme is het resultaat van een gestoorde communicatie tussen elite en volk…¨: verschillende commentatoren) en dan de conclusie trekt dat de regerende democraten een betere verstandhouding met het volk moesten opbouwen (door “minder abrupte sociale veranderingen, het verkleinen van de kloof tussen winnaars en verliezers van de modernisering…”), die openbaart dat hij een voorstander is van juist het loyale staatsvolk en van juist die volkseenheid die de “rechtspopulisten” door de uitsluiting van moslims en de regerende politici door een mengeling van integratiebeleid, dreiging met uitzetting en veiligheidsmaatregelen willen creëren. Bovendien zijn er nog linkse groepen die hetzelfde ideaal met soortgelijke middelen willen bereiken, bijvoorbeeld door iets minder harde ingrepen in de sociale zekerheid, door het verzinnen van perspectieven (voor degenen die momenteel elk perspectief kwijtraken als gevolg van het regeringsbeleid), door meer kansen voor kansarme allochtonen of door compensaties voor de verliezers (die juist door hun opgelegde verliezen voor de winst van de winnaars zorgen)…; een armoedig bestaan – maar dan zonder “rechtspopulisten”, een verleidelijk perspectief.
Zie ook: De buitenlander en het probleem dat hij vormt

Redders en ridders van het Avondland

september 27, 2011

Door bij de Noorse regionale verkiezingen de rechtse partijen een gevoelige nederlaag toe te brengen, hebben de Noren de daad van hun landgenoot Anders Breivik vooreerst verwerkt: als singuliere daad van zinloze wreedheid en boosaardigheid. Daarbij heeft Breivik, die voor de massamoord een eerder onopvallende burger was, de redenen voor zijn daad in een dik manifest via het internet uitvoerig toegelicht. Hij doet veel moeite om zijn bloedbad als consequente conclusie uit zijn politieke bedoeling voor te stellen. Hij wil niets minder bereiken dan het christelijke Avondland te redden voor de Islam, die zich als hoofdvijand zou hebben genesteld in de Europese samenlevingen. De publieke opinie heeft nota genomen van zijn politieke stellingen, en sommige commentatoren is zelfs opgevallen dat die niet bijster opzienbarend zijn en gedeeltelijk zelfs ‘midden in de samenleving’ circuleren. Hiermee is de kous af: men neemt de ‘onbegrijpelijke daad’ ter kennis en verdiept zich niet verder in het denken van Breivik - hij wordt immers beschouwd als doorgedraaide gek die uiteindelijk bezeten is door ‘het kwaad’.

Wat zijn “waanwereld” betreft: het is overduidelijk dat Breivik aanknoopt bij een uiterst moderne traditie: sinds de aanslag op het World Trade Center in New York door terroristen uit de Arabische regio voeren de VS en hun bondgenoten een wereldwijde oorlog tegen elke vorm van anti-Amerikaans geweld en tegen alle gebieden die verklaard worden tot broednesten van terreur. De nog steeds actuele oorlogsgebieden zijn Irak en Afghanistan. De lessen en inzichten die de westerse statenwereld met het begin van haar anti-terreur-oorlog in omloop heeft gebracht, vond Breivik blijkbaar zeer overtuigend - als men hem al misleid wil noemen, dan in die zin dat hij zich daarvan liet leiden. Het is de rechtvaardigingsleer, waarmee de westerse staten hun oorlog tegen het terreur opsmukken, waar hij zich met hart en ziel aan wijdt. De VS en hun bondgenoten hebben hun oorlog namelijk niet gerechtvaardigd met hun wereldmachtbelangen die ze bedreigd zien door een fanatiek-religeuze opstand, maar met hun heilige taak (over waanzin gesproken) de hoogste waarden van het christelijke Avondland te moeten beschermen tegen de vermeend middeleeuwse Mohammedaanse religie, omdat die dogmatisch zou zijn en de kiem van geweld in zich zou dragen. Over deze zienswijze waren ze het allemaal eens, de pers, de partij- en staatsleiders alsook paus Benedictus. De terreurgroepen die zich op de profeet Mohammed beroepen, willen niet achterblijven en verheffen hun strijd tegen de westerse suprematie tot een ‘heilige oorlog’ die de Islam zou moeten voeren tegen de ‘kruisvaarders’ uit het Avondland.

Al deze voorstellingen zijn onzakelijk want ze verwisselen oorlogsreden en oorlogsredenering. Het is een echte grap wanneer westerse regeringsleiders hun oorlog legitimeren met de vermaning aan het adres van hun tegenstanders dat geweld geen middel van de politieke strijd zou mogen zijn. Dergelijke staatslieden hebben immers niets tegen geweld, maar uitsluitend tegen het geweld van de anderen.

Het resultaat uit de rechtvaardiging van de oorlog door de christelijke traditie van het Avondland is opmerkelijk. Het nationale belang wordt zo als dienst aan supranationale universele menselijke waarden voorgesteld en daarmee onaanvechtbaar: zo’n onzelfzuchtig mensheidsideaal van het christelijke Avondland en zijn gewapende arm, de NAVO, kan alleen iemand bestrijden die zelf inhumaan is, dus ‘het kwaad’ belichaamt. De metamorfose is daarmee compleet: een oorlog van politieke mogendheden wordt veredeld tot een cultuurstrijd tussen Avondland en Morgenland.

Dit leugenachtige rechtvaardigingsargument vond de Noorse patriot kennelijk zo plausibel dat hij het verschil niet zag tussen de reden en de redenering voor de oorlog: hij beschouwt de ideologie over de oorlog als de inhoud daarvan. Hij gelooft wat men hem wijsmaakt, namelijk dat een cultuurstrijd woedt tussen het moderne christelijke Avondland en het premoderne Morgenland. En wel een cultuurstrijd van apocalyptische dimensies: er zou niet minder op het spel staan dan het bestaan van het Avondland überhaupt, Noorwegen inbegrepen. (Trouwens: de commentatoren die de spot drijven met Breivik’s bewondering voor de tempelridders en zijn waarschuwing voor de Saracenen kunnen misschien beter eens terugdenken aan hun geschiednisles; toen kregen ze ingepeperd dat het ‘Avondland’ 732 tussen Tours en Poitiers en 1529 en 1683 voor de poorten van Wenen gelukkig werd gered voor de aanval van de wilde hordes uit het ‘Morgenland’…)

Breivik is zo’n fanatieke Noor dat hij ontzet is over de toestand in zijn vaderland. Daar hij zich laat leiden door de rechtvaardigingsleer van de anti-terreur-oorlog ziet hij de vijand al midden in het eigen land: de volgelingen van Allah blijven zich uitbreiden en zullen, als men hen geen halt toeroept, geleidelijk de macht overnemen. Sterker nog: ze breiden zich uit met uitdrukkelijke toestemming van de nationale overheid. Ongeveer 20 miljoen islamgelovigen wonen in de staten van de EU omdat ze als arbeidskrachten bruikbaar zijn of als politieke vluchtelingen gehuisvest worden. Zoiets is voor sommigen, Breivik in de voorste gelederen, een ondraaglijke tegenstrijdigheid. Het stelt hen niet gerust, maar spoort hen juist aan dat de opnamelanden deze andersgelovigen principieel ervan verdenken een vijandelijke gezindheid mee te brengen - wellicht zelfs in de bijzonder boosaardige gedaante van ’slapers’ die als brave burgers vermomd de volgende terreuraanslag beramen - en hen alomvattend controleren en observeren. De verdachten moeten actief bewijzen - genoodzaakt door de ‘integratiepolitiek’ - dat ze ‘bij ons passen’ en niets zullen ondernemen dat in strijd is met ‘onze waarden’. Niettemin staan ze voortdurend onder verdenking ‘heel anders’ te zijn en nooit helemaal bij ‘ons’ te horen. De middels de ideologie van de ‘cultuurstrijd’ verkondigde fundamentele vijandschap wordt door de integratiepolitiek van overheidswege natuurlijk gerelativeerd. Deze relativering is voor staten echter niet moeilijk omdat ze immers de allerlaatsten zijn die daadwerkelijk geloven in hun rechtvaardigingsleer: met de apocalyptische leus van de ‘cultuurstrijd’ wordt de anti-imperialistische islamitische terreur bedoeld, maar niet de gehele Arabische resp. islamitische statenwereld. Goede bondgenoten als Saoedie-Arabië en andere worden niet alleen daarom al tot vijanden verklaard omdat daar islamitisch wordt geloofd en geregeerd. En als de koran-gelovigen hun religie als privé-zaak zonder politieke ambities uitoefenen en daarnaast hun plichten als arbeidskrachten en burgers nakomen, mogen ze doen wat ze moeten, namelijk voor hun opnameland nuttig zijn - waar hun verblijfsrecht sowieso op berust. De politiek in de Europese staten maakt een verschil tussen de volgelingen van Allah, scheidt hen in ‘goede’ die moslims heten en in ‘kwade’ die als ‘islamisten’ vervloekt worden, omdat hun geloof gepaard gaat met politieke kritiek en vijandige instelling.

Zulke inconsequentie kan Breivik niet begrijpen. Als de Islam de verkeerde religie is die het Avondland wil onderwerpen en zijn christelijke identiteit wil verbieden, hoe kunnen de aanhangers daarvan opgedeeld worden in ‘goede’ en ‘kwade’? Hij vindt het voor de hand liggen dat het beroepen op de hoogste waarden samengaat met het absolute recht en de plicht om het nodige geweld aan te wenden tegen de onverteerbare vreemde cultuur. Wat de geldigheid en onbetwistbaarheid van deze waarden betreft weet hij zich zowel door de meerderheid van de samenleving alsook door de staat gesteund. Maar als dat zo is, waarom weigert de natie de ‘per se noodzakelijke’ oorlog te voeren? Waarom laat ze zich alleen al door de aanwezigheid van de vijand ‘ondermijnen’? Dat ligt volgens Breivik aan de miserabele toestand van de natie, aan ‘multicultuur’, ‘feminisme’ en ‘cultuurmarxisme’, zoals zijn vijandbeelden heten. En daaraan debet is de politieke leiding, de sociaaldemocratie incluis haar jonge aanhang, die dat alles niet slechts toestaat maar bevordert. Voor Breivik is dit een doelbewuste ondermijning van de weerbaarheid, opzettelijk erop gericht de vaderlanden uit te leveren aan de vijand - en zo’n landverraad moet worden gestraft.

Met zijn massamoord voltrekt hij wat hij opmaakt uit de boodschappen van zijn nationalistisch gezinde leermeesters. Daarmee onderscheidt hij zich natuurlijk van zijn normale nationalistische medeburgers. Die delen weliswaar zonder meer Breivik’s mening resp. ‘waanbeeld’ dat het vaderland voortdurend bedreigd wordt door buitenlandse krachten en culturen, maar het heft in eigen handen te nemen, is de meerderheid uiteraard niet van plan. Dat is de taak van de politiek; en als men daarover ontevreden is, wordt er gemekkerd en soms ook op een rechts-populistische partij gestemd, die het nationalistische ongenoegen uitdrukkelijk in haar programma schrijft. Voor de rest heeft men het druk met zijn dagelijkse zorgen. Dat is juist het materialisme en de onverschilligheid die volgens de visie van Breivik zijn vaderland te gronde richten. Als niemand anders het doet, moet hij de ignoranten wakker schudden om het Avondland te redden.

Zie ook: Gegenstandpunkt 3 - 11

Illusies over crisis, democratie, markteconomie

september 22, 2011

In Spanje, Griekenland, Frankrijk en elders komen grote mensenmassa’s bijeen, waaronder merendeels jongeren, en protesteren. Ze tonen zich diep teleurgesteld, noemen zich grensoverschrijdend “de verontwaardigden” en hebben één ding gemeen: ze kunnen niet begrijpen en accepteren hoe hun staten met hen omspringen; op hun spandoeken staat de leus: Wij zijn geen vijanden van het systeem – het systeem is vijandig tegenover ons.

Dat klopt ongetwijfeld. Het “systeem” is vijandig tegenover hen. Een aanval op hun levensomstandigheden heeft plaatsgevonden en gaat maar door. Hun bestaan, dat toch al moeilijk genoeg was, wordt niet alleen moeilijker maar op steeds grotere schaal onmogelijk gemaakt. Steeds meer mensen, en vooral de vaak aangehaalde “goed opgeleide jongeren”, worden blijvend werkloos gemaakt, de staten bezuinigen meedogenloos op sociale uitkeringen etc. Het “systeem” ontneemt hen het perspectief waaraan ze gewend waren. Daar stellen ze tegenover dat ze toch niets onredelijks eisen als ze hun gewend bestaan willen voortzetten, en dat ze toch heel gewone mensen zijn die helemaal niet kunnen navoltrekken waarom ze zo rücksichtslos worden behandeld: “Wij zijn normale mensen. Wij zijn als jij: mensen die elke ochtend opstaan om een studie te volgen of een baan te vinden, mensen met gezinnen en vrienden, mensen die elke dag hard werken.” (Manifest van de Spaanse demonstranten}

Hierbij stelt zich de vraag: hoe komen de demonstranten er op dat ze door hun normaliteit aan te voeren over een soort recht beschikken, een billijke eis dat hun overheid dient rekening te houden met hen? En omgekeerd: begaat de overheid een vergrijp als ze de normaliteit nieuw definieert? Want juist dat gebeurt, en dat willen “de verontwaardigden” niet begrijpen.

Ze zeggen dat ze er aan gewend zijn om hard te werken. Ze zeggen ook dat ze er aan gewend zijn om met bescheiden wensen door het leven te gaan – en tonen deze houding als het ware als kwaliteitskenmerk wanneer ze betuigen: wij eisen toch niets bijzonders, alleen maar ons normaal vertrouwd bestaan. Ze verklaren dus hun bereidwilligheid in dit systeem als klein raadje – verder –  mee  te draaien. Daarbij hebben ze datgene waar ze hun diensten willen verrichten niet uitgekozen, laat staan zelf bedacht. Veeleer werd deze normaliteit opgericht en kant en klaar voorgeschoteld, namelijk door hun overheid. Die heeft met haar wetten tot in het kleinste detail geregeld hoe deze normaliteit eruit moet zien resp. hoe men zich daarin te bewegen en te bewijzen heeft. Zij heeft bepaald hoe men zijn levensonderhoud mag verdienen en hoe men ook zonder inkomen moet zien rond te komen, hoe men een gezin sticht en organiseert, wanneer men met pensioen gaat etc. Kortom: binnen de normaliteit waar “de verontwaardigden” naar terugverlangen, waren ze niets anders dan afhankelijke variabelen van de staat. Als ze  zeggen: “Wij hadden een kans, die men ons nu ontneemt”, dan was dat een kans die de staat heeft gecreëerd – niet om de mensen hun normaliteit te gunnen, maar volgens zijn berekeningen en uit eigenbaat. Daaraan is helemaal niets veranderd – uit het tegenwoordige handelen van de staat dat “de verontwaardigden” ondervinden en verafschuwen, blijkt maar één ding: op basis van de bestaande regelgeving nemen de verantwoordelijke politici wetten aan die de nieuwe normaliteit creëren, diegene die voor de staat noodzakelijk is – en als hij de levensnoodzakelijkheden van de mensen beschadigt dan drijft de staat zodoende zijn noodzakelijkheden door. Het is nu eenmaal geen ingebakken eigenschap van het “systeem” zich te laten leiden door de levensnood-zakelijkheden van de onderdanen; integendeel: hun levensomstandigheden worden opgelegd en zij moeten zich laten leiden door datgene wat dit “systeem” voor zich noodzakelijk acht. Het maakt duidelijk hoe de berekeningen van de “gewone mensen” zich verhouden tot de berekeningen die in dit “systeem” gelden. Wat dit “systeem” momenteel per se nodig vindt, is trouwens geen geheim, het wordt zelfs onverholen gezegd: deze samenleving, de moderne markteconomie, berust op en leeft van het functioneren van het kredietsysteem – en als de “redding” daarvan op de eerste plaats komt, is er niet alleen iets belangrijker dan de normaliteit van gisteren, waar “de verontwaardigden” heimwee naar hebben, maar dan is deze normaliteit met de beoogde redding van het kredietsysteem kennelijk onverenigbaar. Zoals de Griekse minister van Financiën zei: “Onze maatregelen zijn hard en onrechtvaardig, maar er is geen andere weg.”

“De verontwaardigden” zeggen: Het systeem is vijandig tegenover ons. Ze constateren dus dat het systeem met zijn maatregelen generlei rekening houdt met hun levensomstandigheden. Zeer duidelijk zeggen ze echter ook dat ze niet van plan zijn tegenmaatregelen te nemen: Wij zijn geen vijanden van het systeem. Het “systeem” voert strijd tegen hen, maar zij willen geen strijd voeren tegen het “systeem”. Met deze tegenstrijdigheid gaan ze zo om dat ze voortdurend maar bezweren: zien jullie niet wat jullie ons aandoen, dat kan toch niemand willen, dat hebben wij toch niet verdiend! Het gehele protest is doordrongen van hardnekkig onbegrip en kinderachtig idealisme, het is gejammer in de vorm van bezwaar, samengevat in de uitroep: dat kan toch niet waar zijn!

Het is echter waar, en “de verontwaardigden” zoeken naar verklaringen voor het eigenlijk onbegrijpelijke. Op de verklaring dat het “systeem” nu net als vroeger volgens zijn noodzakelijkheden handelt en dat “de verontwaardigden” nu net als vroeger het materiaal daarvoor zijn, komen ze niet of – wij zijn geen vijanden van het systeem – willen ze niet komen. Het eigenlijk onbegrijpelijke kunnen ze alleen zo verklaren dat er een grove afwijking, een vergrijp plaatsvindt, namelijk van het “systeem” tegen zichzelf. Als het “systeem” dat toch een normaal bestaan mogelijk maakte dit nu opeens onmogelijk maakt, dan kan dat volgens hun mening alleen daaraan liggen dat een boze wil ageert en zich doorgezet heeft – in plaats van de reden voor het handelen van het “systeem” te zoeken, zoeken ze dus schuldigen binnen het “systeem”. Dat kunnen natuurlijk niet de gewone mensen zoals jij en ik zijn, maar uitsluitend de “machtigen”: die zijn onverantwoordelijk bezig en verzaken hun eigenlijke taak: het behoud van de “normaliteit”; en ze doen dit omdat ze slechts op hun eigen voordeel uit zijn en het ware, het schone en het goede voor zilverlingen verraden en verkopen. Kortom: het “systeem” handelt niet op basis van zijn eigen wetgeving, maar het is ontaard in een schending van het recht – corruptie, waarheen men ook kijkt. In de woorden van een manifest: “Wij zijn bezorgd en woedend ten aanzien van het politieke, economische en maatschappelijke perspectief: de corruptie onder politici, zakenlieden en bankiers maakt ons hulpe- alsook sprakeloos. En deze situatie is inmiddels normaliteit – dagelijks leed zonder hoop.” (Manifest DRY)

Het is ten eerste een raadsel waarom dezelfde politici, zakenlieden en bankiers die voor de oude vermeend uithoudbare normaliteit verantwoordelijk waren en deze garandeerden zo plotseling een criminele loopbaan hebben gekozen. Het is ten tweede een fout het vertrouwen in deze figuren, de Zapateros en de Papandreous, op te zeggen, zelfs als het heel radicaal klinkt: Jullie moeten allen opkrassen! Zo’n afkeuring richt zich immers niet tegen de legitieme machtsbevoegdheden krachtens hun ambt, maar uitsluitend tegen de personen. Kan daaruit iets anders resulteren dan andere personen die dezelfde ambten bekleden? Vandaar dat, ten derde, de opwinding over corruptie belachelijk is – want wat zijn persoonlijke zelfverrijkingen vergeleken met de macht die personen volgens alle regels van de democratie tegen anderen kunnen uitoefenen! Maar dat alles interesseert “de verontwaardigden” niet – als ze maar hun schuldigen ontdekken en verder in het eigenlijk goede “systeem” kunnen geloven. De schuldigen nu met alle macht en middelen te bestrijden, zijn ze echter ook niet van plan; veeleer willen ze bij de “machtigen” indruk maken door aanklagend hun “hulpe- en sprakeloosheid” te laten zien. Waarom menen ze daarmee gehoor te vinden bij de “machtigen”? Is het zo dat ze zich helemaal niets anders kunnen voorstellen dan dat hun levensomstandigheden verder door politici, zakenlieden en bankiers worden bepaald, dat ze verder hun voorwaarden en voorschriften moeten nakomen? “Dagelijks leed zonder hoop” zeggen ze pathetisch – ze willen dus weer kunnen hopen. Zijzelf zijn “hulpe- en sprakeloos” en kunnen alleen maar hopen dat de “machtigen” weer tot bezinning komen, want uitsluitend die kunnen hen weer een betere normaliteit verschaffen. Een merkwaardig protest!

Zie ook: Gegenstandpunkt 3 - 11

Mooie nieuwe wereldorde

september 20, 2011

Irak, Afghanistan, Libië… –

De onstilbare behoefte aan geweld in de statenwereld

en de verdere ontwikkeling van het volkerenrecht

Civiel kan men de toestanden in de wereld niet noemen. Door de VS en hun uiteenlopend samengestelde allianties wordt er altijd ergens met oorlog gedreigd of oorlog gevoerd, terwijl elders potentiële of voormalige oorlogspartijen door internationale troepenmachten worden gescheiden en puinlandschappen, resulterend uit oorlogen, als “failed states” voortbestaan.

Dat betekent echter niet dat het er ongeciviliseerd aan toegaat, want het recht – van de volkeren of zelfs van “de mens” – is steeds aanwezend waar staten militair optreden: onverschillig of het daarbij gaat om “terrorisme”, “illegaal bezit van massavernietigingswapens” of om het niet nakomen van de “beschermingsplicht” van een regering ten aanzien van haar volk: juist de oorlogen van “het vrije Westen” tegen Afghanistan, Irak, Libië…pretenderen zonder meer maatregelen te zijn om het internationaal geldige recht te herstellen.

De goede reputatie van het volkerenrecht, namelijk dat het respect voor de soevereiniteit van staten het tussenstatelijke geweld zou beperken tot het noodzakelijke minimum van uitzonderingen, hoort tot het verleden. Nu wordt er gewaarschuwd dat het beginsel van soevereiniteit en niet-inmenging voornamelijk terreur-clanchefs en nucleaire en andere schurkenstaten zou beschermen. En dat is uit den boze: vooral binnen het westerse waarden-blok concludeert elke competente staatsman, en de publieke opinie sowieso, uit de principes van het volkerenrecht het recht en de plicht om de grotendeels onbetrouwbare rest van de statenwereld op de vingers te kijken en eventueel te tikken. Met leuzen als “onze vrijheid wordt ook in Afghanistan verdedigd”, met verwijzing naar gevaarlijke wapens in verkeerde handen, met waarschuwingen voor “failed states” die buiten controle zouden kunnen geraken of voor terroristische misdadigers, die zich nergens mogen veilig voelen, wordt de tamelijk vergaande interventiebehoefte van de westerse alliantie onder leiding van de VS gemotiveerd en tevens gerechtvaardigd. Ze beroepen zich daarbij in toenemende mate op het helemaal niet buiten werking gestelde, maar in die zin behoorlijk gemoderniseerde en modern geïnterpreteerde volkerenrecht, dat interventies soms veroorlooft, soms noodzakelijk maakt. Dit gelijkstellen van de hoogste permissie resp. plicht om oorlog te voeren met de reden daarvoor gaat echter voorbij aan de werkelijke samenhang tussen geweld en recht namens de volkeren. Aanwijzingen zijn er rijkelijk.

Het begint ten eerste ermee dat het besluit om militair op te treden altijd al vaststaat voordat de tot oorlog bereide naties proberen het navenante “robuuste mandaat” van de bevoegde instanties te krijgen – anders zouden ze ook helemaal niet weten wat voor’n soort mandaat ze nodig hebben en willen. Ten tweede bestaan de diverse inzake volkerenrecht verantwoordelijke instanties met aan de top de VN-veiligheidsraad uit niemand anders dan de staten zelf die dan het recht toekennen dat ze moeten naleven. Ten derde blijkt hieruit een sortering van de statenwereld die vragen opwerpt: tegenover de geprivilegieerde minderheid met vetorecht in de veiligheidsraad die het volkerenrecht vorm geeft, staat een meerderheid van staten die dit vooral moet accepteren en zich moet onderwerpen aan de controle door de potente mogendheden. Een verschil dat nagenoeg volledig congrueert met het enorme verschil in economische en militaire machtsmiddelen waar de leden van de volkerenfamilie over beschikken, en waarvan het redeneren met het volkeren- en mensenrecht kennelijk volkomen abstraheert. Ten vierde wordt bij elke van deze affaires duidelijk dat ook een rechtsconform genomen besluit van de “volkerengemeenschap” geenszins objectief dwz. gescheiden van de politieke standpunten van de staten nauwkeurig vaststelt waartoe de respectievelijke volgens het volkerenrecht bindende VN-resolutie de staten op die ze gemunt is eigenlijk verplicht: of bijvoorbeeld de in Libië gegeven opdracht “de civiele bevolking te beschermen” de jacht op de boosdoener Gaddafi uitsluit, toestaat of zelfs gebiedt, is een blijvend controversiële, namelijk concurrentiekwestie tussen de staten die zich geroepen voelen over deze militaire aangelegenheid mede te beslissen.

Het praktische standpunt van tot oorlog bereide politici dat dankzij het geschreven – en soms ook ongeschreven – hogere recht inzake militair geweld toch alles zonneklaar en legitiem zou zijn, kan men dus beter niet theoretisch navoltrekken. Maar in plaats daarvan liever aandacht besteden aan de vraag wat de democratische markteconomie van juist de succesvolste economische en militaire mogendheden onder leiding van de VS ermee te maken heeft dat hun behoefte aan militair optreden evenmin uitsterft als hun behoefte aan een volkerenrecht dat algemeen verbindend regelt wie welk geweld mag gebruiken en wie niet. De verdere ontwikkeling van hun concurrentie om macht alsook van hun volkerenrecht kenmerkt de nieuwe wereldorde, dus het hedendaagse imperialisme. Meer daarover in: Het financierskapitaal IV

Imperialistische geldzorgen

augustus 23, 2011

Sinds maanden wordt de agenda van de wereldpolitiek weer bepaald door de globale financiële crisis. Pers en televisie houden de burgers dagelijks op de hoogte van het doen en laten van degenen die financiële markten heten en hun zaken doen met speculaties op financiële titels. Men komt te weten dat er gespeculeerd wordt tegen de staatsobligaties van Europese staten en dat staten beurtelings naar de rand van het faillissement worden gedreven; men wordt vertrouwd gemaakt met de activiteiten van ratingbureaus die de schuldtitels van de VS verlagen en zo paniekachtige reacties op de beurzen veroorzaken. En men wordt bekend gemaakt met de inspanningen van regeringen die proberen de negatieve uitwerkingen van dit doen en laten op de staatsfinanciën en het geld van de naties onder de knie te krijgen.

Bij elke reddingsactie waarmee de regeringen de markten willen kalmeren en het kredietsysteem overeind houden, komt de bange vraag op: zijn ze succesvol? Achteraf mag er dan weer gesomberd worden dat de maatregelen wellicht weer tekortschieten… Zo worden de burgers, die noch op de beurs speculeren noch een regeringsfunctie uitoefenen, bij deze zorgen betrokken als waren het hun eigen. Volkomen vanzelfsprekend gaat iedereen ervan uit dat “de gewone man” getroffen wordt door alles wat beurzen en regeringen uitvoeren. Dat het geld dat hij verdient en waarmee hij moet rondkomen eveneens beschadigd wordt als de zaken van het financiële kapitaal slecht gaan, staat voor iedereen vast als een natuurgebeuren. Waarom dat zo is, komt men weliswaar nauwelijks te weten, maar de boodschap wordt toch ontvangen: dat men als “gewone man” eigenlijk alleen maar afwachten kan en zijn hoop erop moet vestigen dat de werkelijke bazen over het geld hun metier beheersen.

De zorgen van normale burgers of de overheid haar best doet om “onze euro” te redden, zijn behoorlijk verkeerd. Ze zien namelijk bewust over het hoofd wat dit “best” eigenlijk is dat de regeringen doen om de financiële crisis te bedwingen:

- Wat is er aan de hand als Europese politici bijeenkomen om een noodfonds voor de euro te construeren en daarbij per se een bijdrage van de grote financiële instellingen verwachten – en wel vrijwillig? Blijkbaar hechten de politieke leiders er grote waarde aan dat hun maatregelen ter crisisoplossing juist die banken gunstig stemmen die ze bij andere gelegenheden, voor het grote kiezerspubliek, uitmaken voor speculanten. Kennelijk is dit de opperste richtlijn van de politiek: dat alles wat ze onderneemt om het krediet te waarborgen bij de commerciële berekeningen van degenen past die de schade op de markten momenteel aanrichten.

- Wat is er aan de hand als Merkel en Sarkozy elkaar ontmoeten om over een nieuwe Europese economische regering te praten – en tevens verkondigen dat de politiek alles noodzakelijke zal doen om het “vertrouwen van de markten” terug te winnen?

Dan geven de politieke leiders te kennen wat hun reddingsmaatregelen beogen: dat het belang van de staten aan een sterke euro en de commerciële calculaties van de kredietsector weer overeenstemmen. Dan is de wereld blijkbaar opnieuw op de goede weg!

Hebben de critici gelijk die uit de georganiseerde buiging van de politiek voor de calculaties van de financiële markten willen afleiden dat de politiek zich lelijk liet beetnemen? Of is het in feite zo dat de rijkdom en de macht van de natie staat of valt met het succes van de zaken van de financiers?

- Wat is er aan de hand als de overheden er onwrikbaar van overtuigd zijn dat de financiële markten gelijk hebben als ze de schuldtitels van staten met wantrouwen bejegenen?

Onverschillig waarom en waarvoor een staat krediet heeft genomen; onverschillig of zijn begroting gisteren nog als solide gold: als de financiële instellingen hem krediet weigeren, luidt de conclusie: de natie heeft boven haar stand geleefd. En dan kent de politiek alleen maar een dogma: wij moeten de kredietgevers bewijzen dat in het betreffende land voortaan uitsluitend solide economische zaken worden gedaan. Dan moet er bezuinigd worden; en dat gaat altijd ten koste van degenen die van loon en uitkeringen moeten leven. Griekenland begint, Portugal, Spanje, Ierland, Italië… volgen. Ter crisisoplossing verordenen de politieke leiders hun volkeren een meedogenloos verarmingsprogramma.

- En wat is er aan de hand als de overheid, die zo nadrukkelijk uit is op de vrijwilligheid van “de markten”, bij het uitvoeren van dit verarmingsprogramma tegen de bevolking weinig waarde hecht aan vrijwilligheid?

Dan geldt: de volksmassa’s hebben het nieuwe niveau van armoede nolens volens te aanvaarden; stakingen, oproer en demonstraties zijn misplaatst als het erom gaat het krediet van de natie te redden. Dit is de leer uit de crisis die de politieke leiders proberen hun volkeren in te peperen; jammer genoeg spreken ze (meestal) niet voor dovemansoren.

De zorg of dergelijke radicale bezuinigingsprogramma’s uit de crisis leiden, kan men dus beter aan de experts overlaten; en zich in plaats daarvan over de redenen voor de crisis buigen – en over de doelstellingen van degenen die hun gehele macht inzetten om het kapitalistische systeem te redden.

*

Europa’s regenten hoeven het natuurlijk helemaal niet te weten: ze handelen in de zin van de marxistische waarheid dat hun schuldeneconomie deel uitmaakt van de maatschappelijke productiewijze, van de verworvenheid dat de arbeid waar de mensen van leven, ondergeschikt is aan het in geld nagetelde eigendom dat de macht heeft als bron van zijn eigen vermeerdering te ageren. Wat Marx als systeem van uitbuiting via loonarbeid geïdentificeerd heeft, dat moet functioneren, precieser: dat moet op nationale schaal zo winstgevend functioneren dat de concurrentiestrijd op wereldschaal wordt gewonnen, dus door andere naties wordt verloren: uitsluitend dan functioneert ook de waanzin dat schulden die generlei zaken genereren, maar het machtsgebruik van de overheid representeren een waarde hebben waar de waarde van het geld op berust, de enige echte rijkdom. Krediet en kredietgeld zijn producten van de kapitalistische productiewijze en deugen uitsluitend omdat en zolang de samenleving met haar arbeid en levensonderhoud in dienst staat van de vermeerdering van het privé-eigendom: het is dit elementaire politiek-economische principe waar Europa’s politici op “terugvallen” wanneer ze, bezorgd over hun valuta, het loonafhankelijke volk zo doelbewust chicaneren en laten chicaneren.

Over de imperialistische geldzorgen en de eurocrisis: Gegenstandpunkt 2-11