ARBEID en RIJKDOM II
Opmerkingen over de kapitalistische verhouding tussen
ARBEID en RIJKDOM
II.
De productiekracht van de arbeid behoort de eigenaar van de productiemiddelen toe die de arbeid betaalt en laat verrichten; door zijn aanspraken is deze derhalve gedefinieerd. Het komt niet op het banale feit neer dat mensen coöperatief en met geschikt gereedschap verreweg meer nuttige dingen vervaardigen dan zij voor zichzelf en voor het verlichten van hun arbeid verbruiken. Volgens de markteconomische bepaling gaat het er veeleer om dat onder het commando van het kapitaal met zijn middelen, dus afhankelijk van zijn condities en calculaties, meer in geld gemeten ondernemingseigendom wordt geproduceerd dan arbeidsloon moet worden betaald.
Dienovereenkomstig geldt als arbeidsbesteding niet de bestede arbeid, dus tijd en inspanning van een mens, maar de voor het “laten werken” bestede loonsom. Niet de graad van behoeftebevrediging meet de opbrengst van de arbeid, maar de verdienste uit de verkoop van de vervaardigde waren in verhouding tot de loonkosten. Als arbeidsprestatie geldt niet de verhouding tussen bestede arbeid en product, maar de geproduceerde warenwaarde per betaalde loonsom. De arbeidsproductiviteit is dus geen technische grootheid, maar wordt rekenkundig bepaald door het zakensucces.
Op deze wijze eigent het kapitaal zich de productiekracht van de arbeid als bron van zijn vermeerdering toe.
1.
Als arbeiders geregeld loon te kort komen dan ligt dat allesbehalve daaraan dat hun arbeid niet meer voortbrengt dan wat zij absoluut nodig hebben en gewoonlijk verbruiken. De “volle etalages” waar de markteconomie beroemd om is tonen aanschouwelijk het tegendeel, vooral diegene waarvan het luxe-aanbod nooit binnen het bereik van de loonafhankelijke mensheid geraakt; en dat alles is slechts een fractie van de overvloed aan nuttige goederen die de werkende leden van de maatschappij produceren. Geen wonder, want wanneer mensen verstand en lichaamskracht aanwenden en de arbeid doelmatig verdelen, dan brengen zij niet alleen hun levens- en productiemiddelen maar ook nog enige technische vooruitgang tot stand; en wanneer zij op het inmiddels bereikte technische niveau te werk gaan, dan wordt de vervaardiging van zelfs de meest gecompliceerde producten slechts minutenwerk. Zo gezien zou het tegenwoordig voor arbeiders geen probleem vormen om zichzelf en allen die tijdelijk niet kunnen werken zonder grote moeite van ieder soort gebruiksgoederen te voorzien – als het daarom zou gaan.
Dat deze aangelegenheid zo consequent en zo fundamenteel anders afloopt, ligt aan de specifieke maatschappelijke eisen en geldende wetten die de arbeid voor loon nakomt. In de markteconomie is het namelijk zo dat het resultaat van de geleverde arbeid degenen die deze uitvoeren überhaupt niets aangaat: het is volledig en zonder meer vreemd eigendom; de arbeiders behoort niets daarvan toe. Het loon wordt weliswaar uit de verkoopopbrengst betaald – waaruit ook anders – maar dat is een deal tussen de loonarbeider die geen van zijn producten in eigendom heeft en de eigenaar van wie de gehele opbrengst is.
Dat komt omdat loonarbeiders – als zij überhaupt werk hebben – al niet meer voor zichzelf werken. Zij kunnen immers slechts actief zijn als een werkgever ze in zijn bedrijf binnenlaat; wat zij daar doen is in elk opzicht de zaak van de ondernemer – juist daarvoor betaalt hij loon. In de praktijk blijft het er uiteraard bij dat de arbeiders hun arbeidskracht en levenstijd in het productieproces inbrengen – dingen die helemaal niet van hun afscheidbaar zijn zoals een stuk eigendom waarover de eigenaar vrij kan disponeren; wat er in het kapitalistische bedrijf plaatsvindt, is in ieder geval hun werkzaamheid, hoe strikt deze ook onder het commando van de ondernemer staat. Desondanks wordt zelfs daarop de categorie eigendom toegepast; en onder het aspect eigendom is de arbeid waarvoor zij worden betaald niet meer hun arbeid. Zij geven hun werkzaamheid, die fysiek uiteraard van hen is en blijft, als een verkocht eigendom uit handen. Dat is een belangrijk punt omdat daardoor over het eigendom beslist is dat de arbeid voortbrengt: daar de arbeid al niet meer aan hen toebehoort die verstand, kracht en tijd aanwenden om bruikbare dingen te vervaardigen, is de waarde van de gefabriceerde producten, het in geld gekwantificeerde eigendom, ook niet aan hen toe te schrijven die de materiële inspanning hebben gedaan, maar aan degenen die daarover als element van hun productieproces beschikken. 7)
De arbeid is en blijft dus productief omdat mensen met geschikt gereedschap doelmatig coöpereren. Dat is ook in het kapitalisme niet anders. De productiekracht van de arbeid is daar echter onder de kosten- en batenberekening van het kapitalistische eigendom gesubsumeerd. En deze calculatie is economisch bepalend.
2.
Als kapitalistische ondernemingen hun eigendom vermeerderen dan gebruiken zij de productiekracht van de arbeid – echter zo dat zij uitsluitend dat als productieve prestatie registreren wat bevorderlijk voor hun eigendom is. En deze prestatie rekenen zij zichzelf toe: hun ingezet kapitaal – niet zo zeer ideologisch ( op dit gebied zingt menig ondernemingsleider met management training graag een loflied op de creativiteit van zijn “medewerkers” ) veeleer heel praktisch: wat de productiekracht van de arbeid voortbrengt dat realiseert zich in de balans van het kapitaal.
In deze balans is onder de rubriek “kosten” niets van de moeite terug te vinden die het de werkenden kost om prestaties te leveren. Inspanningen in de bepalende markteconomische betekenis zijn uitsluitend die van de onderneming: financiële inspanningen die zij zich moet veroorloven opdat er geproduceerd wordt. Daarbij gaat het om twee grote uitgavenposten.
De ene betreft “de arbeidsplaatsen”: de uitrusting van het bedrijf met machinerie, bovendien de aanschaffing van grondstoffen, energie en al het andere dat nodig is om het product te vervaardigen en te verkopen. Wat er aangeschaft wordt, hun materiële hoedanigheid gaat op in het productieproces, wordt opgeteerd, versleten en getransformeerd, op allerlei manieren productief geconsumeerd. Echter uitgerekend die “eigenschap” waarmee de productiemiddelen in de bedrijfsbalans genoteerd staan, hun door de aanschaffingsprijs becijferde waarde, gaat helemaal niet te gronde maar duikt weer op in de gecalculeerde prijs van de geproduceerde waren. De ondernemer moet de prijs weliswaar eerst realiseren om het voorgeschoten geld weer in handen te hebben, maar van zijn eigendom geeft hij voor het productieproces en het verloop ervan niets weg.
Met zijn andere bedrijfskosten, de lonen, helpt hij op eigen rekening zijn werknemers aan eigendom; en als het hem gelegen komt dan vindt hij in alle ernst dat zijn enorme generositeit veel te weinig dank oogst. In ieder geval komt hij zo in het bezit van de arbeidskracht van zijn personeel zodat hij vrij over de productieve inzet ervan kan beslissen. De loonbetaling fungeert daarbij als dwangmiddel. Betaald wordt de vergoeding voor beschikbare arbeidskrachten namelijk heel toepasselijk als prijs van de arbeid voor gewerkte arbeidsuren of, nog dichter aan de doelstelling van de betaling georiënteerd, volgens de maatstaf van een vastgestelde tijdsnorm voor bepaalde verrichtingen of het uitvoeren van hele productiestappen. Deze manier van loonbetaling is de basis van de uitentreuren uitgesponnen ideologische schijn dat de arbeiders rechtvaardig en heel nauwkeurig het “aandeel” betaald zouden krijgen dat hun arbeid aan het product oftewel zijn waarde – voor de kapitalistische calculatie toch al beide hetzelfde – bijdraagt; de waarde van de arbeid zou dus worden betaald. Was dat de waarheid dan zou het slecht gesteld zijn met de kapitalistische balansen: wat bleef er voor de eigenaar nog over als de arbeid met het eigendom betaald zou worden dat hij produceert?! En als het niet het gehele nieuw geproduceerde eigendom zou zijn: hoe zou de arbeid als het ene “aandeel” af te grenzen zijn van het andere “aandeel”, namelijk het feit dat de productiemiddelen aan de ondernemer toebehoren?! Op basis van dergelijke berekeningen zou geen enkele kapitalist ooit een eigen bedrijf begonnen zijn. 8 ) De kunstgreep het loon afhankelijk van de hoeveelheid geleverde arbeid - dus principieel gekoppeld aan tijd inclusief prestatiefactoren - te bepalen en te betalen, volbrengt daadwerkelijk het tegendeel van een zuivere verdeling van moeite en opbrengst tussen werknemer en werkgever. Door deze kunstgreep oefent de loonbetaling een voortdurende dwang uit op de geëmployeerde mensen om aan de eisen te voldoen die het bedrijf volledig eenzijdig en geheel volgens de bedrijfscalculatie aan hen stelt. Doordat het kapitaal met zijn loonbetaling de prijs van de arbeid “betaalt”, dwingt het de mensen namelijk het belang op uur na uur en met de geëiste prestatie deze prijs te verdienen. Het verwijdert daarmee de belemmering voor de toe-eigening van de arbeid, namelijk het feit dat het de werkzaamheid van vreemde personen met een eigen wil betreft, en zorgt ervoor dat de arbeiders zich uit eigen beweging aan zijn prestatie-eisen omtrent tijdsduur en intensiteit van de arbeid onderwerpen; ook flexibiliteit, nachtarbeid en continu ploegendienst, zelfs de aanvaarding van ongezonde werkomstandigheden zijn zo probleemloos op te leggen. Op deze door en door humane, namelijk chanterend de wil van haar werknemers beïnvloedende wijze maakt de kapitalistische onderneming zich meester van de productiekracht van de arbeid, van het eerste arbeidsuur tot de laatste voor het bedrijf nuttige inspanning.
Het gefabriceerde product staat onder de rubriek “baten” in de balans van de onderneming: als pure waardesom. Deze abstractie is niet onpraktisch – wat ze zou zijn als het om de bijdrage tot de maatschappelijke behoeftebevrediging zou gaan – maar ze vat sluitend en definitief samen wat enkel en alleen als arbeidsprestatie telt en veroorlooft het vergelijk met de rubriek “kosten”, waar alles om draait. Het vergelijk beslist of een onderneming “geld gemaakt” heeft – wat niet slechts een uitdrukking uit de omgangstaal voor zakensucces is, maar de aangelegenheid precies kenmerkt: het product waar het om gaat is de in geld becijferde opbrengst in verhouding tot de uitgaven. Men hoeft de producten van een onderneming niet te kennen om op de hoogte te zijn van een onderneming; alles economisch essentiële blijkt uit zo veelzeggende “productiecijfers” als “omzet” en “winst”.
De productiekracht van de arbeid heeft daarmee een exact gedefinieerde inhoud; en die is tevens het criterium om te bepalen of de arbeid überhaupt productief was of, ongeacht de goederen die hij heeft vervaardigd, onproductief gebleven is. De kapitalistische berekening negeert niet alleen de werkelijke arbeidsinspanning; ze beoordeelt ook zeer kritisch het materiële resultaat en laat het slechts gelden als en voor zover ze van het ene cijfer voor “uitgaven” tot het andere voor “ontvangsten” een groei kan constateren. De arbeid bewijst zijn productiekracht óf als bron van winst óf hij is überhaupt niets waard.
Daarbij is het helemaal niet zo dat de arbeid met al zijn productiviteit het onvoorwaardelijk en compromisloos geëiste resultaat zou kunnen waarborgen. Hij vermag niet meer voort te brengen dan een product dat, was het zo gepland, een nuttige bijdrage aan de voorziening van de maatschappij kon leveren. Of het product ook een waarde heeft die de onderneming verrijkt is een volkomen andere kwestie, daarover wordt buiten de arbeidswereld beslist: op de markt waar het niet om nuttige productie maar om geld verdienen gaat. De transformatie van de vervaardigde waren in geld is door de arbeid niet te bewerkstelligen en ook helemaal niet zijn zaak, daar de waren reeds het eigendom van de onderneming zijn en in geld moeten worden omgezet. Des te harder zijn de gevolgen van het oordeel van de markt voor de arbeid: de kapitalistische onderneming doet er alles aan om de productie waar zij over beschikt tot gegarandeerd effectief middel van haar zakensucces te maken. Met de toe-eigening van de productiekracht van de arbeid door het eigendom begint pas de carrière van de arbeid van bron tot middel van al de kapitalistische rijkdom.
*
7)
Waar het op aankomt bij deze werkelijk eigenaardige dubbel-natuur van de arbeid - de productieve werkzaamheid van de betaalde mensen en het aan de onderneming toebehorende proces van de waardevorming - dat is voor de betrokkenen trouwens in de praktijk überhaupt geen geheim: elke arbeider kent zijn arbeid als “job” waarmee hem uiteindelijk verder niets verbindt dan de beslissing van het bedrijf, hem juist deze arbeidsplaats toe te wijzen en zo in te richten als de kosten- en batenberekening van de onderneming vereist; het toekomstgerichte managementidee arbeiders bij de inrichting van “hun” arbeidsplaats te betrekken, draait deze verhouding niet om, maar reageert berekenend op haar onmiskenbare eenzijdigheid. Ook jarenlange gewenning voorkomt niet dat men in de loop van een “bedrijfsmodernisering” afscheid moet nemen van werkgewoontes. Dat het om abstracte arbeid voor vreemd eigendom gaat, toont zich in de kapitalistisch gestylde arbeidswereld zeer concreet – ook als menigeen niet beseffen wil wat hij aan den lijve ondervindt en hardnekkig zijn recht op arbeid eist en zijn functie als aanhangsel van het kapitaal als hem competerende habitat beschouwt.
8)
Feitelijk is de prijs van de arbeid, zoals trouwens iedereen weet en tijdens CAO-conflicten uit elke eis tot conjuncturele loonsverlaging kan concluderen, een zaak van onderhandelingen, dus een machtskwestie; ook de door vakbonden graag voorgeschotelde berekeningen dat de arbeid weer eens productiever is geworden en daarom “adequaat” hoger moest worden betaald, zijn slechts zoveel waard als de daadwerkelijke druk op de werkgevers die de werknemers tot stand brengen – en die nooit erg indrukwekkend uitvalt als dergelijke berekeningen hem moeten legitimeren.
De burgerlijke economische wetenschap heeft weliswaar ook nog nooit afgeleid welke prijs de arbeid waard zou zijn. De ideologie dat het loon precies dat betaalt wat de arbeid – in tegenstelling met de andere “productiefactor”, het kapitaal – tot de productiewaarde heeft bijgedragen, verkondigt zij echter des te onbevangener en beroept zich daarbij met de deze wetenschap kenmerkende ontwapenende dialectiek op het resultaat: daaraan wat de loonarbeiders van de totale opbrengst van de onderneming krijgen en wat de ondernemers voor zichzelf houden, ziet men toch wat de een en de ander heeft bijgedragen – bewijs: anders hadden zij het toch niet ontvangen…
Opmerkelijk aan deze “theorie” van de “factorkosten”, namelijk in de vorm van loon en winst, is trouwens de zo vanzelfsprekende interpretatie van “arbeid” en “kapitaal” als “productiefactoren”. Van de particuliere macht van het geld over de arbeid wil deze wetenschap van het eerste tot het laatste woord niets weten; de kapitalistische onderneming kent ze uitsluitend als neutrale instantie, als organisator van de productie die de twee “factoren” zinvol combineert, productief laat zijn en rechtvaardig betaalt. Maar juist zo drukt zelfs deze kant-en-klare ideologie nog het kapitalistische feit uit, dat de arbeid geïncorporeerd wordt in de kapitalistische onderneming als de haar toebehorende “factor”, als beschikbaar middel onder de productieve doelstellingen gesubsumeerd is. Zo zeer deze zienswijze van het kapitalistische eigendom en zijn heerschappij abstraheert, zo vanzelfsprekend reproduceert ze theoretisch het ondernemers- standpunt dat de arbeid, zodra hij in een bedrijf wordt verricht, aan hem toebehoort.
Op de werkelijke, namelijk in de praktijk geldende kapitalistische berekening die arbeid en kapitaal als kostenfactoren tegenover elkaar stelt en als verwisselbare grootheden behandelt, gaat het volgende hoofdstuk in.
© Gegenstandpunkt Verlag, München